Frankrijk in de tijd van het absolutisme

Beoordeling 6.7
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • 2e klas vwo | 1973 woorden
  • 17 oktober 2005
  • 73 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.7
  • 73 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
Hoofdvraag: Hoe beschrijven en verklaren we de manier waarop er in Frankrijk in de tijd van het absolutisme werd gewerkt, bestuurd, geoordeeld over standsverschillen, aangekeken tegen het huwelijk, aangekeken tegen cultuur waaronder godsdienst, en werd aangekeken tegen de internationale rol van Frankrijk en z’n oorlogen?

Hoe werd gewerkt:
Het grootste deel van de bevolking werkte op het platteland. Later werkten er steeds meer in de grotere bedrijven die door de koning waren opgericht. Dat was een goede oplossing voor de armoede van de boeren, handelaars en ambachtslieden die met hun kleine bedrijfjes bar weinig verdienden. Ze gingen daar werken, omdat ze zo meer verdienden en genoeg geld hadden om te overleven.
Hoe werd het land bestuurd: Koning Lodewijk de 14e had veel regels en wetten voor het land. De meeste had hij zo gelaten zoals ze waren, maar hij had zelf ook wetten erbij verzonnen. Het volk luisterde naar Lodewijk de 14e, omdat ze dachten dat hij door God was aangesteld om koning te zijn. Lodewijk XIV noemde zichzelf de zonnekoning, omdat hij zichzelf als het middelpunt van de wereld zag. Hij bestuurde het land zo, omdat hij de bevolking te vriend wilde houden en zelf alle macht wilde hebben.

Hoe werd geoordeeld over standsverschillen: Er waren 3 standen in de tijd van Lodewijk de 14e. De 1e stand bestond uit de adel en de geestelijken, alle anderen behoorden tot de 3e stand. De verdeling van de standen had weinig met bezit te maken, want de bourgeoisie die erg rijk waren hoorden ook tot de 3e stand. Niet iedereen kon gelijk zijn.
Hoe werd aangekeken tegen het huwelijk: De adel vond huwelijkstrouw niet erg belangrijk. Dat was in tegenstelling met de kerklieden en burgers. Die leefden volgens de kerk en volgens de kerk was huwelijkstrouwe wél belangrijk. Je kon niet altijd zelf beslissen met wie je trouwde. Dat had met je stand te maken. Mensen bleven trouw aan hun echtgenoot/echtgenote, omdat de kerk dat belangrijk vond.

Hoe werd aangekeken tegen cultuur waaronder godsdienst: De Fransen vonden de bouwstijl van de Grieken en Romeinen erg mooi en koning Lodewijk de 14e liet daarom veel paleizen in die stijl bouwen. Het paleis Versailles is daar een goed voorbeeld van. Ze bouwden het in die stijl, omdat ze het mooi vonden en het mode was. De kerken werden gebouwd in barokstijl. In Frankrijk was er geen godsdienstvrijheid. Lange tijd mochten protestanten nog wel in Frankrijk wonen, maar na een tijdje vond Lodewijk de 14e het wel genoeg.

Hoe werd aangekeken tegen de internationale rol van Frankrijk en z’n oorlogen: Andere landen in Europa werkten vaak samen tegen Frankrijk, omdat Frankrijk het grootste en machtigste land was in de 17e eeuw. Lodewijk de 14e liet heel vaak oorlog voeren, omdat hij veel gebieden wilde veroveren en erg machtig zijn. De bevolking leefde daarom vaak in armoede, omdat Lodewijk zijn leger betaalde met de belasting die het volk betaalden. En dat leger was erg groot en duur!

Deelvraag 1: wat was de oude en de nieuwe manier van werken en wat was de verklaring hiervoor?

In de tijd van Lodewijk de 14e leefde het grootste deel van de bevolking
(85 %) op het platteland. Die mensen leefden niet in grote steden maar in dorpen en gehuchten. De boeren uit die tijd waren (volgens sommige bronnen) erg armoedig. Dat kwam door de hoge belasting die de Franse bevolking moest betalen. Die belasting was zo hoog omdat Lodewijk de 14e dat geld nodig had om de dure legers te betalen, paleizen te laten bouwen en een rijk hofleven te kunnen leiden.

Later kwamen er steeds meer grotere bedrijven.

De ambachtslieden met kleine werkplaatsen waren nog steeds erg belangrijk. Er werd weinig geld verdiend in de handel, daarom konden de Franse burgers geen grote bedrijven oprichten. Die bedrijven werden daarom opgericht door de koning. Voor de boeren, die zo weinig verdienden dat ze bijna niet van de opbrengst konden leven, was dit een goede oplossing.

In de grote bedrijven werd heel anders gewerkt dan in de kleine werkplaatsen van ambachtslieden. In de werkplaats van de ambachtslieden kende de meester al zijn leerlingen, als er problemen waren konden die snel opgelost worden. In die werkplaatsen leerde je een vak. Dat was een groot verschil met grote bedrijven waar je geen vak leerde. Der ondernemer van een bedrijf kende zijn werknemers niet en overleg en samenwerking was een stuk moeilijker. Maar later werd in de kleine werkplaatsen steeds meer gewerkt zoals in grotere bedrijven, zodat het werk moeilijker was, ze langer moesten werk en een laag loon kregen. Veel leerlingen konden nu geen meester worden, omdat dat een stuk moeilijker was. Zij bleven meestal hun hele leven lang werken als arbeiders.

Deelvraag 2: hoe bestuurde de koning Frankrijk en hoe is dat te verklaren?

Alles werd door de koning vanuit de hoofdstad geregeld. Lodewijk de 14e had absolute macht. Dat betekent dat hij boven de wetten stond, hij kon de wetten veranderen zoals hij wilde, zonder dat hij ook maar iemand iets hoefde te vragen. Men dacht immers dat hij door God was aangesteld, dus iedereen gehoorzaamde hem. Er waren van tevoren veel burgeroorlogen geweest en de Franse wilden eindelijk wel eens rust, dat kon alleen als er maar 1 leger in het land was met 1 bevelhebber, en als er overal in het land dezelfde wetten waren waar 1 man verantwoordelijk voor was. Die ene man kon alleen de koning zijn.

In Frankrijk bestonden in Lodewijks tijd allemaal regels en wetten voor verschillende streken van het land. Voor verschillende groepen onderdanen golden niet dezelfde wetten; de adel had andere rechten dan de burgers en de katholieken andere dan de protestanten, ook betaalde men in elk gebied andere belasting. Lodewijk liet veel wetten zoals ze
waren, omdat er anders veel kans was op opstand en ontevredenheid.

In de tijd van Lodewijk begon de staat zich meer met de economie te bemoeien. De ambtenaren van Lodewijk begonnen zich ook met steeds meer andere dingen te bemoeien. Niet alleen belastingen, maar ook rechtspraak, onderwijs en armenzorg. Zo kreeg de staat meer invloed op het dagelijks leven van de mensen.
Hij bestuurde het land zo, omdat hij veel macht wilde hebben, maar de bevolking ook te vriend wilde houden, zodat zij niet in opstand kwamen tegen de koning.

Deelvraag 3: waarom was niet iedereen gelijk en hoe is dat te verklaren?

Na het jaar 1000 waren in veel streken van West-Europa steden ontstaan en gegroeid. Daar waren nieuwe groepen mensen ontstaan; ambachtslieden, handelaars, ambtenaren, bankiers enz. Toch bleef de indeling in 3 standen bestaan;
De adel en de geestelijken hoorden bij de standen met voorrechten. Alle anderen hoorden bij de 3e stand. Ook alle nieuwe groepen hoorden daarbij.
Mensen vonden dat niet iedereen gelijk was, omdat er verschillen moesten zijn. Er moesten mensen zijn om de vuile klusjes op te knappen en er moesten mensen zijn die het land bestuurden en alles eromheen regelden (de belangrijke zaken.)

De verdeling van de standen had niet veel met bezit te maken. De bourgeoisie (de rijke burgers) hoorde bij de 3e stand, waar ook arme en rijkere boeren, ambachtslieden, zwervers en bedelaars bij hoorden.

Als je als boer geboren werd, was het heel moeilijk om ooit een ambtenaar te worden. Eens een boer altijd een boer. Als je ouders rijke edelen waren, had je een grotere kans op een rijk en welvarend leven, een goede opleiding enz. dan wanneer je ouders boeren waren.

Deelvraag 4: hoe werd er in de 17e eeuw over het huwelijk en de huwelijkstrouw gedacht en hoe is dat te verklaren?

Van een vrouw van een rijke burger werden heel andere dingen verwacht dan van een vrouw van de koning. Dat de koning naast zijn vrouw nog een aantal andere maîtresses had was in de 17e eeuw voor een adellijke man heel normaal.
Dat de koning veel maîtresses had kwam door het feit dat hij boven de wet stond, hij kon dus bijna alles doen wat hij wilde en hij deed het natuurlijk voor het genot. Aan 1 vrouw had hij niet genoeg.

Burgers en kerklieden hielden er andere normen op na. Voor deze mensen was huwelijkstrouw veel belangrijker. Een burgerlijk huisvrouw, die de leiding gaf aan de huishouding en de opvoeding van de kinderen, was heel anders dan een mooie hofdame die wel van een feestje hield.

De protestantse en de katholieke kerk vonden altijd al dat huwelijkstrouw een heel belangrijk ideaal was. De kerk had dus blijkbaar meer invloed op de burgers dan op de adelen.

Meisjes en jongens konden niet altijd zelf beslissen met wie ze trouwden. Ouders uit rijke families wilde natuurlijk niet dat hun zoon of dochter met een vrouw of man uit de lagere stand trouwden. Ze staken veel tijd in het vinden van een ‘goede echtgenoot of echtgenote’ voor hun zoon of dochter.
Dit kwam omdat ze niet wilden dat hun zoon of dochter een slecht leven kreeg, alleen het beste voor hun kind.
Als je erg arme ouders had was het dus gemakkelijker om je eigen partner uit te kiezen. Volgens de Katholieke kerk was echtscheiding iets wat echt niet kon. Het huwelijk was iets wat voor altijd gold.

Bij de protestanten was scheiding ook niet gemakkelijk, maar het was soepeler dan bij het Rooms-katholieke geloof. Toch kwam het nog al eens voor dat een gehuwde man gewoon wegliep en ergens anders ging wonen.

Deelvraag 5: welke opvattingen had men in de 17e eeuw over bouwkunst en godsdienst en wat is de verklaring daarvoor?

De Franse bevolking uit de 17e eeuw vonden de bouwkunst van de Romeinen en de Grieken zeer interessant en ze namen daarom ook veel van hun bouwkunst over in de gebouwen die ze in Frankrijk bouwden.
In Versailles (20 kilometer van Parijs) liet Lodewijk een groot paleis bouwen. Daarbij werd goed gekeken naar de Grieks/Romeinse bouwkunst, omdat dat mode was en ook omdat ze zo het gebouw indrukwekkend konden maken. Lodewijk wilde als machtig vorst overkomen als een Romeinse keizer, omdat die immers erg machtig waren.

De kerken werden gebouwd in barokstijl. Die stijl is een stijl waarbij alles rijk versierd wordt met schilderingen en beeldhouwwerk. Overal zie je goudkleurige krullen, soms is er zoveel versiering dat je de bogen en zuilen van de kerken niet eens meer zag.

In Frankrijk was geen godsdienstvrijheid; in Frankrijk was de katholieke kerk het belangrijkst. Lange tijd mochten de protestanten toch nog wel in Frankrijk wonen, maar in 1685 besloot Lodewijk toch de protestantse godsdienst te verbieden. Duizenden Franse protestanten vluchten het land uit. Velen van hen kwamen naar Nederland waar wel godsdienstvrijheid was.
Dat komt omdat in alle landen na verscheiden godsdienstoorlogen maar 1 godsdienst de officiële kon zijn.

Deelvraag 6: waarom liet Lodewijk de 14e zo vaak oorlog voeren en wat waren de gevolgen daarvan voor de bevolking?

Tijdens Lodewijks regering was het vaker oorlog dan vrede. Hij liet zo vaak oorlog voeren omdat hij nieuwe gebieden wilde veroveren. Voor zijn tijd ging oorlog vaak om godsdienst, in zijn tijd dus niet meer.
Concurrentie in handel was voor Lodewijk ook een geldige reden om oorlog te voeren.

Toen Lodewijk begon met regeren bestond het Franse leger uit 40.000 huursoldaten. Aan het eind een leger van 400.000 soldaten. Hij wilde een groot leger om machtig over te komen en zodat hij vaak oorlog kon voeren (hij zou waarschijnlijk toch winnen).

Het gevolg voor het volk was dat ze vaak leefden in armoede, omdat de soldaten al het eten innamen. De soldaten kregen ook vaak hun loon te laat. Daarom gingen ze in de stad roven en de stad plunderen.
Een grote groep rondtrekkende soldaten verspreidde ook veel ziektes; het gevolg daarvan was vaak de dood (voor vele mensen). De meeste ziektes konden in die tijd namelijk niet genezen worden.
De mensen moesten ook heel veel belasting betalen, want een leger kostte in de vredestijd al enorm veel geld. In de oorlogstijd kostte een leger nog meer geld.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

L.

L.

hey,

heel erg bedankt voor je samenvatting. ik vindt geschiedenis een lastig vak om te leren,ik heb er erg veel aan gehad!!! bedankt!!!

groetjes Lisette

14 jaar geleden

M.

M.

Nederlands ook of niet? ik vind*

7 jaar geleden

L.

L.

ik heb wel een cijfer 1 gegeven, maar dat ging per ongeluk :O
ik heb hier heel veel aan! <3

9 jaar geleden