Watersnoodramp 1953

Beoordeling 6.5
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • 4e klas vmbo | 3362 woorden
  • 18 januari 2006
  • 158 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.5
  • 158 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!
Hoofdstuk 1: De watersnoodramp van 1953.

In de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 overstroomden grote delen van Zeeland en de Zuid-Hollandse eilanden nadat de dijken doorbraken.

Het zeewater in de Zuid-Hollandse en Zeeuwse gebieden werd extra hoog door een zware noordwesterstorm, die samen ging met springtij, waardoor de dijken het begaven.

Schouwen Duivenland, Goeree en Overflakkee, Tholen en Sint-Philipsland werden bijna geheel overstroomd. Voorne-Putten en de Hoekse Waard overstroomden voor een groot deel. In Noord- en Zuid-Beveland, Walcheren, de Biesbosch, Rozenburg, het eiland van Dordrecht en langs de Vlaamse kust vonden kleinere overstromingen plaats.

In totaal werden 141.000 hectaren land overstroomd. De overstroming kostte 1835 mensen en duizenden stuks vee het leven. Deze ramp was de aanleiding tot het opstellen van een Deltaplan om herhaling te voorkomen.


Het zuidwestelijke gedeelte van Nederland moest beter worden beveiligd tegen overstromingen. Daarom werden de dijken langs de Nieuwe Waterweg en de Westerschelde verhoogd. Ook werden dammen en waterkeringen gebouwd. Door de deltawerken werd de Nederlandse kustlijn met 700 km verkort. Dit omvangrijke werk werd in fasen uitgevoerd en kostte ongeveer 5 miljard euro.

De belangrijkste onderdelen van de deltawerken zijn: de stormvloedkering in de Hollandse IJssel (1958), de Zandkreekdam (1960), de Veerse-Gatdam (1961), de Grevelingendam (1965), de Volkerakdam (1969), de Haringvlietdam met sluizen (1971), de Brouwersdam (1972), de Oester- en Philipsdam (1989) en de stormvloedkering in de Nieuwe Waterweg (1997).

De Nieuwe Waterweg en de Westerschelde konden niet worden afgedamd omdat de havens van Rotterdam en Antwerpen ook voor grotere zeeschepen bereikbaar moesten blijven. De Nieuwe Waterweg werd voorzien van een bijzondere stormvloedkering, die open en gesloten kan worden.

Hoofdstuk 2: Wat zijn de oorzaken van de ramp?

Een combinatie van verschillende oorzaken zorgde ervoor dat dit kon gebeuren.
De oorzaken zijn:
• De dijken waren te laag.
• De dijken waren te steil.
• De samenstelling van de dijken was niet goed.
Dat sommige dijken te laag waren bleek uit een overstroming uit 1943. Toen kwam het water over sommige dijken heen. Het was toen oorlog dus men was wel ergens anders mee bezig dan met een paar dijken. Na de oorlog kwam er ook niet veel van omdat ze toen bezig waren met de wederopbouw.
Als een dijk te steil is dan beukt het water er harder tegen aan en breek de dijk eerder.

In die tijd bestond een dijk uit zand. Daar overheen ligt dan klei en daar dan weer op gras om alles bij elkaar te houden. Als dan de dijk niet goed onderhouden wordt dan gaat de klei en de gras mat snel achteruit. Zo breekt een dijk sneller door dan wanneer het goed is onderhouden.
Deze oorzaken, samen met storm, werden de dijken fataal en stroomde een groot deel van Zeeland onder.

Hoofdstuk 3: Het Deltaplan.

Het Deltaplan bestaat uit vijf adviezen over het bouwen van de Deltawerken. Op 21 februari 1953 werd hiervoor de Deltacommissie opgericht. Het doel van de commissie is dus het opstellen van deze vijf adviezen ter voorkoming van nieuwe watersnoodrampen.

De vijf adviezen:

Advies 1 op 26 mei 1953:

Het eerste advies van de commissie is eigenlijk geen echt onderdeel van het Deltaplan. Het gaat over de verhoging van de Schouwense dijk op Schouwen-Duiveland tot 5 meter boven NAP in plaats van de 3,5 meter die de bedoeling was. Het advies wordt gegeven omdat de dijk erg ongunstig ligt ten opzichte van de stormrichting en in noodsituaties toch de hoofdwaterkering moet zijn. Het advies wordt uitgevoerd.

Advies 2 op 26 mei 1953:

Het tweede advies, dat tegelijk met het eerste op 26 mei 1953 uitkomt, gaat over de afsluiting van de Hollandse IJssel. Ze willen dat deze wordt afgesloten, omdat bij een eventuele nieuwe overstroming 1,5 miljoen mensen gevaar lopen. Een afsluiting doen ze liever dan de dijken verhogen, omdat dit goedkoper en sneller is. Ook zorgt zo'n kering ervoor dat de Hollandse IJssel wordt overbrugd. Het moet een beweegbare kering worden, die alleen dicht gaat als een stormvloed dreigt. De scheepvaart en waterbeheersing worden dan het minste gehinderd.
De commissie heeft vijf wensen voor de uitvoering:
• De kering moet tot NAP + 6 meter kunnen komen;
• De kering moet dubbel worden uitgevoerd;
• Eb en vloed moet ongestoord door de rivier gaan;
• De scheepvaart moet, ook bij sluiting zo weinig mogelijk hinder ondervinden;
• De kering moet zo dicht mogelijk bij de riviermondig worden aangelegd.
Dit is het eerste onderdeel van het deltaplan. Met de bouw ervan wordt na ruim een jaar begonnen.

Advies 3 op 27 februari 1954:

In het derde advies van de Deltacommissie komt afdamming van de zeearmen aan de orde. De commissie wil met zijn adviezen bereiken dat de veiligheid in Zuidwest Nederland wordt vergroot door de afsluiting van de zeegaten, voor zover dat mogelijk is. Ze hebben liever afsluiting dan het versterken van bestaande dijken, omdat het economisch en technisch beter uitvoerbaar is. De nadelen van de afsluiting waren toen niet van grote betekenis. Door de afsluiting wordt het isolement van de eilanden doorbroken, komt zoet water voor de land- en tuinbouw beschikbaar en ontstaan er recreatie mogelijkheden. Andere voordelen van afsluiting zijn dat de lengte van de dijken teruggebracht kan worden van ongeveer 700 kilometer tot 20 à 30 kilometer. Ook kunnen de dijken beter onderhouden worden. De zeedammen komen onder verantwoordelijkheid van het rijk. Als hoofdafsluitingen ziet de commissie van noord naar zuid: Haringvliet, Brouwershavense Gat, Oosterschelde en Veerse Gat. Andere afsluitingen die ze willen realiseren zijn bij: Volkerak, Grevelingen en Zandkreek. Er wordt verwacht dat de uitvoering van de Deltawerken ongeveer 25 jaar zal duren. De kosten worden geschat op ongeveer 1 miljard euro.

Advies 4 op 5 januari 1955:

Het vierde advies gaat over de afdamming van het Veerse Gat en Zandkreek. Het wordt ook wel het drie-eilandenplan genoemd. De bedoeling ervan is dat noord en zuid-Beveland en Walcheren aan elkaar worden gemaakt.
Er moet snel worden besloten, omdat bij deze onderneming ervaring kan worden opgedaan voor zwaardere karweien. De Veerse-Gatdam moet zo noordelijk mogelijk komen. In de Zandkreekdam bij Katseveer moet een schutsluis komen. Deze is voor de beroeps- en pleziervaart en kan het peil in het nieuwe Veerse Meer regelen. De afdamming levert ongeveer 1850 hectare land op.

Advies 5 op 18 oktober 1955:

‘Nadere beschouwingen in verband met de afdamming van de zeearmen’. Dit is de titel van het advies. Basis voor de werken is een waterpeil van NAP + 5 meter bij Hoek van Holland. De volgorde van uitvoering wordt op een rij gezet: stormvloedkering Hollandse IJssel, drie-eilandenplan, afsluiting Haringvliet, dam Grevelingen, dam Oosterschelde, afsluiting Brouwershavense Gat. De hoofdwaterkeringen langs Westerschelde en Rotterdamse Waterweg moeten, los van uitvoering van het Deltaplan, snel worden versterkt.

In totaal ga ik 12 onderdelen van de Deltawerken beschrijven. De meeste zijn dammen, maar er zitten ook keringen, een sluis en een kanaal bij. Ze worden in chronologische volgorde beschreven.

1. De Stormvloedkering Hollandse IJssel van 1954 tot 1958:

De rivier de IJssel staat via Rotterdam direct in verbinding met de zee. Als er dus een overstroming komt, zoals in 1953, kan ook verder op de rivier een overstroming ontstaan. Deze dam moet er komen, omdat het achtergelegen gebied een van de laagst gelegen en drukst bevolkte gebieden van Nederland is. Omdat de scheepvaart niet gehinderd mag worden, moet er een beweegbare
dam komen. Deze gaat dan alleen dicht bij extreem hoge waterstand. Zo heeft de scheepvaart er de rest van het jaar geen last van. Er wordt een stormvloedkering bedacht met twee 80 meter brede deuren die vanaf boven in het water kunnen worden neergelaten door een viertal torens. Naast de stormvloedkering moet er ook een sluis komen voor de te hoge scheepvaart en voor alle scheepvaart als de stormvloedkering gesloten is.

2. De Volkerakdam van 1955 tot 1977:

De Volkerakdam moest een dam worden die het Haringvliet en het Hollandsch Diep van het Volkerak moest afscheiden. Hierbij zou Brabant, de Hoeksche Waard en Overflakkee met elkaar verbonden worden. Om dit voor elkaar te krijgen moest er een eiland midden in het Haringvliet worden gebouwd. Op de scheiding van het Hollandsch Diep en het Haringvliet werd een brug gemaakt. Zo kan het water van de Maas en de Waal via het Haringvliet naar de zee stromen. De dam van het eiland naar Overflakkee werd gemaakt door zand op te spuiten. De dam tussen het eiland en Brabant was moeilijker, omdat men niet wou dat er zoet water
Zeeland in zou stromen. Ook wou men dat de binnenvaart vanuit Rotterdam nog via het Volkerak naar Zeeland of Antwerpen kon varen. In dat stuk dam werd daarom grote sluizen gemaakt. De Volkerakwerken zijn in vier onderdelen te verdelen:
• Het maken van de dam over de Hellegat platen.
• Het maken van het sluizencomplex en de overbrugging van het Hellengat met caissons.
• Het maken van de brug op de scheidingslijn tussen Hollandsch Diep en Haringvliet.
• Het bouwen van het verkeersplein (Hellegatsplein) op het eiland waar de twee dammen en de brug elkaar raken.

3. De Haringvlietdam van 1956 tot 1972:

De Haringvlietdam werd gebouwd om Goeree Overvlakke, Voorne Putten en Hoekse Waard te beschermen. De dam ligt op de grens van het Haringvliet en de Noordzee. Het hele bouwwerk is in totaal 4,5 kilometer lang en bevat een stuk van 1 kilometer met 17 spuisluizen. Deze spuisluizen hebben als functie het water van de grote rivieren in de Noordzee te spuien. De sluizen kunnen
met zware storm dicht door schuiven. Naast deze sluizen is er ook nog een aparte sluis voor schepen. Zo kunnen vissers nog in het Haringvliet vissen. Bovendien zijn er voor de vissen speciale tunneltjes gemaakt om van de Noordzee naar het Haringvliet te kunnen zwemmen. Er werd begonnen met het bouwen van de sluizen. Deze kwamen in een klein poldertje midden in het Haringvliet.
Na de sluizen werden de dammen er naar toe gebouwd. De dammen werden gebouwd door middel van de kabelbaanmethode (zie de Grevelingendam).
Door middel van de kabelbaan werden er grote beton blokken in het water gegooid. Deze werden door zandzuigers helemaal bedekt met zand. Hierover werd een laag asfalt gestort en de dam was klaar. Het heeft in totaal 14 jaar geduurd om deze dam te bouwen.

4. De Zandkreekdam van 1957 tot 1960:

De Zandkreekdam is gemaakt met behulp van caissons. Caissons zijn grote betonnen bakken met een vaste maat. Deze zijn 11 meter lang, 7,5 meter breed en 6 meter hoog. De caissons werden in een sluitgat afgezonken. Onder de caissons was een laag stortstenen neergelaten, zodat de caissons niet in de zachte bodem zouden wegzakken. Op deze manier ontstonden er steeds kleine stukjes dam. Bij het laatste gat werden er twee caissons aan elkaar gemaakt, omdat de stroming sterk was.De Zandkreekdam verbindt Noord-Beveland met Zuid-Beveland. Deze dam moest voor de Veersegatdam worden gemaakt, omdat er anders een gedeelte van het
water van de Oosterschelde via het Veerse Meer terug naar zee kon stromen. Zo zou er nog meer stroming ontstaan in het Veerse Gat. Er moest dus eerst een andere dam komen aan de achterzijde van het Veerse Gat. Deze dam werd de Zandkreekdam genoemd.

5. De Veersegatdam van 1958 tot 1961:

De Veersegatdam werd gebouwd om Walcheren en Noord-Beveland met elkaar te verbinden. Met deze dam werden deze twee gebieden beschermd tegen een eventuele nieuwe ramp. Omdat er met eb en vloed 70 miljoen kubieke meter water door deze opening stroomt kon men geen gebruik maken van de caissons. Door de grote druk zou men deze caissons niet kunnen plaatsen. Er werd iets nieuws bedacht; de doorlaatcaissons. Deze caissons zijn holle bakken met aan de ene kant drijfschotten en aan de andere kant oplaatbare schuiven.

Deze caissons moesten aan de volgende eisen voldoen:
• Ze moesten sterk en stijf zijn, zodat ze weinig zouden vervormen door de grote druk van het water.
• Er moest in het begin nog water doorheen kunnen. Later moest de dam kunnen worden afgesloten door sluizen.
• Ze moesten een hoge stabiliteit hebben voor tijdens het vervoer en de afzinking.
• Ze moesten een groot drijfvermogen hebben.
Om de doorlaatcaissons te maken hebben ze de standaard-caissons aangepast. Zo kregen deze caissons hogere en sterkere zijwanden. De open stukken waar het water doorheen zou moeten stromen kregen alleen de wapening en niet het beton. Zo zorgde men ervoor dat de caissons steviger waren, maar toch doorlaatbaar. De caissons kregen ook een boven- en een onderbak. De bovenbak werd gevuld met zand, zodat de caissons op hun plaats bleven staan.

6. De Grevelingendam van 1958 tot 1965:

De Grevelingendam is gemaakt om als hulpmiddel te dienen bij de bouw van de Brouwersdam, de Haringvlietdam en de Oosterscheldekering. De Grevelingendam ligt tussen Schouwen Duiveland en Goeree Overvlakkee. Voor de eerder genoemde dijken was het beter om het Grevelingen Meer dicht te maken. Op deze manier zou er geen water uit het Grevelingen Meer via de Oosterschelde of het Haringvliet
naar zee stromen. De afsluiting gebeurde gedeeltelijk door een nieuwe methode. Er werd een kabelbaan voor gebruikt om grote rotsblokken in het water te gooien. De caissons konden namelijk niet worden gebruikt, vanwege de sterke stroming.

7. De brouwersdam van 1963 tot 1972:

Voor het bouwen van deze dam waren 4 trajecten mogelijk. Er werd gekozen voor traject 1, omdat daar maar een sluitgat was.
Dit zou dus het goedkoopste zijn om te maken. De Brouwersdam is na de Grevelingendam gebouwd. De dam is in totaal 6,5 kilometer
lang. De dam heeft als doel Goeree en Schouwen Duiveland, waar hij tussen ligt, te beschermen. Met deze dam zou het Grevelingen
Meer ontstaan. De dam is gemaakt met caissons en met behulp van de kabelbaanmethode. Bij deze dam was deze manier nodig, omdat
aan de ene kant de geul te diep het een te diepe geul was en het water te hard stroomde om caissons te plaatsen. Het is op
ongeveer dezelfde manier gegaan als bij de Grevelingendam.

8. De Oosterscheldedam van 1967 tot 1986:

Ook bij het aanleggen van deze dam was het doel de veiligheid van het achterliggende land. Toch waren er veel mensen die vonden dat er in de Oosterschelde geen dam moest komen, omdat men de natuur wilde behouden. De voorstanders van de dam vonden juist dat de veiligheid voorop moest staan. Er werd toch besloten om een dam te maken. De doelstelling was
om de veiligheid te kunnen garanderen aan de inwoners en ook het unieke natuurgebied te behouden. Om dit te realiseren waren er nieuwe technieken nodig. De afsluiting van de Oosterschelde werd mede daarom gezien als het moeilijkste karwei van de hele Deltawerken. Er werd begonnen met het 'klaarmaken' van de Oosterschelde voor het bouwen van de kering. Dit werd gedaan door verschillende schepen, zoals de Ostrea en de Macoma. Voor deze werkzaamheden was veel energie nodig. Daarom was er op een van de werkeilanden (dat Schaar heette) al in het begin een energiecentrale gebouwd. Deze centrale had een vermogen van 12.000 kVa (valt te vergelijken met de stroomvoorziening voor 45.000 mensen).
Deze elektriciteit werd opgewekt door 15 dieselgenerators
en een windmolen. Er werden pijlers gemaakt voor de kering. Deze werden gemaakt in een bouwput van ongeveer 1 vierkante kilometer. De pijlers waren 18.000 ton per stuk en 30,25 tot 38,75 meter hoog. Voor elke pijler was ongeveer 7000 m3 beton nodig en het kostte anderhalf jaar per pijler om ze te maken. Aan de onderkant waren de pijlers hol, zodat ze makkelijker verscheept konden worden. Bij het neerzetten werd deze holte gevuld met zand. Rondom de pijlers werden stenen gestort om het geheel stevig te maken. In 2 jaar tijd was er zo'n 5 miljoen ton stortsteen verwerkt. Maar met alleen de pijlers was het werk nog niet klaar. Op deze pijlers moest ook nog van alles komen, zoals opzetstukken en boven- en onderbalken. Nadat dit allemaal klaar was werden de schuiven tussen de pijlers in gehangen. De schuiven zijn gemaakt van staal en ze zijn 42 meter lang. De hoogte verschilt van 5,9 meter tot 11,9 meter. Ze wegen per stuk tussen de 300 en 500 ton. Om deze cilinders te kunnen bewegen was er een speciaal systeem nodig. Dit systeem heet het hydraulische systeem en bestaat uit 124 hydraulische cilinders. Deze worden bediend vanuit een apart gebouw.

9. De Sint Philipsdam van 1976 tot 1987:

De Sint Philipsdam (een onderdeel van de compartimenteringswerken) zou worden gebouwd tussen St. Philipsland en de Grevelingendam.
Op deze manier werden Brabant en Schouwen-Duiveland met elkaar verbonden. Deze dam had als tweede functie het verschil tussen
eb en vloed in de Oosterschelde groter de laten zijn. De Oosterschelde moest hiervoor kleiner worden gemaakt en dat deed men
door deze dam te bouwen. Ook de Oesterdam werd hiervoor gebouwd. De Philipsdam werd niet alleen een dam, maar ook een sluizencomplex. Met
deze unieke sluizen konden het zoute water uit de Oosterschelde en het zoete niet met elkaar vermengd worden.

10. De Oesterdam van 1977 tot 1988:

Ook deze dam werd gebouwd om het eb en vloed verschil in de Oosterschelde te vergroten. De Oesterdam sluit een flink stuk
van de Oosterschelde in het zuiden af. Zo'n 1000 ha water ligt erachter. Door afsluiting was het Zoommeer ontstaan. Alles
bij elkaar (o.a. het Zoommeer en het kanaal dat Tholen en Brabant scheidde) werd het het Schelde-Rijn kanaal genoemd. Door
dit kanaal konden schepen in één keer naar Antwerpen varen, zonder door het Oosterschelde en het Kanaal door
Noord-Beveland
te hoeven varen. Een ander voordeel van de Oesterdam is dat hierdoor een zoet meer ontstond dat aan Brabant grensde. Dit zou
verdere verzilting van Brabant tegen gaan.

11. De Markiezaatskade (van 1980 tot 1983), het Bathse Spuikanaal en Bathse Spuisluis (van 1980 tot 1987):

Al deze drie bouwwerken zijn onderdeel van de compartimenteringswerken. De Philipsdam en de Oesterdam zijn hier ook onderdeel van.

De Markiezaatskade is een secundaire afsluitingsdam. Deze dam heeft de vorm van een omkading van het Markiezaat. Dit ligt bij Bergen op Zoom. Deze dam is 4 kilometer lang en ligt tussen Zuid-Beveland en Molenplaat bij Bergen op Zoom. Deze kade werd aangelegd om de sluiting van de Oesterdam makkelijker te laten voorlopen. Ook was deze kade ervoor om te voorkomen dat tijdens de bouw van de Oesterdam op de Schelde-Rijnverbinding de stroomsnelheden te hoog zouden worden. De vier kilometer lengte van deze dam bestaat, van zuid naar noord, uit een 1900 meter lang en laag gelegen damvak, een stenen sluitkade van
800 meter lang, een laag noordelijk damvak van 400 meter, een 1100 meter lange en hooggelegen damvak en als laatste een laatste verbindingsdam. Met deze dam werd begonnen op 23 december 1980 en de dam was klaar op 30 maart 1983. Achter de kade was het Markiezaatsmeer ontstaan. Hierin ontstond de Bergse Plaat. Voor de gemeente Bergen op Zoom was dit een mooie plaats om een nieuwe woonwijk aan te leggen. Er werden in totaal 2500 woningen gebouwd.

Het Bathse Spuikanaal en Bathse Spuisluis is een afvoersysteem. Het overtollige zoete water uit de randmeren wordt door dit systeem afgevoerd. Het bestaat uit een acht kilometer lang kanaal. Dit ligt evenwijdig aan de westzijde van de Schelde-Rijnverbinding van de Oosterschelde tot aan een spuisluis aan de Westerschelde bij Bath. Dit systeem kan 8,5 miljoen kubieke meter water
per dag afvoeren. In 1980 werd er begonnen met het aanleggen van een bouwput voor de spuisluis. Twee jaar later volgen de voorbereidende werken voor de aanleg van het kanaal. Er werden ook diverse bruggen aangelegd voor auto- en treinverkeer. Op 22 mei 1986 was het kanaal klaar en vier maanden daarna, op 17 september, was ook de ringdijk rond de spuisluis klaar.

12. De Maeslantkering van 1989 tot 1997:

Deze stormvloedkering ligt in de Nieuwe Waterweg en was tot voor kort het grootste waterbouwwerk in aanbouw in Nederland.
Het is bijna even lang als de Eiffeltoren in Parijs en in gewicht zelfs vier keer zo zwaar. Deze stormvloedkering, oftewel Maeslantkering, werd in het voorjaar van 1997 officieel in gebruik genomen. Het is het laatste onderdeel van de Deltawerken en wordt alleen bij storm van orkaankracht in werking gesteld. De kering moet bescherming bieden tegen waterstanden hoger dan 3 meter boven NAP. De twee gekromde stalen muren die het zeewater moeten tegenhouden zijn 210 meter lang en 22 meter hoog.
Bij dreigende stormvloed stromen de wanden vol water, waardoor ze afgezonken kunnen worden naar een fundament op de rivierbodem.

Hoofdstuk 4: Andere watersnoodrampen.

Eerste Kerstdag 1277: Noord-Nederland wordt getroffen door een grote overstroming. De zee dringt diep het land in en Nederland raakt hierdoor grote gebieden kwijt.
19 november 1421: de St. Elisabethsvloed zorgt ervoor dat de Grote Waard bij Dordrecht onder water komt te staan. Twintig dorpen verdwijnen. Een legende vertelt ons dat tijdens deze overstroming een kat het leven van een baby redde door op haar wiegje heen en weer te lopen zodat die niet zou omslaan.
1 november 1570: Nederland wordt getroffen door een hele grote watersnoodramp, de Allerheiligenvloed. In Zeeland komen 3000 mensen om, in Friesland 20.000 en in Groningen 9000.
Kerstmis 1717: bij een stormvloed komen in Groningen en Friesland zo'n 5000 mensen om.
22 november 1776: grote delen van Overijssel en Noord-Utrecht overstromen.
Januari 1916: op veel plaatsen in Noord-Holland, Gelderland en Overijssel breken de dijken door.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

E.

E.

mooi gemaakt ik heb er veel aan!!

11 jaar geleden

F.

F.

heel slecht vind ik :P

8 jaar geleden

G.

G.

weinig hoofdstukken.

7 jaar geleden