Eindexamens 2024

Wij helpen je er doorheen ›

Werkomstandigheden

Beoordeling 6.7
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • Klas onbekend | 1086 woorden
  • 9 januari 2003
  • 34 keer beoordeeld
Cijfer 6.7
34 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Durf jij de uitdaging aan?

Ben jij tussen de 17-30 jaar en wil je kennismaken met Defensie en een bijdrage leveren aan de samenleving? Tijdens de MDT Missie van het Ministerie van Defensie en Stichting TijdVoorActie zet je jezelf 80 uur in voor zelfontwikkeling, maatschappelijke impact én teamwork. Meer weten? 

Check de video
A.. Economische verandering (bron1,2 en 3) De economie maakte omstreeks 1800 een grote sprong vooruit. Er werd geïndustrialiseerd. De uitvinding van de stoommachine speelde hierbij een grote rol deze maakte het bijvoorbeeld mogelijk om in grote fabrieken machinaal producten te vervaardigen op een manier waar de kleine handwerksman niet meer tegen op kon concurreren. De kleine bedrijven werden in beslag genomen, daarvoor kwamen grote bedrijven voor in de plaats. Deze industrie werd gevestigd in de steden.Veel mensen werden toen ontslagen omdat er grote machines werden gebruikt De werkplaatsen die voorheen redelijk veilig waren, werden nu zeer gevaarlijke plaatsen voor de werknemers geworden. B. Nieuwe beroepen (bron 4 en 8) De beroepen veranderden natuurlijk ook met de industrialisatie mee. Zo ontstonden er nu beroepen zoals materiaalbeheerder en werkplaatsklerk. Ook werden deze beroepen nu door geschoolde arbeiders uitgevoerd, in plaats van ongeschoolde werknemers die vroeger dit soort werk deden. De mensen die niet ontslagen werden kregen zeer gevaarlijke werk te doen, want nu moesten ze de machines schoonmaken etc. Veel mensen kregen ongelukken op de werkvloer, en sommige vonden daar zelfs de dood, om maar aan te geven hoe de situatie (op een negatieve manier in de ogen van de arbeiders) was veranderd.
C. Werktijden (bron 11,12 en 13) De algemene werktijd voor arbeiders was zeer lang. Dit verschilde natuurlijk per werk ook wel een beetje, maar over het algemeen werkten de arbeiders te lang. Meer dan 1/3 van hun tijd moesten ze werken. Voor de werktijden van kinderen kwamen er nu vasten wetten. Zo kwam er bijvoorbeeld een zedenwet voor leerjongens/leerlingen: geen nachtwerk in de textielindustrie, dagarbeid beperkt tot 12 uur. Alleen had deze wet nauwelijks effect, want er was geen controle en er volgde ook geen straf bij overtreding en zo waren er nog wel meer niet werkende wetten voor de werktijden opgesteld. D. Kinder- en vrouwenarbeid (bron 24, 25, 26 en 27) De arbeiders bestonden niet alleen uit volwassen mannen. Ze bestonden ook grotendeels uit kinderen en vrouwen. Dit was een gevolg van de hoge nood aan duizenden arbeiders. Men nam steeds vaker kinderen mee omwille van hun fijne en handige vingers. Het was de gewoonte dat de patroon zorgde voor de voeding, kleding en een tehuis vlakbij de fabriek waar zij in werkte van deze kinderen. Het idee dat de kinderen het daar vrij goed hadden is volkomen onwaar. De arme kinderen werden mishandeld, geteisterd, gefolterd en moesten soms zelfs tot stervens toe het zware werk opknappen. Maar ook de vrouwen hadden het zwaar. Ze werden uitgebuit alsof het volwassen mannen waren. Zwangere vrouwen kregen geen uitzondering; zelfs zij moesten doorgaan met bijvoorbeeld het voorttrekken van wagentjes. Maar omdat deze vaak zo arm waren hadden ze geen andere keus dan dit zware werk te doen. E. Veiligheid (bron 14, 15,16 en 17) Na de industrialisatie nam de veiligheid in de fabrieken en op t werk erg af. De meeste machines waren gevaarlijk en er gebeurden vele ongelukken. Zo werden er veel mensen verminkt en gewond en sommige gingen zelfs dood! Ook gebeurde het vaak dat er armen werden afgedraaid zelfs bij kleine kinderen die in de fabrieken werkte. Voor deze mensen was er niks meer te doen. Zij konden in de fabrieken niet meer werken omdat het zwaar werk is en een gezond lichaam erg belangrijk nodig is. Ook in mijnen was het gevaarlijk werken door de vele instortingen van verouderde gangen, stiklucht en gasontploffingen. Hierdoor kwamen veel mensen in die mijnen om. Ook werden er velen ziek door de slechte omstandigheden op het werk. Ze konden niet zoals nu vrij nemen als ze koorts hadden of ziek waren want dan waren ze gewoon hun baan kwijt en hadden ze geen inkomen meer.
F. Arbeidsvreugde (bron 3,7,8,9 en 10) Het plezier in het werk nam na de industrialisatie sterk af doordat de fabriek nu aan de massaproductie overging. Dit betekende dat het werk eentonig, saai en regelmatig was. Het werk werd zo erg onpersoonlijk doordat iedere fabrieksarbeider maar 1 taak had. Dit bederft het plezier in het werk. De arbeiders werden dan ook gedwongen om het werk wel te doen met arbeidsdisciplines en boetes. Ook moesten ze zeer zwaar werk doen om een minimaal inkomen te krijgen. Doordat de fabrieken steeds dichter bij de steden kwamen werden deze zeer bevuild en kwamen vol met rook.. Veel mensen verlangden in die tijd ook terug naar het leven op het platteland. Gelijk met de industrialisatie groeide ook het aantal alcoholisten. Omdat het werk zo zwaar en eentonig was gingen veel mensen drinken om even weg te zijn van dat leven. Zo kwamen er wel steeds meer problemen in de gezinnen. G. Verhouding met de werkgever (bron 28,29,30 en 36) Tussen de werkgever en de arbeiders was een diepe kloof. Ze leefden heel anders. Dat zie je ook aan de huizen en aan de kleren. De werkgever woonde in een bakstenen huis en droeg nette pakken terwijl de arbeider in krotten woonden, voor een hoge huur, en in vodden liep. De verhouding tussen deze 2 ‘groepen’ was dan ook zeer slecht. De arbeiders werden door de werkgever zwaar onderdrukt. Maar ze hadden geen andere keus omdat ze dan, als ze opstand zouden bieden, geen geld kregen en dat betekende dat ze ook geen eten hadden. Ook werden ook ze zwaar gestraft als ze een keer te laat kwamen want dan werd een deel van hun salaris ingetrokken. De werkgevers in die tijd profiteerde dan ook heel erg van de arbeiders. H. Rechten van de werknemers (bron 31,32, 33 en 35) In 1871 werd de Criminal Law Amendment Act ingevoerd. Deze wet hield in dat er een verbod kwam voor het posten door leden van een vakvereniging bij een staking, omdat ze dan beschuldigd konden worden van intimidatie. Ook kregen de vrouwen meteen gevangenisstraf als ze maar ‘bah!’ riepen tegen de stakingsbrekers. In 1875 werd de CLAA opgeheven. En de wet waarbij een arbeider gevangen kon worden gezet als hij/zij het arbeidscontract verbrak, werd opgeheven. Maar ingevoerd werd het Employer and Workmen Act; weknemers en werkgevers werden gelijke partners bij het afsluiten van arbeidscontracten.
I. Reacties sociale wetgeving (bron 18 en 19) Bij de sociale wetgeving ging het steeds beter. Er werden voor zieke, invalide of oudere mensen steeds meer gedaan. Zo kwamen er verzekeringswetten die de onkosten voor de behandeling van een arts vergoeden. Dit was natuurlijk voor de arbeiders wel beter doordat ze zo minder hoefde uit te geven en dus meer geld zelf hielden. Ook moesten de werkgevers mee betalen als er een ongeluk gebeurde met 1 van de arbeiders. In 1889 kwam er zelfs een pensioenuitkering voor mensen boven de 70 zodat ze net hun hele leven verder hoefde te werken.

REACTIES

R.

R.

kan je messchien de bronnen geven uit het werkstuk op http://huiswerk.scholieren.com/werkstukken/mailto.php3?id=9039

Dank uw wel!!!!

20 jaar geleden

D.

D.

Hallo,
ik las je verslag, en ik vroeg me af waar jij deze informatie vandaan hebt gehaald?
M.v.g
Donnie Temmink

16 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.