Middeleeuwen

Beoordeling 3.7
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • 1e klas havo/vwo | 1105 woorden
  • 18 maart 2004
  • 72 keer beoordeeld
Cijfer 3.7
72 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Onderwerpen

ADVERTENTIE

Wat zou je het liefste doen?

Maak een keuze en ontdek welke opleiding bij jou past!

Hoi, ik leef in het jaar 1300. Ik zal je nu even gaan vertellen wat ik elke dag meemaak in mijn dorpje en een paar tips geven om je mooi te maken!

Ons dorp is heel groot, al zeg ik het zelf. Er loopt een grote rivier dwars doorheen, dat is eigenlijk onze natuurlijke grens. Van dat water kunnen we drinken en we kunnen ons wassen. Als je onze stad inkomt, heb je eerst de galgenberg. Ik vind dat maar een enge plek en ik loop er altijd maar snel vandaan, want bij die galgenberg worden de misdadigers ter dood gebracht. In ons dorp vind heel veel handel plaats. Daarom loopt er ook een hele grote handelsweg door ons dorp. Daar komen elke dag wel smeden, kuipers en timmermannen langs. Mijn vader is ook timmerman en daarom wonen we hier, vlak bij het kasteel, want we moesten natuurlijk wel de toestemming van de landheer krijgen. Om ons dorp is een grote stadsmuur gebouwd, om dieven op een afstand te houden. Hij is gemaakt van leem en zakken zand. Natuurlijk hoort er bij een stad een stadspoort. Daar moeten mijn neven de wacht houden. Want stel dat er een grote misdadiger de stad inkomt. Alhoewel, de misdadigers kun je trouwens herkennen aan het brandmerk op hun gezicht. Elke dag is er bij ons een grote markt. Daar kun je dan brood, bier, hoefijzers en gereedschap kopen. Het is daar altijd wel dringen. Daarna lopen we door naar de voedselmarkt. Daar vind je niet gereedschap enzovoorts, maar daar vind je vooral drinken en voedsel. We kopen daar altijd veel. Als mijn moeder en ik dan altijd teruglopen, dan komen we langs de herbergen. Ik vind dat heel interessant! Niet om de herberg hoor, maar om de mooie uithangborden. Ze zijn allemaal zo verschillend. Die met het bierglas is wel het mooist, al ga ik daar niet naar binnen. Wel gaan we soms een kijkje nemen in de slaapherberg, want die zijn altijd wel gezellig. Als we dan naar huis lopen, komen we langs het schandblok. Dat is een groot blok waarin in totaal 3 gaten zitten. Een grote voor je hoofd en twee kleine aan de zijkant voor je armen. Door werden hele groten misdadigers gestraft. Dan moesten ze met hun hoofd en armen in het schandblok en dan lieten ze van bovenaf de andere helft naar beneden vallen. Nu was er weer een misdadiger die gestraft werd. Mijn moeder wilde blijven kijken, maar ik hoef die onzin niet te zien. Ik zei tegen mijn moeder dat ik tegen avondlicht thuis zou zijn en ik liep verder. Ik besloot naar de kathedraal te gaan, omdat het daar altijd rustig is. Onze kathedraal is heel groot en binnenin hangt een wat smerig luchtje. Ik noem dat altijd het “kerkluchtje”. Ik liep naar het altaar en keek naar die lege kerk. Er kwamen mensen binnen, een heleboel, dus er ging een mis beginnen. Ik had al zo vaak een mis gezien, dat ik het wel kon dromen. Ik besloot naar de brug te gaan. Op weg naar de brug kwam ik langs het kerkhof. Ik dacht er vaak aan wat er na de dood met je zou gebeuren. Maar ik moest daar nog lang niet aan denken, want zover is het nog lang niet. Ik liep naar de brug. Eigenlijk was dat mijn rustplek. Ik had daar namelijk een struik gevonden waar niemand me kon zien. Het was er dus lekker rustig. Ik was in slaap gevallen en het begon al te schemeren. Ik besloot naar huis te gaan en de volgende dag jullie weer een rondleiding zou geven! De volgende dag stond ik op en hoorde ik iets vreemdst. Ik keek naar buiten en zag dat er ruzie was bij het tolhuis. Bij het tolhuis moet je tol, dus geld, betalen om verder door ons dorp te komen via de handelsweg. Ik rende naar buiten en zag dat ze aan het vechten waren. Ik liep naar de mevrouw van de slaapherberg en die vertelde me dat ze aan het vechten waren omdat hij een dief was. Je kon dat zien aan het brandmerk, maar de man zei dat hij gewoon een litteken had. Ik besloot om maar weer terug te gaan naar huis. Thuis aangekomen was iedereen al weg. Ik had geen zin om alleen thuis te blijven, dus daarom neem ik jullie mee naar de wijk van de ambachtslieden. Die wijk ligt helemaal aan de grens van ons dorp. Je hebt er zoveel wijken, maar er wonen verschillende mensen. In de eerste wijk wonen de bakkers van ons dorp. In de tweede wonen de kuipers. In de derde wonen de bierbrouwers, in de vierde de timmermannen enzovoorts. Mijn vader was dan wel timmerman, maar we woonden niet in de wijk van de ambachtslieden omdat mijn moeder dat niet wilde. Ik liep verder en kwam bij de brandkuil. Daar stonden allemaal emmers water om een brand te blussen. Gelukkig was er in ons dorp nog nooit brand geweest. Even verderop ligt het pesthuis. Daar zitten allerlei mensen die de pest hebben. Ik kom daar liever niet in de buurt, want stel je voor dat ik ook de pest krijg. Achter het pesthuis ligt het klooster. Daar kan bijvoorbeeld een familielid van iemand die de pest heeft bidden dat hij niet dood gaat. Ik ging er ook even naar toe en begon te bidden voor iedereen die de pest had. Ik wilde dat ze allemaal beter zouden worden, maar helaas kan dat niet. Even verderop was het gildenhuis. Mijn vader was daar lid van, dus mijn broer studeert daar voor timmerman. Eerst werd mijn broer leerjongen. Hij mocht mee met mijn vader naar klussen en keek hoe hij alles timmerde. Vanaf zijn negende jaar mocht hij timmeren en hij maakte soms hele mooie dingen. Toen hij ongeveer twaalf jaar oud was, en het vak al redelijk kende, werd hij gezel. Hij kon toen al aardig timmeren. Toen hij vijftien jaar oud was, kende hij alles en moest hij een meesterstuk maken. Mijn broer maakte een dekenkist als meesterwerk. Hij slaagde en is nu dus gildenmeester. Ik ben heel trots op hem! Ik ga maar weer terug naar huis want het word al aardig donker. Ik hoop dat jullie wat geleerd hebben over mijn stad. Ik heb mijn best gedaan! Ik ga naar mijn bed. Vandaag zing ik me in slaap en dat natuurlijk met het enige echte KMC-Lied.

Het werkstuk gaat verder na deze boodschap.

Verder lezen

Ons dorp is heel groot, al zeg ik het zelf. Er loopt een grote rivier dwars doorheen, dat is eigenlijk onze natuurlijke grens. Van dat water kunnen we drinken en we kunnen ons wassen. Als je onze stad inkomt, heb je eerst de galgenberg. Ik vind dat maar een enge plek en ik loop er altijd maar snel vandaan, want bij die galgenberg worden de misdadigers ter dood gebracht. In ons dorp vind heel veel handel plaats. Daarom loopt er ook een hele grote handelsweg door ons dorp. Daar komen elke dag wel smeden, kuipers en timmermannen langs. Mijn vader is ook timmerman en daarom wonen we hier, vlak bij het kasteel, want we moesten natuurlijk wel de toestemming van de landheer krijgen. Om ons dorp is een grote stadsmuur gebouwd, om dieven op een afstand te houden. Hij is gemaakt van leem en zakken zand. Natuurlijk hoort er bij een stad een stadspoort. Daar moeten mijn neven de wacht houden. Want stel dat er een grote misdadiger de stad inkomt. Alhoewel, de misdadigers kun je trouwens herkennen aan het brandmerk op hun gezicht. Elke dag is er bij ons een grote markt. Daar kun je dan brood, bier, hoefijzers en gereedschap kopen. Het is daar altijd wel dringen. Daarna lopen we door naar de voedselmarkt. Daar vind je niet gereedschap enzovoorts, maar daar vind je vooral drinken en voedsel. We kopen daar altijd veel. Als mijn moeder en ik dan altijd teruglopen, dan komen we langs de herbergen. Ik vind dat heel interessant! Niet om de herberg hoor, maar om de mooie uithangborden. Ze zijn allemaal zo verschillend. Die met het bierglas is wel het mooist, al ga ik daar niet naar binnen. Wel gaan we soms een kijkje nemen in de slaapherberg, want die zijn altijd wel gezellig. Als we dan naar huis lopen, komen we langs het schandblok. Dat is een groot blok waarin in totaal 3 gaten zitten. Een grote voor je hoofd en twee kleine aan de zijkant voor je armen. Door werden hele groten misdadigers gestraft. Dan moesten ze met hun hoofd en armen in het schandblok en dan lieten ze van bovenaf de andere helft naar beneden vallen. Nu was er weer een misdadiger die gestraft werd. Mijn moeder wilde blijven kijken, maar ik hoef die onzin niet te zien. Ik zei tegen mijn moeder dat ik tegen avondlicht thuis zou zijn en ik liep verder. Ik besloot naar de kathedraal te gaan, omdat het daar altijd rustig is. Onze kathedraal is heel groot en binnenin hangt een wat smerig luchtje. Ik noem dat altijd het “kerkluchtje”. Ik liep naar het altaar en keek naar die lege kerk. Er kwamen mensen binnen, een heleboel, dus er ging een mis beginnen. Ik had al zo vaak een mis gezien, dat ik het wel kon dromen. Ik besloot naar de brug te gaan. Op weg naar de brug kwam ik langs het kerkhof. Ik dacht er vaak aan wat er na de dood met je zou gebeuren. Maar ik moest daar nog lang niet aan denken, want zover is het nog lang niet. Ik liep naar de brug. Eigenlijk was dat mijn rustplek. Ik had daar namelijk een struik gevonden waar niemand me kon zien. Het was er dus lekker rustig. Ik was in slaap gevallen en het begon al te schemeren. Ik besloot naar huis te gaan en de volgende dag jullie weer een rondleiding zou geven! De volgende dag stond ik op en hoorde ik iets vreemdst. Ik keek naar buiten en zag dat er ruzie was bij het tolhuis. Bij het tolhuis moet je tol, dus geld, betalen om verder door ons dorp te komen via de handelsweg. Ik rende naar buiten en zag dat ze aan het vechten waren. Ik liep naar de mevrouw van de slaapherberg en die vertelde me dat ze aan het vechten waren omdat hij een dief was. Je kon dat zien aan het brandmerk, maar de man zei dat hij gewoon een litteken had. Ik besloot om maar weer terug te gaan naar huis. Thuis aangekomen was iedereen al weg. Ik had geen zin om alleen thuis te blijven, dus daarom neem ik jullie mee naar de wijk van de ambachtslieden. Die wijk ligt helemaal aan de grens van ons dorp. Je hebt er zoveel wijken, maar er wonen verschillende mensen. In de eerste wijk wonen de bakkers van ons dorp. In de tweede wonen de kuipers. In de derde wonen de bierbrouwers, in de vierde de timmermannen enzovoorts. Mijn vader was dan wel timmerman, maar we woonden niet in de wijk van de ambachtslieden omdat mijn moeder dat niet wilde. Ik liep verder en kwam bij de brandkuil. Daar stonden allemaal emmers water om een brand te blussen. Gelukkig was er in ons dorp nog nooit brand geweest. Even verderop ligt het pesthuis. Daar zitten allerlei mensen die de pest hebben. Ik kom daar liever niet in de buurt, want stel je voor dat ik ook de pest krijg. Achter het pesthuis ligt het klooster. Daar kan bijvoorbeeld een familielid van iemand die de pest heeft bidden dat hij niet dood gaat. Ik ging er ook even naar toe en begon te bidden voor iedereen die de pest had. Ik wilde dat ze allemaal beter zouden worden, maar helaas kan dat niet. Even verderop was het gildenhuis. Mijn vader was daar lid van, dus mijn broer studeert daar voor timmerman. Eerst werd mijn broer leerjongen. Hij mocht mee met mijn vader naar klussen en keek hoe hij alles timmerde. Vanaf zijn negende jaar mocht hij timmeren en hij maakte soms hele mooie dingen. Toen hij ongeveer twaalf jaar oud was, en het vak al redelijk kende, werd hij gezel. Hij kon toen al aardig timmeren. Toen hij vijftien jaar oud was, kende hij alles en moest hij een meesterstuk maken. Mijn broer maakte een dekenkist als meesterwerk. Hij slaagde en is nu dus gildenmeester. Ik ben heel trots op hem! Ik ga maar weer terug naar huis want het word al aardig donker. Ik hoop dat jullie wat geleerd hebben over mijn stad. Ik heb mijn best gedaan! Ik ga naar mijn bed. Vandaag zing ik me in slaap en dat natuurlijk met het enige echte KMC-Lied.

Schoonheidstips.

- hoge laarzen bij meiden waren heel charmant. - Ons voorhoofd moet hoog zien. - Jurken met ballen - En als laatste een blokhak.

Bedankt voor het lezen van dit verhaal!

Groetjes

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.