De paardensport

Beoordeling 7
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • Klas onbekend | 2537 woorden
  • 26 mei 2002
  • 164 keer beoordeeld
  • Cijfer 7
  • 164 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
LO
De paardensport.

Er bestaat geen één bepaalde paardensport, het woord is eigenlijk een verzamelnaam voor vele verschillende sporten die te maken hebben met paarden. Enkele voorbeelden hiervan zijn dressuur, jumping, cross-country, endurance-rijden en ook tal van verschillende soorten paardenracen.
Aangezien er zoveel verschillende onderverdelingen zijn, is de essentie van de paardensport zelden hetzelfde. Maar voor de meeste paardensporten heeft men toch een basis nodig. Deze kan aangeleerd worden in maneges. Daarom ga ik verder ingaan op de dingen die in verband staan met het nemen van een rijles in een manege.

Voorbereiding
Voordat men begint met paardrijden moet men zich eerst een rijbroek en rijlaarzen aanschaffen, en eventueel handschoenen speciaal ontworpen om paard te rijden. Verder zijn een tok ter bescherming van het hoofd en een zweepje noodzakelijk. Men kan deze echter in sommige maneges ook lenen, hoewel het wel valt aan te raden een tok te kopen aangepast aan het eigen hoofd om de optimale bescherming te verkrijgen.

Voor de echte liefhebber is er ook poetsmateriaal verkrijgbaar, maar meestal kan deze ook geleend worden in de manege.

Verzorging van paard voor les
Het poetsen van het paard is, wanneer men gebruik maakt van de manegepaarden, niet verplicht. Men krijgt hierdoor evenwel een band met het paard, men leert het paard beter kennen, en men kan ook nagaan of het paard geen wondjes of blessures heeft.
Men begint het poetsen met het borstelen van de hals, rug, flanken en eventueel de benen, als deze niet te gevoelig zijn, met de harde borstel. Men kan ook eerst de roskam gebruiken als het paard heel vuil is, maar deze wordt vaak ook gebruikt om de andere borstels van vuil te ontdoen.
Men vervolgt dan het poetsen met het borstelen van het hele lichaam van het paard met zachtere borstels. Ook kamt men de staart en manen uit.
Verder mag men zeker niet vergeten de hoeven uit te krabben met een hoevenkrabber.
Men kan het paard eventueel ook nog borstelen met een blinkborstel, al dan niet met blinkmiddel op, om de vacht een extra glans te geven.

Optuigen, opzadelen, opstijgen.
Voor de les moet men natuurlijk het paard eerst opzadelen en optuigen.
Men begint met het zadeldek en het zadel op de rug van het paard te leggen, eerst over de schoft en dan op de juiste plaats schuiven. Vervolgens controleert men of alles goed ligt en maakt men de singel vast, maar losjes.

Meestal maakt men gebruik van een veelzijdigheidszadel omdat men deze voor zowel dressuur als springen kan gebruiken.

Veelzijdigheidszadel
Met dit zadel kun je en dresuurrijden en springen. Het zit namelijk precies tussen het sping- en dressuurzadel in. De zweetbladen zijn niet lang en niet kort en de zitting is niet echt vlak maar ook niet heel diep.


Na het opzadelen kan men beginnen met het optuigen. Men kan deze 2 handelingen echter ook omgekeerd uitvoeren.
Optuigen wil zeggen dat men het hoofdstel gaat aandoen. Men brengt eerst het bit voorzichtig in de mond en schuift dan het hoofdstel verder over het hoofd van het paard. Vervolgens maakt men de keelriem vast, zodat er nog een vuist plaats is tussen het riempje en het hoofd van het paard, en dan de neusriem, zodat er nog plaats is voor 2 vingers.

Via het hoofdstel heeft de ruiter contact met het hoofd van het paard. Er bestaan veel verschillende soorten hoofdstellen. Met bijvoorbeeld een andere neusriem of bit.

Stang- en trenshoofdstel
Twee soorten trenshoofdstellen: het trenshoofdstel met een enkele teugel en een hoofdstel met een dubbele teugel. Het laatste hoofdstel heeft een trensbit en een stang met elk een teugel. De meeste hoofdstellen zijn van leer gemaakt, maar er bestaan ook hoofdstellen van kunstof, alleen slijten die sneller maar zijn goedkoper. Probeer je paard altijd met een zo simpel mogelijk hoofdstel te rijden. Een hoofdstel met dubbele teugel moet alleen worden gebruikt om meer controle te krijgen over een gewillig en goed getraind paard en nooit om een ongewillig paard te beheersen

Na het optuigen en opzadelen leidt men het paard naar de piste en maakt men zich klaar om op te stijgen. Voor het opstijgen controleert men eerst het hoofdstel en zadel en singelt men aan. Hierna brengt men de stijgbeugels op maat, in theorie is de lengt van de stijgbeugels gelijk aan de lengt van de arm, gaat men links van het paard staan, neemt men de teugels in de linkerhand, steekt men de linkervoet in de stijgbeugel en stijgt men op. Bij het opstijgen moet men er wel op letten dat men niet met de voet in de buik van het paard steekt en dat men voorzichtig neerkomt in het zadel.
Eenmaal op het paard controleert men nog eens de singel en overtuigt men zichzelf ervan dat de stijgbeugels op de goede lengte hangen en neemt men de teugels op.

Houding.
Men moet met ontspannen zit in het zadel zitten en het bekken iets naar voren kantelen.
De bal van de voet rust op de stijgbeugels, de hielen zijn naar beneden gericht en men moet de benen lang maken.
Men moet recht zitten in het zadel met de schouders naar achteren , het borstbeen naar voren, en voor zich kijkend.
De teugels moeten zacht contact met de mond van het paard behouden en de handen moeten rechtop houden worden met de ellebogen tegen het lichaam.
De natuurlijke hulpen zijn de zit, benen en teugels. Eventueel ook de stem,maar niet in de les want dat zou de andere, zowel paarden als ruiters, in de war brengen.
De kunstmatige hulpen zijn het zweepje en de sporen, maar deze mogen enkel gebruikt worden als het paard niet reageert op de natuurlijk hulpen, en zeker niet om te straffen!

De les.
Men begint de les met oefeningen die zorgen voor een opwarming voor zowel het paard als de ruiter. Er worden verschillende rijbaanfiguren zoals:
De van hand veranderen over de diagonaal
Bij de K goed in de hoek rijden en dan recht oversteken naar de M. Tempo mag iets hoger, wel tijdig terugnemen. Vergeet niet van been te wisselen in de draf.
Op de tekening: bij K van hand veranderen.

Splitsen en weer samenvoegen
We beginnen op de A-C lijn en bij de C gaan we splitsen. De oneven nummers (op het tekeningetje de rode paardjes) gaan naar links (eigenlijk moet ik zeggen op de linkerhand) en de even nummers op de rechterhand.
De voorste ruiters (of amazone, natuurlijk) van beide groepjes moeten elkaar goed in de gaten houden. Houd er rekening mee dat het voorste paard van de rode groep is iets eerder bij de E is, als het eerste paard van de blauwe groep bij de B!!!
De andere ruiters zorgen ervoor dat de afstand tussen de paarden gelijk blijft. Houd er rekening mee, dat aan de andere kant van de bak, er weer een paard 'tussen' moet. Anders kom je in de problemen.
Loop je teveel in (of de afstand wordt groter) op je voorganger, niet oplossen door sneller of langzamer te gaan, maar door meer door de hoek te rijden (als je iets voor loopt) of de bocht juist af te snijden (als de ruimte te groot wordt).
Enne... de voorste ruiter (van elk groepje) bepaalt het tempo, de rest past zich daarop aan en zorgt ervoor dat er voldoende ruimte blijft om straks weer netjes samen te voegen.

Gebroken lijn
Netjes door de hoek rijden en recht naar de X en daar weer recht naar de hoefslag en net voor de letter weer op de hoefslag. De meeste paarden willen weer snel terug naar de hoefslag, dus hou ze in de gaten als je voorbij de X weer terug gaat naar de hoefslag.

Op de tekening een gebroken lijn M-X-F

Met enen afwenden
Beide groepen zitten op dezelfde hand. De ene groep zit de M-B-F, richting M en de andere groep zit op de K-E-H, richting K.
Op het commando, met enen afwenden, hoefslag rechterhand. Mars (Let op, pas bij mars uitvoeren), gaat iedereen afwenden. Als het allemaal goed gaat komen de ruiters allemaal tegelijk aan op de A-C lijn. Omdat we op de linkerhand zaten, geven we elkaar de linker hand. De voorste ruiter van jouw groep houden de andere in de gaten, hij (of zij) bepaalt het tempo. Als je dit vanaf de korte zijde bekijkt, zouden alle neuzen op een lijn moeten liggen. Bij de hoefslag aangekomen gaan we allemaal op de rechterhand.
Nog even een opmerking: met enen afwenden, mars, (er wordt niks gezegd, wat je moet doen als je weer bij de hoefslag bent) dan betekent dat, dat je op dezelfde hand blijft!
In het voorbeeld zou dat naar links zijn. In dit geval zal de achterste ruiter vooraan terecht komen.
Na de figuur elkaar weer in de gaten houden en weer richten

Tijdens de les worden er ook verschillende overgangen gemaakt:
De gangen : Hoe zitten ze in elkaar ?
De stap is een 4-tempogang waarbij het paard steeds drie hoeven op de grond heeft. Het paard zet de benen in de volgende volgorde neer : linksachter, linksvoor, rechtsachter, rechtsvoor. Om te laten zien dat je paard ontspannen en soepel is, moet de staart zacht zwaaien.
De hulpen voor de stap : Begeleidt het paard met zit, kuiten en teugels in het correcte ritme van de beweging. U kunt de stap ruimer maken door op het moment waarop een achterbeen van het paard naar voren gaat, met uw been achter de singel in te werken.

De draf is een 2-tempogang. Het paard moet licht van het ene diagonale paar benen op het andere springen en daartussen is er een moment dat alle benen in de lucht zijn. De volgorde is : linksachter gelijktijdig met rechtsvoor; zweefmoment; rechtsachter gelijktijdig met linksvoor. De hulpen voor de draf : Sluit beide kuiten aan het paard en volg met uw lichaam de bewegingen. Beheers de voorwaartse impuls met lichte spanning in de teugels. Met het kruis, de benen en de teugels geeft de ruiter het tempo aan. De ruiter kan doorzitten of lichtrijden.
Doorzitten : Bij het doorzitten in de draf blijft de ruiter in het zadel zitten. Zit recht in het zadel en denk aan uw houding. Dit vergemakkelijkt het doorzitten. Bij het doorzitten geven vooral de heupen van de ruiter het tempo aan.

Lichtrijden : Bij het lichtrijden komt de ruiter uit het zadel en gaat hij zitten op het ritme van de drafpassen. Wanneer in een rijbaan lichtgereden wordt, moet de ruiter uit het zadel komen op het ogenblik dat het binnenvoorbeen van het paard naar achteren gaat. Of alsnog het buitenvoorbeen van het paard naar voren gaat. Dit noemen we lichtrijden op het goede been. (Tijdens een wandeling weet je niet op welk been je moet rijden dus verander dan ongeveer om de 3 min. van been.) Bij het lichtrijden geeft de ruiter het tempo aan telkens hij uit het zadel komt.

De galop is een 3-tempogang waarbij het paard zijn hoofd en nek ritmisch met de gang mee beweegt. Eén van de achterbenen gaat omhoog, gevolgd door het andere achterbeen met het diagonale voorbeen en tenslotte het andere voorbeen. In de rechtergalop is de beenzetting als volgt : linksachter, rechtsachter en linksvoor gelijktijdig, rechtsvoor, zweefmoment. In de linkergalop is dit precies andersom.Het beste is het in een hoek aan te galopperen, omdat dan het paard vrijwel niet in de verkeerde galop kan aanspringen.
De hulpen voor de galop : Geef een halve ophouding aan, houd binnenbeen op de singel en buitenbeen iets achter de singel, de binnenteugel vraagt een lichte stelling. De buitenteugel begrenst de inwerking van de binnenteugel en onderhoudt de balans.
Tijdens een buitenrit kan je je paard in z'n lievelingsgalop laten gaan. Meestal is dit de linkergalop. Tenzij er tijdens het galopperen enkele bochten aankomen dan vraag je de galop in de richting van de bochten. Ga niet in contra-galop af op de bochten, ook al kan uw paard dit heel goed. Het is en blijft een wandeling.

Variaties van gangen.
- arbeidspassen : Dit zijn in het algemeen de natuurlijke passen van het paard voordat hij training heeft gehad. Hij moet gehoorzaam, ontspannen en in balans zijn en met energie bewegen.
- verzamelde passen : De 3 grote gewrichten in de achterhand, heup, kniegewricht en spronggewricht, zijn meer gebogen en de benen zijn bij elke pas onder het lichaam. Het paard beweegt korter en ronder dan in de arbeidsgang.
- middenpassen : Het paard neemt langere stappen dan bij de arbeidsgang, maar nog niet zo lang als hij kan. Hij moet met veel energie bewegen zodat hij langere stappen kan nemen.
- gestrekte passen : Het paard loopt met maximale energie en met de grootst mogelijke passen.
De halve ophouding.
Bij het dressuurrijden wordt met de term 'halve ophouding' een verzamelende inwerking bedoeld, zijnde een inwerking die tot resultaat moet hebben dat de achterbenen van het paard meer gewicht gaan dragen waardoor de voorbenen ontlast worden en het paard de voorhand kan oprichten. Het doel (van de halve ophouding) is de aandacht en het evenwicht van het paard te bevorderen voordat men hem vraagt bepaalde bewegingen of overgangen naar langzamere of snellere gangen te maken. Deze wordt vaak verwart met de "hele ophouding" (*).
De hulpen voor de halve ophouding : Zit diep en recht in het zadel, druk de kuiten aan en drijf tegen een vriendelijke hand. Trek het kruis aan en ontspan de handen wanneer het paard gehoorzaam is. U kunt nu de hulpen geven voor de volgende beweging of het tempo bewaren.
(*) = de "hele ophouding" betekent dat het paard tot stilstaan, danwel halthouden, wordt gebracht.

De eenvoudige galopwisseling.
Bij deze beweging begint u, bv., in galop links, maak de overgang naar stap, en na twee of drie passen in stap springt u aan in galop rechts.
De hulpen voor de eenvoudige galopwisseling links-rechts : Zit rechtop in het zadel en maak een halve ophouding tot stap. Laat twee passen in stap toe. Pas de hulpen voor de galop links toe : linkerkuit op de singel; rechterkuit iets achter de singel; een lichte stelling links; rechterteugel onderhoudt de balans. Houd voorwaartse galop aan op dit been.

Na de les.
Na de les mogen de paarden hun hals strekken en ontspannen, het is echter aan te raden dat de ruiter evenwel alert blijft. Men mag ook niet vergeten het paard te belonen met een vriendelijk klopje op de hals.
Vervolgens kan men afstijgen. Men houdt de teugels in de linkerhand en men haalt de rechtervoet uit de stijgbeugel, de linkervoet blijft met de tip van de voet in de stijgbeugel. Dan zwaait men het rechterbeen over het zadel en laat men zich zachtjes naar beneden glijden.
Voor men het paard dan naar de stal leidt, trekt men de stijgbeugels op zodat deze niet tegen de flanken van het paard slaan.

Afzadelen en aftuigen.
Wanneer men terug in de stal is kan men beginnen met het afzadelen en het aftuigen. Eerst maakt men de singel los en legt deze over het zadel. Men kan het zadel nu weghangen. Vervolgens doet men het hoofdstel af en bergt deze eveneens op.
In de winter moet men daarna het paard afdrogen met stro om een verkoudheid te verkomen. In de zomer is dit niet nodig, maar men moet evenwel altijd de hoeven uitkrabben.
Hierna kan men de stal verlaten, bij voorkeur een snoepje, wortel of appel achterlatend.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

A.

A.

hallo
ik ben anne kienhuis en ik houw een werkstuk over paarden. ik zie hier bij staan dat jij plaatsjes hebt. zou u zo vriendlijk willen zijn die naar mij te sturen.
alvast bedank
groetjes anne kienhuis
kienhuis_anne@hotmail.com

19 jaar geleden

F.

F.

hoi ik ben felicia en ik heb het gelezen heb jij ook mischien paarden plaatjes voor mij werkstukken doei groewtjes felicia

19 jaar geleden

S.

S.

Heeeeejzzzzz

Dat ding wat je op je kop zet met paardrijden heet een cap hoor geen tok. Een tok beschermd je edele gedeelte (als man zijnde) met andere sporten!!!!

19 jaar geleden

Y.

Y.

twas wel goed maar ok superlang

17 jaar geleden