Ben jij weleens opgelicht?

Wij doen onderzoek naar online oplichting onder jongeren. Vul de vragenlijst in (ca 5 min) en maak kans op een Bol.com bon van 25 euro (echt waar!)

Mensbeelden

Beoordeling 7.6
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • 4e klas havo | 2580 woorden
  • 5 november 2003
  • 148 keer beoordeeld
Cijfer 7.6
148 keer beoordeeld

Mensbeelden van filosofen. Plato: Plato was een bekende Grieks filosoof. Hij is rond 428/ 427 voor Chr. in Athene of Aegina geboren, toen werd hij Aristocles genoemd. Van zijn gymnastiekleraar kreeg hij echter de naam Platon (breed), omdat hij zo’n krachtig figuur had. Anderen zeggen weer dat hij die naam kreeg omdat zijn stijl zo breed was of zijn hoofd. Hij stamde af van een oude en rijke familie die tot de bestuurlijke elite van Athene behoorde en groeide op in een tijd dat Athene een grote bloei doormaakte. Twee familieleden van hem, Kritias en Charmides, waren betrokken bij het oligarchische regime van de Dertig. Door deze twee is hij in contact gekomen met Socrates. Hij hield zich toen met dichten bezig. Op 20-jarige leeftijd besloot hij in de leer te gaan bij Socrates. Hij wilde eerst geen politieke loopbaan volgen, omdat hij het schrikbewind van de Dertig verschrikkelijk vond. Toen de democratie werd ingevoerd, dacht hij er over om zijn politieke loopbaan weer op te pakken, maar toen diezelfde democratie zijn geestelijk leider en beste vriend Socrates ter dood veroordeelde, moest hij al helemaal niets meer van de democratie hebben. Hij schreef zijn filosofische werken in de vorm van dialogen, in navolging van zijn leermeester Socrates. In deze dialogen voert hij Socrates vaak op als gespreksleider. Socrates' strategie is om zijn tegenstanders net zolang te ondervragen over wat zij menen te weten, tot zij moeten toegeven dat zij niet weten wat zij dachten te weten. In de eerste fase van zijn werk onderzoekt Plato op deze manier een aantal ethische begrippen zoals rechtvaardigheid, matigheid en vriendschap. In de tweede fase van zijn filosofie laat Plato deze onderzoekende en analyserende methode van de dialoog los en gaat hij opbouwender te werk. Hij behandelt zaken als de onsterfelijkheid van de ziel en ontwerpt zijn beroemde Ideeënleer waarin hij stelt dat de wereld een afspiegeling is vanen gevormd is naar de eeuwige en volmaakte wereld van de Ideeën. In zijn werk de Politeia beschrijft hij de staat als bestaande uit dezelfde drie grondkrachten als waar de menselijke ziel uit is opgebouwd (driftleven, doorzettingsvermogen en rede). Mensbeeld Plato: Volgens Plato bestaat de mens uit twee delen: - lichaam, ziel. De ziel bestaat al voor de geboorte en UIT het lichaam.En maakt dus eigenlijk een eeuwige cyclus van geboorte en wedergeboorte.Het leven(ziel) dat wij in ons dragen, kent geen begin en geen eind.Conclusie: De ziel is eeuwig. Het lichaam is volgens Plato van ondergeschikt belang.Zelfs negatief.Plato zegt zelfs dat het lichaam een kerker is waarin de ziel- voor straf- opgesloten zit. (Indien bij een mensbeeld een dergelijke tegenstelling tussen ziel en lichaam wordt gemaakt spreken we van dualisme.) kennis is volgens Plato herinnering.Als wij iets waarnemen, worden wij herinnerd aan ideeën die de ziel heeft leren kennen in een vorig bestaan. Daarmee plaatst Plato de wereld van de ‘onzichtbare’ideeën tegenover de zintuiglijke waarneembare wereld.’Zintuiglijk’betekend dus hier: de wereld die wij kunnen zien,ruiken,horen,voelen,proeven. Zo kunnen bij bijvoorbeeld een boom zintuiglijk waarnemen,we kunnen de boom zien en betasten.Maar het volmaakte idee van iets, in dit geval is ‘het idee boom’ kunnen wij niet waarnemen.Wat wij wil waarnemen, de zintuiglijke boom, is een onvolmaakte afspiegeling van het idee boom, de volmaakte boom dus. De ziel maakt niet zo maar deel uit van de hogere wereld van de ideeën.Nee, de ziel bevindt zich tussen het lichaam en de hogere ideeën in. De ziel heeft in deze zichtbare wereld de zorg voor alles wat onbezield is maar de ziel kan deze taak alleen goed vervullen als zij contact houdt met het hogere, de wereld van de ideeën. Laat de ziel zich teveel leiden door het lichaam( het lagere dus), bijvoorbeeld door een verlangen naar genot, dan wordt zij omlaag getrokken. Streeft de ziel daarentegen naar hogere ideeën zoals goedheid, waarheid en schoonheid, dan bevrijdt zij zich en komt tot wijsheid. Tot slot een tekstfragment van Plato uit ‘Phaedrus’waarin de plaats van de ziel duidelijk wordt. ‘Al wat ziel is, is belast met de zorg voor al wat onbezield is , en doorkruist de ganse hemel, nu eens onder deze, dan onder gene vorm.Is ze nu volmaakt en bevleugeld, dan zweeft ze in hogere regionen en bestuurd ze de hele wereldruimte; heeft echter de ziel haar vederen verloren, dan valt zij naar beneden tot zij zicht aan iets hards weet vast te klampen. Daar vestigt ze dan naar haar verblijf en neemt aldus een aards lichaam aan,dat,dankzij de kracht die nog in de ziel is, de indruk wekt zichzelf te bewegen; het geheel, ziel en lichaam samengevoegd, krijgt nu de naam van een levend wezen.Telkens nu als ze( de goden en de zielen) ter tafel en ten feestdis gaan, bestrijden ze de helling naar de hoogste top van het hemelgewelf : iets wat de wagens van de goden, evenwichtig en licht bestuurbaar, zonder moeite doen, terwijl de andere(die van de zielen) er last mee hebben.Het met boosheid behepte paard weegt immers zwaar door en drukt door zijn gewicht de menner naar de aarde, wanneer het niet goed afgericht werd.Dan staat de ziel uiterste moeite en strijd te wachten.
Thomas Hobbes: Hobbes, Thomas (Malmesbury 5 april 1588 – Hardwick Hall 4 dec. 1679), Engels filosoof, was na studies te Oxford o.a. als gouverneur in dienst van de familie Cavendish. Door een drietal reizen naar het vasteland en zijn ballingschap in Frankrijk (1640–1651) kwam hij in aanraking met Marin Mersenne, Pierre Gassendi, Galileo Galilei en René Descartes. Na een periode van intense belangstelling voor de klassieke letteren vatte hij rond zijn 40ste jaar een voorliefde op voor de meetkunde, die, naast zijn kennismaking met de nieuwe wetenschap van de beweging, bepalend werd voor zijn verdere werk. Gebruik makend van een overwegend deductieve methode trachtte Hobbes het begrippenstelsel van de mechanica over te dragen op alle andere gebieden, ook op het maatschappelijk leven, dat hij ziet als een beweging van mensen naar elkaar toe of van elkaar af. Hobbes leefde dus van 1588-1679.In deze tijd was er een opkomend kapitalisme. Mensen konden dus op minder zorg van de gemeenschap rekenen en daardoor werd hun persoon(individualisme) belangrijk. ‘ieder voor zich en God voor ons allen. In deze tijd wordt ook het geloof in God anders. In de middeleeuwen was het zo dat God alles zo gewild zou hebben en dus de kerk een hele grote invloed op je uitoefende.In deze tijd wordt dit teruggedrongen tot in de privé-sfeer. (secularisatie) en draait het meer om je eigen individu die een eigen geweten heeft en recht heeft op een eigen mening.In plaats van de mening van een gemeenschap. Mensbeeld Hobbes Volgens Hobbes wordt de mens gedreven door eigenbelang, de mens is van nature egoïst.Met alle mogelijke middelen streven mensen hun eigenbelang na ten koste van anderen.Hobbes schildert nu een denkbeeldige natuurtoestand, een beeld van een samenleving zoals die er uit zou zien als de mensen aan zich zelf overgelaten zouden zijn.Die natuurtoestand kent dus geen overheid en geen afspraken tussen de mensen onderling. De natuurtoestand is die van een verzameling individuen die absoluut niet sociaal zijn.Integendeel, mensen zijn van nature asociaal en pure egoïsten.De natuur toestand van het menselijk samen leven typeert Hobbes daarom als een ‘oorlog van allen tegen allen’.Immers, als ik aanspraak maak op van alles en nog wat zullen anderen zich daartegen verzetten en daarbij zijn die anderen zelf ook ongeremd op hun eigen voordeel uit; anderen menen ook rechten te hebben op van alles en nog wat.Of, met de woorden van Hobbes te spreken, de natuur toestand is die waarin ‘de mens voor de mens een wolf is’(homo homini lupus) Hobbes staat echter geen samenleving voor waarin Geweld door de onderdanen de regel is.Hij vindt dat mensen naar vrede moeten streven.Daarom moeten alle mensen hun oorspronkelijke rechten opgeven maar wel op voorwaarde dat iedereen dit doet.Dit wordt een sociaal contract genoemd.Dat is een contract tussen mensen waarin zij hun rechten overdragen aan een heerser, die zij gehoorzaamheid verschuldigd zijn.Zonder zo’n contract zouden de mensen steeds in angst en gevaar verkeren.Dit contract komt dus voort uit een welbegrepen eigenbelang. De heerser aan wie de mensen in gezamenlijk overleg hun rechten hebben overgedragen,moet sterk zijn, immer het gevaar dat in de individuen onderlings slaags raken is aanwezig.deze heerser wordt door Hobbes ‘Leviathan’genoemd, een bijbelse term voor een machtig monster; het was tevens zijn titel van zijn boek dat in 1651 veel stof deed opwaaien. De onderdanen moeten de heerser dus gehoorzamen.De heerser moet echter wel de veiligheid van de onderdanen garanderen. Schiet de heerser tekort dan hieven de onderdanen niet langer gehoorzaam te zijn.Dit recht op verzet is nieuw in vergelijking met de middeleeuwen waar alle gezag van God kwam. We merken tot slot op dat volgens Hobbes mensen helemaal geen neiging hebben tot samenleven met elkaar.De samenleving heeft volgens hem niks te maken met een natuurlijk behoefte aan samenzijn; van nature hebben mensen geen enkele behoefte aan elkaar.Daarentegen komt de samenleving tot stand doordat individuen zo slim zijn om een onderling contract te maken waardoor ze samen kunnen overleven. Door hun verstand te gebruiken komen mensen tot een contract, het contract is een middel tot zelfbehoud. Juist verstand en zelfbehoud zijn vanaf de tijd van Hobbes tot op de dag van vandaag belangrijke begrippen in onze samenleving. Jean- Paul Sartre (Parijs 21 juni 1905 – aldaar 15 april 1980), Frans filosoof en literator, een van de grote figuren van existentialisme en existentiefilosofie, was vroegtijdig verweesd en werd opgevoed door zijn grootvader. Over zijn jeugd heeft hij op cynische wijze geschreven in zijn autobiografie Les mots (1963), waarin hij het burgerlijk patroon van zijn opvoeding scherp belicht. Na een studie filosofie aan de École Normale te Parijs (met befaamd geworden medeleerlingen als Maurice Merleau-Ponty, Robert Aron en Sartres levensgezellin, Simone de Beauvoir) was hij een aantal jaren leraar. Van 1932 tot 1934 verbleef hij met een studiebeurs in Duitsland, waar hij kennis maakte met existentiefilosofie, fenomenologie en psychoanalyse, wat van grote invloed werd op zijn latere werk. Vreemd genoeg leidde zijn verblijf aldaar – ten tijde van Hitlers opmars – nog niet tot politiek bewustzijn. Tijdens de oorlogsjaren nam hij na een jaar krijgsgevangenschap (1940–1941) deel aan het verzet en schreef hij ook zijn grote sombere studie l'Être et le néant (1943 Zijn levensvisie is pessimistisch en atheïstisch.. De ongemeen grote populariteit die Sartre na 1945 plotseling ten deel viel, is goeddeels terug te brengen op de levensopvattingen die speciaal de jongere generatie onder invloed van twee catastrofale wereldoorlogen beheersten. Het ‘existentialisme’ werd een tijdlang een modeverschijnsel met grote invloed op het culturele maatschappelijk leven

De politieke activiteiten van Sartre vielen aan het eind van de jaren zestig zeer op. Hij initieerde mede het zgn. Vietnam-tribunaal (zie Russell-tribunaal). Tijdens de mei-revolutie van 1968 stelde hij zich met volle overtuiging op aan de zijde van de links-radicalen. Hij bleef ijveren voor de zelfbeschikking van het volk. De Communistische Partij was volgens hem in gebreke gebleven en had de massa van het volk van zich vervreemd. In de jaren zeventig werd zijn aandacht steeds meer opgeëist door een verslechterende gezondheid, vriendinnen en zijn eigen reputatie als linkse intellectueel. Mensbeeld Sartre Volgens Sartre is de mens een vrij wezen , een wezen dat steeds zelf moet kiezen. Daarin verschilt de mens van alles wat verder bestaat op de wereld. Neem bijvoorbeeld een boek, zegt Sartre.Een boek is gemaakt door een schrijver die vooraf al een idee had over hoe het boek er uiteindelijk uit zou moeten zien.Het wezen van het boek gaat vooraf aan het bestaan van het boek.Of zoals Sartre het uitdrukt: het wezen (van het boek) gaat vooraf aan de existentie(het bestaan van het boek).Maar bij de mens is het juist andersom.Daar gaat de existentie vooraf aan het wezen.Dus eerst bestaat de mens en pas daarna gaat hij zich nader bepalen.Bij zijn geboorte is de mens dus nog onbepaald, hij is een onbeschreven blad, blanco.Datgene wat de mens na verloop van tijd ‘is’, is datgene wat hij van zichzelf heeft gemaakt. De vrijheid is het meest wezenlijke kenmerk van de mens.In tegenstelling tot een dier – dat zich alleen laat leiden door zijn instincten- is de mens in staat bewuste keuzes te maken tussen verschillende leefwijzen. De mens kan zin geven aan zijn leven door deze vrijheid te gebruiken om allerlei plannen te maken en deze ook uit te voeren.Zo kan de mens als het ware boven zichzelf uitstijgen. Vrijheid is dus aantrekkelijk en zelfs fascinerend maar aan de vrijheid zit ook een keerzijde.Vrijheid is ook een opgave waaraan de mens zich niet mag onttrekken. Als iemand zegt: ‘Ik doe wat in de bijbel staat’,is dat voor Sartre verraad aan de mens aan zichzelf.Een mens mag namelijk niet de bijbel of wat dan ook voor hem laten kiezen.Je mag je vrijheid niet uitleveren aan een god, aan de overheid of aan de mening van de massa. Mensen kunnen hun vrijheid op heel verschillende manieren ‘vergeten. Een bekend voorbeeld van Sartre in dit verband. Een soldaat die de opdracht krijgt om enkele onschuldige kinderen te doden, kan zeggen: ‘Ik moet het wel doen, anders word ik zelf gedood’. Dit klopt niet zegt Sartre , je kunt wel degelijk weigeren, want je bent vrij.En dat dit standpunt juist is , blijkt ook omdat sommigen wel degelijk weigeren.De vrijheid van de mens houdt dus een enorme verantwoordelijkheid in , een zware last die de mens heeft te torsen.Steeds opnieuw komt de mens dan ook in de verleiding om zijn vrijheid te verraden en net te doen alsof hij helemaal niet vrij is.Zo zal iemand net doen alsof hij helemaal niet vrij is door te zeggen: ‘ik ben geen held’om daarna het bevel (zie voorbeeld) uit te voeren. Sartre zegt dan weer:’je mag niet zeggen dat je geen held bent, je kiest ervoor om wel,of niet een held te zijn. In ieders leven zijn er wel momenten waarop je je vrijheid vervloekt, en liever een ‘ding’had willen zijn dat geen weet heeft van het probleem van de vrijheid. Laten we een minder zwaar voorbeeld nemen, en we bespreken concreet de wijze waarop Sartre zit zou doen. Jan vraagt aan zijn vriend Paul:’Kom je morgenmiddag even bij me langs om me te helpen met wiskunde?’Waarop Paul zegt: ‘nee ik kan niet ik moet tennissen.’ik kan niet’betekend: onvrij zijn. Maar moet paul tennissen of KIEST hij ervoor? Want hij had ook kunnen zeggen tegen zijn tennisvrienden dat hij niet kon komen omdat hij zijn vriend ging helpen met wiskunde. Sartre gaat het er niet om dat Paul zijn vriend had moeten helpen, probleem voor Sartre is dat Paul doet alsof hij onvrij is omdat hij liever gaat tennissen dan zijn vriend helpen.Onder het mom omvrij zijn (ik kan niet) wimpelt hij het verzoek af.Met een zwaar woord spreekt Sartre hier van verraad van de mens aan zichzelf, aan zijn ware aard die vrijheid is. Samenvatting: een mens moet zijn bestaan (dat wat hij is)helemaal zelf maken, door steeds opnieuw te kiezen.Net doen alsof je niet kunt kiezen, is net doen alsof je geen vrij mens bent.Maar je bent wel degelijk vrij mens en je kunt wel degelijk vrij kiezen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.