Alleen vmbo'ers gezocht! Waar denk jij aan bij duurzaamheid? Vul de vragenlijst in en maak kans op een Bol.com bon van 15 euro

Meedoen

Liberalisme

Beoordeling 6.3
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • 4e klas vwo | 1631 woorden
  • 27 maart 2002
  • 256 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.3
  • 256 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
De oorsprong van het liberalisme

Hieronder volgt globaal het verloop van het ontstaan van het liberalisme. Als de geestelijke vaders van het liberalisme worden Jeremy Bentham, John Stuart Mill en vooral John Locke en Immanuel Kant beschouwd. Het economisch liberalisme gaat in het bijzonder terug op Adam Smith.

De uitgangspunten van het liberalisme
Economisch:
 Vrijheid van productie:
- tegen regels van gilden en overheid
- tegen hoge belastingen

- voor vrije concurrentie en tegen monopolies
 Vrijheid van handel:
- geen of heel lage in- en uitvoerheffingen
 Vrijheid van arbeid
- tegen regels van de gilden
- tegen regels over lonen, werktijden, etc.

Politiek:
 Vrijheid om volksvertegenwoordiging en regering te kiezen
 Vrijheid om het bestuur te bepalen en een grondwet op te stellen
 Vrijheid van meningsuiting, godsdienst en vergadering
 Afschaffing van slavernij

Hoe het liberalisme is ontwikkeld in landen
De naam liberalen werd voor het eerst door een politieke groepering in Spanje gebruikt (liberales), die in 1814 de constitutie van 1812 wilde herstellen. In elk land heeft het liberalisme zijn eigen ontwikkeling gehad, met verschillende vormen van staatsinrichting, die echter allemaal de hoofdkenmerken van het liberalisme hebben; de parlementaire democratie, de gelijkheid van alle burgers voor de wet, de waarborging van de grondrechten (vrijheid van godsdienst, van drukpers, van vereniging, van vergadering, enz.) en de rechtsstaatgedachte.
In België, waar het liberalisme een voorloper vond onder de volgelingen van Jan-Frans Vonck, brak deze stroming door tijdens de regering van Willem I. De revolutie van 1830 leidde tot de grondwet van 1831, die gedurende de hele 19de eeuw als een toonbeeld van liberale staatsinrichting gold.

In Nederland was het Johan Rudolf Thorbecke, die bij de grondwetswijziging van 1848 de staatsinrichting in liberale geest wijzigde. Door deze grondwet werd de macht van koning veel kleiner ten opzichte van die van het parlement.
In Groot-Brittannië, bij uitstek het land van het 19de-eeuws liberalisme, stammend uit de ideeën van de Whigs, behaalde het liberalisme spectaculaire overwinningen op politiek (emancipatie van de slaven) en economisch (afschaffing van de korenwetten) gebied.

De vernietiging van het optimisme
De tweede helft van de 19de eeuw heeft, dankzij de door het liberalisme mogelijk geworden vrije ontwikkeling van de menselijke persoonlijkheid, op stoffelijk gebied zulke grote triomfen van de natuurwetenschappen en de techniek te zien gegeven, dat vele liberalen gingen menen dat wetenschap alleen steeds verdere vooruitgang voor de mensheid en voor haar geluk zou brengen. De Eerste Wereldoorlog maakte aan al het optimisme over de vooruitgang van de mensheid met één klap een einde. De landen waar het liberalisme nooit echt tot grote bloei was gekomen, zoals Rusland, Italië en Duitsland, ontkenden elke waarde van de menselijke persoonlijkheid en dus werd de parlementaire democratie in wezen vernietigd.

Algemeen kiesrecht
Hoewel liberalisme vaak wordt gezien als het ideaal van de democratie, waren de liberalen in de 19de eeuw over het algemeen geen voorstander van algemeen kiesrecht. In de jaren na de herziening van de grondwet werd er plaats gemaakt voor algemeen kiesrecht. In 1917 kwam de invoering van een algemeen kiesrecht. In Nederland kregen de liberalen door de invoering van algemeen kiesrecht veel minder invloed.
De confessionelen waren heel fel tegen het algemeen kiesrecht, terwijl zij er in totaal wel het meeste voordeel van hebben gehad. Deze felheid had een aantal redenen:
 Ze waren heel conservatief in hun opvattingen en vonden dat het kiesrecht maar voor een enkeling was weggelegd.
 Nederland was aan het begin van de twintigste eeuw erg verzuild. Dit houdt in dat de samenleving verdeeld was in verschillende zuilen die elk geheel afzonderlijk van elkaar leven. De confessionelen willen graag dat de verzuiling in stand bleef. Ze waren bang dat met het algemeen kiesrecht ook de verzuiling langzaam zou verdwijnen.
Toch stemden de confessionelen in met de invoering van het algemeen kiesrecht. In ruil hiervoor stemden de liberalen namelijk in met de beëindiging van de schoolstrijd. De confessionelen wilden persé dat er een einde aan de schoolstrijd kwam. De liberalen wilden dit eerst niet; ze vonden het zonde van het geld om scholen met een bepaalde overtuiging door de overheid te laten financieren.

Discussies
Na de Tweede Wereldoorlog dachten de liberale partijen van de westerse wereld dat de stijging van de welvaart zou leiden tot een toename van individueel welzijn, waarbij het principe gehanteerd werd dat “the greatest happiness for the greatest number” een graadmeter zou zijn voor maatschappelijke vooruitgang.
Vanaf het midden van de jaren zestig begonnen liberalen, zich zorgen te maken over de consequentie van dit uitgangspunt, namelijk dat het welzijn van de een ten koste gaat van de ander. In reactie hierop benadrukten liberale filosofen, zoals Rawls en Dworkin, dat niet de individuele vrijheid, maar de gelijkheid van mensen als de kern van de liberale gedachte moet worden beschouwd. Hun mening was voor de herverdeling van inkomens en goederen.
De liberalen Milton Friedman en Friedrich August von Hayek, die in de loop van de jaren zeventig een medestander vonden in Nozick, hadden een standpunt, gebaseerd op de onschendbaarheid van individuele rechten, tegen herverdeling. De theorieën van Rawls en Dworkin werden vanaf het eind van de jaren zeventig bovendien gekritiseerd door denkers als Walzer en Raz, die pleitten voor een herijking van de liberale gedachte, waarin vooral de diversiteit van menselijke strevingen centraal staat. Deze discussie onder liberalen leidden er in de jaren tachtig toe dat liberalisme steeds meer een verzamelbegrip wordt, waarachter een veelheid van politieke opvattingen schuil gaat.
Partijvorming
In vele Europese landen waren de liberale ideeën vastgelegd in de staatsinrichting. De positie van liberale partijen in de politiek was daardoor beweeglijk geworden, zowel in behoudende als in progressieve richting. Europa kende een groot aantal partijen die zich liberaal noemden met zeer verschillende standpunten. Ze zeiden allemaal de waarden van het liberalisme te vertegenwoordigen: de (extreem) rechts opererende, zoals de Italiaanse PLI en de Nederlandse VVD, maar ook de progressieve, zoals de Engelse Liberal Party en de Duitse Freie Demokratische Partei. Ze waren verenigd in de Europese Liberaal Democraten (ELD) en vormden in het Europees parlement een fractie. Liberalen uit de hele wereld waren aangesloten bij de Liberale Internationale, dat in 1947 in Oxford was opgericht.
Rond 1830 ontstond in Nederland een liberale politieke stroming. De leiders hiervan waren op volgorde: D. Donker Curtius, J.R. Thorbecke en J. Kappeyne van de Coppello. Vooral onder Thorbecke bereikte het Nederlands liberalisme een hoogtepunt. Hij was tegen partijvorming en daardoor zijn er tijdens zijn hele leven ook geen liberale partijen opgericht.
Eind 1884 deed de Amsterdamse kiesvereniging Burgerplicht een oproep aan de vele liberale kiesvereningen die in die tijd bestonden, om een Liberale Unie te gaan vormen. Op 4 maart 1885 kwam deze tot stand en dat was de eerste liberale partij in Nederland. Van een programma was echter nog geen sprake. Pas in het begin van 1891 werd een document over de verkiezingen aan de kiezers opgesteld, waarin werd aangedrongen op uitbreiding van het kiesrecht. Dit was mogelijk geworden door de grondwetsherziening van 1887. In 1892 werd vervolgens de Radicale Bond opgericht, die je kunt beschouwen als de linkervleugel van het liberalisme.
De strijd om de nieuwe kieswet van de liberaal Tak van Poortvliet tastte in 1894 de Liberale Unie aan. De tegenstanden van het kiesrechthervormingsvoorstel traden uit en gingen zichzelf de oud-liberalen noemen. Later werden dit de vrije liberalen. Deze mensen kan je beschouwen als de rechtervleugel van het liberalisme, ook al bleven zij voorlopig ongeorganiseerd.
De blijvende onenigheid over het kiesrecht in het liberale kamp leidde in 1901 tot uittreding van de leiding van de Liberale Unie. Zij richtte de Vrijzinnig-democratische Bond op, samen met de Radicale Bond. In 1906 werd de Bond van Vrije Liberalen organisatie van de vrije liberalen of oud-liberalen.
Met het oog op de verkiezingen van 1913 sloten de drie liberale partijen zich aaneen tot een ‘vrijzinnige concentratie’. De voornaamste punten van hun programma waren: algemeen kiesrecht en staatspensioen. Zij brachten het tot 37 van de 100 zetels en het optredende vrijzinnige kabinet - Cort van der Linden slaagde er in 1917 in om het algemeen kiesrecht voor mannen en de mogelijkheid van invoering van vrouwenkiesrecht tezamen met de evenredige vertegenwoordiging in de Grondwet op te nemen.
Na de Eerste Wereldoorlog verenigden zich in 1921 onder meer de Liberale Unie en de Bond van Vrije Liberalen tot de Liberale Staatspartij de Vrijheidsbond. De Vrijzinnig-democratische Bond bleef zelfstandig opereren. Doordat deze in 1924 de nationale ontwapening als programmapunt nam, werd de kloof tussen de twee vrijzinnige groepen veel groter.
Van 1933 tot 1937 namen zij beide deel aan het door Colijn gevormde kabinet op ruime basis en sinds in 1936 de Vrijzinnig-democratische Bond de nationale ontwapening als programmapunt liet vallen, hielden alleen de geen principiële verschillen hen verdeeld. Beide partijen, de Vrijzinnig-democratische Bond en de Liberale Staatspartij de Vrijheidsbond, bleven tot mei 1940 gewoon naast elkaar bestaan.
Na de bevrijding was er een grote drang naar politieke vernieuwing, die door de Nederlandse Volksbeweging op de voorgrond werd geplaatst. Het resultaat was echter gering. Alleen de Sociaal-democratische Arbeiders Partij, de Vrijzinnig-democratische Bond en de Christen-democratische Unie verbonden zich met enkele christelijk-historischen en rooms-katholieken in de Partij van de Arbeid.
Van de andere partijen kwam de ene helft in dezelfde vorm en de andere helft in een beetje gewijzigde vorm terug. De Liberale Staatspartij vormde met de vrijzinnig-democraten, die de overgang van hun partij naar het socialisme niet wilden meemaken, in 1946 de Partij van de Vrijheid. Deze stelde als eerste beginselen van een op christelijke grondslag berustende samenleving: de vrijheid, de verantwoordelijkheid en de sociale gerechtigheid.
In 1947 trad de vroegere vrijzinnig-democratische leider Pieter Jacobus Oud uit de Partij van de Arbeid, omdat hij zich niet met het beleid kon verenigen en deze nieuwe partij zich volgens hem te veel in de richting van de oude SDAP zou komen. Hij vormde een nieuwe politieke groep, die na besprekingen met mensen uit de Partij van de Vrijheid, onder leiding van Dirk Uipko Stikker, samen met deze partij op 24 januari 1948 de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) heeft opgericht.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

G.

G.

Dit voegt echt geen educatieve waarde toe aan de productiviteit van het liberalisme!

11 jaar geleden

F.

F.

thanks!! hard k hard nodig voor mijn po :0)

4 jaar geleden