Inleiding

 

De Marrons van Suriname zijn afstammelingen van Afrikanen die door slavenhalers onder dwang naar Suriname zijn gebracht. Daar bevrijdden zij zichzelf uit de slavernij en vestigden ze zich in het oerwoud.

De Surinaamse Marroncultuur wordt wel eens het best bewaarde stukje Afrika buiten Afrika genoemd. Toch is het een eigen cultuur, die altijd in beweging is geweest. Oorlogen, grondroof, natuurrampen en migratie hebben de Marrongeschiedenis getekend.

De Surinaamse Marrons zijn verdeeld in zes verschillende groepen.

Marrons worden ook wel bosnegers en/of boslandcreolen genoemd. Dit is afgeleid van de door Marrons gebruikte term businengee. Businengee is samengesteld uit de woorden 'busi'uh en 'nengee'. Busi betekent letterlijk vertaald 'bos'. Nengee betekent zowel in de Marrontalen als in het Sranantongo 'mens'. Businengee of businengre betekent goed vertaald naar het Nederlands: Negroïde mens in het bos. De term Marron is afgeleid van de Cubaanse term voor loslopend vee (cimarrón).

Tussen 1650 en 1830 brachten voornamelijk Nederlandse slavenhalers ruim een kwart miljoen Afrikanen onder dwang naar Suriname. Daar werden zij als slaven op plantages tewerk gesteld, eerst door de Engelsen in de tijd dat Suriname nog een Engelse kolonie was (1650-1667), daarna door de Nederlanders.

Zoals in alle plantagegebieden in de Nieuwe Wereld, probeerden ook de slaven in Suriname aan het ongewenste en vaak wrede slavenbestaan te ontsnappen door te vluchten. Dat was niet moeilijk. Vrijwel alle Surinaamse plantages lagen aan rivieren, met aan de achterzijde van het terrein moerassen en oerwouden. Deze woeste gebieden waren in de regentijd nauwelijks toegankelijk. Planters en Europese huursoldaten voelden zich er niet thuis. Met de slaven lag het anders; ze jaagden er en zowel mannen als vrouwen visten in de moeraspoelen. Sommigen beschikten bovendien over kleine korjalen. Met deze boomstamkano's konden ze door de kreken en moerassen varen.

Blanken gingen bijna nooit mee op deze tochten, zodat de slaven veel meer kennis over de geografische gesteldheid van het terrein hadden dan hun meesters. Het was voor een slaaf niet moeilijk zich ongemerkt van de plantage te verwijderen.

Jaarlijks vluchtten er ongeveer 250 slaven, wat neerkwam op ongeveer een half procent van de slavenbevolking. De grote meerderheid – zo’n negentig procent – van deze vluchtelingen was van het mannelijk geslacht. Twee derden keerde na verloop van tijd uit eigen beweging terug, omdat het harde en opgejaagde bestaan in het oerwoud toch niet vol te houden bleek. Dat neemt niet weg dat elk jaar ongeveer tachtig slaven in de oerwouden achterbleven.

Marrons die in de bossen bleven gingen bij elkaar wonen, bouwden dorpen en trokken geleidelijk steeds verder het oerwoud in. De basis van alle Surinaamse Marrongroepen werd de lo ('clan'). De omvang van die lo kwam in de beginperiode zelden boven de honderd personen uit. In de loop der tijd verenigden de lo zich tot stammen. Vanwege de geografische uitgestrektheid van Suriname en door het feit dat groepen Marrons op verschillende momenten samenkwamen, is er nooit één grote stam ontstaan. Rond 1730 begonnen zich op zeker vier plaatsen uit de groepen lowéman zulke Marronstammen te ontwikkelen. Tussen de rivieren de Suriname en de Saramacca formeerden zich de Saamaka; ten oosten van de Commewijne woonden groepen Marrons die te beschouwen zijn als de voorlopers van de Ndyuka; in het moerasgebied ten oosten van de Cottica woonden de Boni-Marrons of Aluku en tussen de Saramacca en de Coesewijne de Kwinti.

 

 

 

Bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Marrons

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 1

 

Waar komen de marrons vandaan?

 

Het is zo in Suriname dat wij nde slavernij hebben gehad. De slaven werden vanuit Afrika naar Suriname verscheept om op de verschillende plantages te werken. Enkele gebieden van waar zij kwamen zijn de gebieden in Afrika die zich van Kaapverde tot Angola uitstrekt. En oom hadden de marrons een dorp die Dahomé heet en die zou een aanwijzing kunnen zijn voor de plaats waar hun voorouders vandaan kwamen. En zij namen hun cultuur ook mee naar Suriname.

 

Hoofdstuk 2

De verschillende marron stammen

Er zijn verschillende marron stammen t.w.:

  1. De Aucaners of Djoeka’s, de Cotticaners en de Bilo’s:

    Deze behoren ook tot deze groep der Aucaners. Ze wonen langs de Tapanahonie rivier, Srakreek, boven Cottica en boven Commewijne. De naam Aucaners is ontstaan door de vrede die in 1761 gesloten was in het dorp Auca door de gouverneur Crommelin. Het opperhofd is een granman die woonde te Drietabiki nl.: wijlen Granman Aboikonie Atjoetjoe. Drietabiki is in het ditrikt Marrowijne.

     

  2. De Paramaccaners:

    Deze wonen aan de Marrowijne rivier en wel tussen de Armina- en de Pedrosoengoe vallen. Het opperhoofd woont te Langatabiki. Het opperhoofd was een granman nl. Granman Foster, maar die is al lang overleden. En nu is de heer Akitingi er voorlopig, maar hij is nog geen granman en men weet nog niet of hij granman zal zijn. Zij spreken Paramaccaans.

     

  3. De Aloekoe’s:

    Deze wonen langs de boven Lawa. Het hoofd van deze stam woont in het dorp Cottica. Het opperhoofd was een granman nl. Weder Granman Atolenga. En het dorp Cottica is te Lawa (Marrowijne rivier). Zij spreken frans en aloekoe.

     

  4. De Boni’s:

    Deze woonden vroeger langs de Lawarivier, maar thans wonen zij aan de franse oever (Frans-Guyana). Het opperhoofd van de Boni’s is hetzelfde opperhoofd (granman) van de Aloekoe’s. Zij wonen in Frans-Guyana omdat tijdens hun slavernij hun voorouders naar daar waren gevlucht. En zij mogen nu nog daar wonen. Ze hebben de franse nationaliteit en sommige hebben ook de surinaamse nationaliteit. Ze spreken frans.

    De Saramaccaners

  5. Deze wonen aan de midden- en bovenloop van de Suriname rivier. Hun opperhoofd is Granman Songo Aboikonie, woont te Asidonhopo aan de Pikin Rio.

     

  6. < >

    De Koeroentiers

    Deze minder bekende stam die zich afgescheiden heeft van de Matuaris, zij wonen langs de midden- en bovenloop van de Coppename rivier. De groot kapitein woont te Kaimanston. Zij hebben geen granman. Kaimanston is langs de Coppename rivier.

    Bron: Interview met de heer Jabini

    Hoofdstuk 3

    Leefwijze van de marrons

    De marrons leven bijna allemaal op dezelfde manier. Ze leven van jagen en visvangst. Ook doen ze aan zwerf landbouw. Dat noemt men ook wel shifting culvation. Onze binnenland bewoners nl. De marrons en de inheemsen kappen een gedeelte van het bos open. Daarna woden de boomstammen verbrand. Het open gebrande terrein is dan gedurende 1 tot 2 jaren het kostgrondje. Dit werk wordt meestal door de mannen gedaan. Het kostgrondje wordt door de vrouwen onderhouden en beplant met knolgewassen (cassave, yamsi, napi) en andere gewassen als pinda, gember, rijst en maïs. Hierbij vindt er echter geen bemesting van de grondplaats, waardoor het grond snel ontvruchtbaar wordt. De opbrengst van de kostgrondjes wordt steeds kleiner en na ongeveer 2 jaren verhuist men naar een andere gedeelte van het bos. Daar wordt dan een nieuw kostgrondje opgekapt. Vandaar de naam zwerf landbouw. Het gevolg van het zwerven is dat de kostgrondjes steeds verder van het dorp komen te liggen. Soms moet men wel uren varen voordat het kostgrondje bereikt is. En men doet al eeuwen lang aan zwerflandbouw. Ook een ander gevolg ervan is tijdverlies. Verder verzamelen ze vruchten nl. Awara, aman en maripa. En maken ook olie van deze vruchten. Ze gebruiken ook koemboe en podosirie. Ze maken ook kwak en cassavebrood.

    Bron: interview met de heer Jabini

    Hoofdstuk 5

    De kunst

    Over kunst gesproken gaan we letten op het houdsnijwerk bij de verschillende marron stammen bv. De wijze waarop ze hun  pagaai, hun korjalen en hun banken maken. Bij de Aucaners hebben hun banken, korjaal en pagaai geen belangerijke namen. En meestal zijn de Aucaners, de Paramaccaners, Aloekoe’s en de Boni’s hun pagaai, korjaal en hun banken hetzelfde. Ze hebben geen belangerijke namen, maar de banken van de Saramaccaners hebben bijna allemaal een naam bv. Sajabie bank: het is net als een klapstoel, maar men maakt het met een stuk hout, men maakt het zodanig dat het uit twee delen komt te bestaan net als een klapstoel. Ze maken ook kammen, kalebas en diverse houtsnijwerken. Huizen worden met houtsnijwerk versierd.

    De hutten

    De hutten of huizen van de marrons worden versierd met potten, banken, lepels en houtsnijwerk. Vroeger werden de hutten van palmbladeren gemaakt, dat men “taai noemt en boegoe”. Ze werden dicht gemaakt of beslagen met gespleten pinabomen dat met golote noemt. Maar nu worden de huizen met zinkplaten en planken gemaakt, omdat ze de pinbladeren na 2 jaren steeds moet verwisselen. Ook hebben ze in hbet binnenland stenen huizen gemaakt.

    De hutten of huizen van de marrons worden versierd met potten, banken, lepels en houtsnijwerk. Vroeger werden de hutten van palmbladeren gemaakt, dat men “taai noemt en boegoe”. Ze werden dicht gemaakt of beslagen met gespleten pinabomen dat met golote noemt. Maar nu worden de huizen met zinkplaten en planken gemaakt, omdat ze de pinbladeren na 2 jaren steeds moet verwisselen. Ook hebben ze in hbet binnenland stenen huizen gemaakt.

    Bron: interview met de heer Jabini

    Slot

    Wij hebben ons best gedaan om informatie te verzamelen over de zeden en gewoonten van de  marrons. Wij weten nu ook meer over de marron cultuur. En hopen dat wij aan uw opdracht hebben voldaan.

    Bron

    Websites

    http://nl.wikipedia.org/wiki/Marrons

    http://nl.wikipedia.org/wiki/Marrons_van_Suriname

    Intervieuw

     

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Eva

Eva

Shivaro

8 maanden geleden

Antwoorden

gast

gast