Blaasinstrumenten

Beoordeling 6
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • 1e klas vmbo | 7204 woorden
  • 22 januari 2004
  • 206 keer beoordeeld
  • Cijfer 6
  • 206 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
De Galaxy Chromebook maakt je (school)leven makkelijker!

Met de Galaxy Chromebook Go kun je de hele dag huiswerk maken, series bingen en online shoppen zonder dat 'ie leeg raakt. Ook kan deze laptop wel tegen een stootje. Dus geen paniek als jij je drinken omstoot, want deze laptop heeft een morsbestendig toetsenbord!

Ontdek de Chromebook!
Blaasinstrumenten

Blaasinstrumenten kun je verdelen in houten blaasinstrumenten, koperen blaasinstrumenten en blaasinstrumenten met een klavier. Tot welke van deze groepen een instrument wordt gerekend, hangt niet in de eerste plaats af van het materiaal waarvan het instrument gemaakt is, maar van de bouw en de manier van spelen. Dat is verschillend bij de diverse soorten blaasinstrumenten. Er zitten zelfs verschillen in de instrumenten uit één groep.

De meeste houten blaasinstrumenten hebben een groot aantal gaten. Je kunt niet bij alle gaten met je vingers. Daarom zit er een kleppenmechaniek op de meeste instrumenten. Door middel van een hefboompje dat wel voor de vingers bereikbaar is, kun je gaten openen of sluiten die op een totaal andere plaats zitten. Het geluid kan op verschillende manieren ontstaan. Bij de fluit bijvoorbeeld gaat de lucht trillen door het tegen een scherpe rand te richten. Andere instrumenten (klarinet, hobo, enz.) hebben een enkel of een dubbel riet dat voor het trillen van de lucht zorgt.

Wat je vroeger heel vaak tegenkwam, waren zgn. dubbele, driedubbele, of zelfs viervoudige instrumenten. Dat waren instrumenten met één mondstuk en meerdere pijpen met de vingergaten. Heel vaak waren de pijpen even lang, maar ze konden ook van lengte verschillen. Soms zat er ook nog een baspijp zonder vingergaten bij. Hieronder een afbeelding van een Tiktiri: een dubbele klarinet uit India.

Bij de eerste koperen blaasinstrumenten kon men maar een bepaalde serie tonen spelen. Deze instrumenten werden 'natuurlijke instrumenten' genoemd. Hieronder een plaatje van een natuurlijke trompet.

Het heeft een tijd geduurd voordat elke toon (binnen bepaalde grenzen) gespeeld kon worden. Er kwamen verschillende oplossingen. Men maakte beugels van verschillende lengte, waardoor andere series tonen ontstonden (hoorn); er werden gaten in de instrumenten geboord, zoals bij de houten blaasinstrumenten (klephoorn); het schuifsysteem van de trombone werd toegepast, en er waren zelfs instrumenten waarbij buizen van verschillende lengte tot één instrument werden verenigd (althoorn). De definitieve oplossing kwam door de komst van ventielen, begin 19e eeuw. Deze uitvinding heeft grote gevolgen gehad voor de koperen blaasinstrumenten. Met name in de 19e eeuw werden er dan ook veel koperen blaasinstrumenten ontwikkeld. Een aantal daarvan verdwenen alweer snel.
Tegenwoordige heeft een koperen blaasinstrument drie of vier ventielen. Door het indrukken van een ventiel wordt een buis ingeschakeld, en de toon lager. Zie onderstaande plaatjes:

Het ventielsysteem is eigenlijk een logisch vervolg op de zeven buizen van de althoorn. Elk ventiel schakelt een extra stukje buis in. Met drie ventielen heb je dan zeven mogelijkheden.
Koperen blaasinstrumenten kun je verdelen in scherp koper en zacht koper, waarbij de termen 'scherp' en 'zacht' slaan op het soort geluid dat de instrumenten maken. Tot het scherpe koper worden o.a. de trompet en trombone gerekend, tot het zachte koper de hoorn en de tuba.
Het bekendste blaasinstrument met een klavier is het orgel. Een ander instrument uit deze groep is het accordeon. Bij dit soort instrumenten zitten er rieten in het instrument. Bij dit soort rieten moet je niet denken aan de rieten van de klarinet, hobo, enz., maar meer aan een soort tong van metaal of hout. Deze tong zit aan één kant vast aan het instrument. De tong kan eventueel gebogen zijn. Door het blazen (mondorgel), zuigen (harmonica), of het bedienen van een blaasbalg (accordeon) gaat het riet en de lucht eromheen trillen en ontstaat er geluid.


Chalumeau

De chalumeau was de voorloper van de klarinet. Het was een simpel instrument met een enkel riet. Eén van de opvallendste kenmerken van het instrument was de ongelooflijk lage klank in relatie tot de kleine afmeting. Hij kon 8 tonen lager komen dan een blokfluit van dezelfde lengte. Doordat hij zo laag klonk vergeleken met de lengte kon hij goed gebruikt worden voor speciale effecten bij opera's. Bij sommige werken hadden componisten misschien de eerste klarinetten in gedachten, maar vanwege de aparte klank werd de chalumeau gebruikt.
Er bestaan geen historische exermplaren van chalumeaus meer, wel van oude klarinetten die in dezelfde tijd gemaakt zijn. Dat zou kunnen komen doordat sommige oude klarinetten misschien nooit als klarinet werden gebruikt, maar als chalumeau. Dat houdt concreet in dat alleen de lage tonen van de klarinet gebruikt werden. Er bestaan oude klarinetten waarbij de lage tonen uitstekend klinken en de hoge ronduit miserabel. Dat kan nooit lang geduurd hebben want er werden al snel werken gecomponeerd waarin de hele toonomvang van de klarinet gebruikt werd, maar het zou het verdwijnen van de chalumeau kunnen verklaren.

Klarinet

De klarinet is omstreeks het jaar 1700 uitgevonden door J.C. Denner uit Neurenberg. Het instrument is ontstaan uit de chalumeau. Vanaf het ontstaan heeft de klarinet een grote ontwikkeling doorgemaakt, o.a. door de toevoeging van meerdere kleppen, zoals bij de fluit en hobo. Veel instrumentbouwers hebben het instrument verbeterd. In het begin van de 18e eeuw verbeterde de Russische Ivan Müller de klarinet sterk met een nieuw kleppensysteem. De klarinet die Müller bouwde werd echter niet geaccepteerd door een comité van het Conservatorium van Parijs. Hij had die goedkeuring nodig om zijn klarinet in massaproductie te vervaardigen. De reden was dat men dacht dat de verschillende klarinetten die er toen bestonden een verschillende klank hadden. Die moesten behouden blijven. Müllers klarinet maakte die instrumenten juist overbodig.
Bij de fluit is Theobald Böhm genoemd. Böhm heeft ook invloed gehad op de ontwikkeling van de klarinet. De Franse Hyacinthe Klosé bouwde een klarinet die gebaseerd was op het systeem dat Böhm bij de fluit gebruikte. Deze klarinet, die tegenwoordig nog gebruikt wordt, wordt ook wel de Böhm-klarinet genoemd, hoewel die benaming strikt genomen onjuist is. De derde belangrijke persoon is Oskar Öhler. Hij combineerde de klarinet van Müller met de Böhm-klarinet. Deze klarinet wordt tegenwoordig ook nog gebruikt.


Belangrijk bij de klarinet is het riet dat op het mondstuk zit. In tegenstelling tot de hobo en fagot is dit een enkel riet dat met een rietenbinder op het mondstuk wordt vastgezet. Hieronder een afbeelding van een enkel riet:

Het enkel riet wordt net als het dubbelriet van bamboe gemaakt. Eerst wordt het bamboe in stukken gesneden van anderhalf keer de lengte van het riet. Vervolgens wordt het in vieren gespleten. Aan de achter- of binnenkant wordt het dunner gemaakt tot het op de vereiste dikte is.

Tegenwoordig bestaat de klarinetfamilie uit zeven leden (van klein naar groot):
1. As-klarinet (sopranino)
2. Es-klarinet (sopraan)
3. Bes-klarinet
4. Altklarinet
5. Basklarinet
6. Contra-altklarinet
7. Contrabasklarinet

De Bes-klarinet wordt het meest gebruikt. De hoge tonen zijn scherp en doordringend, de lage zijn rond. De Es-klarinet wordt gebruikt voor speciale effecten. Het bovenstaande rijtje is niet helemaal volledig. Behalve de Bes-klarinet komen nog drie andere klarinetten voor. Deze klarinetten verschillen echter maar weinig qua lengte en toonomvang van de Bes-klarinet. Daarom heb ik ze weggelaten.
De basklarinet is zoals de naam al zegt het baslid van de klarinetfamilie. De (contra-)altklarinet komt niet zoveel voor. De As-klarinet en de contrabasklarinet ook niet. Soms wordt de contra-altklarinet ook wel eens contrabasklarinet genoemd. In dat geval wordt er gesproken over een contrabasklarinet in Es (=contra-altklarinet) en een contrabasklarinet in Bes.
Om een indruk te geven van de lengte van de instrumenten: de Es-klarinet is ongeveer 48 cm lang, de contrabasklarinet 2,70 m.
Alle klarinetten worden op dezelfde manier gebouwd. Alleen de vier grootste klarinetten hebben een iets afwijkende vorm t.o.v. de eerste drie. De beker is naar boven gebogen, omdat het instrument anders (bijna) op de grond zou staan. Het mondstuk is naar de speler toegebogen. Bovendien is bij de grotere instrumenten het bovenste en onderste gedeelte van metaal gemaakt.
Hieronder een As-klarinet, een Es-klarinet, een Bes-klarinet, een basklarinet en een contrabasklarinet. De eerste drie zijn niet in verhouding tot de laatste twee. De basklarinet is ongeveer twee keer zo lang als de Bes-klarinet. De contrabasklarinet is ongeveer twee keer zo lang als de basklarinet. In het plaatje is te zien dat de contrabasklarinet helemaal van metaal is (behalve het mondstuk) en de anderen van hout. Dit hangt van het merk klarinet af. Er bestaan ook contra-alt/contrabasklarinetten die qua vorm lijken op een hele grote basklarinet. Die zijn voor het grootste deel van hout.

Er zijn twee klarinetten die heel erg zeldzaam zijn. Je kunt ze ook wel de reuzen onder de klarinetten noemen. Dat zijn de subcontra-altklarinet en de subcontrabasklarinet. Ze zijn bijna 2x zo groot als resp. de contra-altklarinet en de contrabasklarinet. Van de subcontra-altklarinet zijn er maar drie op de wereld, van de subcontrabas maar één. Deze instrumenten zijn gemaakt door de firma Leblanc. Deze firma maakt al zo'n 100 jaar klarinetten. De subcontrabasklarinet is nooit verkocht maar is onderdeel van de persoonlijke collectie klarinetten van dhr. Leblanc. Er valt overigens moeilijk op te spelen. Om te beginnen is de lengte van het instrument een probleem. Daarnaast liggen de laagste noten onder de grens van het menselijk gehoor.

Andere klarinetten

Een instrument dat heel erg aan de klarinet verwant is, is de bassethoorn. Dit instrument werd omstreeks 1770 in Beieren uitgevonden en was groter dan de gewone klarinet. De bassethoorn bestond uit één lange buis. Daarom moest hij altijd ergens worden omgebogen om het instrument hanteerbaar te houden. Er bestonden veel verschillende vormen van bassethoorns. Een wat vreemde vorm van een bassethoorn is te zien op het plaatje rechts. Mozart en Strauss hebben de bassethoorn een aantal keren gebruikt. Tegenwoordig worden deze partijen vaak op de altklarinet gespeeld. Er zit uiterlijk nauwelijks verschil tussen de twee instrumenten. Van de bassethoorn bestaat ook nog een grotere variant namelijk de contrabassethoorn (ontwikkeld rond 1830). Dit instrument staat qua toonomvang tussen de bas- en contrabasklarinet. Dit instrument heeft nooit veel succes gehad.
De bassetklarinet was eigenlijk, gezien de constructie, een bassethoorn, maar dan een stukje korter. Er bestaan geen exemplaren van oude bassetklarinetten meer, maar door bepaalde werken van componisten te bestuderen die voor klarinet werden geschreven, heeft men geconcludeerd dat een bassetklarinet bestaan moet hebben. Hij wordt niet zo veel gebouwd en gebruikt, eigenlijk alleen maar voor muziekstukken die speciaal voor dit instrument geschreven zijn. De bekendste compositie voor bassetklarinet is het klarinetconcert van Mozart.
Omstreeks 1885 bouwde de Belgische instrumentbouwer Eugène Albert de contratenorklarinet. Dit instrument had slechts een beperkte bruikbare toonomvang.
Andere klarinetachtige instrumenten zijn de klarinet d'amore, de tarogato en de heckelclarina. De klarinet d'amore lijkt qua vorm een beetje op de oboe d'amore. Het mondstuk is ongeveer op dezelfde manier naar de speler toegebogen en hij heeft een peervormige beker. Het instrument verdween al snel. Helemaal links een afbeelding van de klarinet d'amore.
De tarogato en heckelclarina werden gebouwd voor de opera "Tristan en Isolde" van Richard Wagner, in 1865. De tarogato bestond al langer. Het was een lid van de schalmei-familie. Voor deze opera werd een tarogato met een enkel riet gemaakt. Naast de klarinet d'amore een plaatje van een tarogato.

Xaphoon

De xaphoon (uitgesproken als "zafoon") is qua klank een kruising tussen een klarinet en een saxofoon. De uitvinder is Brian Wittman uit Hawaii, die in de afgelopen 20 jaar zo'n 15.000 exemplaren maakte. Het instrument wordt meestal van bamboe gemaakt en heeft negen gaten: vijf voor de linkerhand en vier voor de rechterhand. Op het mondstuk (dat één geheel vormt met de rest van het instrument) wordt het riet van een tenorsax geplaatst. Soms wordt de xaphoon van plastic gemaakt. Dan wordt het instrument ook wel een pocket sax genoemd.
De pocket klarinet (of pocket chalumeau) wordt gemaakt door de firma Adler-Heinrich uit Duitsland, o.a. bekend door hun blokfluiten. Het instrument is een soort blokfluit met een klarinetmondstuk. De grepen zijn ook hetzelfde als die van de blokfluit.

Saxofoon

Ongeveer halverwege de 19e eeuw bouwde de Belgische instrumentbouwer Adolphe Sax een blaasinstrument met een enkelriet: de saxofoon. Er bestaan veel verschillende soorten saxofoons (vroeger 14, tegenwoordig maar 8). Van klein naar groot: sopranino, sopraan, alt, tenor, bariton, bas, contrabas en subcontrabas. Links een plaatje van een baritonsaxofoon, rechts een altsaxofoon en een tenorsaxofoon (niet in verhouding). De saxofoon is een beetje een bastaardinstrument. Het heeft een mondstuk van een klarinet, en de buis is van boven smal en wordt naar onderen toe steeds wijder, zoals bij de hobo. Bovendien heeft het een enkel riet (klarinet). Zoals op de plaatjes te zien is zijn saxofoons van koper. Toch worden ze tot de houten blaasinstrumenten gerekend, omdat ze op dezelfde manier bespeeld worden.
De drie afgebeelde saxofoons komen vooral voor in bands. De sopraansaxofoon zie je vooral in jazzorkesten als melodie-instrument, samen met de klarinet en de trompet. De sopranino komt voor in militaire orkesten. Deze twee instrumenten zijn helemaal recht.
Er bestaan ook saxofoons die een wat minder gebruikelijke vorm hebben. Links zijn twee gebogen sopraansaxofoons te zien. De tweede wordt ook wel een saxello genoemd. Er bestaan ook rechte altsaxofoons.
In 1894 werd in Duitsland een houten instrument gemaakt dat op de klarinet, de saxofoon en de fagot lijkt: de octavin (plaatje rechts). Dit instrument had een klank die leek op dat van de sopraansaxofoon. Het werd maar weinig gebruikt.
Twee saxofoons die je maar heel zelden tegenkomt vormen de uitersten van de saxofoonfamilie. Ze worden gebouwd bij Eppelsheim in München. De kleinste is een saxofoon die een half octaaf (= 4 tonen) hoger komt dan de sopranino-saxofoon. De andere is een soort contrabassaxofoon en beter bekend als de tubax (links). De klank gaat in de richting van de klank van een contrabassarrusofoon en bij bepaalde tonen dat van een contrafagot. Het mondstuk is dat van een baritonsaxofoon. Doordat de buis van de tubax een paar keer is omgebogen is het instrument niet hoger dan ongeveer 115 cm en is daardoor wat makkelijker hanteerbaar.

De aulochrome (rechts) kun je het beste omschrijven als een dubbele sopraansaxofoon. De naam is een samentrekking van "aulos" (Grieks blaasinstrument uit de oudheid) en "chrome" (chromatisch: term uit de muziekleer / chroom: de kleur van het instrument). Dit instrument is ontwikkeld door François Louis en voor het eerst gebruikt in oktober 2002.

Doedelzak

Als je aan een houten blaasinstrument denkt, denk je niet meteen aan een doedelzak. Toch wordt het instrument tot deze groep gerekend. Doedelzakken zijn rietinstrumenten met een zak dat als luchtreservoir dient. Uit de zak steken een aantal pijpen. In de eerste pijp zit het mondstuk met het riet, in de tweede zitten vingergaten (melodiepijp). De overige pijpen zijn de zgn. bourdons, pijpen die altijd dezelfde toon geven en voortdurend meeklinken. De zak is gemaakt van leer. Om muziek te maken blaast de speler lucht in de zak, of vult de zak d.m.v. een blaasbalg. Het geluid uit de zak gaat naar de melodiepijp en de bourdons. In die pijpen zit een riet dat gaat trillen. Zo ontstaat er geluid.
Als je aan doedelzakken denkt, denk je al gauw aan Schotland. Toch komt het instrument daar niet vandaan. Sterker nog: het instrument is al heel oud. In Egypte waren er rond 2000 v. Chr. al doedelzakachtige instrumenten. Het is niet zeker of het instrument hier ontstaan is. Rond 1200 is het instrument in heel Europa populair. Dat blijft zo tot het eind van de Middeleeuwen. Dan blijft het een tijdje stil totdat in de 18e eeuw het instrument in Frankrijk weer opduikt. De doedelzak is altijd een belangrijk volksmuziekinstrument geweest. Links een plaatje van een Schotse Highland- doedelzak. Deze doedelzak heeft drie bourdons en een melodiepijp, bevestigd in een met Schotse ruit bedekte zak. Hij vormt een onderdeel van de Schotse militaire orkesten.

Dwarsfluit

De dwarsfluit is al erg oud. De oorsprong ligt in Azië waar ze al in de 9e eeuw v. Chr. voorkwamen. Vanaf de 12e eeuw begon het instrument zich over Europa te verspreiden. In het begin werd de dwarsfluit alleen in de militaire muziek gebruikt, maar halverwege de 17e eeuw kwam hij ook voor in de opera en het hoforkest. Vanaf eind 17e, begin 18e eeuw kwamen er dwarsfluiten met kleppen. Vanaf die tijd bestond het instrument uit 3 delen. In de 19e eeuw werd de dwarsfluit erg veranderd door Theobald Böhm. Hij begon met het plaatsen van gaten waar ze de beste klank op zouden leveren, ongeacht of ze bereikbaar waren voor de vingers. Daardoor moest het kleppensysteem erg veranderd worden.
In deze tijd begon men met het maken van metalen fluiten. De klank van de dwarsfluit is rond. Een speciaal klankeffect dat bij de dwarsfluit voorkomt is de zgn. "Flatterzunge". Om dit effect te krijgen moet de speler tijdens het blazen een rollende R laten klinken. Dit effect komt vooral in moderne muziek voor. In oude muziek wordt tegenwoordig ook gebruik gemaakt van de flauto traverso, een oude dwarsfluit zonder kleppen. Het geluid van de flauto traverso is zachter en doffer dan die van de moderne fluit.

Naast de gewone dwarsfluit komen ook nog de piccolo, altfluit en basfluit voor. De piccolo wordt voornamelijk van hout gemaakt en klinkt een octaaf hoger dan de gewone dwarsfluit. De klank is scherp en doordringend en kan makkelijk boven een heel orkest uitkomen. De altfluit en basfluit zijn groter dan de dwarsfluit. De altfluit was al in de 18e eeuw bekend, maar het werd maar weinig gebruikt. Dat geldt ook voor de basdwarsfluit. Het geluid van de alt- en basdwarsfluit is zacht en rond. Hieronder een afbeelding van een piccolo, rechts een basdwarsfluit.

Een instrument dat je maar heel zelden tegenkomt is de contrabasfluit (links). Dit instrument vind je voornamelijk in fluitensembles. Hieronder staat een link naar een geluidsfragment van een fluitensemble. Hierin komen een piccolo, fluiten, alt- en een basfluit in voor.

Blokfluit

Een ander soort fluit is de blokfluit. De blokfluit is een zgn. bekfluit. Bekfluiten zijn rechte fluiten waarin de lucht door het mondstuk wordt gericht tegen de scherpe rand van een gat. Dat gat zit in de blokfluit net onder het mondstuk.
De blokfluit is een echt houten instrument. De meeste houten blaasinstrumenten hebben wel metaal in het instrument zitten. In tegenstelling tot de andere houten blaasinstrumenten hebben de meeste blokfluiten geen kleppen. Alleen de grotere blokfluiten hebben een paar kleppen om de laagste tonen te kunnen spelen. Blokfluiten zijn er al erg lang. In de oudheid kwam hij al voor in Egypte en Griekenland. In de Middeleeuwen zie je hem ook in Europa. Rond 1750 verdwijnt hij, en wordt z'n plaats ingenomen door de dwarsfluit. In de 20e eeuw zie je echter weer een opleving in het gebruik van het instrument.
De blokfluit heeft z'n naam gekregen van het zgn. blokje dat in het mondstuk zit. Door dit blokje wordt de lucht gedwongen om door de kernspleet te gaan. Dan komt de lucht bij het labium. Daar gaat de lucht voor een deel naar buiten, de rest gaat trillen in het instrument, en er ontstaat geluid. Er zijn acht gaten om de toonhoogte te regelen, 7 aan de voorkant en 1 aan de achterkant (het duimgat). Het kan gebeuren dat een gat half bedekt moet worden. Om dat wat makkelijker te maken, worden er soms op één plaats 2 kleinere gaten vlak naast elkaar geboord. In plaats van een groot gat half te bedekken, wordt er 1 van de twee kleinere gaten bedekt. De klank van kleine blokfluiten is doordringend en hoog. De grotere blokfluiten geven een wat zachter geluid.

Panfluit

Panfluiten bestaan uit een aantal buizen van verschillende lengte, die zijn samengevoegd. De buizen hebben geen gaten voor de vingers. De onderkant is dicht. Door over de bovenkant van de buizen te blazen ontstaat er geluid. Panfluiten zijn al meer dan 2000 jaar oud. De naam 'panfluit' komt uit de Griekse mythologie. Pan was een god die verliefd werd op een nimf. De nimf vluchtte echter, en een andere god die haar beschermde veranderde haar in een stuk riet, zodat Pan haar niet zou kunnen vinden. Pan gebruikte dit stuk riet echter om een 'syrinx' (panfluit) te maken. Hij speelde hierop om zich te troosten.

Flageolet

Een ander type bekfluit (zie blokfluit) is de flageolet. Het instrument was erg populair in Engeland en Frankrijk, van de 17e tot de 19e eeuw. Hij lijkt een beetje op de blokfluit. Een verschil met de blokfluit ontstond in de 18e eeuw toen het mondstuk werd vervangen door een tuit van been of ivoor. De flageolet was voornamelijk een solo-instrument. In orkesten / bands werd hij vaak gebruikt om de hoogste partij te spelen. Er waren twee basistypen: de Engelse flageolet met zes vingergaten, en de Franse met vier vingergaten en twee gaten voor de duimen. Hierboven een plaatje van een flageolet met twee pijpen (dubbele flageolet). Naast de dubbele kwam ook de enkele en de drievoudige flageolet voor.

Pijpersfluit

Een ander type fluit, dat je vooral in militaire muziek en in optochten veel ziet, is de pijpersfluit. Een pijpersfluit is een kleine dwarsfluit, en gemaakt uit één stuk. Soms heeft het instrument een klep. Rond 1850 is het instrument in de meeste landen vervangen door een piccolo.

Overige fluiten

Fluiten zie je in alle vormen en maten over de hele wereld. De belangrijkste instrumenten heb ik hierboven besproken. In dit stukje wil ik nog een aantal andere fluiten noemen.
De ocarina is een bolvormige fluit die tot acht vingergaten kan hebben. Het mondgat zit aan de zijkant. Het instrument werd in de 19e eeuw uitgevonden en het kwam in het begin van de 20e eeuw in ensembles voor. Hiernaast een ocarina.
Vooral in Polynesië zie je de neusfluit: een type fluit die wordt bespeeld met adem uit de neusgaten. Er bestaan zowel rechte als dwars-neusfluiten.
In bepaalde delen van Europa kwam de eenhandsfluit voor. Dit instrument werd bespeeld in combinatie met een tabor, een trom die met één stok werd bespeeld.
De tin whistle (ook wel pennywhistle of kortweg whistle genoemd) is een Ierse volksfluit met zes gaten, zonder kleppen. Het instrument komt in verschillende groottes voor.

Oude hoorns

Vroeger werden hoorns van de hoorn van een dier gemaakt. Soms hadden ze vingergaten, de meesten echter niet. Ze werden veel gebruikt voor signalen en rituelen. Bij de Joden komt bijvoorbeeld de sjofar voor (plaatje hieronder): een hoorn van een dier waarmee twee verschillende tonen gemaakt kunnen worden.

In Scandinavië bestond de lur, een instrument met een conische boring die uitloopt in een platte schijf. Het instrument had een mondstuk dat lijkt op dat van een moderne trombone (plaatje links).
Behalve dierhoorns werden ook andere materialen gebruikt, zoals schelpen, hout en klei. De hoorns van klei kun je eigenlijk geen hoorns noemen. De speler riep in het instrument i.p.v. te blazen om verschillende tonen te krijgen. Hoorns van klei kwamen in Zuid-Amerika voor. In Azië waren ook hoorns van metaal.
Het verschil tussen primitieve trompetten en primitieve hoorns is niet altijd even duidelijk aan te geven. Meestal zijn trompetten recht en cilindrisch van vorm (de buis heeft overal een even grote diameter). Hoorns zijn gebogen en conisch van vorm (de buis loopt van smal naar wijd uit).

Zink & Serpent

Zinken en serpenten zijn houten hoorns. Ze hebben vingergaten en komvormige mondstukken, die lijken op die van de trompet en trombone. De zink is ontstaan in de 16e eeuw en werd tot halverwege de 18e eeuw gebruikt. De serpent ontstond in de 18e eeuw maar werd rond 1850 verdrongen door de tuba. De zink en serpent zijn eigenlijk geen familie van elkaar, maar de serpent werd wel vaak als baslid van de zinkfamilie gebruikt. Zinken kwamen in verschillende vormen voor, zowel recht als gebogen. Links een plaatje van een serpent, hieronder een zink.

Koperinstrumenten met kleppen

Vroeger kwamen er ook koperinstrumenten met kleppen voor. Een voorbeeld daarvan is de serpent. Een ander koperinstrument met kleppen is de klephoorn. De klephoorn was één van de eerste bruikbare koperinstrumenten. Het instrument had vijf tot acht toongaten met kleppen. Van 1815 tot 1850 was de klephoorn het melodieinstrument van de kopergroep in het militaire orkest. Hieronder een klephoorn.

Om een instrument tijdens het lopen te bespelen (in militaire orkesten) moest het instrument wel zo'n vorm hebben dat het tijdens het lopen niet in de weg zat. De serpent is een voorbeeld van een instrument dat niet echt een handige vorm had. Daarom werd de buis van het instrument omgebogen. Dat leverde de bashoorn en de Russische fagot op. De bashoorn waarbij de buis de vorm van een V had, bij de Russische lagen de beide delen van de omgebogen buis helemaal tegen elkaar aan, net als bij een fagot. Het instrument was voornamelijk van hout en had soms een drakenkop als beker Na 1830 is het instrument verdrongen door de tuba. Links een afbeelding van een Russische fagot.
In 1839 werd de batyfoon uitgevonden. Dit instrument was deels van hout en deels van koper gemaakt. Het had ongeveer de vorm van een fagot en het mondstuk was dat van een klarinet. Je zou het instrument een soort contrabasklarinet kunnen noemen. De batyfoon is niet lang gebruikt. Vooral in militaire kapellen klonk het instrument niet hard genoeg. Het werd daar dan ook al snel door de bastuba verdrongen.

De ophicleïde was het basinstrument van de koperinstrumenten met kleppen. Het instrument werd snel populair en werd tot omstreeks 1880 gebruikt. Er bestonden ophicleïdes in meerdere afmetingen. De alt-ophliceïde werd ook wel quinticlave genoemd. Hiernaast is een quinticlave te zien.
De rietcontrabas zou je kunnen beschouwen als een ophicleïde met een riet of als een tuba met kleppen van een saxofoon. Dit instrument is in de 19e eeuw ontwikkeld in Italië om de contrafagot te kunnen vervangen. De contrafagot was toen nog niet zo verfijnd als nu. Helemaal rechts een afbeelding van een rietcontrabas.

Ophicleïde

In de 19e eeuw waren er veel verschillende instrumenten met ventielen. Heel veel zijn er intussen verdwenen. Hierboven staan vier instrumenten uit die tijd. Helemaal links staat een clavicor, uitgevonden in 1837. Dit instrument is helemaal cilindrisch gebouwd en heeft drie ventielen. Twee daarvan moesten met de rechterhand bespeeld worden en eentje met de linkerhand. De clavicor werd veel in militaire orkesten gebruikt.
Het tweede instrument is zeer gecompliceerd van bouw: de althoorn (niet verwarren met de althoorn als familielid van de saxhoorns), gemaakt omstreeks 1880. Dit instrument had zeven buizen van verschillende lengte die bij elkaar kwamen in een mondstuk.
Het derde instrument is een sudrophone. Dit instrument had een membraan bij de beker. Dit zorgde voor een geluid als van een strijkinstrument. Het was in feite een soort mirliton. Sudrophones bestonden in verschillende groottes en zijn uitgevonden door de Parijse instrumentmaker François Sudre in 1892. De cornopean (rechtsboven) lijkt een beetje op de hedendaagse cornet.
Hieronder twee andere instrumenten: de antoniophone en de cornofoon. De antoniophone is ontwikkeld door Antoine Courtois in 1867. Het instrument is maar een jaar of dertig gebruikt. De cornofoon (rechtsonder) is een soort tuba waarvan de beker helemaal is omgebogen.

Hoorn

In de Middeleeuwen werden hoorns gebruikt tijdens de jacht en in het leger. In het begin was de hoorn niet meer dan een buis, al dan niet met vingergaten (zie Oude hoorns), gemaakt van natuurlijke materialen. Later werden ze van metaal gemaakt.
Het duurde een tijd voordat de hoorn in het orkest werd opgenomen. Ze hadden namelijk maar een beperkte toonomvang, en waren daardoor nauwelijks geschikt om melodieëen te spelen. Een oplossing daarvoor werd gevonden door gebruik te maken van een aantal afneembare beugels van verschillende lengte.
Een andere mogelijkheid waren de omnitonische hoorns. Deze hoorns hadden ingebouwde beugels die met behulp van een kiesschijf konden worden gekozen. Ze waren echter vrij zwaar en werden daardoor nooit echt populair.
Door het gebruik van ventielen in de 19e eeuw werden hoornisten verlost van het verwisselen van verschillende beugels. Omstreeks de eeuwwisseling werd de dubbelhoorn ontworpen. Dit is een combinatie van twee hoorns waardoor hoge noten makkelijker te spelen zijn. De dubbelhoorn wordt nog steeds gebruikt.
De Wagnertuba is een tuba met het mondstuk van een hoorn, uitgevonden in 1844 door de instrumentbouwer Czerveny. Wagner heeft het veel gebruikt, en daardoor is het instrument bekend geworden als een Wagnertuba. Qua klank staat de Wagnertuba tussen een tuba en een hoorn.
Linksboven een plaatje van een hoorn, daaronder een Wagnertuba. Hieronder een omnitonische hoorn.

Saxhoorns

De saxhoorn heeft weinig met de hoorn te maken, ook al zou je misschien anders denken als je de naam hoort. De saxhoorn heeft zijn naam gekregen van de Belgische instrumentbouwer Adolphe Sax. Sax is vooral bekend geworden als de uitvinder van de saxofoons, maar hij heeft ook nog een aantal andere instrumenten op zijn naam staan. Hij verbeterde namelijk een aantal koperen blaasinstrumenten. Hij kreeg toestemming om de instrumenten zijn naam te geven en zo ontstonden de saxhoorns.

De familie van de saxhoorns bestaat uit zes leden (ernaast een plaatje van een bastuba, onder een bugel):
Kleine bugel
Sopraanbugel
Althoorn
Bariton of tenortuba
Bastuba
Contrabastuba

De bugel lijkt een beetje op de trompet. In Engelstalige landen wordt dit instrument een 'flugelhorn' genoemd. Om het nog wat verwarrender te maken kennen ze ook de 'bugle'. Dit is een instrument zonder ventielen. Het wordt veel in het leger gebruikt. Een instrument dat qua klank ergens tussen de bugel en de trompet in zit is de flumpet (hieronder). Deze benaming is een samentrekking van de Engelse woorden flugelhorn en trumpet.

De althoorn is een kleine tuba. De klank van de saxhoorn is weker en ronder dan die van de trompet. Daarom worden de saxhoorns wel het zachte koper genoemd, in tegenstelling tot het scherpe koper waartoe de trompet en de trombone gerekend worden.
De saxhoorns hebben een conische boring (de buis loopt van smal naar wijd) en een ketelvormig mondstuk. In plaats van baritons komen ook wel euphoniums voor. Een euphonium is een wat zwaardere uitvoering van de bariton. Qua vorm is het verschil dat de buis van de bariton cilindrisch is en pas bij de beker uitloopt, bij het euphonium wordt de buis van het begin al steeds wijder. De bariton heeft een helder en scherp geluid dat een beetje in de richting gaat van de trombone en de trompet. Het euphonium heeft een diep en rond geluid.

Baritons/euphoniums kunnen zowel een beker omhoog als naar voren gericht hebben. Vooral in marcherende muziekkorpsen komen baritons/euphoniums voor met de beker naar voren gericht. In de 2e helft van de 19e eeuw en de eerste helft van de 20e eeuw kwam het euphonium met dubbele beker voor, doorgaans een grote en een kleine beker (plaatje rechts). Het was de bedoeling dat het instrument kon klinken als euphonium of een trombone. Dat is nooit echt gelukt, het instrument klonk meer als een euphonium of een bariton. De speler kon d.m.v. een speciaal ventiel van beker wisselen.

Adolphe Sax heeft behalve de saxofoons en saxhoorns nog andere instrumenten uitgevonden: de saxtuba en saxtromba. Deze instrumenten waren eigenlijk saxhoorns maar ze waren meer cilindrisch gebouwd en de buis was wat nauwer. De toon leek meer op dat van de trompet en trombone. Ze hebben maar kort bestaan. Rechtsonder een saxtromba.

Een instrument dat veel op een saxhoorn lijkt is de flicorno. Toch is het er geen familie van. Het instrument komt uit Italië en is in de tweede helft van de 19 eeuw ontstaan. Links een flicorno.

Militaire instrumenten

Een aantal instrumenten kwamen vroeger niet in orkesten voor. Dat zijn de instrumenten die in militaire muziek gebruikt worden. Deze instrumenten moeten bespeeld kunnen worden tijdens het lopen, paardrijden of zelfs fietsen. Dat stelt bepaalde eisen aan de instrumenten. Deze instrumenten zijn meestal varianten op instrumenten die je ook in het gewone orkest ziet. Een voorbeeld: Met een grote bastuba marcheren is niet erg makkelijk (zie voor de grootte van het instrument de afbeelding bij de saxhoorns), en daarom bestaan er ook schouderbassen. Dit zijn bastuba's op z'n kant met de beker naar voren, die op de schouder rusten. De mellofoon is een marsinstrument dat afgeleid is van de orkesthoorn. Linksboven een afbeelding van een mellofoon.
De Amerikaan Allen Dodworth vond in 1838 een soort marshoorn uit waarbij de beker naar achter, over de linkerschouder van de speler, liep. Dit soort hoorns bestonden in verschillende groottes en waren vooral populair tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865). Linksonder een plaatje van dit instrument.
Andere militaire instrumenten die op de site besproken worden zijn de armeeposaune, pijpersfluit, de schellenboom en de lyra.

Helicon & Sousafoon

De helicon (afbeelding onder) is uitgevonden in Rusland, ongeveer halverwege de 19e eeuw. Met de benaming 'helicon' wordt enerzijds een instrument bedoeld en anderzijds een manier van bouwen van koperen blaasinstrumenten. Kenmerkend voor alle helicon-achtige instrumenten is namelijk dat het instrument rond het lichaam hangt, en dat de beker achter of boven het hoofd zit.

Een variant op de helicon is de herkulesophone, eveneens uitgevonden in Rusland, tegen het einde van de 19e eeuw. De heliconventieltrombone is een instrument dat onder meer gebruikt is in wielrijderskorpsen. Dit instrument staat ook wel bekend als de trombone da tracolla. Er waren ook heliconschuiftrombones, bekend onder de naam Helikonposaune (hieronder). Dit instrument werd gebruikt ter vervanging van de helicon in koperensembles.

Het bekendste instrument in de heliconvorm is echter wel de sousafoon. Een sousafoon is een soort grote bastuba. Hij is te herkennen aan zijn enorme beker. Het instrument is genoemd naar de Amerikaan John Philip Ochs (1852-1932) alias John Philip Sousa. Sousa staat voor Super Omnia USA. Dat betekent: Boven alles de VS. Sousa was componist en kapelmeester van de Amerikaanse marine. Hij werd beroemd en populair door zijn marsen.
Hij was echter niet tevreden over het gebruik van de helicon bij concertuitvoeringen. Hij vond het geluid door de richting van de beker te direct. De instrumentenbouwer James Welsh Pepper ontwikkelde in 1893 in overleg met Sousa een helicon met de klankbeker naar boven (plaatje linksboven). Als eerbetoon aan Sousa noemde Pepper het instrument een sousafoon. Het instrument kreeg vanwege de naar boven gerichte klankbeker de bijnaam rain-catcher. De sousafoon werd al gauw populair in de VS en werd door veel Amerikaanse instrumentbouwers in hun collectie opgenomen, o.a. de firma van Charles Gerard Conn. In 1908 bouwde hij een sousafoon met de klankbeker naar voren die boven het hoofd van de muzikant uitstak (plaatje linksonder). Dit zogenaamde bell-front type was een groot succes en verdreef de rain-catcher bijna helemaal. Sousa zelf was er niet tevreden over. Het bell-front type veroorzaakte juist het effect dat Sousa wilde voorkomen. Hij heeft deze sousafoon zelf daarom nooit gebruikt.

Schalmei

De schalmei (of schallbechertrompete) van tegenwoordig heeft niets te maken met de schalmei uit de Middeleeuwen (voorloper van de hobo). Het instrument is volledig van metaal gemaakt. In plaats van een rietje wordt de toon m.b.v. een metalen tong geproduceerd, vergelijkbaar met de accordeon.
Het instrument is ontstaan in Duitsland aan het begin van de 20e eeuw en stond in het begin bekend als Martinhoorn (naar de bouwer Max B. Martin).
De schalmei bestaat uit verschillende buizen die bij elkaar komen in het mondstuk (vergelijkbaar met de althoorn). De buizen staken vroeger recht naarvoren, tegenwoordig zie je ook rechtopstaande instrumenten. Met name in Duitsland en Oostenrijk zie je veel schalmeienkorpsen. Hierin komen schalmeien van verschillende groottes voor. Onderstaand geluidsfragment komt van de Märkische Schalmeienkapelle Brandenburg, 1958 e.V.

Mondorgel

Mondorgels zie je zowel in oosterse als westerse landen. Oosterse mondorgels bestaan al een paar duizend jaar, westerse mondorgels bestaan nog niet zo heel lang. Mondorgels met een klavier zie je alleen in het westen. Het oosterse mondorgel heeft, afgezien van het ontbreken van een klavier veel overeenkomsten met een orgel. Hij bestaat uit een aantal pijpen met in elke pijp een rietblad en een gat dat door een vinger bedekt kan worden. Als de speler het gat bedekt wordt de lucht gedwongen langs het riet te gaan. Het riet gaat trillen en er ontstaat geluid.
Voorbeelden van westerse mondorgels zijn de harmonica en de melodica. De harmonica heeft een aantal windkasten waarin rieten zitten. Door te blazen of te zuigen worden de rieten in beweging gebracht. De melodica is een instrument dat familie is van de harmonica. Het is populair bij kinderen. Hieronder links een trompetharmonica uit het begin van de 20e eeuw. Dit instrument is gemaakt om speciale effecten te krijgen. Rechts een melodica.

Accordeon

De accordeon bestaat uit een balg met klavieren aan het uiteinde. Het ene klavier is een klavier met pianotoetsen, de andere heeft ronde knoppen. Door het indrukken en uittrekken van de balg gaat er lucht over de rieten en ontstaat er geluid. Het pianoklavier zorgt voor de melodie, het andere zorgt voor bastonen. Vaak zijn er melodie- en basregisters aanwezig. Deze registers veranderen de toonkwaliteit.
De concertina lijkt op de accordeon. Het instrument heeft de vorm van een zeshoek. Ze worden vaak in massaproductie vervaardigd. Een belangrijk persoon met betrekking tot de concertina is Charles Wheatstone (1802-1875). Hij bedacht het symphonium, een soort mondorgel. Het symphonium bestond uit een metalen doos met aan de zijkanten vingerknoppen en aan de voorkant een mondgat. In het instrument zaten tongen die voor het geluid moesten zorgen. Door het aanbrengen van een balg op de symphonium ontstond later de concertina. De melodeon werd vroeger ook wel een schootorgel genoemd. Bij dit instrument hoor je verschillende tonen als je dezelfde knop indrukt en de balg indrukt of uittrekt. Hieronder een accordeon.

Harmonium

Het harmonium is halverwege de 19e eeuw in Frankrijk ontstaan. Het is familie van het mondorgel en de concertina. Het instrument heeft één manuaal en twee pedalen. Net als het mondorgel en de concertina heeft het instrument rieten. Het harmonium heeft twee balgen die via de pedalen worden bediend. De hoogte van de toon wordt bepaald door de lengte van de rieten, die met de toetsen van het manuaal in verbinding staan. Een harmonium kan meerdere registers hebben (zie ook het orgel). Je zou het harmonium een soort huisorgel kunnen noemen.

Orgel

Het orgel is één van de oudste instrumenten. De oorsprong van het orgel ligt in de panfluit. Allebei de instrumenten bestaan uit een aantal pijpen. Bij de panfluit komt de lucht uit de mond van de speler. Bij het orgel gaat het via een balg, net als bij een accordeon. Het eerste echte orgel is ontstaan in de 3e eeuw v. Chr. De orgels uit deze tijd hadden balgen die met de hand of de voet bediend werden. Om tonen te kunnen maken maakte men gebruik van schuiven. In een schuif zat een gat. Door de schuif uit te trekken kwam het gat op één lijn met de orgelpijp, en kon er lucht uit de windkast de pijp in. Om een toon te stoppen duwde men de schuif weer in. Uit deze schuiven zijn later de toetsen van een orgel ontwikkeld.
Naast de grote orgels kwamen vroeger ook nog het positief, portatief en het bijbelregaal voor. Dit waren kleine orgels. Het positief werd door één persoon bespeeld, terwijl de tweede de balg bediende. Het portatief werd door één persoon bespeeld: de linkerhand bediende de balg, de rechter de toetsen. Het bijbelregaal had de vorm van een boek en kon na gebruik worden opgevouwen.
Het orgel is een vrij ingewikkeld instrument. Ik zal stuk voor stuk alle onderdelen bespreken.

Pijpen:
Er bestaan drie verschillende soorten pijpen (zie afbeelding rechts):

a. Open lippijpen
b. Gedekte lippijpen
c. Tongpijpen

Lippijpen worden ook wel labiaalpijpen genoemd. Lippijpen lopen aan de onderkant taps toe. Dit gedeelte wordt het onderlabium genoemd. Het onderlabium is boven afgesloten door een plaatje met een spleet erin. Het deel boven de spleet heet het bovenlabium. In het bovenlabium wordt de lucht die van onderen komt verdeeld. Een deel gaat naar buiten, een ander deel gaat in de pijp trillen en zorgt voor een toon.
De tongpijp ziet er anders uit en geeft ook een andere toon. Tongpijpen hebben ook een onderlabium. Dit is aan de bovenkant helemaal dicht. Hierin zit een verticale opening, waarin aan de onderkant een pijp zit. Aan de pijp zit de tong. De tong gaat trillen door de lucht die uit de onderkant komt en er ontstaat een toon die versterkt wordt door de beker. De toon kan beïnvloed worden door een stemkruk. Dit is een metalen draad die de tong op een bepaalde plaats tegen de pijp aandrukt. Zie het detailplaatje van de tongpijp rechts.

De labiaalpijpen kunnen open, halfgedekt en gedekt zijn. Deze termen slaan op de bovenkant van de pijp. Daar zit een deksel: de hoed. Een open pijp geeft een toon die een octaaf (8 tonen) hoger ligt dan een gedekte pijp van dezelfde lengte. Bij de halfgedekte pijp zit in de hoed een buisje: het roer.
De tongpijpen zijn open of halfgedekt. Ze zijn nooit gedekt omdat anders de ingeblazen lucht niet wegkan. Zie ook het plaatje boven.
Het verschil in het soort pijp, lengte, doorsnede en materiaal komt tot uiting in de klank die het geeft. Gedekte pijpen geven een klank die zich gemakkelijk versmelt met die van andere registers. Open pijpen geven een krachtige klank die ver draagt en duidelijk herkenbaar is. Tongpijpen hebben vergeleken met de labiaalpijpen een helder, doordringend geluid.
Een rij in toonhoogte verschillende pijpen met dezelfde soort klank wordt een register genoemd. Een register kan worden vergeleken met een bepaald muziekinstrument. De registers hebben allemaal een eigen functie. Bepaalde registers kunnen zelfstandig gebruikt worden, anderen dienen ter aanvulling.

Windlade:
De orgelpijpen staan op de windlade: een houten kist die een centrale plaats in het orgel inneemt. De kist is in vakken verdeeld. Het aantal vakken komt overeen met het aantal toetsen op de manualen. Aan de onderkant van elk vak zit een opening voor het speelventiel dat in verbinding staat met een toets van een manuaal of pedaal. Aan de bovenkant zitten ook openingen. Het aantal komt overeen met het aantal registers. Op deze openingen staan de pijpstokken, waarop afhankelijk van het register één of meer orgelpijpen komen te staan.

Windvoorziening:
De lucht die via de windlade naar de orgelpijpen gaat komt uit de windvoorziening. Vroeger waren dit een aantal blaasbalgen die met de hand of de voet bediend werden. Tegenwoordig gaat het met een elektrische ventilator.

Tractuur:
De tractuur is de verbinding tussen de manualen, het pedaal en de registerknoppen aan de ene kant en de windlade aan de andere kant. Vroeger ging dit allemaal mechanisch. d.m.v. stangen e.d. Aan het eind van de 19e eeuw werd de pneumatische tractuur ontwikkeld. Hierbij werd gebruik gemaakt van een buizenstelsel dat de speelventielen pneumatisch van lucht voorzag. Tegenwoordig kan het ook elektrisch. Dit heeft als voordeel dat de speeltafel op grotere afstand van de orgelkas geplaatst kan worden.

Klaviatuur:
De klaviatuur omvat de manualen (klavier), het pedaal en de registerknoppen. Vroeger had het orgel maar één manuaal, later werden het er drie of vier, of soms zelfs vijf. De toonomvang van de manualen is in de loop van de tijd ook uitgebreid. Het pedaal had vroeger een hulpfunctie, later kreeg het een aantal eigen stemmen. Vanaf de 15e eeuw zijn de manualen en het pedaal gekoppeld. Het voordeel hiervan is dat het laten samenklinken van tonen makkelijker wordt.
De registers worden in werking gesteld door knoppen uit te trekken (of soms in te duwen). Elk manuaal heeft zijn eigen groep registers.

Opstelling:
De pijpen worden in verschillende kassen opgesteld, die elk een eigen naam hebben. Het grote orgel (hoofdwerk) staat in het midden, en wordt bediend door een apart manuaal. Aan weerszijden staan pedaaltorens. Hierin staan de pijpen die door de pedalen bediend worden. Vanaf de 18e eeuw is er ook een zwelkast aanwezig. Hiermee kunnen tonen geleidelijk in sterkte toenemen of afnemen. Boven het hoofdwerk staan weer andere pijpen die het bovenwerk genoemd worden. Eronder en boven de klaviatuur het borstwerk. Soms staan er achter de organist ook nog pijpen en die worden dan het rugwerk genoemd.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

F.

F.

PERFECT Werkstuk!!

Alleen heel jammer is dat de plaatjes er niet bij staan :P maja Je krijgt echte en Postief Punt!

Groetjes Felicity (16)

17 jaar geleden

T.

T.

Hallo,

Bij de acoordeon wordt gesproken over aan de ene kant toetsen en aan de andere kant knoppen, maar er bestaan ook nog accordeons die aan allebei de kanten knoppen hebben, dat noemt metn een dopaccordeon.
Verder zijn er ook nog diatonische accordeons, als je dan de accordeon uittrekt geeft hij een andere toon, dan dat je hem induwt, deze worden vaak in Oostenrijk gebruikt.
Groetjes Tinie

14 jaar geleden