Inleiding:



Kenya spreekt veel mensen aan vanwege de prachtige natuur, films zoals ‘Out of Africa’ en het mooie weer; het is het ideale vakantieland. Weinig bezoekers weten echter niet wat er achter de schermen gebeurd. De turbulente geschiedenis en de huidige problemen zijn onzichtbaar voor de meeste bezoekers, die zien alleen de luxe hotels, de georganiseerde safaris, de romantische zonsondergang in een Nationaal Park of de azuurblauwe zee. Dit stereotype beeld wordt ook door de talloze reisbureaus geschetst, waardoor mensen een verdraaid beeld van de werkelijkheid krijgen.

Kenya is ??n van de armste landen in de wereld, waar mensen op de armoedegrens wonen en hopen de dag van morgen nog wat te eten te hebben. Kenya is ook het land waar de decadente en corrupte politieke leiders in dure BMW’s rijden, terwijl de bevolking in het noorden bijna sterft van de honger.





Zijn deze contrasten historisch gezien uit te leggen? Heerst er onder de politici geen gevoel van verantwoordelijkheid, broederschap, trots? Waarom staat de bevolking niet als ??n man op om iets aan hun situatie te doen?



Vragen als deze hielden mij bezig toen ik dit onderwerp koos. Door mijn eigen verbintenis met Kenya had ik al enige voorkennis, waardoor het kiezen van het onderwerp voor dit onderzoek een logische keus is. Ik interesseer me ook voor andere culturen, en dit onderwerp is een geschikte mogelijkheid om iets over de verschillende Afrikaanse culturen te weten te komen.



De structuur van het onderwerp is gebaseerd op de continu?teit - discontinu?teit vorm, en het onderwerp is nationalisme.

1 Welke verschillende volkeren leven er in Kenya?



1.1 Geschiedenis van Kenya

Zo veelzijdig als het land zelf, zo veelzijdig is ook de bevolking van Kenya. Binnen de grenzen van het land wonen zo’n 25 miljoen mensen (naar schatting van de Wereldbank, in 1989 is de meest recente telling gedaan, sinds die tijd is de Kenyaanse bevolking sterk gegroeid), die behoren tot de meest uiteenlopende stammen en rassen. Het moderne Kenya is een land van tegenstellingen, Afrikanen uit alle hoeken van het continenet wonen hier samen met de afstammelingen van immigranten uit Europa en Azi?.

De huidige Kenyaanse bevolking komt voort uit de vele historische en recente immigrantengolven. Duizenden jaren geleden verhuisden stammen uit heel Afrika naar dit vruchtbare gebied in Oost-Afrika. Ze kunnen daarom als de voorvaderen van de huidige Kenyaanse bevolking worden beschouwd.





Volksverhuizingen

De prekoloniale geschiedenis van Kenya wordt vooral gedomineerd door migratiegolven van drie grote Afrikaanse bevolkingsgroepen; de Kushieten, Niloten en Bantu. Daarvoor, meer dan vierduizend jaar geleden, werd Kenya schaars bevolkt door Khoisan, mensen verwant aan de ‘kliktaal’- volken die in zuidelijk Afrika leven. Er wonen in Kenya nog een paar van deze Khoisan-sprekende groepen.

De Kushieten kwamen tussen vierduizend en tweeduizend jaar geleden vanuit de Ethiopische hoogvlakte het land binnen. De eerste groepen Niloten arriveerden rond de geboorte van Christus in het noordwesten. Een volgende groep Niloten kwam vanaf 1600 uit het westen. Deze bestond uit Luo die met hun vee naar de oostelijke oevers van het Victoria-meer trokken. Ook drongen Turkana- en Maasai-groepen op vanuit het noorden; zij koloniseerden de Rift Valley.

De Bantoes, wier talen verreweg de grootste lingu?stische groep van Kenya vormen, drongen het land binnen vanuit het zuiden en westen. Vanaf het begin van de Christelijke jaartelling hebben ze zich vanuit het gebied van het huidige Kameroen naar het midden en zuiden van Afrika verplaatst. De migratiegolven van de Bantoes en hun daarop volgende vestiging in Kenya gingen door tot het jaar 1000 na Christus. Op een gegeven moment trokken ze langs de kust zo ver noordwaarts dat ze op de Galla en Somali stuitten, die er vermoedelijk in slaagden om hen te dwingen weer naar het zuiden te keren.

De tweede Bantoe-golf voerde van de kust naar de hooglanden, wat door mondelinge overlevering van de Meru en Wakamba bevestigd wordt (er is tot nog toe geen ander materiaal gevonden om al deze zoektochten te bewijzen, men gaat uit van overlevering en schaarse archeologische vondsten). Zo trokken de Wakamba tussen 1450 en 1550 van het Kilimanjaro-gebied naar Ukambani.



Ongeveer tezelftertijd zetten ook de andere stammen uit het gebied rond de Mount Kenya zich in beweging, zoals de Chuka, Mbere, Embu, Ndia, Gicugu en Wakikoejoe. Zij verhuisden van Tiggania en Igembe naar het noordoostelijke puntje van de Meru. Ze trokken om de Meru Hills heen en zwierven naar het zuiden tot ze tegen het eind van de zestiende eeuw eindelijk het huidige gebied van de Wakikoejoe bereikten. In de daarop volgende drie eeuwen consolideerden deze gemeenschappen zich en breidden zich verder uit.



Recente ontwikkelingen

Het Kenya van de vorige eeuw was een ‘zee’ van nomadische veetelers waar zich een paar ‘eilandjes’ van akkerbouwvolken bevonden – de Kikoejoe (of Kikuyu), Luhya en de Kisii. In aantal waren de akkerbouwers het omvangrijkst, maar zij bestreken maar een klein gedeelte van het landoppervlak. De Luo, Kipsigis en Kamba vormden overgangsgroepen: Stammen die in het verleden veehouders waren, maar zich aan het bekeren waren tot de landbouw. De veehoudende Maasai, Somali, Turkana en Nandi waren de dominante groepen.

Akkerbouwers en veetelers wisselden regelmatig goederen uit, soms werden meisjes uit akkerbouwgroepen uitgehuwelijkt aan veehouders, maar meestal waren de relaties gespannen. Akkerbouwers kregen nauwelijks de kans om een veestapel – en daarmee bezit – op te bouwen, omdat die steevast werd geroofd. Vrouwen en kinderen hadden dikwijls datzelfde lot.

De meest opvallende ontwikkeling van de afgelopen negentig jaar is dat de machtige volkeren van veehouders hun machtspositie zijn kwijtgeraakt, en dat de akkerbouwers nu domineren. De koloniale politiek van de Britten, die het land eind vorige eeuw in bezit namen, speelde daarbij een grote, maar zeker niet de enige rol. Om de Kenyaanse geschiedenis te begrijpen is het belangrijk te weten dat de Britse kolonisatie volgde op een rampzalige periode voor de veehouders. De runderpest die eind 1880 vanuit Ethiopi? oversloeg vermorzelde de veestapel van veel veehouders. Ernstige droogtes leidden er ook toe dat er een tekort aan granen was die geruild of geroofd konden worden bij de akkerbouwers. Met name de Maasai werd zwaar getroffen, mede omdat onderlinge strijd al veel energie had gevergd. De Maasai beheersten vrijwel de gehele Rift Valley en de daaraan grenzende hooglanden, maar na de veeramp trokken zij zich, aanzienlijk uitgedund, terug op een beperkt aantal lokaties. Europese reizigers troffen een leeg gebied. Ze zagen ook dat de landbouwers hun grondgebied aan het uitbreiden waren met het voormalige Maasai-land. Het relatief geringe verzet tegen de Britse kolonisatie is hierdoor enigszins te verklaren. Verzet kwam eigenlijk alleen van een deel van de veehouders, zoals de Nandi en Kalenjin (1906) en de Turkana (1918). Dat verzet werd genadeloos onderdrukt.



Het tijdperk van de Kolonisatie

De Britten hadden grote belangstelling voor Oost-Afrika. Al vanaf het begin van de negentiende eeuw werd vanuit Brits-Indi? geprobeerd het gebied binnen de Britse invloedssfeer te brengen. Dat lukte met het Oost-Afrikaanse kustrijk van de sultan van Oman. In het binnenland van Oost-Afrika was echter sprake van groeiende rivaliteit tussen Engelse en Duitse handelsondernemingen. Om daaraan een eind te maken werd in 1886 een grens getrokken van de kust tot aan het Victoria-meer: ten noorden van de lijn zouden de Britten het voor het zeggen hebben en ten zuiden ervan de Duitsers. Het volgende twistpunt was Uganda (Oeganda), dat de Duitsers wilden anexxeren, maar door Groot-Brittani? tot haar grondgebied werd gerekend. De zaak werd in 1890 met een verdrag geregeld: De Britten kregen zowel Kenya, Uganda als Zanzibar, maar in ruil daarvoor moest het Helgoland voor de monding van de Elbe aan Duitsland afstaan.

Aanvankelijk voerde de Imperial British East Africa Company het beheer, na 1895 werden Kenya en Uganda Britse protectoraten. Kenya werd pas in 1922 een echte kolonie.



In de eerste jaren zagen de Britten Kenya vooral als doorgangsgebied naar het vruchtbare Uganda en naar de bronnen van de Nijl, de fascinatie van menig ontdekkingsreiziger in de negentiende eeuw. De aanleg van de spoorlijn tussen Mombasa en Kisumu aan het Victoria-meer was een Brits project. Zo’n dertigduizend contractwerkers uit Brits-Indi? werkten tussen 1896 en 1901 aan de spoorlijn, velen kwamen daarbij om het leven. Om de spoorlijn een bestemming te geven spoorden de Britten kolonisten (grotendeels uit de hogere kringen) aan om zich in Kenya in het ‘lege’ Maasai-gebied te vestigen. Tussen 1904 en 1930 vestigden zich zo’n tweeduizend boerenfamilies zich in en om het centrale deel van de Rift Valley. Hierdoor werd deze streek de White Highlands genoemd.

Veel kolonisten hadden echter de grootste moeite om hun oppervlakten van gemiddeld duizend hectaren in cultuur te brengen en arbeidskrachten waren nauwelijks voorhanden. Het moederland had aanvankelijk een voorkeur voor de ontwikkeling van een op export gerichte landbouw, die gedragen zou worden door de kleine Afrikaanse boeren in de meer dichtbevolkte gebieden.

In de jaren twintig wisten de blanke kolonisten een stevige greep te krijgen op het bestuur van de kolonie en deed men er alles aan om de Afrikaanse boeren als goedkope arbeidskrachten op de grote Britse plantages te krijgen. De grenzen van de Britse plantages werden wettelijk vastgesteld, de meeste akkerbouwgebieden van de Afrkaanse boeren werden tot wildreservaat verklaart en belasting werd ingesteld zodat de boeren wel winstgevende produkten moesten gaan verbouwen in plaats van producten verbouwen voor de eerste eigen primaire levensbehoeften. Er werd een ‘pasjesregeling’ getroffen voor mensen die de White Highlands binnenwilden en allerlei gebods- en verbodsbepalingen werden ingesteld. Hierdoor kwam er in de jaren twintig een stroom van Afrikaanse arbeidskrachten naar de blanke grootlandbouwbedrijven. Het waren vooral de Kikoejoe, Luo, Luhya en zuidelijke Kalenjin die aan deze arbeidsmigratie meededen.

Tijdens beide wereldoorlogen werden Kenyaanse soldaten gerekruteerd om te vechten tegen de Duitsers in Oost-Afrika, ook werden ze ‘gerekruteerd’ om op de plantages te werken. Vrouwen en kinderen werden niet bruikbaar geacht en moesten achterblijven, zij deden al het werk in de velden om hun eigen gewassen binnen te halen. De Aziatische gastarbeiders die gebruikt waren bij het bouwen van de infrastructuur vestigden zich in nieuwe steden als Nairobi en de grote kust- en handelsstad Mombasa. Zij waren vooral actief in de handel en kleine industrie.

De na 1945 sterk uitdijende overheid trok voor haar lagere administratieve functies met name Luo- en Kikoejoe-mannen aan. Zij hadden geprofiteerd van de scholing die door zending en missie beschikbaar waren gesteld aan het begin van de eeuw.



Mau Mau

De economische en politieke verwachtingen waren na 1945 hooggespannen, maar er zat nauwelijks groei in de Afrikaanse landbouw, ambachts- en handelsbedrijven. Tegelijkertijd leidde de snel groeiende bevolking tot een tekort aan akkerland, vooral in het Kikoejoe-gebied. De door koloniale belangen gedomineerde politiek frustreerde menigeen, en in Centraal-Kenya leidde dit tot gewapend verzet: de Mau Mau-guerilla.

De Mau Mau was een bush-oorlog van veelal ongeletterde jongens uit arme families die tegen het kolonialisme vochten, ze waren de onderdrukking zat. Ze vochten tegen blanke boeren en Afrikaanse Kenyanen in dienst van de blanken. De oorlog kostte tussen 1950 en 1956 het leven aan tienduizend guerilla-strijders. tweeduizend Afrikanen, 63 blanke soldaten en 32 overige blanken.

Door de guerilla-activiteiten in hun gebied was de Kikoejoe gedwongen te verhuizen van hun boerderijen naar ‘versterkte dorpen’. Er werden tachtigduizend Afrikanen, het merendeel Kikoejoe, gevangengezet. Ze werden tewerkgesteld in werkkampen voor onder ander herbebossing en bodemconservering. Ook de latere president Jomo Kenyatta werd ge?nterneerd.



Onafhankelijkheid

In 1955 en 1956 werd de eerste overwinning van het Kenyaanse volk op de Britten geboekt, de kolonisten moesten concessies doen; de Afrikaanse Kenyanen kregen de gelegenheid om geld te verdienen in de exportlandbouw, het transport en de handel. De reservaten en pasjesregeling in de White Highlands werden afgeschaft.

Ook in politiek opzicht werd het roer omgegooid. In 1957 werden enkele Afrkanen in de wetgevende vergadering gekozen, drie jaar later werden er twee politieke partijen gevormd en werd er in Londen overlegd over de politieke toekomst van Kenya. De eerste algemene verkiezingen vonden plaats in 1961 en werden gewonnen door de Kenya African National Union (KANU), maar deze partij weigerde te regeren zolang haar leider gevangen zat: Jomo Kenyatta. De verkiezingen van 1963 werden overtuigend door de KANU gewonnen en Kenyatta werd de eerste Kenyaanse president. Hij had de taak samen met de Britten de onafhankelijkheid te regelen.

Het tijdperk van Uhuru, de vrijheid, en Harambee, de samenwerking, brak aan. Deze termen worden in het huidige Kenya nog steeds gebruikt door de KANU, die nog steeds aan de macht zijn. Een door de Britten opgelegde grondwet werd in 1964 buiten werking gesteld en Kenya riep zichzelf uit tot republiek met een gecentraliseerd bestuur en een belangrijke positie voor de president.



1.2 Huidige opmaak van de Kenyaanse bevolking

Om van alle verschillende stammen een schets te maken is een onmogelijke en overbodige opgave. De stammen die hier beschreven worden zijn de hoofdgroepen van de Kenyaanse bevolking en omvatten vele andere kleine stammen die ongeveer dezelfde kenmerken hebben.







De Kikoejoe

De belangrijkste woongebieden van de Kikoejoe, de grootste etnische groep van Kenya, zijn de districten Murang’a, Kiambu en Nyeri in Midden-Kenya. Door het vruchtbare land werden zij succesvolle boeren; landbezit is bij de Kikoejoe traditioneel van groot sociaal belang, het beschrijft je rijkdom en macht. Ze worden echter niet alleen gezien als goede landbouwers, maar ook als begaafde handelaars en ondernemers.

Tegenwoordig wonen er veel Kikoejoe in Nairobi, waar ze belangrijke posities in het zakenleven en de politiek bekleden. Jomo Kenyatta, de eerste president van het onafhankelijke Kenya, was ook een Kikoejoe.

De mythen van de Kikoejoe verhalen van twee stamouders, van wie de man Gikoejoe en de vrouw Mumbi heet. Hun God, Ngai, schiep de berg Kirinyaga en wees Gikoejoe een deel van zijn vallei en zijn dieren toe. Vanaf de top van de berg liet de god Gikoejoe de schoonheid van het land zien, vooral de plek onder een enorme vijgeboom waar Gikoejoe zijn huis moest bouwen. Daar trof hij Mumbi aan, die hij tot zijn vrouw nam en bij wie hij negen dochters kreeg. De dochters werden volwassen, maar nergens was er een man met wie ze konden trouwen. Gikoejoe smeekte Ngai om hulp en offerde een lam en een geitje voor hem. De volgende keer dat hij de offerplaats bezocht, trof hij er negen mannen aan en dolgelukkig bracht hij hen naar zijn huis.

Gikoejoe wilde echter slechts onder twee voorwaarden met het huwelijk van de negen mannen met zijn negen dochters instemmen. In de eerste plaats moesten de mannen hem beloven niet na het huwelijk met hun bruid te vertrekken en in de tweede plaats moesten zij het matriarchaat erkennen. Zo leefden ze samen als een groep, die ze Mbari ya Mumbi noemden, ter ere van de moeder van hun clan. Pas nadat hun ouders waren gestorven, vormden de dochter met hun nazaten elk hun eigen familie, maar het saamhorigheidsgevoel tussen de individuele clans bleef voortbestaan. Vele generaties lang heerstten de vrouwen over de families zoals was afgesproken. De mannen werde na verloop van tijd echter ontevreden over het feit dat de vrouwen zoveel macht hadden en zoveel verschillende mannen hadden; ze besloten samen te zweren. Allen maakten de vrouwen het hof en toen zij eenmaal zwanger op bed lagen grepen ze de macht. Ze draaiden de rollen om en hadden nu zelf het recht op polygamie. Het enige privilege dat de vrouwen hielden was dat ze in naam nog steeds de beschermvrouwen van de negen clans bleven.



De Luo

De Luo vormen de op een na grootste stam van Kenya. Ze vestigden zich voornamelijk in de omgeving van het Victoria-meer en in Zuid- en Noord-Nyanza, waar ze leven van de landbouw en visserij. Veel belangrijke politici stammen af van de Luo.

Vroeger leefden de Luo als semi-nomadische herders, maar vanwege hun snelle bevolkingsgroei verhuisden ze naar de hooglanden en vestigden zich daar als boeren en vissers. Oorspronkelijk hechtten ze weinig waarde aan landbezit, maar dit veranderde naarmate hun bestaan honkvaster werd. Land was het gemeenschappelijk bezit van het volk en verzekerde de positie van ieder stamlid. De raad van ouderen wees de velden toe in overeenstemming met de behoeften en omvang van elke familie.

De intensieve ontwikkelings-activiteiten, vooral in de vorm van kerkelijke missies, die in de koloniale periode ook leidden tot het stichten van talloze scholen en opleidingsinstituten, hadden mede tot gevolg dat het opleidingsniveau van de Luo hoog is in vergelijking met de andere bevolkingsgroepen. Mede hierdoor zijn veel bekende politici voortgekomen uit de Luo stam.

Naast hun politieke activiteiten zijn de Luo echter vooral bestemd vanwege hun vaardigheid als vissers. In de Winam Gulf en langs het Victoria-meer vissen ze met werpnetten en vishaken op Tilapia, een geliefde vis in Kenya.



De Maasai

De maasai zijn de beroemdste stam van Kenya, tegenwoordig wonen ze in het zuiden van het land. Een deel van dit krijgshaftige herdersvolk verwerpt nog steeds elke verworvenheid en is trots op zijn tradities en gewoonten.

Taalkundigen delen de Maasai in bij de Oost-Niloten, wier taal, het Maa, sterk be?nvloed is door het Koesjietisch. De Samburu en de Njemps behoren ook tot de Maa-sprekende stammen.

Tot nu toe is de geschiedenis van de maasai nog weinig onderzocht, slechts ??n ding is zeker: tot de 15de eeuw woonden ze in de omgeving van het Turkana-meer. Slechts langzaam trokken ze daarvandaan in kleine groepen naar het zuiden, Lange tijd waren ze de onbetwiste heersers van de weidse savannen van Midden-Kenya en het zuiden van het land, een gebied dat zich uitstrekte tot ver in het huidige Tanzania.

In de 19de eeuw kwam het tussen de verschillende Maasai-stammen tot problemen rond veediefstal en graasrechten. De conflicten kwamen vooral voort uit het feit dat de ene Maasai-groep zich ergens permanent vestigde, terwijl de andere zijn nomadische bestaan voortzette. De geschillen leidden tot een uiterst dramatische veldslag bij Nakuru, waar leden van de Laikipia-stam door hun tegenstanders in de diepten van de krater van de Menegai te pletter werden gegooid. De weinige overlevenden van de Laikipia werden in alle richtingen gejaagd en opgenomen door andere etnische groepen.

In de Britse koloniale tijd werkten de Maasai, in tegenstelling tot vele andere stammen, samen met de Britten. Ze boden nauwelijks tegenstand, zelfs niet toen steeds meer immigranten het land binnenkwamen en de Maasai het recht op hun weidegronden betwistten. Ook deden ze weinig aan de aanleg van de spoorlijn tussen Mombasa en Kisumu, die dwars door hun land sneed. Een van de oorzaken hiervan was dat een verwoestende runderpestepidemie 90 procent van hun vee had gedood en zo de kracht had gebroken van de trotse Maasai-krijgers. Tegen hun wil werden de maasai overgebracht naar de onvruchtbare savannen in het zuiden van het land, een gebied dat later het Maasai Mara Reserve zou worden. In de volgende decennia werd het weidegebied van de Maasai zelfs nog kleiner.

De oprichting van nationale wildparken zoals het Maasai Mara Reserve, het Amboseli National Park en het Serengeti National Park aan de Tanzaniaanse kant van de grens, heeft hen van hun vitale graasgronden beroofd. Daar komt nog bij dat de Kikoejoe veel land hebben opgekocht om er landbouwgrond van te maken. Dit betekende een enorme inperking van land voor een nomadisch volk dat sinds mensenheugenis had geleefd zonder rekening te hoeven houden met staats- of eigendomsgrenzen.

Volgens de mondelinge overlevering van zowel de Maasai als de Somali is Maa de oervader van beide stammen. De legendarische voorvaderen van de Maasai worden de Parakwo genoemd. Ze waren het uitverkoren volk van hun godheid en kregen hun vee rechtstreeks uit de hemel. Tot op de dag van vandaag beweren de Maasai dat andere volken slechts vee bezitten omdat ze in de prehistorie vee hebben gestolen van de Maasai. De huidige wet die hen verbiedt het ‘gestolen’ vee weer terug te halen is onbegrepen door de Maasai.

er is waarschijnlijk geen ander volk dat zo sterk aan zijn traditionele gebruiken en gewoonten vasthoudt als de Maasai. Hun belangrijkste bezit is vee, terwijl landbezit voor dit nomadische volk totaal onbelangrijk is. Het aantal runderen dat hij bezit, is waar het om gaat voor een Maasai, niet hoeveel melk of vlees ze leveren. Het voedsel van de Maasai bestaat voornamelijk uit melk, gierst, mais en bloed, dat ze van hun vee aftappen. Ze wonen in vrijstaande hutten, zogenaamde bomas. Deze laten ze staan als ze verdertrekken naar nieuwe streken. Op een volgende plek bouwen ze nieuwe hutten, een hek van opeengestapelde doorntakken biedt bescherming tegen wilde dieren. Ze gebruiken ezels als muildieren voor hun huishoudelijke spullen.

Het gevoel van saamhorigheid van een Maasai-man met zijn eigen leeftijdsgroep is net zo belangrijk als de saamhorigheid binnen zijn clan. Alle mannelijke Maasai doorlopen in hun leven drie belangrijke stadia. Na hun kinderjaren worden ze tussen hun veertiende en achtiende besneden, waardoor ze tot de groep van krijgers behoren, in de Maasai-taal moran genoemd. Voor deze leeftijdsgroep geldt een aantal taboes, waaronder een verbod om alcohol te drinken. De moran wonen samen in hutten met de andere krijgers en met meisjes van dezelfde leeftijd. Onder de dapperheidstesten die vooral in vroeger tijden voor alle krijgers gebruikelijk was, behoort het doden van een leeuw met geen ander wapen dan een speer. Binnen de gemeenschap heeft de krijger alleen de taak om het vee te bewaken tegen vijanden.

De moran zijn te herkennen aan hun lange, kunstig gevlochten haren. Het lijkt erop dat voor de jonge Maasai het uiterlijk net zo belangrijk is als voor jonge mensen in Europa of Amerika. Alleen is het hier niet modieuze kleding, maar de haardracht en sieraden waar men vooral de aandacht aan schenkt.

Met het afknippen van het haar en het huwelijk begint na een jaar of zeven een nieuwe levensfase. Nu behoren de jonge mannen tot de gemeenschap der ouderen, die nu en dan samenkomen om beslissingen voor de clan te nemen en verder een betrekkelijk rustig leven leiden.



De Mijikenda

De Mijikenda beweren dat ze afkomstig zijn uit Shungwaya, een mythische stad die ergens ten noorden van het eiland Pate zou hebben gelegen, Tegenwoordig bewonen zij de Kwale- en Kilifi-kuststreken rond het eiland Mombasa. In de 18de eeuwse Europese geschiedenis is het de Mijikenda die herhaaldelijk wordt genoemd als Wanyika, mensen uit de wildernis. In die tijd stonden de Mijikenda in nauw contact met Mombasa, waarvoor ze als tussenhandelaars ivoor en hout van de volken uit de binnenlanden opkochten.

De Mijikenda wordt onderverdeeld in negen groepen, waarvan de Giriama de bekendste is. Zij hebben een interessante en oude cultuur, vooral op het gebied van muziek en dans. Toeristen die de kust bezoeken maken spoedig kennis met hun dansvoorstellingen.



De Turkana

In etnisch opzicht zijn de Turkana van Noordwest Kenya nomadische Nilo-Hamieten (ze spreken een taal die afstamt van de Niloten). Ze zwerven nog steeds door het enorme gebied tussen het Turkana-meer en de Rift Valley langs de grens met Oeganda. De stad Lodwar is het bestuurscentrum van deze regio. Het Turkana-volk bestaat uit de Nimonia, een in de bosgebieden levende stam, en de Nocuro, die de savanne bewonen. Deze stammen zijn op hun beurt weer ingedeeld in zo’n twintig clans. Deze clans zijn losjes met elkaar verbonden in een overkoepelende organisatie. Iedere Turkana-man behoort tot ??n van de twee volgende generatiegroepen: de Stenen (nimur) of de Luipaarden (neisai).

Het Britse koloniale bestuur was nauwelijks ge?nteresseerd in het stammenleven van de Turkana en wist slechts dat deze mensen “reusachtig lang en uiterst wild” waren. Het is historisch vastgelegd dat de Turkana de Maasai in de jaren vijftig van de vorige eeuw hebben verdreven en dat ze zelf regelmatig werden overvallen en onderworpen door de Ethiopi?rs.

De Turkana voeden zich vooral met vlees en bloed van hun runderen. Kamelen zijn een belangrijk statussymbool; ezels dienen als lastdier. Schapen en geiten worden gebruikt als maaltijd voor de gatsen, als offer bij rituelen, of om het vlees ervan te drogen. Grote hoeveelheiden melk worden eerst gekookt en daarna gedroogd op leren huiden en in poedervorm gebruikt.

Ondanks de grote vishoeveelheid in het naar hun genoemde Turkana-meer vissen de Turkana alleen in tijden van hongersnood en droogte. De Turkana beoefenen polygamie, waarbij het hoofd van de familie met zijn lievelingsvrouw en kinderen in ??n huis wonen, en de bijvrouwen met hun kinderen in hun eigen afgebakende ruimten wonen.

Een Turkana-man, traditioneel een herder en jager wordt buitenshuis zelden aangetroffen zonder mes, speer en schild van buffelhuid. De vrouwen maken zich mooi met sieraden en grote hoeveelheiden kralensnoeren.

De moderne ‘beschaving’ heeft ook in de Turkana zijn intrede gedaan, waar traditionele communicatiemiddelen als de tamtam vervangen zijn door transistor radio’s. Door het opzetten van visserijco?peraties en het ‘Turkwell Gorge Plan’, wat moet zorgen voor stroomvoorziening, probeert de overheid de Turkana op ??n plaats te houden.



De Samburu

De Samburu-stam woont in het noorden van Kenya in een gebied van ruwweg 28.490 vierkante kilometer, de stad Maralal is het bestuurscentrum van het Samburu-gebied.

Wat cultuur en taal betreft zijn de Maasai- en Samburu-stammen nauw verwant. In de 16de eeuw, tijdens een eeriode van migratie langs de Nijl, hebben ze zich van de hoofdgroep afgesplitst en zijn naar het zuiden gegaan. De levensstijl is in de loop der eeuwen weinig veranderd; dit herdersvolk woont nog steeds in lage hutten van in elkaar gevlochten takken, die met modder en koeiemest zijn ge?soleerd. Dakmatten zijn gemaakt van sisal en geven extra beschutting. Iedere hut is ingericht met twee bedden van gevlochten takken bedekt met koeiehuid of schapevel. De moeder slaapt in het grote bed, de kinderen in het kleine. Ook de Samburu leven polygaam, de mannen bezoeken om de beurt hun vrouwen. De rijkdom van een Samburu-familie wordt afgemeten aan het aantal kamelen, geiten en runderen dat deze bezit.

Het leven van een Samburu-man is op eenzelfde manier opgebouwd als dat van een Maasai. Ze doorlopen ook de moran-leeftijd en worden besneden. Net als de Maasai zijn de Samburu amper plaatsgebonden, ze zwerven voor het merendeel rond.



De Rendille

Aan de zuidoostelijke oevers van het Turkana-meer wonen de aan de Somali verwante Rendille. Een van hun legenden verhaalt over hun afkomst. Honderden jaren geleden verdwaalden negen Somali-krijgers samen met hun kudde kamelen. Na vele dagen door onbekend gebied te hebben gedwaald, belandden ze op het grondgebied van de Samburu. Voordat de Samburu hen toestonden om vrouwen uit hun stam te trouwen, moesten de Somali eerst hun oude gewoonten en Islamitische geloof opgeven. Ze stemden toe en uit de verbintenissen tussen de twee stammen ontstond de Rendille.

Tegenwoordig leven de Rendille met een paar kamelen die ze houden vanwege de melk in semi-permanente nederzettingen. De kameel is hun levenstaak en kostbaarste bezit. De Rendille is afhankelijk van de kameel om haar melk (twee vrouwelijke kamelen geven per dag genoeg melk om een grote familie te voeden) en draagkracht (de Rendille verplaatsen al hun bezittingen op de rug van de kameel, het water halen wordt ook gedaan met behulp van de kameel). De jongens en jonge mannen zijn met hun mobiele kamp doorlopend onderweg, op zoek naar vruchtbare weidegronden voor hun kamelenkudde, terwijl de meisjes zorgen voor de schapen en geiten.

De Rendille handelt niet, in tegenstelling tot de Somali, omdat ze grotendeels al hun benodigdheden in hun clan hebben. Ze leven van kamelenmelk, maismeel en ritueel geslachtte dieren.



De Boran

In het Turkana gebied leeft nog een andere herdersstam, de Boran. De Boran zijn verwant met de Koesjieten van Zuid-Ethiopi?. Ze geloven in een hogere godheid, met wie ze via sjamanen en door offers en gebeden kunnen communiceren.

Zoals bij de meeste Afrikaanse stammen worden de kinderen van de Boran streng volgens de stamtradities opgevoed. Hun geboorte en naamgeving worden begeleid door rituelen en feesten. De initiatieriten vinden uitsluitend binnen de kring van verwanten en naaste vrienden plaats, maar het aanroepen van de oppergod gebeurd tijdens een viering in het openbaar.

De vader scheert het haar van ieder zoontje af voordat hij het na verdere ceremonies een naam geeft. De volgende dag wordt dan een eerder gewijde stier geofferd. Uit zijn huid worden dunne armbanden gesneden voor het kind en diens verwanten. Een priester voorspelt de lotsbestemming van de jongen en de geofferde stier wordt gezamenlijk opgegeten. Omdat meisjes voor de stam van veel minder belang worden geacht, zijn hun naamgevingsceremonies veel eenvoudiger.

Voordat een jongen zijn haar weer mag laten aangroeien moet hij eerst zijn mannelijkheid bewijzen. Hij kan daartoe een leeuw, olifant of een man van een andere stam doden, maar hij kan ook gewoon trouwen en een kind verwekken.

Iedere Boran-stam is verdeeld in vijf generatiegropen. Om de acht jaar schuift een Boran via een nieuwe initiatierite op naar de volgende groep. Na veertig jaar bereikt hij dan de laatste groep, die der stamoudsten. De cultuur van de Boran is in de loop der tijden weinig veranderd, ondanks dat er in hun gebied scholen zijn gevestigd en de moderne ‘beschaving’ zichtbaar is geworden.



Van Arabische afkomst

Als eerste, niet Afrikaanse groep vestigden de Arabieren zich vanaf het begin van de 7de eeuw op de kust van Kenya. Uit de vermenging van de islamitische Arabieren met de inheemse Bantoe-bevolking kwam de Swahili-cultuur voort, die, georganiseerd in stadsstaten, bloeide langs de gehele kust van Oost-Afrika.

De Swahili, de naam betekent gewoon ‘kustbewoners’, maken nog steeds een aanzienlijk deel uit van de kustbevolking. Net als vroeger is het voor hen doorslaggevend belang of ze uit oude autochtone families stammen, want politieke macht en zelfs de toestemming om zich in bepaalde delen van de stad te mogen vestigen, worden traditioneel bepaald door verwantschap. De woonwijk, of mtaa, is het centrale punt in het sociale leven van de Swahili. het leven binnen een mtaa is geheel op de gemeenschap gericht en wordt gekenmerkt door een sterk gevoel van saamhorigheid. Men viert gezamenlijk feest, werkt en handelt met elkaar, en gaat samen naar de moskee.

De etnische groepen van Arabische afkomst laten zich in Kenya onderscheiden naar herkomst en religieuze overtuiging. een groot aantal van de immigranten die eens van het Arabische schiereiland naar Oost-Afrika overstaken, is afkomstig uit Oman. Hiertoe behoren ook de leden van de Mazrui-clans, die in Mombasa heersten nadat de Portugezen waren vertrokken en die ook vandaag nog een belangrijke rol spelen. De meerderheid van de meer dan 4 miljoen islamieten in Kenya is soennistisch. Tegenwoordig wonen ze niet meer uitsluitend aan de kust maar ook in steden in het binnenland.



Aziaten en Europeanen

Slechts vier procent van de Kenyaanse bevolking is van Aziatische komaf en de nazaten van de Europese immigranten maken niet meer dan 0,2 procent uit van de bevolking. Deze bevolkingsgroepen zijn hoofdzakelijk werkzaam in handel en industrie (de Europeanen spelen in de landbouw bijna geen rol meer) en men treft hen daarom voornamelijk in de grote steden aan.

De kust van Kenya was altijd al de toegangspoort voor immigranten van allerlei nationaliteiten, maar tijdens de Britse koloniale overheersing nam de toestroom van Aziaten en Europeanen toe. Inmiddels zijn velen van hen Kenyaans staatsburger, door naturalisatie, huwelijk of door het simpele feit dat ze in Kenya zijn geboren. De Kenyanen van Europese komaf zijn nazaten van Europese kolonisten en missionarissen, van wie de meesten in de 19de eeuw kwamen. er waren veel Britten bij, maar ook Duitsers en Nederlanders.

De voorouders van de Kenyanen met een Aziatische afkomst kwamen voor het grootste deel aan het eind van de 19de eeuw uit India naar Kenya om te werken bij de aanleg van de spoorlijn tussen Mombasa en Kisumu. Ze werden aanvankelijk door de Britten als koelies ingehuurd en toen hun werk bij de aanleg van de spoorbaan erop zat, keerden velen van hen terug naar India. Een aantal bleef echter in Kenya. Vooral kleine handelaren zagen een veelbelovende toekomst in dit opkomende Afrikaanse land. Ze waren overigens niet de eerste Indiase immigranten in Kenya; in lang vervlogen eeuwen hadden Indiase zeevaarders en vooral handelaren zich al op de Oost-Afrikaanse kust gevestigd. Ook vandaag nog is de groot- en detailhandel de belangrijkste economische activiteit van Kenyanen met een Indische afkomst.

Toen na de onafhankelijkheid in het kader van de Afrikanisering ook aan de Aziatische bevolkingsgroepen het Kenyaanse staatsburgerschap werd aangeboden, wezen veel Indi?rs dat af en emigreerden. De sociale positie van hen die bleven, is thans even moeilijk als voorheen. Dit is te wijten aan het feit dat de meerderheid van de Indi?rs in de gesloten eenheden van hun kaste leven en ertoe neigen zich van het leven van andere etnische groepen af te sluiten. Naast de Indi?rs zijn er ook kleine Japanse en Chinese bevolkingsgroepen.



Volgens de laatste volkstelling leven er 38 stammen in Kenya, de niet-Kenyaanse Afrikanen en andere groepen niet meegerekend. Dit getal laat ook die stammen buiten beschouwing die met andere stammen taalgemeenschappen vormen, zoals de Kalenjin, de Mijikende of de Luhya. Kalenjin is bijvoorbeeld eigenlijk een samenvattende term voor verschillende etnische groepen die met elkaar zijn versmolten door onder meer de verwantschap van hun talen, hun geografische posities en hun politieke overtuigingen.

Tot de Kalenjin worden gerekend de Nandi, Kipsigi, Tugen, Marakwet en Keiyo. Allen bewonen aangrenzende gebieden in de Rift Valley.

De negen stammen of subgroepen die tot de Mijikenda behoren, hebben daarentegen zulke nauwverwante talen dat ze als dialecten van ??n taal kunnen worden beschouwd.

De Luyia bestaan in feite niet uit ??n stam, maar uit een combinatie van zestien stammen. Hun idioom verschilt nauwelijks, iets wat ook onder Bantoestammen niet ongebruikelijk is. De Luyia behoren tot de Marigoli; zij zijn momenteel de leidende groep wat betreft omvang en niveau van ontwikkeling. Verder zijn er de Bunyore, Tiriki, Marachi, Isukha, Idakho, Tachoni, Kabras, Wanga, Bukhayo, Samia, Abanyali ba Ndombi, Marama, Kisa en Bukusa.

Het bepalen van de totale bevolking en hoevellheid stammen is een groot probleem in Kenya, naar schatting huisvest het land op dit moment zo’n 80 verschillende stammen.



2 Wat gebeurde er in de recente politieke geschiedenis?



De nieuwe politieke leiding van het onafhankelijke Kenya was grotendeels in handen van mannen die missie- of zendingsonderwijs hadden genoten. Zij hadden zich gedistantieerd van de Mau Mau en hadden als eersten geprofiteerd van de nieuwe economische mogelijkheden in de tweede helft van de jaren vijftig.

Begin jaren zestig klonken er nog wel wat radicalere parolen: “Afrikaans Socialisme” en “herverdeling van het land”. Maar vanaf de tweede helft van de jaren zestig kwamen deze principes steeds vaker onder vuur te liggen. De groepen (ex-)politici, die op grote schaal overheidsposities misbruikten voor het versterken van eigen economische belangen, hadden geen behoefte aan radicale politieke avonturen. De grote blanke plantages werden in rap tempo opgedeeld in landeigendom voor individuele boeren. Politici wilden door deze maatregelen zo goed mogelijk voor de dag komen. Aziatische belangen in de handel werden ‘verkenyaniseerd’, wat neerkwam op een Afrikanisering, waardoor veel Aziatische families gedwongen waren te vertrekken.



Kiekoejoe-dominantie

Tijdens de eerste vijftien jaar na de onafhankelijkheid wisten de Kikoejoe zich een dominante positie in het politieke, maar vooral in het economische leven van Kenya te verwerven. Zij profiteerden vooral van de vele veranderingen, bijvoorbeeld het vrijgeven van de White Highlands, waar ze massaal heentrokken, terwijl het origineel Maasai-grondgebied was.



Politiek gezien werden de Luo vooral gewantrouwd. Doordat hun voorman Oginga Odinga (zie verderop in dit werk) in 1966 een linkse oppositiepartij vormde en daarmee de KANU verliet wordt de Luo heden ten dage nog steeds achtergesteld. Overheidsuitgaven voor de Luo-gebieden lopen nog steeds achter bij uitgaven voor de Rift Valley of Centraal-Kenya, Kikoejoe-gebieden



Nyayo

In 1978 stierf president Jomo Kenyatta en de nieuwe president, Daniel T. Arap Moi – een Kalenjin ging wat omzichtiger om met de Kikoejoe – Luo controverse. Om de continu?teit met de politiek van zijn voorganger te benadrukken koos Moi als zijn politieke credo het woord Nyayo, wat zoveel betekent als ‘in de voetstappen van’. er kwam wat meer aandacht voor de economische problemen in westelijk Kenya, er werd zelfs een aparte instantie gevormd die zorg moest dragen voor de ontwikkelingen. Daarnaast heeft de regering van Moi het voor elkaar gekregen om voor bijna alle droge districten donoren te vinden die ontwikkelingsprogramma’s ondersteunen.

Van de krampachtige centralistische politiek van de jaren zeventig is men ook afgestapt. Er is sprake van decentralisatie tot op een redelijk laag niveau, waardoor ontwikkelingscomit?s ook werkelijk wat voor beginnen te stellen. Het erkennen van de regionale en daarmee vaak etnische eigenheid, ook in het onderwijs, heeft echter een rol gespeeld in het toenemen van etnische spanningen. Zo werd het functioneren van de instantie die zorg draagt voor de ontwikkeling van westelijk Kenya al snel gefrustreeerd door de politieke problemen tussen de Luo en de Kalenjin.



Corruptie en wanbeleid

Moi was vanaf het begin van zijn regeerperiode tegen het meerpartijenstelsel. Zijn opinie was dat het meerpartijenstelsen alleen maar zou bijdragen tot het opvoeren van etnische spanningen. Dit werd ‘bewezen’ door botsingen tussen etnische groepen; eerst tussen Nandi-Kalenjin en Luhya en later ook tussen Maasai en Kikoejoe.

Vanaf het begin was opzet in het spel. De onlusten werden bewust georganiseerd en daarbij speelden Kalenjin- en Maasai-politici een bedenkelijke rol. Kenya werd plotseling geconfronteerd met tienduizenden (sommigen schatten meer dan 300.000) interne vluchtelingen.

Oppositieleden liepen en lopen over van hun partij naar de KANU, omdat oppositiegebieden ‘gestraft’ werden voor het tegenstemmen en het betalen van beloningen voor de overlopers zelf en hun kiesdistricten.



Kenya heeft lange tijd (voor Afrikaanse begrippen) een redelijk aanvaardbaar beleid gehad op het gebied van mensenrechten. Vanaf het begin van de jaren tachtig zijn er echter wat smetten op het blazoen gekomen. Kritiek op het uitroepen van Kenya tot een eenpartijstaat in 1982 werd beantwoord met een golf van arrestaties. Een mislukte staatsgreep door manschappen van de luchtmacht volgde daarop, wat zorgde voor grote vernielingen en onveiligheid in Nairobi en tot een verharding van het overheidsoptreden. Wanneer iemand of een groepering wat meer radicale opvattingen naar voren brengt, bijvoorbeeld over grondeigendom, dan proberen regeringsaanhangers die persoon of groepering in een crimineel daglicht te plaatsen. Opvallend is de kritiek op de armoede en schending van de mensenrechten door een aantal kerkleiders. Op gezette tijden voeren politici een hetze tegen deze leiders.

Het toelaten van een parlementaire oppositie, na 1991, heeft niet geleid tot een open democratische cultuur. Arrestaties en mishandeling of zelfs het vermoorden van tegenstanders zijn schering en inslag. Het is daarom des te opmerkelijker dat de weekbladen evenals de dagbladen opmerkelijke openhartige bronnen van informatie zijn, los van de overheid.

In het dagelijkse leven zijn steekpenningen (chai) steeds normaler geworden. Iedere Kenyaan kent verhalen over corruptie van hoog tot laag. Vooral het soms onder grote druk ophalen van ‘vrijwillige bedragen’ (harambee) zet af en toe kwaad bloed. Voor de lagere ambtenaar betekent het maar al te vaak een korting op hun loon; voor de armere huishoudens het afstaan van alweer een geit. Armere huishoudens worden bovendien op steeds hardere wijze gestraft voor overtredingen op het gebied van illegaal bosgebruik, verbouw langs rivieroevers, kappen van brandhout en de verkoop van zelfgemaakte alcoholische dranken.

Vanuit het buitenland kwam en komt veel kritiek op Kenya’s gebrekkige politieke cultuur, op het economisch wanbeleid en op de corruptie. door de grote afhankelijkheid van de Kenyaanse staat en samenleving van ontwikkelingshulp is de kritiek niet zonder effect. Deze bemoeienis leidt in overheidskringen tot een verongelijkte houding tegenover de buitenlandse ‘bemoeials’. De toenemende hulp via niet-gouvermentale organisaties (NGO’s) wordt met achterdocht bezien. Er wordt ook met veel wantrouwen naar buurland Uganda gekeken. Waarom krijgt het land van de niet-gekozen president Museveni met tevens een gecentraliseerde (g)een-partijendemocratie geen kritiek?

3 Welke politieke partijen bestaan er in Kenya?



De eerste politieke pertij werd in 1946 opgericht door Eliad Mathu, de Kenya African Association, later omgedoopt tot Kenya African Union (KAU). Deze organisatie eiste gratis onderwijs en toestemming om zich in de White Highlands te mogen vestigen. Maar Londen luisterde niet naar deze eisen. In datzelfde jaar keerde Jomo Kenyatta terug uit Engeland en werd benoemd tot leider van de KAU.



Officieel is Kenya vanaf zijn onafhankelijkheid een parlementaire democratie, met een grote macht voor de president. In feite was het land vanaf 1969 tot en met 1991 een eenpartijstaat, onder leiding van de Kenya African National Union. Dat neemt niet weg dat er binnen de KANU vaak een heftig politiek debat plaatsvond en dat er voor ??n parlementszetel vaak meerdere kandidaten waren. De KANU is de grootste politieke partij in Kenya en komt voort uit het feit dat de oppositiepartij, KADU, in de prille jaren van onafhankelijkheid, geen aanhang kon krijgen voor hun idee?n. Zoals zo vaak in de Kenyaanse politiek sloot de oppositie zich aan bij de regeringspartij, de leiders van de KADU meldden zich aan bij de KANU en de rest van de partij volgde. De KANU vormde Kenya tot een republiek met een president die tevens uitvoerende macht heeft over het leger, de marine en de luchtmacht.



Onderlinge problemen in het KANU kamp zorgden ervoor dat een groep politici zich afscheidden en hun eigen partij oprichtten. Onder leiding van de ex-vice-president Odinga werd de Kenya Peoples Union gevormd, de KPU. Odinga was het oneens met het feit dat hij niet was herkozen voor een ministerpost en vond dat de politiek van de KANU was gericht op het vergaren van persoonlijke rijkdom in plaats van het dienen van de democratie. Verschillende invloedrijke KANU-politici, bijna allemaal Luo-stamleden waarvan Odinga deel uitmaakte, sloten zich aan bij Odinga. er werden nieuwe verkiezingen gehouden voor de vrijgekomen ministerposten en senaatplaatsen die de KANU overtuigend won. De KPU kreeg bijna alle stemmen in de Luo districten, maar kon buiten hun invloedssfeer geen vuist maken.

De KANU partij behield haar macht in de daarop volgende jaren, ook omdat ze altijd een manier vonden om de KPU tegen te werken. Zo werd bijvoorbeeld in 1968 de KPU geweerd van de verkiezingen omdat ze haar nominatie-formulieren niet in orde had. In 1969 was er opniew een drama voor de KPU: vice-president Tom Mboya van de KANU-partij werd in juli van dat jaar vermoord en er braken onrusten uit. De KPU leiders werden gevangengezet (als bescherming!?) en de partij werd opgeheven. In 1971 werd Odinga weer vrijgelaten.



Pas in de jaren begentig van deze eeuw kwam de politieke discussie in Kenya pas echt op gang. Vanaf 1990 kwam er toenemende oppositie. Deze slaagde er uiteindelijk in haar multi-party (meerdere partijenstelsel) wensen ingewilligd te krijgen. Hoewel de oppositie aan het begin als eenheid optrad, als Forum for the Restoration of Democracy in Kenya (FORD) brokkelde zij in 1992 af tot drie hoofdstromen: FORD-Kenya, onder leiding van de inmiddels hoogbejaarde Jaramogi Oginga Odinga met aanhang onder de Luo; FORD-Asili, onder leiding van de Kikoejoe-politicus Kenneth Mathiba en de Democratic Party, onder leiding van voormalige vice-president Mwai Kibaki uit het Kikoejoe-district Nyeri. Al deze partijen zijn nog steeds verdeeld en kunnen niet beslissen hoe zij de machtspositie van de KANU kunnen aanpakken. President Daniel Arap Moi speelde in 1992 in op deze verdeeldheid en organiseerde verkiezingen die de KANU met een absolute meerderheid won.

Mathiba wordt bij de minderheden in Kenya, de Aziatische en blanke gemeenschap, gevreest voor zijn racistische denkbeelden. Onder de arme meerderheid leven de idee?n van Mathiba over het uitzetten van deze twee rijke groepen, maar dat heeft zich tot nu niet uitgedrukt in de verkiezingsuitlagen.

De formatie van een nieuwe partij, Safina, deed in 1996 veeel stof opwaaien. Het feit dat Safina werd geleid door een, mzungu, een blanke (Keniaan) konden veel politici niet waarderen. Dat leider Richard Leakey (een bekende archeoloog) een Kenyaans staatsburger is en evenveel recht heeft om zich in de politieke discussie te mengen wordt niet onderkent door de politici. Zo werden in 1997 in Kisumu Leakey en zijn partijgenoten mishandeld en verminkt door KANU-aanhangers, die lid zijn van de jongerenbeweging van de partij en veelal als knokploeg dienen om de oppositie af te schrikken.



Ook in 1997 won Moi de verkiezingen, alhoewel de ontevredenheid onder de mensen toeneemt.

4 Zijn de verschillende stammen na verloop van tijd volgroeid to ??n Kenyaans volk?



Er zijn voorbeelden van duidelijke integratie onder de verschillende stammen. De Arabieren die in de 7de eeuw Kenya binnenkwamen hebben zich in de loop der tijd vermengt met de Afrikaanse kustbewoners, waar de Swahili-mensen uit voort zijn gekomen. Dit is overal langs de Afrikaanse kust gebeurt.

Verschillende in Kenya levende stammen zijn voortgekomen uit een mengelmoes van twee verschillende stammen. De Rendille zijn voortgekomen uit een kruising tussen de Samburu en Somali; De Kalenjin-stam bestaat uit tig verschillende andere stammen en de overlevende mensen van de Laikipia-stam zijn na het conflict met de Maasai opgenomen in verscheidene omringende stammen.

Akkerbouwersstammen en veetelersstammen, zoals respectievelijk de Luo en Samburu, dreven handel met elkaar maar wisselden tegelijkertijd ook vrouwen uit. Beide stammen trouwden leden van de andere stam. Ook werden vrouwen en kinderen geroofd, als ze erg nodig waren.

Historisch gezien komen alle stammen voort uit de eerste Homo Sapiens. De oudste resten van de mens zijn in Kenya gevonden, tot nu toe ziet het er naar uit dat de bakermat van de mensheid in Oost-Afrika ligt. Als je er vanuit gaat dat alle stammen zijn voortgekomen uit die eerste mens, dan zijn alle stammen eigenlijk ??n volk, evolutietechnisch gezien. Het probleem is dat ze zich niet ??n volk voelen.



De onderlinge ruzies en problemen geven aan dat er eigenlijk geen saamhorigheidsgevoel is. Als je allemaal tot ??n volk behoort dan hoeft de Maasai ook geen moeite te doen om hun ‘gestolen’ vee terug te halen. Het vee is immers nog steeds in dezelfde stam.

Oorlogen onderling geven aan dat de in Kenya levende stammen elkaar niet zien als broeders. Als je je ??n volk voelt dan is ruzie maken en vechten onderling compleet overbodig. Een goed voorbeeld is de Balkan. Alle volken die vroeger samen waren gevoegd in het voormalige Joegoslavi? hebben allemaal een sterk nationalistisch gevoel, ze voelen zich verwant met elkaar en maken ruzie met hun buren en (ex-)overheersers. Ieder volk wil daar zijn eigen bestuurbare stukje land hebben, maar ze vechten niet onderling met elkaar. De Kroaten werken gezamenlijk aan de opbouw van een eigen staat, dat is in Kenya niet het geval, de mensen voelen zich niet met elkaar verbonden.

Als de Kenyaanse bevolking zich ??n volk voelde, dan zou de onderlinge achterdocht overbodig zijn. De ene stam zou vertrouwen hebben in de andere stam, maar dat is in het huidige Kenya niet het geval. De Luo wordt benadeeld omdat ??n man, in het verre verleden, is overgestapt van de KANU naar de oppositie, iets wat overigens zijn goed recht is.



In de Kenyaanse geschiedenis is er sprake van continu?teit tussen de oudheid en de 20ste eeuw. In de oudheid leefden de Kenyaanse stammen afzonderlijk van elkaar, zonder een gezamlijke binding te hebben met het land waarin ze leefden. Ze waren hun God wel dankbaar voor het gegeven land maar hadden niet een gezamenlijk gevoel van nationalisme.

De Europeanen deelden vervolgens het land op en doopten het Kenya, waarna de bevolking zich uiteindelijk weer vrij vocht. In het hedendaagse Kenya is geen sprake van nationalisme onder de bevolking, allen zijn meer ge?nteresseerd in het eigenbelang en het stambelang. Dit is een voorbeeld van continu?teit.



Het Kenyaanse volk is zich in de loop der tijd niet gaan gedragen als ??n volk, het stammengevoel is nog zo sterk aanwezig in Kenya dat er van ??n volk geen sprake is. Officieel gezien is iedereen Kenyaan (iedereen heeft een Kenyaans paspoort), maar in realiteit is iedereen lid van zijn stam. Een treffend voorbeeld hiervoor is het feit dat als je in Kenya met een Afrikaan spreekt over je nationaliteit, hij vraagt: “What is your tribe?”, “tot welke stam behoor je?”, in plaats van naar je nationaliteit te vragen.

5 Is er sprake van nationalisme in Kenya?



Verschillende gebeurtenissen kunnen worden gezien als punten waarop de verschillende stammen zich als ??n volk gingen gedragen.



Na de Tweede Wereldoorlog kwamen de Afrikaanse soldaten terug met een gevoel dat ze niets minder waren dan de blanke overheersers. Ze hadden samen met hun gevochten en hadden niet de wil oom weer terug te keren in hun keurslijf van onderdrukking. De bevolking was van mening dat de Britten verslagen konden worden. Onder leiding van de KAU en de soldaten begon het Kenyaanse volk campange te maken voor onafhankelijkheid.

Een ander voorbeeld is de vorming van religieus progressieve groeperingen zoals de Mau Mau. Verschillende stammen werkten samen omdat ze ??n doel voor ogen hadden, de onafhankelijkheid en het verdrijven van de vijand, waardoor welgesteldheid in hun bereik kwam.



Er is echter onenigheid in de literatuur en onder Kenyanen over de aard en betekenis van de Mau Mau. Omdat zij alleen in Centraal-Kenya opereerde is zij nooit een echt nationalistische beweging geweest en door haar samenstelling en methodes bracht ze het nooit echt tot een volksbeweging. De vermenging van politiek-economisch verzet met occulte praktijken zorgden ervoor dat in de verhalen uit de jaren vijftig de gruwelverhalen de boventoon voeren.



Doordat het opvoeren van argumenten v??r het nationalistische gevoel in Kenya maar twee voorbeelden tot gevolg heeft, spreekt de conclusie al voor zich. In Kenya is er amper sprake van een nationalistisch gevoel onder de bevolking. Behalve op een paar gevallen na, heerst er meer een stamgevoel onder de bevolking. Onder de Gabra stam, bijvoorbeeld, voelt men zich meer verwant met dezelfde stam aan de andere kant van de grens in Ethiopi? dan met haar buurstammen in Kenya zelf.

Het probleem van het land Kenya is dat het geschapen is door onwetende Europeanen, in dit geval de Duitser en de Brit. De rechte lijn die Kenya van Tanzania scheidt is een fantastisch voorbeeld. De Maasai laat zich niet indelen of verdelen door een rechte lijn. Het grondgebied van de stam is veel groter dan het zielige kleine stukje dat ze nu hebben.

De Europese denkbeelden kunnen niet toegepast worden in Kenya. Kenya kan niet democratisch bestuurd worden door de bevolking, er heerst teveel onderlinge rivaliteit. In de tijd dat de Britten aankwamen in Kenya gold het recht van de sterkste in Oost-Afrika. Iedere stam had zijn eigen grondgebied en redde zich meestal zelf wel. Er was geen behoefte aan geld of techniek, de mensen leefden hun eigen leven en hadden geen behoefte om te beslissen over elkaar in een instantie die de democratie heet.

De corruptie en onrechtvaardigheid in het overheidsstelsel toont aan dat Kenya nog niet klaar is om op zo’n manier met elkaar om te gaan. Er is geen saamhorigheidsgevoel aanwezig in de harten van de leiders. Arap Moi is president omdat hij daardoor de machtigste man in Kenya is en zijn stam daar het meeste van profiteert, niet omdat hij denkt daarmee zijn land te kunnen helpen. De aanleg van een vliegveld in Eldoret is daar een klassiek voorbeeld van. Arap Moi is afkomstig uit Eldoret en zijn stam woont daar nog steeds. De aanleg van een vliegveld is zo ontzettend overbodig, dat is bijna niet voor te stellen. In Eldoret zijn de wegen zo slecht dat het vliegveld amper bereikt kan worden. Dit project is een beloning voor Moi’s volk voor hun stemmen bij de laatste verkiezingen.



Kenya bestaat niet, het is een verzameling van groepjes die niet gezamenlijk een land kunnen besturen zonder zichzelf te bevoordelen en de vijanden te benadelen.

Evaluatie



Het schrijven van een onderzoek is altijd een leuke afwisseling van het dagelijkse werk, vooral als het om een onderwerp gaat wat je zelf interesseert. Doordat ikzelf in Kenya gewoond heb is het onderwerp natuurlijk niet nieuw voor mij, maar ik heb zelf veel geleerd van dit onderzoek. De meeste informatie die ik heb gebruikt was redelijk nieuw voor mij, ik heb vooral veel geleerd over de geschiedenis van het land en de leefwijze van de verschillende stammen.

Het vinden van informatie was absoluut geen probleem. Dankzij onze eigen thuis-‘bibliotheek’ was er al redelijk wat informatie aanwezig, maar de diepgaande informatie heb ik via Jessica kunnen krijgen, die ook wat interessante boeken thuis had staan. Het probleem was dat de meerderheid van de bronnen in het Engels waren, wat wat meer tijd vergt aan vertalen en begrijpen.

Het zoeken naar informatie over de verschillende politieke partijen was een redelijk groot probleem. In geen van de boeken werd informatie verschaft over het politieke programma van de verschillende partijen en hun standpunten. Op het internet heb ik in de herfstvakantie nog gezocht naar informatie maar de Kenyaanse politieke partijen zijn niet op het internet aanwezig, iets wat ik al had verwacht. Ik heb nu wat spaarzame informatie uit de reisgidsen moeten halen, waardoor de informatie niet erg diepgaand is.

Een ander probleem was de structuur van het onderzoek. In mijn originele ingeleverde plan had ik subvraag twee en drie omgedraaid, maar tijdens het schrijven van het onderzoek kwam ik er achter dat die volgorde erg onlogisch was, en heb ik de vragen omgedraaid.



Zoals bijna iedereen was mijn planning bar slecht, waardoor het afkrijgen even hard werken was. Desalniettemin heb ik het onderzoek ruimschoots afgekregen en hoop ik dat het er verzorgd uitziet.





Literatuuropgave



- Crowther, J

Finlay, H, Kenya, a travel survival kit, 2e druk 1994 (1e druk 1991), Hawthorn



- Dietz, T,

Foeken, D,

Haastrecht, A van, Kenya, 1e druk 1996, Amsterdam



- Fedders, A

Salvadori, C, Peoples and cultures of Kenya, 5e druk 1988 (1e druk 1980), Nairobi



- Maxon, R M, East Africa, An Introductory History, 2e druk 1989 (1e druk 1986), Nairobi



- Ochieng, W R, Kenya, A history of, 2e druk 1988 (1e druk 1985), Hong Kong



- Pavitt, N, Kenya, The First Explorers, 1e druk 1989, Londen



- Vestner, H, Kenya, 1e druk 1993, M?nchen, vertaald uit het Duits

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.