Allochtone jongeren

Beoordeling 6.7
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • 4e klas havo | 5612 woorden
  • 27 oktober 2001
  • 279 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.7
  • 279 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Inleiding

Hoewel de meeste in ons land wonende allochtone jongeren zich nooit inlaten met criminaliteit, vertonen veel allochtone jongeren toch meer crimineel gedrag dan autochtone jongeren. Dit blijkt onder meer uit gegevens van politie en justitie. Bij lichte delicten is het verschil tussen allochtone en autochtone jongeren minder groot, maar allochtone jongeren worden opvallend vaak voor ernstige delicten geregistreerd. Vergelijkenderwijs worden autochtone jongeren dikwijls geregistreerd voor vernieling, ordeverstoring en openlijke geweldpleging. Minder vaak voor diefstal.

Bij Marokkaanse jongeren gaat het opvallend vaak om eenvoudige diefstal (zoals winkeldiefstal en fietsendiefstal), gekwalificeerd diefstal (zoals diefstal uit auto’s en inbraak) en andere vermogensdelicten (zoals straatroof). En ze komen relatief dikwijls in aanraking met de politie voor ernstige delicten, al dan niet gecombineerd met geweldpleging.


Turkse jongeren worden vaak geregistreerd voor eenvoudige diefstal, maar ook voor geweldpleging. Minder vaak gaat het bij hen om gekwalificeerde diefstal (zoals inbraak).

Surinaamse jongeren vallen op door een grote variëteit aan vermogensdelicten en in mindere mate door geweldpleging.

Bij Antilliaanse jongeren gaat het vaak om zwaardere geweldsdelicten.

Criminaliteit door allochtone jongeren heeft, veel meer dan bij autochtone jongeren het geval is, plaats in grote steden. De eenvoudigste reden hiervan is dat allochtone jongeren vooral in grote steden wonen en dan ook voornamelijk in het westen van het land.
Allochtone jeugdcriminaliteit wordt vooral gepleegd door jongeren van 12-25 jaar met stijging bij 17-18 jaar. Dit geldt ook voor autochtone jongeren. Sommige allochtone jongeren, met name Marokkaanse jongeren, beginnen opvallend vroeg rond 10 jaar of soms nog eerder met het plegen van diefstal. Criminaliteit begint vaak met winkeldiefstal. Zo rond de tijd dat de jongeren 18-20 jaar zijn houden ze er meestal mee op. Ze krijgen meer verantwoordelijkheden en meestal gaan ze op zoek naar een baan of gaan een cursus volgen. Jongeren die doorgaan met criminaliteit, zijn jongeren die definitief het criminele pad opgaan. Ze gaan meer volwassen delicten plegen,. De delicten uit de jongerentijd worden dan veelal als kinderachtig beschouwd. Bij criminaliteit van allochtone jongeren gaat het vooral om jongens. Dat geldt ook voor autochtone jongeren, maar bij allochtone jongeren is het verschil groter dit komt met name doordat allochtone meisjes veel meer aan het gezin gebonden zijn dan Nederlandse meisjes en het toezicht op hen strenger is.

WAT VERSTAAT MEN ONDER CRIMINALITEIT.

Soms wordt criminaliteit omschreven als misdadig en dus strafwaardig gedrag. Ook deze term is echter subjectief. Het woord misdaad komt in onze wetgeving niet voor. Wat misdadig is, staat niet in de wet omschreven, zodat iedereen zijn eigen invulling kan geven aan dat begrip. Sommige mensen vinden het voeren van oorlog, of zelfs een voorbereiding op een mogelijke oorlog, misdadig. Sommige mensen vinden het misdadig om mensen in de derde wereld te laten creperen van de honger terwijl wij in Nederland in overvloed leven. Sommige mensen vinden het misdadig als een moeder haar man en kinderen in de steek laat om met een vriend te gaan samenwonen. Toch vallen deze ‘misdadige gedragingen’ niet onder de omschrijving van criminaliteit. De persoonlijke normen en de groepsnormen hoeven niet noodzakelijkerwijze samen te vallen met de wettelijke normen.


De meeste mensen zullen mishandeling, verkrachting en moord misdadig noemen. In de wet worden deze gedragingen ook strafbaar gesteld. Maar in de wet zijn echter ook gedragingen strafbaar gesteld die de meeste mensen niet misdadig noemen, zoals fietsen zonder licht, het zingen van schunnige liedjes in het openbaar en het dronken over straat lopen. De wetgever heeft ook wel gezien dat je niet alle strafbare gedragingen over een kam moet scheren, dus is er onderscheid gemaakt tussen overtredingen en misdrijven.
Veel mensen zullen onder criminaliteit alleen het plegen van misdrijven verstaan. Onder criminaliteit moeten we alleen echter alle strafbaar gestelde gedragingen verstaan. En iemand mag alleen gestraft worden op grond van strafbepalingen die opgeschreven staan in de door de overheid vastgestelde wetten.
Wat criminaliteit is verschilt niet alleen in tijd, maar ook per plaats. In andere landen en culturen met andere waarden en normen zullen natuurlijk ook andere opvattingen heersen over wat criminaliteit moet zijn. Het vertalen van de heersende waarden en normen over wat criminaliteit is, gebeurt in Nederland sinds de Franse Revolutie door de wetgever. Tot aan die tijd had iedere streek zijn eigen rechtsspraak gebaseerd op allerlei bronnen die soms volstrekt willekeurig geraadpleegd werden. Soms diende het oude Romeinse recht als belangrijke bron, vaak werd het kerkelijke recht geraadpleegd, vaak keek men alleen naar het gewoonterecht zoals dat ter plaatse was ontstaan. Als burger wist je eigenlijk nooit waar je aan toe was.

In politiestatistieken worden de volgende vormen van criminaliteit onderscheiden:

* Agressieve criminaliteit.
Hieronder worden misdrijven verstaan zoals mishandeling, vernieling, moord, agressie tegenover de openbare orde en het gezag.

* Seksuele criminaliteit.
Misdrijven als aanranding, verkrachting, incest, seksuele omgang met kinderen, enzovoort.

* Vermogenscriminaliteit.
Misdrijven als diefstal en heling, maar ook fraude en belastingontduiking.

* Verkeerscriminaliteit.
Misdrijven als rijden onder invloed en doorrijden na een ongeval.

* Overige criminaliteit.
Hieronder vallen de misdrijven die niet onder de categorieën vallen. Enkele voorbeelden zijn: de drugshandel, verboden wapenbezit, misdrijven gepleegd door militairen, milieudelicten.

Deze indeling is natuurlijk erg grof want veel misdrijven gaan met elkaar gepaard. Het vermogensdelict diefstal gaat soms gepaard met agressie, verkrachting natuurlijk ook. In de massamedia en in de volksmond wordt vaak ook een andere indeling gehanteerd. Hierin word onderscheid gemaakt tussen Zware Criminaliteit en Kleine Criminaliteit

De reacties van allochtone ouders op crimineel gedrag van hun kind zijn niet minder emotioneel dan bij autochtone ouders het geval is. Alleen de contacten tussen functionarissen en allochtone ouders lopen niet zo goed. Dit komt vooral door de cultuurverschillen en allerlei meningsverschillen. Sommige allochtone ouders zijn niet erg aanspreekbaar als het gaat om de opvoeding van hun kinderen. Zij hebben geen behoefte aan bemoeienissen van buiten af.
Deze ouders zien de tussenkomst van instanties als ingreep in hun privé-leven. Bovendien beleven veel ouders het crimineel gedrag van hun kind als een nederlaag. Zij ervaren crimineel gedrag van hun kind ook als schande, omdat het erop neerkomt dat zij als ouder hebben gefaald. Dit gedrag van hun kind kan zo hard aankomen dat ze de waarheid gewoon niet onder ogen durven zien. Hierdoor leggen ze snel de verantwoordelijkheid bij anderen: slechte vrienden, school, de politie.
Wat de gezinsgrootte betreft kan worden gesteld dat de gezinnen in de meeste allochtone bevolkingsgroepen groter zijn dan autochtone gezinnen.

Dit kan best wat gevolgen hebben voor jeugdcriminaliteit:

* In grote gezinnen zijn er minder financiële mogelijkheden. Het gaat hier niet alleen om voeding of kleding maar ook als zaken zoals lidmaatschap bij een vereniging, zakgeld.

* In grote gezinnen is er minder leefruimte, er is minder privacy waardoor ze dit op straat gaan zoeken.

In veel gezinnen komen kinderen meer onder invloed van de Nederlandse cultuur dan hun ouders. Dit komt omdat ze meer in contact staan met deze cultuur door school. En kinderen passen zich gemakkelijker aan dan ouders. Veel allochtone ouders hebben de nodige kritiek op deze samenleving. Als onderdeel van hun kritiek zijn veel allochtone ouders het ook niet eens met de manier waarop kinderen in Nederland worden opgevoed. Juist deze ouders hebben angst voor cultuurverlies. Het kan een reden zijn om in de opvoeding de allochtone normen en gebruiken extra te gaan benadrukken. In dit geval kunnen de kinderen hun ouders als ouderwets gaan beschouwen. Hierbij geldt ook dat allochtone ouders het niet gemakkelijk hebben in Nederland. Ze zijn vaak relatief eenzaam omdat contacten met familie en buren veelal beperkt zijn. Deze eenzaamheid tref je vooral aan bij vrouwen omdat zij vooral aangewezen zijn tot het huishouden. Zo zie je dat het niet alleen moeilijk is voor allochtone jongeren om hier te leven maar ook voor hun ouders. Jongeren die op bepaalde punten met hun ouders van mening verschillen of door welke oorzaak dan ook kunnen langzamerhand tot besef komen dat zij zich niet meer gebonden voelen tot het gezin. Zij gaan minder tijd en energie in het gezin stoppen. Als gevolg van deze vervreemding gaan deze jongeren ergens anders hun toevlucht zoeken. Zij zijn daardoor minder vaak thuis en meer bij vrienden en leeftijdsgenoten. Hierdoor gaan ze zich ook meer bezighouden met criminaliteit.

SCHOOL EN SCHOOLPROBLEMEN

Allochtone leerlingen blijken op school, gemiddeld genomen, minder goed te functioneren dan autochtone jongeren. Dit komt doordat bij de aanvang van het basisonderwijs hebben allochtone jongeren al een achterstand en deze blijft bestaan in het basisonderwijs en het voortgezetonderwijs. De achterstandspositie van allochtone leerlingen vertoont overeenkomsten met die van autochtone kinderen uit lagere sociaal-economische milieus.
Doordat allochtone jongeren niet zo goed zijn op school, krijgen ze al snel een hekel aan school. Ze verlaten voortijdig het voortgezet onderwijs. Jongeren die van school gaan zonder een diploma te hebben behaald, hebben een groter criminaliteitsrisico dan jongeren die wel hun diploma halen. De voortijdige schoolverlaters plegen meestal voor het verlaten van de school meer delicten doordat ze ook meer spijbelen. Ook na het verlaten van de school vallen voortijdige schoolverlaters op door criminaliteit. Opvallend is ook dat ze er langer mee door gaan.
Ouders van allochtone kinderen kunnen hen op het punt van leren dikwijls minder goed hulp bieden en hun niet altijd effectief steunen. Allochtone ouders hebben veelal een lagere opleiding dan autochtone jongeren. En over het algemeen doen kinderen van lagere opgeleide ouders het op school minder goed dan kinderen van hoger opgeleide ouders. Dit heeft onder andere te maken met het feit dat kinderen met hoger opgeleide ouders thuis, en al voordat ze naar school gaan, oefenen met lezen en een beetje schrijven. Dit heeft als gevolg dat ze een betere woordenschat opbouwen en zo meer voordeel kunnen hebben op school. Culturele gewoonte zijn er de oorzaak van dat in veel allochtone gezinnen deze ontwikkeling niet wordt gestimuleerd. Zo is bijvoorbeeld in Allochtone kringen minder gebruikelijk dat ouders kinderen voorlezen of dat ze spelletjes doen en dat ze hun kinderen aanzetten om zelf te spelen.
Scholen hebben graag contact met ouders over hun kinderen, sommige allochtone ouders staan nogal afstandelijk tegenover de school. Surinaamse en Antilliaanse ouders hebben doorgaans een positievere relatie met de school dan Turkse en Marokkaanse ouders. Spreken beter Nederlands en kennen de schoolcultuur, het onderwijssysteem en de aard en inhoud van het onderwijs beter. Bovendien hebben ze zelf ook beter onderwijs gevolgd. Sommige, vooral Marokkaanse, ouders zijn trouwens van mening dat tijdens schooltijd de verantwoordelijkheid voor de kinderen bij de school ligt. Allochtone ouders hebben nogal eens kritiek op de gang van zaken op school. Een bekend verwijt is dat de kinderen op school veel te vrij worden gelaten en zaken leren waarmee ouders het niet eens zijn bijvoorbeeld seksuele voorlichting.

WERKELOOSHEID EN CRIMINALITEIT

Er blijkt in het algemeen een verband te bestaan tussen werkeloosheid en jeugdcriminaliteit. Want wanneer men werkeloos is zit men krap bij kas, in ieder geval krapper dan degenen die werk hebben. Soms krijgen ze steun van hun ouders en kunnen ze tijdelijk geld bij hen lenen. Maar sommige gaan via een illegale weg hun portemonnee vullen. Werkeloze jongeren hebben veel vrije tijd en velen van hun weten deze niet in te vullen. Ze gaan hierdoor uit verveling activiteiten uitvoeren die door de meeste mensen niet zo geaccepteerd worden.
Werkeloosheid kan ook een zekere sociale geïsoleerdheid veroorzaken want vrienden en leeftijdgenoten die werk hebben, hebben minder vrije tijd. In dit geval zoekt men aansluiting bij lotgenoten waardoor werkeloze jongeren veel werkeloze vrienden hebben.
Allochtonen jongeren blijken zo wie zo al meer problemen te hebben met het invullen van hun vrije tijd. Dat hangt samen dat er maar weinig voorzieningen zijn die deze jongeren aanspreken op de een of andere manier. Allochtone jongeren brengen hun vrije tijd ook op een andere manier en plaats door dan autochtone jongeren. Ze brengen hun vrije tijd niet zo vaak door in georganiseerde vereniging, maar meer in groepsverband met vrienden. Ze zijn veel op straat en ze zijn veel te vinden in koffie- en theehuizen en in buurthuizen. Met name hier is het toezicht erg beperkt. Doordat allochtone jongeren hun vrije tijd vooral in een eigen kring willen doorbrengen leggen ze minder gemakkelijk contact met andere culturen.
Gezien het feit dat allochtone zo vaak in groepen optrekken, behoeft het geen verbazing te wekken dat veel van hun criminaliteit eveneens een groepsgebeuren is. Dat geldt trouwens ook voor autochtone jongeren. Geschat wordt dat ongeveer twee derde van alle jeugdcriminaliteit met meerder wordt gepleegd

MAROKKANEN IN NEDERLAND

De emigratie van Marokkanen naar West-Europa is officieel in de jaren zestig geregeld in werfakkoorden. Met Duitsland werd zo'n overeenkomst waarin alle procedures voor werving en tewerkstelling waren geregeld, gesloten in 1963, Frankrijk volgde in 1964, België ook in 1964 en Nederland kwam wat achteraan met een werfakkoord in 1969. De werving heeft formeel niet langer dan vier jaar geduurd, want bij de (olie)crisis van 1973 werd zij stopgezet. Daarna is de immigratie doorgegaan in de vorm van primaire en secundaire gezinshereniging. In het eerste geval laat een (voormalige) gastarbeider zijn gezin overkomen, in het tweede geval huwt een kind met een legale verblijfsstatus in Nederland met een Marokkaan uit Marokko. Verder is er een "gratiecircuit" van illegalen.
Toen Shadid (1979) aan het einde van de jaren zeventig een grote representatieve steekproef van Marokkaanse arbeiders ondervroeg, ontdekte hij dat slechts 13 procent van hen via de officiële werving was gekomen. Velen hadden eerder in Frankrijk gewerkt en kwamen daarna door naar Nederland. Obdeijn (1993) heeft onlangs gereconstrueerd hoe het migratiepatroon zich heeft ontwikkeld. Hij schrijft dat verschillende wervingscommissies op hun eigen houtje het land doorkruisten op zoek naar sterke jonge mannen (met een gaaf gebit) en dat ze in feite deden wat een aantal louche lokale bemiddelaars zeiden. Waren de eerste emigranten eenmaal vertrokken, dan volgde de rest spontaan via het welbekende proces van kettingmigratie. Door dit mechanisme is de afkomst van de Marokkaanse migranten regionaal zeer beperkt. De Marokkanen in Frankrijk zijn grotendeels afkomstig uit de Soesstreek rond Agadir (dat in de koloniale periode onder Frans bewind stond) en er zijn veel studenten onder die uit steden kwamen. De Marokkaanse immigrantengroep in Frankrijk is sociaal meer gevarieerd samengesteld dan waar ook in Europa.
De Marokkanen in België zijn grotendeels afkomstig uit de steden in het noorden (Tanger, Tetuan, Larache, Chefchaouen en Ouazzane). Die in Nederland zijn voor 80% afkomstig uit het voormalige Spaanse protectoraatsgebied in de Rif dat onderontwikkeld is gebleven en dat bevindt zich dicht bij het gebied van waaruit de cannabis-cultuur zich verbreidt. Het opleidingsniveau van de Marokkaanse gastarbeiders naar Nederland was zeer laag, 70% had zelfs geen lager onderwijs genoten en een intellectueel kader (zoals in Frankrijk) ontbrak geheel.
De reden waarom door het Nederlandse bedrijfsleven vooral in de Rif is geworven, is volgens Obdeijn nogal prozaïsch. De Nederlandse werfagenten zochten de minst ontwikkelde bevolking, omdat daarvan de grootste mate van gedweeheid werd verwacht en de koning van Marokko zag ze gaarne een lastige bevolkingsgroep wegvoeren. Dat het de Marokkaanse gemeenschap in Nederland niet voor de wind is gegaan, is neergelegd in werkelijk honderden wetenschappelijke rapporten en beleidsnota's. Het globale beeld is er een van hopeloze sociale achterstand en culturele ontwrichting. Natuurlijk doen algemene cijfers geen recht aan de interne variatie binnen een groep. Buys (1993) vraagt speciaal aandacht voor Marokkaanse jongemannen die hun weg in Nederland wel goed hebben kunnen vinden en Crul (1994) stelt op grond van onderzoek vast dat de «echte» tweede generatie van Marokkanen (dus niet de ander halve generatie die in Nederland maar weinig naar school is gegaan) het op school helemaal niet zo slecht doet. Maar het totaalbeeld is vooralsnog weinig hoopgevend. Niet meer dan een kwart van het Marokkaanse arbeidspotentieel verricht feitelijk betaalde arbeid en vrouwen vrijwel helemaal niet. Van al degenen die wel werken kan tweederde worden gerekend tot de laagste twee functiecategorieën van de arbeidsmarkt (tegen niet meer dan 22% van autochtone Nederlanders). Dat Marokkanen ook binnen het spectrum van etnische groepen niet de allerlaagste gemiddelde inkomens laten zien is alleen te verklaren uit de hoge uitkeringen die zij gemiddeld genieten vanwege het hoge kindertal..
Samen met de Turken behoren de Marokkanen tot de sociale categorie die feitelijk het slechtst is gehuisvest en die in dit opzicht ook de minste aspiratie vertoont Op school behalen Marokkanen gemiddeld de slechtste resultaten en vertonen het hoogste drop-out-percentage. Een deel van de Marokkaanse gemeenschap profileert zich als etnische ondernemer in slagerijen en de horeca, maar hun percentage is klein als dat wordt vergeleken met het aantal kleine zelfstandige ondernemers in andere etnische groepen. Een dergelijk ongunstig maatschappelijk profiel vormt een voedingsbodem voor criminaliteit. Zowel de slechte maatschappelijke vooruitzichten in absolute zin als ook de relatieve deprivatie dragen daartoe bij. Marokkaanse jonge mannen lopen bij het zoeken naar werk tegen een geweldige blokkade van discriminatie op. Bij een wetenschappelijke situatie-test waar mensen met volmaakt gelijke kwalificaties maar ongelijke etnische achtergrond, solliciteren op werkelijk bestaande vacatures, maakten Marokkaanse jonge mannen geen schijn van kans. Deze etnische groep onderscheidt zich van de andere ook nog door een grote generatiekloof. Veel Marokkaanse gezinnen zijn ontregeld door de aanhoudende onenigheid tussen vaders en zonen. Overal waar Marokkanen wonen in Nederland hun vestigingspatroon volgt het algemene beeld van gastarbeid in Nederland (ze wonen in en rond de oude industriesteden, in de grote steden en in kleinere centra) - ziet de politie zich geconfronteerd met een reusachtig probleem van criminaliteit van Marokkaanse jongens.. Nu gaat het hier grotendeels om vermogensdelicten (inbraak en zo) en dat heeft op zich weinig te maken met georganiseerde misdaad. Maar het schept wel de voorwaarden om een deel van jeugddelinquenten door te laten gaan in een carrière in de zware misdaad. De «randgroep» die Werdmölder een aantal jaren lang volgde, leverde tenslotte enkele professionele misdadigers op. Dit verschijnsel wordt, zoals alle georganiseerde misdaad, nauwelijks zichtbaar in de algemene criminaliteitsstatistiek. Overigens kunnen dezelfde jongeren wel degelijk een rol spelen in de drugshandel en volgens de hier gehanteerde definitie worden gerelateerd aan georganiseerde misdaad. In dit hoofdstuk hebben wij reeds uiteengezet dat de (georganiseerde) misdaad in Marokko zo weinig gewelddadig is. Dat geldt ook voor Marokkanen in Nederland. Zij scoren niet hoog als het gaat om geweldscriminaliteit en ook het aantal liquidaties in «het milieu» is gering. Bij alles wat we te horen hebben gekregen en in alle materiaal dat wij onder ogen hebben gehad, waren niet meer dan één bericht over een rippartij op Marokkanen door Antillianen, één bericht over een Marokkaanse coffeeshophouder die zich genoodzaakt zag rolluiken voor de ruiten aan te brengen toen iemand zich kwam wreken omdat de geleverde hasj van inferieure kwaliteit was geweest, en één bericht over de gijzeling (door een Nederlandse bende) van een Marokkaan die zijn schuld nog moest betalen. In alle gevallen zijn zij slachtoffers en geen daders van geweld. Wij hebben deze betrekkelijke geweldloosheid binnen Marokko zelf in verband gebracht met de beheersstructuur van de overheid. Hier is de vraag aan de orde of haar invloed zich ook tot Nederlands grondgebied uitstrekt. Het is zonder meer duidelijk dat de geldzendingen naar «huis» van de emigranten een belangrijke bron vormen van de Marokkaanse economie en de overheid doet er alles aan om deze te continueren. In alle landen met Marokkaanse gastarbeiders is door de overheid een beheersstructuur opgezet die bestaat uit ambassades, consulaten, filialen van Marokkaanse banken, moskeebesturen- zelfs onderwijzers die overkwamen in het kader van het verzorgen van «onderwijs in eigen taal en cultuur» speelden hierin een rol. De culturele vereniging Amicales werd van deze beheersing het brandpunt en symbool. De emigranten behoorden hun plichten tegenover het koninkrijk te vervullen en van meet af aan was duidelijk dat politieke discipline zou worden afgedwongen door dwarsliggers van het politieke systeem lastig te vallen tijdens hun vakanties in Marokko of door hun achtergebleven familie onder druk te zetten. Die initiatieven en vooral Amicales zijn bekritiseerd als vormen van ontoelaatbare inmenging door een rechtse politieke organisatie in andere landen. In de jaren tachtig kwam de Unie van Marokkaanse Moslimorganisaties in Nederland (UMON) daarvoor in de plaats. Rabbae (1993) heeft laten zien dat ook die in feite niet anders is dan een mantelorganisatie van de Marokkaanse overheid. Deze activiteiten vormen een rem op het inburgeren van Marokkaanse emigranten en dat lijkt ook de bedoeling te zijn. Deze ontwikkeling bereikte een dramatisch hoogtepunt toen de koning in het midden van de jaren tachtig verklaarde dat het niet in de bedoeling lag dat zijn onderdanen gebruik zouden maken van het stemrecht dat zij in Nederland voor lokale verkiezingen hadden verkregen. Deze ingreep was strijdig met de bedoelingen van het Nederlandse minderhedenbeleid. In de jaren negentig is het toneel weer veranderd. Thans voert de Marokkaanse overheid een buitenlands cultureel en politiek offensief om de verkeerde indruk weg te nemen. Journalisten, beoefenaren van de wetenschap, bestuurders en ambtenaren van politie en justitie worden door de Marokkaanse overheid uitgenodigd het land te bezoeken met de bedoeling zich ervan te overtuigen dat Marokko een moderne staat is en geen achterlijke tribale gemeenschap. Onder het motto dat je er zelf geweest moet zijn om er over te kunnen oordelen, spreken de reislustigen zich bij thuiskomst positief over het bewind uit. De Marokkaanse minister van Migratiezaken is in Nederland tegenover de minister die het minderhedenbeleid in haar portefeuille had, mevrouw Dales, komen verklaren dat «hij persoonlijk» niet tegen de integratie van Marokkanen in hun nieuwe vestigingslanden gekant was. Het is de vraag of Nederlandse politici en ambtenaren voldoende vertrouwd zijn met de subtiliteiten van de Marokkaanse diplomatie. Twee jaar daarvoor had koning Hassan 11 zelf tijdens een interview op de Franse televisie (in het programma «7 sur 7») verklaard dat «Marokkanen wel Marokkaan moesten blijven». Eermee was niets miszegd, maar de boodschap was in de Marokkaanse gemeenschap meer overtuigend overgekomen dan de persoonlijke gevoelens van de Migratie-minister. Wij gaan er dan ook vanuit dat ondanks alle interne en steeds wisselende strijdtonelen binnen de Marokkaanse gemeenschap, de invloed van de Marokkaanse overheid nog steeds aanzienlijk is.

TURKEN IN NEDERLAND

Per 1 januari 1994 woonden (legaal) 202.604 Turken en Koerden in Nederland. Daarvan is nog maar een klein deel wat wij in Nederland tweede generatie noemen, 66% procent is van de eerste of de «anderhalve» (dat wil zeggen wel in Turkije geboren, maar als kind naar Nederland gekomen) generatie. Hun vestigingspatroon correspondeert met de werving van Turkse gastarbeiders in de jaren zestig. Er wonen relatief veel Turken in provincies met destijds oude en aflopende industrietakken (textiel, metaal): Overijssel, Gelderland en Noord-Brabant en in de drie grootste steden, respectievelijk Rotterdam, Amsterdam en Den Haag.
Zo'n tien jaar nadat de stroom van gastarbeiders op gang was gekomen, stelden Duitse onderzoekers vast dat de Turken in Duitsland bepaald een gunstige sociaal-economische selectie vormden van de bevolking en in hun voetspoor volgden ook Nederlandse auteurs zoals Penninx en Van Renselaar (1978) die meenden dat Nederland als later wervingsland Turkse gastarbeiders van een iets lager peil had ontvangen dan Duitsland, maar dat het aantal mensen afkomstig uit het moderne Westen van Turkije, het aantal geschoolden en het aantal mensen met een behoorlijke arbeidservaring tamelijk hoog was. Akgündüz (1993) heeft deze stelling onlangs nog eens herhaald. Het wonderlijke is dat de etnografie van Turkse gemeenschappen in Nederland een heel ander beeld te zien geeft. Risvanolu-Bilgin en anderen (1986) troffen ook heel eenvoudige en traditionele gezinnen aan. De Vries (1987) stuitte op een verstikkende sociale controle die eerder past bij een dorpsgemeenschap dan bij een modern cultuurpatroon, Feddema (1992) vond naast Westerse ingestelde ook heel traditionele en conservatieve Turkse jongeren. Hoe is deze discrepantie te verklaren? Yesilgöz (1995) heeft de hypothese van de positieve selectie aan een grondig onderzoek onderworpen en komt tot de conclusie dat die grotendeels berust op schijn. De laatste kortdurende vestigingsplaats vóór emigratie naar Nederland lag wel vaak in het Westen van Turkije, maar de meeste gastarbeiders waren afkomstig uit Anatolië. De emigranten hadden wel opgegeven onderwijs te hebben genoten, maar dat had niet erg veel voorgesteld; het volgen van een kleine cursus was in een bepaalde fase van het migratieproces voorwaarde geweest om überhaupt te mogen vertrekken. Het hield bijvoorbeeld helemaal niet in dat de abituriënten konden lezen en schrijven. Pas gedetailleerde reconstructies van het proces van kettingmigratie, zoals ondernomen door Den Exter (1993) en Den Exter en Kutlu (1993) laten zien wat er precies is gebeurd. Aanvankelijk waren er ondernemende eenlingen die hun geluk beproefden door als turist naar Europa te gaan. Daar vonden ze werk en ze keerden met de opbrengst daarvan terug. Familieleden en andere dorpsbewoners volgden hun welvarende voorbeeld en na het sluiten van een wervingsaccoord tussen Turkije en Nederland in 1964 volgde massa-emigratie. In 1974, na de econon-tische teruggang (oliecrisis), stopte de werving. De migratiestroom was heel plaatselijk bepaald, inwoners van de stad Eskisehir gingen bijvoorbeeld naar België, die van het Zuidoostelijk gelegen Gaziantep naar Nederland. De Turken van Hoorn zijn voor 80% afkomstig uit Gaziantep, die van Medemblik voor 50% en die van Olst eveneens voor 50%. In feite is het dus misleidend om te spreken van «de» Turkse gemeenschap. Zij vormt eerder een staalkaart van gemeenschappen uit dorpen, districten en provincies in Turkije. Het is een reproduktie van gemeenschappen uit de provincies Konya, Kayseri in het Westen en het midden van Anatolië en van de oostelijke streek langs de Zwarte Zee en het overwegend door Koerden bevolkte Oosten en Zuidoosten van het land. De Turken in Nederland leven overwegend in regionaal verband. Zij huwen met partners uit dezelfde streek, zij komen in de koffiehuizen met streekgenoten samen (vaak aan de naam, bijvoorbeeld Zwarte Zee, Kara Deniz, te herkennen) en zij ondernemen gezamenlijk bepaalde projecten voor het dorp van herkomst zoals het schenken van een ambulance of het zenden van hulp bij een aardbeving. De plaatselijke burgemeesters komen bij de emigranten uit hun dorp in Nederland op bezoek om hen aan hun afkomst te herinneren. Over en weer is tussen verschillende Turkse gemeenschappen vaak heel weinig contact, oude negatieve stereotypen overheersen. De immigratie is intussen grotendeels voltooid. Na het stoppen van de officiële werving ging een aantal gastarbeiders terug, maar hun gemeenschappen in Nederland groeiden toch als gevolg van gezinshereniging en gezinsvorming (mensen met een verblijfstitel huwen iemand direct uit Turkije). Verder zijn er toeristen, illegale arbeiders en (tegenwoordig) weinig kansrijke asielzoekers (Böcker, 1992).
De gastarbeiders waren aanvankelijk gedreven door armoede en de wens hun lot te verbeteren. Maar vanaf het moment dat zij met hun volledige gezin eenmaal in West-Europa waren gevestigd, raakten de Turken verstrikt in een harde onderlinge concurrentie om aanzien, status en rijkdom. Alkan en Kabdan (1994) laten zien dat Turken zich niet in Nederland positioneren door hun aspiratieniveau af te stemmen op het gangbare Nederlandse niveau, maar dat andere Turken hun referentiekader vormen. Wie van de Turkse dorpsgenoten of buurtbewoners heeft het eerst een televisietoestel, een auto, een hoog inkomen? Wie ziet kans z'n kinderen naar een goede school te zenden? De verdiensten in West-Europa worden voor een belangrijk deel ook geïnvesteerd in het dorp van herkomst, er worden huizen gebouwd, er wordt grond aangekocht, er worden winkels geopend. De strijd om status wordt op twee fronten gestreden: in het emigratieland en in het dorp van herkomst. Er zijn in Turkse dorpen bezittingen aangetroffen die op het eerste gezicht niet bruikbaar lijken: te grote huizen, onhandig grote landbouwmachines, elektrische apparatuur in een dorp zonder aansluiting op het elektriciteitsnet, maar als status-uitgaven is deze aanschaf wel degelijk functioneel. Aanvankelijk ging het hun economisch goed. Tot in het begin van de jaren zeventig kenden Mediterrane allochtonen geen werkloosheid (Veenman, 1994: 67 e.v.) en zij merkten zelfs niets van de lichte recessie in 1967-1968. Autochtone werknemers vertrokken uit de ongeschoolde arbeid terwijl daar ruime vraag naar bestond. De recessie van het begin van de jaren zeventig en vooral de herstructurering van de Nederlandse economie in de jaren tachtig veroorzaakten echter werkloosheid in het algemeen, de weinig geschoolde gastarbeiders werden daar onevenredig door getroffen. Naar welke maatstaf hij ook meet, Veenman (1994) stelt thans in zijn survey onder allochtonen geweldige achterstanden vast op de arbeidsmarkt en daardoor ook in inkomen. De arbeidsparticipatiegraad van Turken bedraagt 55% tegen 63% voor autochtone Nederlanders- hun werkloosheidsgraad bedraagt 3 1% tegen 7% voor autochtonen; de werkloosheidsduur is relatief lang. De volgende (anderhalve) generatie heeft weliswaar veel meer onderwijs genoten, maar hun arbeidsmarktpositie is niet beter dan die van hun ouders. De weinig florissante maatschappelijke positie op andere terreinen hangt hier nauw mee samen. Veenman (1994) laat zien dat de kwaliteit van hun huisvesting laag is, dat ze in de slechtste delen van de stad wonen en dat het door hun kinderen gerealiseerde opleidingsniveau gemiddeld laag is. Het Inspraakorgaan Turken signaleert het ontstaan van een groep Turkse «randgroepjongeren.

STRAFFEN

Er zijn verschillende straffen die je kunt krijgen voor een delict die je hebt gepleegd.
De hoofdstraffen die de rechter op kan leggen, zijn:

* een celstraf (gevangenisstraf of hechtenis)
* een geldboete
* een taakstraf

Naast de hoofdstraffen zijn er bijkomende straffen.

Celstraf:
Wanneer je een celstraf krijgt, ook wel een vrijheidsstraf, dan krijg je een brief thuis waarin je kunt lezen of je de straf in een gevangenis of in een huis van bewaring moet uitzitten. Als je met de plaats niet eens bent waar je je straf moet uitzitten dan kan je daartegen in beroep gaan.
De brief die je krijgt na de veroordeling bevat verder informatie over waar en wanneer je voor de straf moet melden. Meld je je niet op de aangegeven dag dan word je door de politie opgehaald. Als gedetineerde heb je ook wel bepaalde rechten, zoals het recht op bezoek, recht om te telefoneren en het recht post te ontvangen.
Wanneer je een vrijheidsstraf van minder dan 14 dagen hebt gekregen, dan kun je vragen of de straf op bepaalde dagen van de week uitgevoerd kan worden. Dit kan dan alleen als er een goede reden voor is, een zo’n goede reden is dat je door de week moet werken en zou je de straf in het weekeinde kunnen uitvoeren.

Geldboete:
Als de rechter een geldboete heeft opgelegd, ontvang je na enkele weken een acceptgiro. Deze betaald worden via een giro- of bankrekening.
Het is verstandig om deze boete op tijd te betalen. Op de acceptgiro staat de datum waarop u uiterlijk moet betalen. Wanneer dit niet voor die datum is betaald, dan ontvang je eerst nog een herinnering. Tegelijk met deze herinnering wordt de geldboete verhoogd. Wanneer je daarna nog steeds niet hebt betaald, kan de deurwaarde beslag leggen op je geld en je spullen. Uit de opbrengst zullen de verhoogde boete en de deurwaarderskosten betaald worden. In het ergste geval moet je de boete in een celstraf uitzitten.
Als je van te voren al weet dat je de boeten niet kan betalen in een keer, dan kan je bij de officier van justitie vragen of je bedrag in termijnen kan betalen.

Taakstraf:
De rechter kan allen een taakstraf opleggen, als je dit zelf aan hem of aan de officier van justitie hebt voorgesteld. De te verwachten celstraf mag niet langer dan 6 maanden zijn.
Taakstraffen zijn onder te verdelen in werkstraffen en leerstraffen. Je kan ook een combinatie van beide opgelegd krijgen. De taakstraf wordt verricht in je vrije tijd. Ga je bijvoorbeeld nog naar school of werk je overdag dan kan ‘s avonds of in het weekeinde de straf worden verricht.
In het vonnis van de rechter staat precies welke taakstraf je hebt gekregen, hoelang die taakstraf duurt en binnen welke tijd u de straf uitgevoerd moet hebben. Ook staat er in het vonnis welke celstraf u zou hebben gekregen in plaats van de taakstraf. Wanneer de taakstraf niet goed wordt uitgevoerd, dan wordt alsnog de celstraf uitgezeten.

Bijkomende straffen.
De rechter kan naast de hoofdstraf ook nog een of meerder bijkomende straffen opleggen. Maar hij kan ook alleen een bijkomende straf opleggen. De bijkomende straffen hebben meestal iets te maken met strafbare feit dat je gepleegd hebt.
De bijkomende straffen die er zijn, zijn deze:

* ontzegging uit een bepaald recht; het bekendste voorbeeld hiervan is de ontzegging
uit de rijbevoegdheid. Ook kan de rechter u het kiesrecht, of het recht om het huidige beroep uit te oefenen ontnemen.

* verbeurdverklaring van een in beslag genomen voorwerp; de overheid kan voorwerpen die te maken hebben met het misdrijf dat je hebt gepleegd in beslag nemen.

* openbaarmaking van het vonnis

CONCLUSIE

Uit ons onderzoek kunnen we duidelijk maken dat criminaliteit van allochtone jongeren verschillende oorzaken kunnen hebben. Ten eerste komt dit door de cultuurverschillen. Autochtone jongeren en allochtone jongeren worden op verschillende manieren opgevoed. Autochtone jongeren worden namelijk veel vrijer opgevoegd, en het verschil of je nu een jongen of een meisje bent is er haast niet. Bij allochtone jongeren wel. Meisjes worden veel meer tot het gezin aangewezen. Zij krijgen in hun opvoeding al mee dat hun rol later vooral in het gezin is. Zij zijn er vooral voor het huishouden en om de kinderen te verzorgen. Op school hebben allochtone jongeren vaak al een achterstand, doordat zij de Nederlandse taal niet goed beheersen. En doordat zij niet zo goed op school zijn, krijgen zij al snel een hekel aan school en stoppen zij er ook snel mee zodra zij zestien zijn en niet meer wettelijk verplicht zijn om naar school te gaan. Ze gaan zo sneller crimineelgedrag vertonen om zich niet te hoeven vervelen. Op deze manier kunnen ze ook de verkeerde vrienden ontmoeten.
De rol van de ouders ook vrij groot. Zij vinden bijvoorbeeld dat Nederlandse jongeren veel te vrij worden opgevoed. Zij proberen hun eigen kinderen niet zo vrij op te voeden dit als gevolg dat allochtone jongeren hun ouders als ouderwets gaan beschouwen. En zich meer met hun vrienden gaan bemoeien en minder naar hun ouders gaan luisteren dit leidt tot vervreemding. Hieruit maak je vooral duidelijk dat zowel voor allochtone ouders als voor allochtone jongeren het moeilijk is om in een andere cultuur te leven. Je kan ook niet duidelijk zeggen wie nou meer criminaliteit pleegt autochtone jongeren of allochtone jongeren. Uit cijfers van de politie blijkt wel dat allochtone jongeren meer crimineelgedrag vertonen, maar hiermee moet je goed oppassen dat het niet leidt tot discriminatie. Want dit krijg je natuurlijk wel snel.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

J.

J.

He echt goed man helemaal super

20 jaar geleden

A.

A.

Dankjewel voor dit werkstuk, het was nuttig.
groetjes!

20 jaar geleden

J.

J.

hallo,

allereerst wil ik zeggen dat het een mooi werkstuk is. het is duidelijk geschreven en goed onderverdeeld

maar, ik zou graag weten waar je je informatie vandaan hebt gehaald
is het één boek of verschillende, is het een internetsite, ...
als het een boek is, vermoed ik dat het 'criminaliteit van allochtone jongeren' van 'huub angenent' is. klopt dit vermoeden?

en eventueel zou ik ook graag wilen weten wat de beoordeling van dit werkstuk was, wat waren de reacties

dank bij voorbaat
groeten
Jan

13 jaar geleden

S.

S.

Hee meid, allereerst mooie werkstuk. Mijn complimenten! Waar heb je je informatie vandaan gehaald? Heb je eventueel een literatuurlijst? Hoor graag van je! Gr Sam

10 jaar geleden