Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

Evolutie van strategieën & wapens in oorlogen

Beoordeling 6.5
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • Klas onbekend | 26701 woorden
  • 21 februari 2007
  • 118 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.5
  • 118 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
De Evolutie van Oorlogvoering

Voorwoord
Dit verslag kwam er in opdracht van de docente communicatievaardigheden aan de Erasmus
Hoge School Brussel, Els Plas. Het onderwerp werd gekozen omdat enkele leden van het
team wel interesse toonde in oorlogvoering en er vanuit werd gegaan dat er vrij veel
informatie ter beschikking zou zijn over oorlog.
Het werk is geschreven door een groep van het eerste jaar Bachelor Toegepaste Informatica
van EhB campus IWT.

Dit werk was nooit tot stand gekomen zonder de inzet van het gehele team, en zou
onmogelijk geweest zijn zonder de constante en stipte inzit van hen. Het heeft veel moeite
gekost om al de informatie bijeen te zoeken en ze in een goede vorm te gieten. Zij worden
bij dezen bedankt voor al hun inzet tijdens de voorbije weken.

Inhoudsopgave

Samenvatting
Inleiding
Werkwijze
De eerste generatie oorlogvoering
Oorlogvoering in de oudheid
Romeinse legerstructuur
Uitrusting - Bewapening
Gebruikte tactieken en formaties
De oorlogen in de Oudheid
De Punische oorlogen
De eerste Punische oorlog
De Tweede Punische oorlog
De derde Punische oorlog
De middeleeuwen
Manieren van oorlog voeren
De kruistochten
De tijd voor de kruistochten
De algemene tactieken en bewapening

De tactiek in de strijd
De Guldensporenslag
Oorzaak
De veldslag
De wapens en tactieken
Resultaat van de Guldensporenslag
De Franse revolutie
de oorzaken voor de Franse revolutie
Manieren van oorlogvoeren
De tweede generatie oorlogvoering
Het verloop van de 1ste Wereldoorlog
Het verloop van de oorlog
Het sneeuwbaleffect
Poor little, brave Belgium. Arm, klein, dapper België
De loopgravenstrijd
De kerstbestanden
Het oostfront
Het Ottomaanse rijk in de eerste wereldoorlog
Andere gebieden
De Amerikaanse oorlogsdeelname...................................................................................................... 42
Het einde
Vergeefs
- II -
De derde Generatie Oorlogvoering
Verloop 2de wereldoorlog
De vierde Generatie Oorlogvoering
Voorbeeldoorlog
Verdere 4e generatie oorlogen
De 1ste Golfoorlog
Afghanistan
De 2de golfoorlog
Structuur Belgisch leger
Indeling van de rangen
Minister van landsverdediging
De Chef Defensie
De operationele componenten
Investeringsplan periode 2005-2006
Operaties van het ogenblik
Interviews
Verslag interview DOVO 27 oktober 2006
Verslag interview gevechtsinfanterie 30 oktober 2006
Enquête
Enquête Resultaten
Algemeen Besluit
Literatuurlijst
Bijlage 1: lijst der illustraties
Bijlage 2: Enquête
Procesverslag
Verslagen vergadering

Samenvatting

In het eerste deel van dit verslag zien we de verschillende generaties van oorlogsvoeren door de loop van de geschiedenis heen.
De eerste generatie oorlogsvoeren is een generatie waarbij de grootte van het leger van groot belang was. Hoe groter het leger, des te beter. Men trachtte de vijand te verschalken door een groter aantal troepen in te zetten. Toch waren er al zeker tactieken en formaties om het aantal slachtoffers te verminderen.
In de tweede generatie van oorlogsvoeren is het niet zozeer meer de grootte van een leger maar de vuurkracht die dit leger bevat dat de kracht van het leger bepaald. De komst van vuurwapens en dergelijke speelde een zeer grote rol in de omschakeling van de eerste naar de tweede generatie.
In de derde generatie echter draait het allemaal om strategie en tactiek. De focus licht niet meer totaal op vuurkracht maar meer op hoe deze zo efficiënt mogelijk benut kan worden.
De derde generatie van oorlogsvoeren komt er met termen zoals ‘de blitzkrieg’ waarbij er eerst bombardementen gebeurden en vervolgens de landtroepen het karwei afwerkten.
De vierde generatie is waarschijnlijk de meest verschillende generatie van alle vier de generaties. Deze term werd gedefinieerd eind jaren 80 door de Amerikanen en houdt in dat één van de twee partijen die oorlog voert geen staat is maar eerder een organisatie. De vierde generatie komt er met een heel verschillende manier van oorlogsvoeren, we denken hierbij aan bomaanslagen, terreuracties, enzovoort.
Het tweede deel van dit verslag heeft het Belgische leger tot betrekking, we zien hier hoe het
Belgische leger vorm heeft, welke middelen het leger tot zijn beschikking heeft, enkele operaties en tot slot enkele interviews met beroepsmilitairen en een enquête die naar de kennis van de mensen over het Belgische leger peilt.

Inleiding
In dit rapport wordt de evolutie van oorlogvoeren uit de doeken gedaan.
Dit om te weten te komen hoe de tijd alles verandert heeft dus ook het oorlog voeren. De
manier van oorlog voeren is veranderd naargelang er uitvindingen gedaan zijn. In dit rapport
word onderzocht waarom en hoe oorlogvoering door de jaren heen verandert is.
Dit rapport is dan ook chronologisch opgebouwd, waardoor men zeer duidelijk de tendens
te zien krijgt. Het is een bundeling van de verschillende tijdperken dus zeer handig bij het
lesgeven of om besprekingen of voordrachten te houden.
Het deel over de evolutie van oorlogvoering bestaat uit 4 delen, respectievelijk de 4
generaties oorlogvoeren. Vervolgens is er een deel over het Belgische leger en ten slotte een enquête en interviews over beroepsmilitairen.
Ook de mens is geëvolueerd en vooral zijn verstand. Dit is te zien aan de tactieken die men
bedacht om de tegenstander te overwinnen.
Verder is men ook op zoek gegaan naar de huidige structuur en de status van het leger.
Men wou ook te weten komen naar de huidige situatie in het Belgische leger, hoe het is om
erin te werken en hoe de bevolking denkt over het Belgische leger.

Werkwijze
Dit rapport is uitgevoerd door een studie van de literatuur door het verzamelen en
analyseren van geschiedenisfeiten en chronologische verlopen van oorlogen vooral uit
encyclopedieën en geschiedenistijdschriften.
Oorlog door de tijd heen word benaderd door de klassieke indeling over 4 generaties van
oorlogvoering. Deze vier generaties vind men ook terug in de opbouw van het verslag.
Naast een literatuurstudie van de evolutie van de oorlogvoering wordt ook een
literatuurstudie gedaan van de structuur van het huidige Belgische leger.
Om de huidige situatie van het Belgische leger beter toegelichte werd er ook een interview
gedaan van 2 beroepsmilitairen over hun job inhoud en ervaringen in het leger.
Tenslotte werd nog een enquête gedaan die de kennis van de bevolking moest toetsen over
het Belgische leger. Deze enquête is digitaal gebeurt, en via het internet verspreid.

De eerste generatie oorlogvoering
In de eerste generatie, van de eerste beschavingen tot de late middeleeuwen, stond één kenmerk centraal: het aantal troepen, de grootte van de legers. Natuurlijk was ook tactiek belangrijk, maar waar men de meeste aandacht aan besteedde bij een veldslag, was het aantal troepen ter beschikking voor die veldslag. Dat de troepen verliezen, vaak zelfs zware
verliezen, zouden lijden, wist de legerleiding. Deze vonden het belangrijker dat er meer
soldaten ter beschikking zouden zijn zodat er op die manier de bovenhand zouden kunnen
halen. Vooral vanaf de oude Grieken en Romeinen kwam deze strategie goed tot uiting. In
vergelijking met de hedendaagse (westerse) oorlogvoering is dit een omgekeerde strategie. Bij hedendaagse oorlogvoering probeert men juist om zo weinig mogelijk verliezen te lijden
door goede informatie te verzamelen over vijandelijke bewegingen en tactieken. In de eerste
generatie oorlogvoering probeerde men ook al informatie over de vijand te vergaren door
middel van spionage, maar dan voornamelijk om deze te overtreffen in aantal manschappen.
Toch kende men ook al “geavanceerdere tactieken bij de oude Grieken en Romeinen was
het gebruik van formaties een duidelijk voorbeeld hiervan. Door het juiste gebruik van
formaties probeerde men de eigen verliezen enigszins te beperken en de vijand in het nauw
te drijven. De Germaanse stammen ten tijde van het Romeinse imperium stonden bekend
om hun wrede, barbaarse manier van oorlogvoering. De vijand bestormen in grote aantallen,
luid schreeuwend om hen schrik aan te jagen, is een tactiek die kenmerkend is voor hen. Dit
in tegenstelling tot de Romeinse legioenen die gedisciplineerd hun formatie proberen te
behouden en hun bevelen uit te voeren. Ook bij de belegeringen van steden in de
Middeleeuwen komt deze tactiek terug. Grote aantallen soldaten, gebruik van formaties,
eerst de vijand bestoken met artillerievuur en boogschutters en vervolgens infanterie en
cavalerie in de aanval sturen, enz.
In de eerste generatie oorlogvoering kunnen we nog een belangrijke mijlpaal aanduiden,
namelijk de uitvinding van het buskruit in de late Middeleeuwen. Dit om de evidente reden
dat de hedendaagse oorlogvoering met vuurwapens gebeurt en dus op de uitvinding van het
buskruit is gebaseerd.
Er wordt in dit verlag weinig gesproken wordt over de Egyptische tijdperken, of over andere
volkeren zoals de Azteken, Inca’s en dergelijke om de simpele reden dat men hier nog niet
aan grootschalige oorlogvoering of gewoon aan oorlogvoering deed en deze dus minder
interessant zijn om te bespreken in dit verslag.

Oorlogvoering in de oudheid
Als we bespreken hoe de oudheid invloed heeft gehad op de moderne legers en moderne oorlogvoering, dan kunnen we niet langs deze straffe jongens: de Romeinen. Hoewel ook de oude Grieken al de kunst van het formatievechten kenden, zijn het de Romeinen die er in zijn geslaagd om dit op heel grote schaal in hun legers toe te passen. De Romeinse legioenen staan bekend om hun discipline, volharding en training. Dit geeft dan ook de indruk dat de Romeinen de eersten waren die erin zijn geslaagd om een groot, “professioneel” leger op te richten. Natuurlijk kent iedereen ook wel het Spartaanse leger met zijn strenge opleiding en de economische grootmacht Athene met zijn onverslaanbare zeemacht, maar in vergelijking met het Romeinse leger stelden die nog maar weinig voor aangezien de Romeinen al deze eigenschappen wist te combineren tot één gigantisch, gestructureerd leger. Omdat we ontzettend veel gelijkenissen tussen de militaire structuur van het Romeinse leger en die van de hedendaagse legers zien, bespreken we deze dus in dit hoofdstuk en zullen we minder over de Oude Grieken spreken ondanks het feit dat de Grieken ook een zeer grote invloed hebben gehad op de manier van oorlogvoering.

Romeinse legerstructuur
Het Romeinse leger kon onderverdeeld worden in volgende delen:
• De legioenen
• De auxilia
• De praetoriaanse wacht
• De marine
• De legioenen
De legioenen bestonden uit allerlei onderdelen: infanterie, cavalerie, boogschutters, artillerie,
enz. Een legioen was dus eigenlijk een volledig leger. In de Romeinse legioenen kwam
volgende structuur voor:
• 1 legioen bestond uit 10 cohorteen
• 1 cohorte bestond uit 6 centuriae
• 1 centuria bestond uit 10 contubernia
• 1 contubernia was de basiseenheid en bestond uit 8 manschappen
Met een klein rekensommetje komen we dus op een totaal van 4800 manschappen. Naast deze vernoemde eenheden bestond een legioen verder nog uit een cavalerie-eenheid van ruim 120 manschappen, een artillerie-eenheid van 60 manschappen, en nog andere logistieke eenheden. Meestal bestond een legioen uit 6000-tal manschappen. We kunnen dus echt wel spreken van een compleet leger als we het over een legioen hebben. Deze structuur van een legioen is zeer opvallend omdat onze huidige legerstructuren zeer veel gelijkenissen daarmee vertonen.

• Een regiment bestaat een aantal bataljons
• Een bataljon bestaat uit een aantal compagnieën
• Een compagnie bestaat uit een aantal pelotons
• Een peloton bestaat uit enkele secties
• Een sectie bestaat uit 8 tot 12 manschappen.
Ook was er natuurlijk een hele rangorde voorzien om dergelijke militaire structuur in goede
banen te leiden. Aan het hoofd van een legioen stond de Legatus Legionaris. Onder zijn
bevel waren er een aantal centurio’s voorzien die de centuriae leidden. Vermoedelijk was de
oudste en meest ervaren centurion eveneens leider van de hele cohorte. Onder leiding van de centurio’s vinden we dan de principales terug die de leiding voerden over de contubernia.
Deze principales waren eigenlijk de onderofficieren zoals we die vandaag de dag kennen in
het leger en hadden dus als taak om de officieren bij te staan op het slagveld.
Nog een interessant weetje: men vermoedt dat het Romeinse leger op een bepaald moment
28 legioenen telde, en in de loop der geschiedenis ruim 50 verschillende legioenen. Een vrij
imposant leger dus…

De auxilia
Waar de legioenen voornamelijk een “zware infanterie”-aanvalsmacht waren, kwamen de
auxilia dan ter ondersteuning. De auxilia bestonden uit boogschutters, ruiters, lichte
infanterie, … Deze functies werden uitgevoerd door niet-Romeinen. De auxilia waren eerst
bedoeld als een soort van reservistenleger dat enkel gebruikt werd indien nodig, maar later
werd deze toch ook een permanente legereenheid in het Romeinse leger. De auxilia bestond
voornamelijk uit niet-Romeinen zoals Germaanse, Gallische en andere oorlogszuchtige
stammen. Na 25 jaar in dienst van het Romeinse leger gewerkt te hebben konden zij op deze manier het burgerschap van Rome verdienen en zo allerlei rechten als Romeins burger
verdienen. Bij uitzondering kon het voorkomen dat nadat een cohorte zeer heldhaftig gedrag
had vertoond op het slagveld, de keizer de hele cohorte direct het Romeinse burgerschap
verleende zonder dat zij hun 25 jaren moesten dienen. De cohortee hadden zowat dezelfde
structuren als in de legioenen en vaak dienden, zoals eerder gezegd, de auxilia als
ondersteuning van deze legioenen.

De praetoriaanse wacht
De praetorianen waren waarschijnlijk de zwaarst getrainde en doorgewinterde soldaten van
het Romeinse leger en daardoor ook gevreesd door het Romeinse volk. Eerst waren de
praetorianen bedoeld om hun bevelhebber op het slagveld te beschermen. Aan het hoofd
van het Romeinse leger stond de praetor. De praetoriaanse wacht was dus een elite eenheid, bestaande uit 9 cohorten van elk 500 man, die de opperbevelhebber van het leger moesten beschermen in geval van crisis. Hiernaast beschermden de praetorianen ook de keizer en deden ze dienst als een soort van politiemacht in Rome. Occasioneel kon het voorkomen dat de praetorianen ook meevochten op het slagveld.

De Marine
De hoofdtaak van de classis of de vloot was piraterij bestrijden en ondersteuning bieden bij
andere militaire operaties. De twee voornaamste havensteden waren Ravenna en Misenum.
De keizerlijke marine had twee grote vloten die opereerden in de Middellandse Zee en allerlei
kleinere eenheden die voornamelijk opereerden in de Zwarte zee, Noordzee, en grote
rivierstromen. In tegenstelling tot de verhalen waren de Romeinse schepen niet door slaven
bemand, maar had elk bemanningslid van het schip de status van militair. De bemanning van
een schip viel onder een rangorde die vergelijkbaar was met die van een centuriae met aan
het hoofd een centurion voor de maritieme taken en een centurion voor de militaire taken
zoals bestormingen e.d.

Uitrusting - Bewapening
De “Hasta” = Een speer die eerst alleen maar door triarii eenheden werd gebruikt maar
later de basisuitrusting werd van de legionair.
De “Gladius” = Een kortzwaard dat ook werd meegedragen door alle legionairs. Dit zwaard
was zeer handig te gebruiken tijdens gevechten in dichte formaties.
Figuur 1:Gladius
De “Spatha” = Dit zwaard werd voornamelijk gebruikt door cavalerie-eenheden. Het is
langer dan de “Gladius” en is speciaal gemaakt om te kunnen inhakken op iemand.
De “pugio” = Een dolk die vooral door de eerste legionairs werd meegedragen. Aan de ene
kant van hun riem droegen ze dan hun “Gladius” en aan de andere kant hun “pugio”. Later
stapten ze hiervan af omdat deze eigenlijk niet vaak gebruikt werd en bovendien wel wat
woog en de bewegingsvrijheid van de legionair beperkte.
Figuur 2: De Pugio
De “pilum” = Een werpspeer die ongeveer 1.8m meet. De “pilum” was zo ontworpen dat
bij impact op een vijandelijk schild bijvoorbeeld, de speer zou verbuigen en op die manier
het schild op de grond zou trekken.

Gebruikte tactieken en formaties
De kracht achter deze formaties is natuurlijk een juist gebruik ervan naargelang de situatie en een snelle uitvoering ervan. Dit vraagt natuurlijk een zekere training van de soldaten en een inschattingsvermogen van de bevelhebbende officier. Deze formaties werden voornamelijk gebruikt:
De schildpad: JBij deze formatie gingen de soldaten hun schilden boven zich houden en de
soldaten die vooraan stonden hielden hun schild voor zich. Op deze manier konden ze
richting vijand bewegen terwijl ze beschoten werden door boogschutters zonder dat ze
zware verliezen zouden lijden.
De speerpunt: JDe aanvalsformatie bij uitstek die door infanterie en cavalerie werd gebruikt.
Hierbij vormden de soldaten een V-vorm waarvan de punt richting vijand wees en op die
manier stormden ze achter hun schilden op de vijand af. Deze formatie was zeer krachtig om
vijandige formaties te doorbreken.
De verspreide formatie: Bij deze formatie gaan de troepen allemaal verspreid staan. Deze
tactiek is zeer handig om artillerievuur en pijlenregens te ontkomen. In deze situatie gaan er
zeker mannen omkomen, maar de dodentol zal minder hoog zijn dan bij een dichte formatie.
De verdedigingsformatie: Bij deze formatie gaat de eerste rij van soldaten zich bukken en
zijn schild voor zich houden. Hun hasta’s steken ze schuin in de grond naast zich richting
vijand. De volgende rij van soldaten stelt zich daar achter op en houdt hun “hasta’s” boven
de schilden van de mannen voor zich. Daarachter kunnen zich eventueel boogschutters en
dergelijke opstellen en een vuurlijn vormen. Deze tactiek was zeer efficiënt om aanvallen van
cavalerie-eenheden te weerstaan omdat deze gewoon zouden vastlopen op een muur van
schilden en speren.
De bolsterformatie: Bij deze formatie gaan alle soldaten in een cirkel staan met hun schild en speer voor zich. Alle overblijvende soldaten gaan in deze cirkel staan en houden hun schild en speer boven zich. Deze formatie wil dus duidelijk zeggen dat de eenheid omsingelt is en dat deze zich in een laatste defensieve formatie moet terugtrekken.
Om op grotere schaal eenheden in formatie te kunnen opstellen kennen we 1 zeer veel gebruikte formatie: zware infanterie vooraan met artillerie en boogschutters erachter en cavalerie aan de flanken om deze te beschermen.
Linkerflank
Rechterflank
Flank
Gevechtseenheden
Flank
Ondersteuningseenheden
Reserve
Reserve
Figuur 3: Romeinse Gevechtsformatie

Dit is een voorbeeld van een opstelling van een leger. De hoofdmacht bestaat dan uit de
gevechtseenheden (1500 manschappen) en de ondersteuningseenheden (1300
manschappen).
De ondersteuningseenheden kunnen ook gaten in hun formatie hebben om een snelle
terugtrekking van de gevechtseenheden te kunnen garanderen.
Achter deze formaties kunnen ook artillerie en boogschutters opgesteld staan.
De eenheden die zijn opgesteld op de linkerflank en rechterflank ( 2 x 400 manschappen)
zijn meestal verstopt aan het begin van de veldslag, een heel eind verwijderd van de die
hoofdmacht, en proberen op deze manier ongemerkt de vijand te flankeren of langs achter
aan te vallen. Meestal zijn dit cavalerie-eenheden.
De eenheden op de flanken (2x200 manschappen) moesten voorkomen dat de vijand een
omtrekkende beweging zou maken en het leger proberen te flankeren. Vanuit deze flanken
kan men ook makkelijk proberen de flanken van de vijand aan te vallen. Meestal bestonden
deze eenheden ook uit cavalerie en infanterie.
Achteraan zijn dan nog reserve-eenheden (500 manschappen) opgesteld. Deze zijn zo
opgesteld dat ze snel de gevechtseenheden kunnen bijstaan mochten die moeten
terugtrekken, en ze kunnen makkelijk de flanken verstevigen.
Als laatste is er dan nog de bevelhebber met zijn escorte (100 man). Meestal stelde diezich
achter de ondersteuningseenheden op of vooraan aan de rechterflank van de
gevechtseenheden.

De oorlogen in de Oudheid1
De Punische oorlogen
Als voorbeeld van een zeer bekende veldslag uit de klassieke oudheid zijn hieronder de
Punische oorlogen uitgewerkt.
De Punische oorlogen waren de oorlogen tussen de Romeinse Republiek en Carthago,
waarbij aanvankelijk Carthago de overhand leek te hebben maar uiteindelijk toch door Rome
verwoest werd. Zij werden door de Romeinen Bella Punica genoemd. Er werden drie
oorlogen tussen de Carthagers en de Romeinen uitgevochten. De oorlogen vonden met
onderbrekingen plaats tussen 264 en 146 v. Chr.:

De eerste Punische oorlog
De Eerste Punische oorlog (264 v. Chr. – 241 v. Chr.) was de eerste van de drie Punische
Oorlogen die uitgevochten werden tussen Rome en Carthago om de hegemonie over het
Westelijk Middellandse-Zeebekken. De oorlog werd vooral ter zee gestreden en eindigde in
een Carthaagse nederlaag waarbij deze stadstaat de controle over zijn koloniën op Sicilië en
Sardinië verloor, welk eilanden voortaan Romeinse provincia (=wingewest) zouden zijn.
De oorlog begon toen Carthago de piratenstad Messina te hulp kwam tegen een aanval van
Syracuse na de vraag om hulp van de Mamertijnen. De Carthagers bleven echter in Messina
en de Mamertijnen vroegen Rome om hulp. Na lang wikken en wegen werd uiteindelijk op
voorspraak van de comitia centuriata tot interventie besloten. De Carthaagse aanwezigheid in het noorden van Sicilië was te bedreigend. Ook kan een reden zijn dat de Romeinen en de
senatoren nogal vechtlustig waren. Dit heeft waarschijnlijk meegespeeld, anders kan het niet
verklaard worden waarom Rome zich in een oorlog stortte die waarschijnlijk via de zee
moest worden gevoerd. De twintig oorlogsschepen van de Romeinen wogen niet op tegen
de honderden schepen van de Carthagers.
Rome probeerde eerst met een landoorlog de Carthaagse koloniën op Westsicilië in te
nemen. Consul Appius Claudius Caudex stak in 264 v. Chr. In een donkere nacht de Straat
van Messina over en zette zijn troepen aan land in de haven van Messina. De Carthagers
beschouwde deze daad als een verkapte oorlogsverklaring. Bij de eerste belegering van
Agrigentum in 262 v. Chr. misten de Romeinen de vloot nog niet. De Carthagers moesten
zich na zeven maanden belegering overgeven. Dit veranderde strategie van beide legers: de
Carthagers beseften dat ze de Romeinen moeilijk konden verslaan op land, maar op zee
waren ze onverslaanbaar. Ze vielen daarom de aanvoerschepen van de Romeinen aan.
Daarna probeerden de Romeinen een vloot te bouwen.
Omdat de strijd op Sicilië geen beslissend resultaat had, viel consul Marcus Atilius Regulus in 256 v. Chr. Afrika binnen. De Carthagers werden echter gered door de Spartaanse
huurlingengeneraal Xanthippos en stuurden later generaal Hamilcar Barkas, de vader van
Hannibal, naar Sicilië om de Griekse steden te veroveren.
Deze opsomming van een reeks landcampagnes is echter misleidend: het conflict was
allereerst een zeeoorlog, een maritieme uitputtingsslag. Hoewel Carthago oorspronkelijk de
grootste vloot bezat, kon het zijn overwicht doen gelden doordat de heersende handelselite van die stad eigenlijk niet in de oorlog geïnteresseerd was. Zelfs op het hoogtepunt van de
oorlog werd er tussen Romeinse en Carthaagse kooplieden gewoon handel gedreven! De
oorlogspartij bestond uit de arme onderklasse die door (land)roof haar positie hoopte te
verbeteren. De Romeinse staat echter leefde van de schattingen die onderworpenen
(subiugati) en "bondgenoten" werden opgelegd. In de oorlog vielen de belangen van alle
sociale lagen dus samen. Rome had echter te weinig ervaring op zee en probeerde dat lange tijd te compenseren door de tactiek van de corvus (enterbrug) te gebruiken in plaats van het gebruikelijke (maar veel meer zeemanskunst vergende) rammen. Dit leverde echter geen beslissende successen op en na ruim twintig jaar was de schatkist uitgeput. Hoezeer in Rome staat en individu samenhingen bleek toen hierop particulieren een nieuwe vloot lieten
bouwen, geschoeid op Grieks model, die de Carthagers bij Aegusa een zo zware nederlaag
toebracht dat ze tot een ongunstige vrede bereid waren.
1 Bron: http://www.wikipedia.be

De Tweede Punische oorlog
De Tweede Punische Oorlog (218 v. Chr. - 201 v. Chr.) was de beslissende slag tussen Rome en Carthago.
Het was de tweede van drie grote oorlogen tussen de Fenicische kolonie Carthago en de
Romeinse Republiek, die zich indertijd nog beperkte tot het Italiaanse schiereiland.
Het begon met een conflict over de rivier de Ebro in Spanje. Dit was de scheidingslijn tussen
de Romeinse en de Carthaagse invloedssfeer. Rome verklaarde echter de stad Saguntum, die ten zuiden van de Ebro lag, en dus binnen de Carthaagse invloedssfeer, tot bondgenoot.
Omdat dit een schending van het verdrag was, viel de Carthaagse generaal Hannibal Barkas
de stad binnen, waarop Rome prompt de oorlog verklaarde aan Carthago. In de eerste
Punische Oorlog had Carthago zijn oorlogsvloot verloren en Hannibal bedacht een plan om
Rome over land aan te vallen. Hij besloot om Italië binnen te vallen via de Alpen met een
leger waaronder 42 olifanten. Na een moeilijke tocht over de Col du Mont Cenis waarbij een
groot deel van zijn leger verloren ging arriveerde hij in de Povlakte in Noord-Italië.
Aanvankelijk bracht hij de Romeinen verschrikkelijke nederlagen toe waaronder de Slag bij
Cannae waar 8 legioenen werden vernietigd, ook onder andere in de slag bij het Trasimeense meer. Hannibal was deels zo succesvol omdat veel Romeinse bondgenoten in Italië en in de pas veroverde Gallische gebieden in Noord-Italië, de strenge Romeinse overheersing beu waren en overliepen naar de Carthagers. Ondanks zijn vele overwinningen belegerde hij Rome nooit.
Rome stond toen op de rand van de afgrond. De Romeinen, op advies van de veteraan
Quintus Fabius Maximus Cunctator (zijn bijnaam Cunctator, betekent de Aarzelende), die
door de senaat tot dictator werd gekozen, en zijn belangrijkste generaal Publius Cornelius
Scipio, besloten toen Hannibal niet meer rechtstreeks aan te pakken maar zijn basis in
Spanje. Waar zijn verse troepen en voorraden vandaan kwamen, te veroveren. Dit laatste
werd de taak van Scipio. Na een eerste aarzelend offensief in Spanje kwam de verovering
hiervan op stoom, vooral doordat Scipio de onderlinge onenigheden van de carthaagse
bevelhebbers wist uit te buiten. In Italië begonnen de Romeinen ondertussen een
vertragende guerrillaoorlog tegen Hannibal en vermeden rechtstreekse confrontaties en
legden zware straffen op aan ‘verraderlijke’ steden en bondgenoten. In de loop van 15 jaar
drongen ze Hannibal uiteindelijk in het defensief, vooral toen hij afgesneden raakte van
Spanje en Carthago. Na de uiteindelijke bezetting van Spanje staken de Romeinen over naar
Carthago en omsingelden de stad. De Carthaagse elite besloot om te onderhandelen met de
Romeinen maar Hannibal stak over naar Afrika en haalde ze weer over om de strijd te
hervatten. Hij werd echter verslagen in de Slag bij Zama Regia. Carthago besloot om nu
vredesonderhandelingen te beginnen en liet Hannibal aan zijn lot over. Hannibal was
gedwongen te vluchten naar Syrië. Carthago’s invloed werd beperkt tot de stad zelf en moest zich onder het bewind van de Romeinen schikken.
De Romeinse senator Cato (234 - 149 v. Chr.) vond het gevaar dat van Carthago uitging,
ondanks deze nederlaag, nog steeds zo groot dat hij elke redevoering voor de Romeinse
senaat eindigde met de zin: “En overigens blijf ik van mening dat Carthago vernietigd moet
worden” (Ceterum censeo Carthaginem esse delendam). Deze zin is nog steeds beroemd,
omdat hij bij de opleiding Latijn wordt gebruikt als voorbeeld voor de werkwoordsvorm
gerundivum. Cato kreeg uiteindelijk zijn zin in de derde Punische oorlog, waarbij Carthago
verwoest werd.

De derde Punische oorlog
De Derde Punische oorlog brak uit in 149 v. Chr. en betekende het einde van Carthago. Na
in de Tweede Punische oorlog voor de tweede maal door Rome verslagen te zijn geweest
had Carthago tevens voor de tweede maal ingestemd met een vrede op de voorwaarden van
Rome. Een van die voorwaarden was dat Carthago geen onafhankelijke buitenlandse politiek
meer mocht bedrijven. Dit werd de stad uiteindelijk fataal.
Rome koesterde een bijna ziekelijke angst voor de Carthagers, want in de vorige oorlog met
de koopmansstad was Rome dicht bij de ondergang gekomen, en staatsman Cato riep na elke redevoering op om “Carthago met de grond gelijk te maken” (Ceterum censeo, Carthaginem esse delendam = overigens ben ik van mening dat Carthago verwoest moet worden). In 149 v. Chr. verklaarde Rome uiteindelijk opnieuw de oorlog aan Carthago, ditmaal omdat Carthago een conflict uitvocht met de Berbers. Carthago had hiervoor geen toestemming gevraagd aan Rome, wat wel moest volgens de voorwaarden.
Drie jaar lang werd de stad belegerd door Scipio, de geadopteerde kleinzoon van de man die
Hannibal versloeg. Uiteindelijk, in 146 v. Chr. wist Scipio de stad te veroveren en een einde
te maken aan het ooit zo machtige Carthago. De stad werd volledig in de as gelegd,
tienduizenden inwoners en verdedigers kwamen hierbij om en de overlevenden werden als
slaaf verkocht. De volgende eeuw mocht er niemand meer wonen op de plek van de ruïnes
en pas onder Keizer Augustus werd dit verbod opgeheven. De Romeinen bouwden een
nieuwe stad die ook weer Carthago werd genoemd. Veel Puniërs waren voor de definitieve
val van Carthago naar de omringende dorpen en stadjes gevlucht en veel van hun
nakomelingen vestigden zich in het ‘nieuwe Carthago’.

De middeleeuwen
De middeleeuwen brachten een heel andere manier van leven mee. Door de jaren heen is het oorlog voeren geëvolueerd. Ondermeer door de komst van de kruistochten is het bestaan van de ridder een feit geworden. Ook is de structuur van de dorpen veranderd en zijn de kastelen geëvolueerd. De talrijke uitvindingen resulteerden tot als maar ingewikkeldere tactieken.

Manieren van oorlog voeren
Burchten en kastelen
Vluchtburchten
Tussen 800 - 1000 leefden de mensen op het platteland in kleine boerderijtjes. Soms lagen er boerderijtjes dicht bij elkaar. Dit noemt men dan een nederzetting. De mensen voelden zich er niet zo heel erg veilig, omdat rondtrekkende soldatenbendes en rovers de
boerenbevolking plunderden. Daarom ging men zich beschermen door zogenaamde
vluchtburchten te bouwen. Men zocht een geschikt stuk land uit en groef er een gracht
omheen. Het zand dat uit de gracht kwam werd gebruikt om de oever op te hogen. Zo
ontstond een muur van aarde. Boven op die aarden muur kwam een rij puntige palen te
staan van soms wel 2 meter hoog. Als er gevaar dreigde trokken de mensen uit de buurt
hiernaar toe. Zij namen alles wat men maar kon dragen mee. Ook het vee en voedsel werd
meegenomen. Was het gevaar voorbij, dan ging iedereen weer terug naar zijn eigen boerderij.
Ook de rijke boeren begonnen hun huis te versterken. Op een afstand van hun huis liet men
een gracht graven en het zand werd weer gebruikt om een aarden wal te maken met hierop
weer houten palen. Als er gevaar dreigde gingen de kleine boeren uit de omgeving met hun
gezinnen naar de “ rijke buurman”. Daar waren ze veilig en hielpen mee de burcht te
verdedigen tegen de vijand. Deze rijke boeren gingen zich steeds minder bemoeien met het
boer zijn, maar met het beschermen van de boeren uit de omgeving tegen roversbendes. De
kleine boeren betaalden hiervoor door een gedeelte van hun oogst af te staan of ervoor te
betalen. De rijke boer werd hierdoor steeds rijker en werd soms de heerser van een bepaalde streek. Zo werd hij een vechter ofwel een ridder.

Het mottekasteel
Rond 1000 gingen de eerste ridders hun versterkte huizen bouwen op een heuvel. Deze
kastelen waren nog erg eenvoudig. De heuvel ontstond door de aarde die men uit de gracht
haalde en waarmee men een hoge heuvel maakte. Bovenop de heuvel stond een houten
toren. Een dergelijk heuvel met daarop een donjon of woontoren, waar de kasteelheer naar
toe kon vluchten, noemt men een mottekasteel. Hieromheen werd een aarden wal met palen
gemaakt en een gracht gegraven. Daarbuiten waren de woningen van de bedienden en de
soldaten. Hieromheen lag weer een wal met een gracht. Vanuit de toren kon men zich goed
verdedigen, omdat deze heel erg hoog was. Het was voor de vijand heel moeilijk om een
dergelijk hoge heuvel te bestormen.
Later bleek dat een verdedigingstoren toch niet zo veilig was. Dit kwam, omdat deze van
hout gemaakt was en daardoor niet zo heel erg stevig. Daarom ging men deze van steen
maken. Onderin bevond zich een kelder waar de voorraden werden opgeslagen. Daarboven
was het woonverblijf waar werd gegeten, geslapen, gekookt en gespind. Als de edelman dan
later wat meer geld had, groeide de donjon vaak uit tot een groter kasteel.

De ronde waterburcht (ringmuurburcht)
Vanaf ongeveer 1100 na Chr. werd de houten verdedigingstoren vervangen door een stenen
toren en de palissade door een stenen ringmuur. Hierin werden uitkijktorens gebouwd en
daaromheen weer een gracht met een ophaalbrug. In de uitkijktorens en de muren werden
gaten aangebracht van waaruit men op de vijand kon schieten. Een dergelijk burcht noemen
we een ringmuurburcht.
De heer en zijn familie woonden op de hoofdburcht. De bedienden woonden op de
voorburcht, die door een ophaalbrug met de hoofdburcht was verbonden.
Het nadeel van een mottekasteel was dat je die kon ondermijnen. Als je achter de muren
stond dan kon je niet zien wat de vijand vlak onder de muur aan het doen was. Daarom ging
men in ons land al snel over tot het bouwen van een waterburcht.

De vierkante waterburcht
In het begin waren de torens en muren rond, maar deze waren moeilijk te verdedigen. Door
de ronde vorm konden de verdedigers maar een klein stuk van de muur zien. Na 1250 na
Chr. zien we in ons land de vierkante waterburcht ontstaan met op de hoeken ronde of
vierkante torens. Je kon nu langs de muren kijken en door schietgaten met pijl en boog de
aanvallers verdrijven.
Door de uitvinding van het buskruit en de kanonnen waren de muren niet meer bestand
tegen deze aanvalswapens. De tijd van de verdedigbare woonplaats was voorbij. De kastelen werden daarom verbouwd tot landhuizen. Dit zijn dan de kastelen, zoals wij ze nu nog kennen.

De kruistochten
De tijd voor de kruistochten
De oorspronkelijke verovering van Palestina door islamitische strijdmachten had nauwelijks
een storende werking op de pelgrimage naar de heilige plaatsen van de christenen, zoals
Jeruzalem, Bethlehem en Nazareth. In het jaar 1009 echter liet de fatimidische kalief van
Caïro, Hakem, de H. Grafkerk vernietigen. Zijn opvolger stond het Byzantijnse Keizerrijk
toe om de kerk te herbouwen en pelgrimage werd weer toegestaan.
De oorzaak van de kruistochten was het beslissende verlies van het Byzantijnse leger tegen
de Seltsjoekse Turken in de Slag bij Manzikert in 1071 na Chr. Dit zorgde voor de eerste
bedes om hulp en troepen uit het westen. Het ging dus niet alleen om het heroveren van
Jeruzalem, maar ook om het bijstaan van het Byzantijnse leger tegen de Turken, en
tegenhouden van gebiedsuitbreiding van de islam, en een vermeerdering van de invloed van
het westen in het oosten. De bede om hulp die keizer Alexius naar het westen stuurde was
overigens eerder bedoeld als een verzoek om meer huurlingen en zeker niet om wat er door
de Paus en vele landhongerige edelen van gemaakt werd. De keizer zat dan ook flink met de
kruisvaarders in zijn maag.
Vanuit het westen zelf echter was de belangrijkste reden voor de kruistochten waarschijnlijk
het feit dat de Seltsjoeken, nadat ze Palestina veroverd hadden, christelijke pelgrimages naar Jeruzalem en andere steden moeilijk of zelfs onmogelijk maakten. Dit was in de voorgaande tijd wel mogelijk geweest, hoewel het gebied onder islamitisch bestuur stond.
Het hoofddoel van de kruistochten wad de Bevrijding van Jeruzalem en de islamitche macht
uit Europa te houden. Ook wou men de oosterse kerk herenigen met de Rooms-katholieke
Kerk.
Daarnaast kan er gesteld worden dat de kruistochten een goede uitlaatklep verschaften voor
de interne problematiek van Europa. Voor de kerkelijke macht was het een uitstekende
manier om bepaalde elementen, die anders voor ongewenste agressie zouden zorgen binnen Europa, te verplaatsen en in te zetten voor wat men als een goede zaak beschouwde. Soms gingen de nobele en ridders ook voor puur eigenbelang, om land of geld te krijgen. Er waren namelijk veel ridders die zelf geen land bezaten.

De algemene tactieken en bewapening
Samenstelling van het leger
Bij oorlog in de Middeleeuwen denkt men vaak aan ridders. Deze klasse der ridders is een
sociale en militaire elite, maar slechts zelden vormen alleen ridders een leger. Hoewel
kronieken alleen maar namen van aan de slag deelnemende ridders noemen, nemen niet
alleen ridders aan het gevecht deel. De waarde van voetvolk is bekend en het wordt niet
alleen ingezet voor het graven van grachten en greppels. Grote aantallen (kruis-)
boogschutters en lansiers gaan mee. De goedkoopste manier om dergelijke aantallen op te
roepen is de 'arriere-ban', de plicht van vrije mannen om de dienstplicht voor onbepaalde tijd
te vervullen. Dit zijn geen armzalige boeren met wie de oorlog niet te winnen is, maar
soldaten uitgerust met een standaard bewapening. Allen dragen een ijzeren helm en een lans, met voor de rijke vrije man een maliënkolder en voor de arme man een leren schort of 'gambeson'. In de latere Middeleeuwen worden vooral de militairen van een stad ingezet. In
de stad wordt namelijk het geld verdiend en de steden kunnen hun soldaten met goed
materiaal uitrusten.

De rol van de ridder in de slag
De middeleeuwse strijd wordt vaak beslist door persoonlijke moed en bedrevenheid van de
betrokken ridders. Zij vormen de voornaamste groep van het leger. De beslissing van de slag
ligt in handen van de ridders. Het leger is ondergeschikt aan hen. Als een ridder te voet moet
vechten wordt hij ten zeerste in zijn bewegingen beperkt. Zijn zware wapenrusting
verhindert hem te voet ten aanval te gaan. Voor het gevecht te voet dient het voetvolk
bestaande uit lansiers en (kruis-)boogschutters. Maar zij zijn niet meer het in manoeuvres
getrainde leger van de Romeinen. Zij zijn slechts hulptroepen. Het strijdros wordt zo veel
mogelijk voor de slag gespaard en de ridder heeft meestal enkele paarden bij zich, want het
paard is het meest kwetsbare onderdeel van zijn uitrusting. In latere tijden ontstaat niet voor
niets een harnas voor paarden, zodat de ridder echt de tank van de Middeleeuwen wordt.

De kracht van het leger
In het algemeen worden de cijfers over manschappen en slachtoffers in vroege oorkondes
zwaar overdreven. Tienduizenden deelnemers aan een slag is niet ongewoon. Soms echter
lijken de aantallen redelijk en hebben de geschiedschrijvers toegang tot de officiële cijfers.
Ook uit de late Middeleeuwen zijn administratieve getallen overgebleven. Maar dan kent
men de aantallen van de tegenstanders niet en worden deze ter meerdere glorie van de
overwinnaar zwaar overdreven, bijvoorbeeld vierhonderd ridders die winnen van
tachtigduizend soldaten. Het is dus verstandig de gegeven cijfers kritisch te bekijken. Bekend
is dat het aantal ridders vanwege de kosten beperkt zal zijn, terwijl het voetvolk wordt
ingeperkt door de achterblijvers die het werk op de boerderij moeten doen. De conclusie is
dat een middeleeuws leger bestaat uit honderden manschappen. Zo blijkt dat de grootste
legers voor de kruistochten tot 1125 bestaan uit twaalfhonderd ridders en negenduizend
voetsoldaten. Vaker komen legers van negenhonderd ridders en twee- tot drieduizend
voetsoldaten voor, soms slechts tweehonderd ridders. En dan te bedenken dat dit grote
operaties zijn. Duidelijk is dat zelfs het leger van de grote koningen van Engeland, Frankrijk
en het Roomse Rijk zeer zelden uit meer dan tienduizend mensen bestaat. Voor lokale heren
zoals de graaf van Gelre zal vijfhonderd man al een behoorlijk aantal zijn geweest. In latere
tijden onder de hertog van Gelre zal vijfduizend man beter kloppen

De slachtoffers
De verliezen in een oorlog zijn klein, ten minste onder de ridders. Hiervoor zijn twee
oorzaken aan te voeren. In de eerste plaats behoedt de wapenrusting van de ridder hem voor serieus letsel. Hoewel in oorkondes geregeld hoofden met speels gemak worden doorkliefd, zal dit slechts zeer zelden zijn gebeurd. Arabische bronnen na de Slag van Hattin (1187) melden dat de moslims zeer verbaasd zijn als ze merken dat de gevangen genomen ridders nauwelijks letsel hebben, terwijl hun paarden zwaar gewond zijn en niet verder kunnen vechten. Ordericus Vitalis, een twaalfde-eeuwse kroniekschrijver, meldt dat van de
negenhonderd in de Slag van Bremule betrokken ridders er slechts drie zijn gedood en maar
liefst 140 Franse ridders gevangen zijn genomen. Vitalis merkt terecht op dat dit ligt aan de
maliën die de ridders dragen. In de tweede plaats zijn gevangen genomen ridders gedurende
de gehele Middeleeuwen een fortuin aan losgeld waard. Vitalis zegt hierover dat ‘men meer
genegen is om onder de vluchtelingen gevangenen te maken dan slachtoffers’ en dat men dat doet 'uit angst voor de toorn van God en uit wapenbroederschap’. Deze motieven spelen misschien ook een rol, maar iedere ridder weet dat een levende gevangene vanwege het
losgeld veel meer waard is dan een dode vijand. Onder de minder bewapende voetsoldaten
zullen de klappen harder zijn aangekomen. Er zijn verhalen dat zij aan het eind van een slag
massaal omgebracht worden, maar dit zal niet vaak zijn voorgekomen. Onze Vitalis weet te
melden dat in de Slag van Tinchebrai (1106) bij de eerste aanval van Koninklijke ridders er
225 (zeldzaam precies) rebelse infanteristen het loodje leggen.

De tactiek in de strijd
Er zijn bewijzen dat middeleeuwse aanvoerders wel degelijk intelligente tactieken toepassen
en strategische plannen met gebruik van de omgeving maken. Middeleeuwse legers zijn wel
degelijk in staat om dergelijke plannen en tactieken uit te voeren. Maar niet iedere
aanvoerder en ieder leger beschikt over deze capaciteiten. Nagedacht wordt er uiteraard wel, want een (christelijk) mensenleven mag niet lichtvaardig op het spel gezet worden, hoe
gerechtvaardigd de strijd ook is. Bovendien zijn er nog economische bedenkingen bij het
inzetten van ridders: de uitrusting en training kosten handenvol geld. In een gemengd leger
vormen de nationale eenheden veelal de basis. Een slagorde in een oorlog kan zijn: twee
vleugels en een reserve, drie slagordes bij elkaar. De kwetsbaarheid van de paarden in de
strijd is de aanvoerders van de troepen niet onbekend. Zij gebruiken daarom hun
boogschutters en lansiers vooral om de paarden van de eigen ridders te beschermen en
andermans paarden schade toe te brengen. In het gevecht gaan de boogschutters voor de
ridders uit en brengen ze de vijand zo veel mogelijk schade toe. Wel blijven ze zo dicht
mogelijk bij de lichte ruiterij om snel in de bescherming daarvan te kunnen worden
opgenomen. Voetvolk bewapend met zwaarden en pieken neemt de rol van de voorhoede
op zich als er hindernissen opdoemen die de ruiterij tegen kunnen houden. De ridders
trekken voorwaarts op hun paarden en schenken weinig aandacht aan een rechte aanvalslinie.
Zij rijden langzaam in de richting van de vijand, die eveneens langzaam dichterbij komt. Op
ons zal dit overkomen als een vertraagde film. Uiteindelijk mondt dit uit in een gevecht van
man tegen man. Slechts zelden komt het in de Middeleeuwen tot een veldslag. Het risico op
een gevangennamen is daarvoor te groot. Het is geen wonder dat de oorlog zich tot de
veertiende eeuw beperkt tot de belegering van kastelen. Dit ligt uiteraard ook aan de aard
van het middeleeuwse leger. Opgericht op feodale grondslagen doen de soldaten slechts kort dienst. Zij kunnen niet voltijds soldaat zijn, want er wacht ook werk op de boerderij.
Betaalde krachten, hetzij professionele ridders, hetzij huurlingen, kosten een klein fortuin om
in te huren en te onderhouden. De heren zijn onwillig om hun leger de oorlog in te sturen.
Daarbij komt nog dat bijna geen enkele veldslag beslissend is. Dit komt door de rol van het
kasteel als versterkte plaats. Dit is de sleutel tot het land en dient veroverd te worden.

De bewapening & Bespantsering
In de achtste en negende eeuw draagt men een maliënkolder of byrnie . Deze naam blijft een tijd bestaan voor alle andere op hemden gelijkende beschermende kleding. De kunst van de vervaardiging van maliën, uit kleine metalen ringetjes “geweven” hemden, is nooit verloren gegaan. Uit 773 stamt een beschrijving van koning Karel de Grote die zijn dijen beschermt met ijzeren maliën. De maliën zijn verscheidene eeuwen de belangrijkste bepantsering van de krijgsman. De harnassen van zware en grote metalen platen ontstaan in de twaalfde eeuw, als meer bescherming nodig is tegen wapens met spitse punten, zoals pijlen en hellebaarden.
Door deze voortdurende veranderingen bestaat er eigenlijk geen gelijkvormige bewapening
op enig tijdstip. Verouderde en aan de nieuwe eisen destijds aangepaste soorten bewapening bestaan naast elkaar. Te meer omdat ijzer een dure grondstof is en vaak wordt hergebruikt.
Ook is er een groot verschil tussen de ridder, meestal van goede komaf, en de eenvoudige
(boeren)soldaat.

De helm
Helmen behoren al eeuwenlang tot de uitrusting van de soldaat. Vooral in de Middeleeuwen
met haar vele slagwapens is de helm een onmisbaar attribuut. Tot de elfde eeuw bestaat er
eigenlijk maar één type helm, de spangenhelm . Dan komen er gevarieerde types op de
markt, bijvoorbeeld de spitsconische helm. Er wordt voortdurend op het thema helm
gevarieerd, omdat de aanvalswapens steeds zwaarder uitgevoerd worden. In de veertiende
eeuw verschijnen voor het eerst op de markt. Tot het begin van de vijftiende eeuw is de
helm het enige geheel uit ijzer vervaardigde onderdeel van de wapenrusting. Hierdoor staat
de helmsmid al vroeg in de Middeleeuwen in hoog aanzien. Middels de helm is vaak te
duiden uit welke tijd in de Middeleeuwen een bepaalde afbeelding komt. Bepaalde types
helm volgen elkaar in de tijd op. Toch is het gevaarlijk alleen op het type helm af te gaan.
Helmen zijn een kostbaar bezit en worden in de familie van generatie op generatie
doorgegeven. Zij gaan derhalve lang mee, zodat van een afbeelding uit de Middeleeuwen
hoogstens te zeggen is dat die niet uit een bepaald jaar afkomstig is, omdat dat type helm dan nog niet bestaat.

Het schild
Een der oudste verdedigingswapens van de krijgsman is het . Het wordt steeds aan de
linkerarm gedragen om met de vrije rechterhand het aanvalswapen te kunnen hanteren.
Evenals bij de helm is ook hier een ontwikkeling in vorm en functie te bespeuren. Ook is het
schild van invloed op het ontwerpen en bouwen van verdedigingswerken. De onbeschermde
kant wordt dan het meest blootgesteld. In de dertiende eeuw wordt het schild voor het eerst
beschilderd met het blazoen van de ridder. Deze versiering zal een hoge vlucht nemen en
een aparte wetenschap worden; de heraldiek.

Het zwaard
Tot de oudste wapens van de krijgsman behoort het, dat in de Middeleeuwen een van de
belangrijkste wapens voor de strijd van man tegen man is. De vroegmiddeleeuwse zwaarden
ontwikkelen zich tot geduchte slagzwaarden en stootzwaarden in de late Middeleeuwen.
Deze ontwikkeling wordt mede ingegeven door de steeds betere bescherming middels
maliën en plaatwerk. De vorm van de kling wordt steeds spitser en de pareerstang wordt
volledig ontwikkeld. De knop aan het eind zorgt voor een betere wendbaarheid. De
aanzienlijke sterkte der wapenrusting van de ridder maakt deze vrijwel onkwetsbaar voor de
slagwapens van de voetsoldaten, waardoor deze in het gevecht op de korte afstand sterk in
het nadeel zijn. Om dit nadeel op te heffen worden de boorzwaarden ontwikkeld.

De hellebaard
De strijdbijl, het zwaard en de dolk reiken niet hoog genoeg om een ernstige bedreiging voor
een man te paard te vormen. Al in de dertiende eeuw worden echter stokwapens opgenomen in de algemene bewapening der voetsoldaten, die hierdoor tot geduchte en in vele gevallen zelfs superieure tegenstanders van de ruiters worden. Onder stokwapens worden de op lange houten stokken of schachten gemonteerde wapens verstaan, die voor houwen, steken of beide gebruikt worden. Het bekendste stokwapen is de hellebaard. Het is een in hoofdzaak tot houwen bestemd stokwapen. In de dertiende eeuw wordt gestreefd naar een gecombineerd houw- en stootwapen. Aanvankelijk is de strijdbijl, de scramasax, nog in de hellebaard te herkennen. In de veertiende eeuw wordt een sterke haak aan de rugzijde geplaatst die er onder andere voor dient om ruiters van hun paard te trekken of hun
wapenrustingen te doorboren. Dat de hellebaard een verschrikkelijk wapen is, blijkt wel uit
beschrijvingen die melden dat “ros unde man diu beide” worden doorkliefd. De wonden van
dit wapen moeten inderdaad vreselijk zijn geweest.

De goedendag
Een belangrijk stokwapen is de ‘godendac’. De goedendag wordt al vroeg beschouwd als een woordspeling. Waarschijnlijk moet men het lezen als “goden dac”, of een dolk van goede
kwaliteit; vergelijk de Engelse “dagger”. De goedendag is een dolk van goede kwaliteit met
sterke drie- of vierkante kling, gemonteerd op een houten schacht. Het is dus een eenvoudig
maar doeltreffend stokwapen. Het wordt voornamelijk door boeren gebruikt. Als slagwapen
heeft men nog beschikking over de morgenster. Dit wapen dat vaak wordt verward met de
goedendag bestaat uit een houten schacht met een verdikt en met scherpe ijzeren punten
beslagen uiteinde. Het is een slagwapen en zijn doelmatigheid wordt bepaald door zijn
gewicht en het aantal scherpe punten.

Pijl en boog
Onder de bogen die gedurende het grootste gedeelte van de Middeleeuwen in Europa
worden gebruikt kunnen we twee typen onderscheiden. Het eerste type is de korte boog van
90 tot 100 cm lengte, die zowel door voetsoldaten als ruiters wordt gehanteerd. Het tweede
type, de lange handboog, kan door zijn grote lengte van 160 tot 170 cm uitsluitend door
voetsoldaten worden gebruikt. De lange boog schoot verder dan de korte. Op een afstand
van circa 90 m waren zijn pijlen met stalen punten dodelijk. Er bestaan diverse types van de
kruisboog. De bekendste is de ‘tweevoeter’. Het spannen van de hoornen boog gebeurt met
behulp van de spanhaak (een soort stijgbeugel), die aan een gordel om het middel van de
kruisboogschutter hangt. Men spant de kruisboog hiermee door zowel het bovenlichaam als
de gebogen benen in de stijgbeugel met kracht te strekken. Hoewel hiermee slechts één of
twee schoten per minuut gelost kunnen worden, is het door zijn zwaardere pijlen en de
grotere schotsafstand een doelmatiger wapen dan de handboog. Het vak van
kruisboogschutter is veeleisend en vergt veel vaardigheid, maar daar staat tegenover dat de
soldij navenant is. Zij verdient in de twaalfde eeuw ongeveer tweederde van wat een ridder
verdient. Bovendien wordt zijn kruisboog door de werkgever gerepareerd en worden pijlen
gratis verschaft.

De stormram
Voor het maken van een bres in de muur dienen stormrammen. De aanvallers rollen daartoe
een machine, beschermd door een stevig dak, tot aan de muur, waarna zij in het inwendige
een enorme balk met behulp van een windas naar achteren brengen, om hem vervolgens met een geweldige zwaai tegen de muur te laten slaan. Wanneer deze balk steeds weer slaat, maakt het ieder metselwerk los. Vaak is de kop van de balk verstevigd met ijzerwerk. Deze machine is een geducht gevaar, waartegen vrijwel niets uit te richten is.

De kat
Evenmin niet te onderschatten is het ondergraven van de muren. Ter bescherming van de
gravers worden katten gebruikt. Dit bestaan uit lichte, lage en langwerpige constructies, die
aan alle kanten meestal uit hout of gevlochten twijgen bestaan. De enige verdediging
hiertegen is ze in brand te schieten.

De evenhoge
Vervaarlijk ziet de evenhoge er uit. Deze belegeringstoren is even hoog als de muur van de
vesting. Meestal bestaat een dergelijke toren uit drie of meer verdiepingen; hij wordt door
timmerlieden uit de legertros ter plaatse uit hout vervaardigd. Dit gevaarte wordt tegen de
vijandelijke vest gerold, waarna de belegeraars op de muur springen. Om het in brand
schieten van een evenhoge te voorkomen wordt deze dikwijls aan de buitenkant nog bekleed
met huiden, die nat gehouden worden.

Werpmachines
In de Middeleeuwen hebben bij een belegeringsoorlog vooral de werpmachines (blijde en
trebuchet) een zeer belangrijke rol vervuld. Deze machines zijn als voorlopers van het
geschut te beschouwen. Om buiten het bereik van de pijlen van de verdedigers te blijven, die
vanaf hun muren toch ongeveer 250 meter halen, moet de werpafstand beduidend groter
zijn. Bedenk dat als projectielen zowel zware als kleine stenen (hagel), brandende vuurtonnen en bijenkorven, maar ook kadavers van dieren, inhoud van latrines en andere ziekte verspreidende voorwerpen in de belegerde vesting geworpen worden. Dit geeft een duidelijk inzicht in de doeltreffendheid van deze werpmachines. Ook plaatsen de verdedigers op de muren en torens werpmachines, maar deze kunnen door de beschikbare ruimte meestal slechts gering in aantal en beperkt van afmetingen zijn.

De blijde
De bekendste werpmachine die ook in De Graafschap wordt gebruikt is de blijde. De blijde
behoord tot het hevelgeschut. De werpkracht wordt verkregen door een soort wip. Aan een
uiteinde bevond zich een zwaar gewicht en aan de andere zijde de zogenaamde schoen. Dit
werpgeschut werpt het meest nauwkeurig, omdat het gewicht steeds gelijkmatig werkt. Met
deze machine kan de schutter, zoals een middeleeuwse bron ons meldt, een naald raken. Er
zijn nog drie soorten hevelgeschut, maar deze worden voornamelijk bij grote belegeringen,
door de hoogste heren, gebruikt en kwamen in Gelre bij hoge uitzondering voor.

De donderbus
Het buskruit, aanvankelijk donrecruyt (donderkruit) genoemd, wordt halverwege de
dertiende eeuw ontdekt en in Europa vanaf het begin van de veertiende eeuw als
aandrijfmiddel gebruikt voor het verschieten van projectielen vanuit een vuurwapen. De
Chinezen gebruiken het kruit al om kleiballen uit een aan een kant gesloten bamboebuis weg
te schieten. Arabieren verbeteren het systeem door meer kruit te nemen en een buis van ijzer te maken. In de eerste helft van de veertiende eeuw zou de vervaardiging en het gebruik van vuurwapens zich langzaam door Europa verspreiden. In 1346 verschijnen de eerste donderbussen, ook wel pothonden genoemd, in Nederland. De eerste geschutsoorten zijn meestal zeer gering van afmeting en hebben de vorm van een vaas of pot. Bij het afvuren worden ze in het zand gesteund en zo geplaatst, dat ze in een hoek van 45° staan. Het zijn voorladers, dus eerst gaat het kruit erin. Daarna slaat men een houten prop in de vernauwing en daarvoor komt het projectiel te liggen. Het kruit wordt ontstoken door een brandende lont of gloeiend stuk ijzer bij het zundgat te houden. Dus zowel het projectiel als de houten prop wordt weggeschoten.

De haakbus
Uit dit eerste geschut worden de eerste handwapens, de hand- en haakbussen, ontwikkeld,
waarna tevens de naam donrecruyt wordt vervangen door buskruit. Door de primitieve
bewerking en de onzuiverheid van de bestanddelen is het buskruit in de veertiende eeuw
echter nog zeer onstabiel, zodat zijn kracht en daarmee de baan van het projectiel niet exact
is te bepalen. Toch moet de uitwerking van de heftige explosie, de felle lichtflits en de sterke
rookontwikkeling op de bijgelovige middeleeuwer niet worden onderschat. De paniek die
ontstaat bij het aanschouwen van het vijandelijke leger voor de eigen vertrouwde poorten is
de donderbus de nieuwigheid, die alle vertrouwen in een goede afloop van de oorlog doet
verdwijnen.

De Guldensporenslag
Oorzaak
Het Franse leger, onder leiding van Robert van Artois, trok zich eind juni 1302 na Chr.
samen rond Atrecht om op te rukken naar Vlaanderen en daar de Goede vrijdag van Brugge
te wreken. Het Vlaamse leger had zich geconcentreerd rond Kortrijk om daar het
Koninklijke kasteel te belegeren. Kortrijk was de poort naar Vlaanderen voor Frankrijk, dus
was het van het hoogste belang deze stad volledig in handen te hebben. Dit werd ook zo
begrepen door het Franse leger dat vervolgens oprukte naar deze stad.

De veldslag
Het Franse leger komt op 8 juli aan bij Kortrijk. Ze slaan hun kamp op en proberen tijdens
de twee volgende dagen de stad zelf aan te vallen. Deze pogingen halen echter niets uit en
een veldslag dringt zich op. Het Vlaamse kamp staat oostelijk van de stad opgesteld en ook
de Franse bezetters van het kasteel duiden deze vlakte aan als meest aangewezen voor de
slag.
In het Franse kamp wordt krijgsraad gehouden. Sommige baanderheren hebben twijfels bij
een klassieke rechtstreekse aanval. Ze prefereren te wachten om de Vlamingen uit te putten
en uit te dagen zelf aan te vallen. Het terrein is immers niet gunstig voor een charge te paard.
De meerderheid der Franse heren wil echter hun eer hoog houden en de aanval wagen, om
dit legertje van boeren en handwerklieden een lesje te leren.
In de vroege ochtend van 11 juli 1302 begint het Franse leger haar aanvalsstelling in te
nemen. Van de tien bataelgen (oud Nederlands woord voor een batalion) worden drie grote
corpsen gevormd. Telkens twee corpsen van vier bataelgen zullen de aanvalsgolven vormen, het derde corps van de overige twee bataelgen vormt de reserve.
Ook in het Vlaamse kamp treft men de voorbereidingen tot de slag. Drie grote groepen
stellen zich op in gevechtsformatie op een afstand van de twee beken die het Vlaamse front
scheiden van de Franse aanvallers. Dit zijn respectievelijk de Bruggelingen, de West-
Vlamingen en de Oost-Vlamingen. De reserve bestaat uit de Ieperlingen die in de eerste
plaats het kasteel bewaken, en tenslotte de mannen van Renesse.
2 Bron: http://wadda.zattevrienden.be/node/1877

Legende
Vlaanderen Frankrijk
B: Brugge Bu: Burlats L: Lorreinen
W: West-Vlaanderen en Brugse Vrije Br: Brabant A: Artois
O: Oost-Vlaanderen N: Nesle S: Saint-Pol
Y: Ieper NT: Nesle en Trie Eu: Normandie
R: Reserve (Renesse) C: Clermont
P: Saint-Pol en
Boulogne
Puntenlijnen: Kruisboogschutters en ander voetvolk
Van ‘s morgens vroeg beginnen de legers aan hun opstelling. De manschappen gaan biechten
en de aanvoerders houden toespraken met instructies. Aan de Vlamingen wordt verboden
buit te rapen tijdens de slag, of zelfs van gevangenen te maken. Dit laatste is zeer
ongebruikelijk in middeleeuwse oorlogvoering. Het betekent dat de strijd zonder genade en
dus bijzonder bloedig zal verlopen. De Vlamingen vochten trouwens voor het behoud van
hun vrijheid, en vooral voor hun lijf en leden. Ze hadden zelf ook geen genade te
verwachten van de Fransen indien deze zouden overwinnen.
Tenslotte worden in het Vlaamse leger nog een veertigtal mensen tot ridder geslagen,
waaronder Pieter de Coninck en twee van zijn zonen. De legers zijn klaar, de mannen staan
op scherp, enz. Net voor het middaguur begint de strijd.

De wapens en tactieken

Leger en militie
In geval van oorlog was het de verantwoordelijkheid van de graaf om een leger samen te
stellen. Beroepslegers bestonden niet en de graaf moest dus beroep doen op zijn vazallen om een leger te vormen. In 1297 telde het feodale leger van de graaf een duizendtal ridders en ongeveer tweeduizend man voetvolk. Maar zij werden verslagen in de slag van Bulskamp bij Deurne op 20 augustus 1297. Daarna koos de meerderheid der Vlaamse ridders de Franse kant. Vanaf 1300, bij de volledige bezetting van Vlaanderen door de Fransen, was er van een feodaal Vlaams leger geen sprake meer, de graaf zat immers gevangen in Frankrijk.
De stedelijke milities echter bleven wel bestaan. Zij konden opgeroepen worden voor dienst
in het feodale leger, maar in 1297 had de graaf geen goede verstandhouding met de steden.
Daarom stuurden zij hem slechts het absolute minimum aan troepen. Bij de bezetting in
1300 werd de getalsterkte van de milities door het nieuwe Franse bestuur beperkt. Maar de
meeste poorters en ambachtslieden bezaten een eigen wapenuitrusting, zodat in de praktijk
een stad nog steeds het grootste deel van haar weerbare mannen kon oproepen. En dat bleek ook in 1302!

Het apentuig
Het arsenaal van de middeleeuwse strijder was uitgebreid en beperkt tegelijk. De persoonlijke wapens van de strijders waren blanke wapens in de meest diverse vormen. In 1302 waren er nog geen vuurwapens (die verschenen pas zo een 30 jaar later op het toneel). Maar er was wel al artillerie zoals blijden, springalen en katapulten.
Van ridders is geweten dat ze een groot deel van hun tijd besteedden aan wapentraining. Ze
waren immers professionele strijders die steeds bereid moesten zijn tot het voeren van
oorlog.
De milities en voetsoldaten echter waren helemaal niet zo goed tot vechten voorbereid. Het
is bekend dat er regelmatig driloefeningen werden gehouden door de stadsmilities, maar dat
stelde nauwelijks iets voor in vergelijking met de doorgedreven training van de ridders. Het
meest verspreide wapen binnen de milities in Vlaanderen was de goedendag.
Tegen het einde van de 13de eeuw kwam het fenomeen van de huursoldaten op. Dit waren
meest voetsoldaten die door een heer ingehuurd konden worden om strijd te leveren. Ook
zij waren beter voorbereid tot de strijd. Het gros van het Franse voetvolk in Kortrijk in 1302
bestaat uit huursoldaten. Hun meest gebruikte wapen was de piek.

Het ridderschap in crisis
De edelen gebruiken zeer dure, zware strijdrossen. Willem van Gulik berijdt tijdens de
periode van de Guldensporenslag een dier dat ongeveer 180 Vlaamse Ponden kost. Een
gewoon paard betaal je in die dagen tussen 6 en 15 Pond. Het wordt steeds moeilijker voor
de ridders om dure paarden aan te kopen en te onderhouden. Daarbij moet een ridder een
volledige wapenuitrusting bekostigen. Die een waar fortuin kan kosten. 1.000 Ponden is geen uitzondering. Veel edelen leven bijzonder ruim en kunnen hun krijgsverrichtingen niet meer bekostigen. De legers bestaan uit steeds grotere proporties edelknapen die verkiezen de zware financiële lasten van het ridderschap niet te dragen.

Een efficiënt wapen
De ridders vormen een uiterst efficiënt wapen. Hun doorgedreven opleiding en de
bijzondere mentaliteit die aan het ridderschap verbonden is, geeft hen meer dan goede
kansen op het slagveld. Ridders worden van jongs af aan vertrouwd gemaakt met paarden en wapens. Bij de ridderslag hebben ze een jarenlange opleiding achter de rug. Bovendien zijn de edelen ervan overtuigd dat ze boven de gewone burger staan en dit zorgt ervoor dat ze zonder schroom op het “gemene” voetvolk van de vijand instormen. Ook is eer een zeer
belangrijke deugd die stevig in het ridderlijke waardepatroon ingebakken zit. Een ridder kan
en mag geen lafaard zijn en zal vaak tegen beter weten in een agressieve tactiek hanteren. Tot slot zijn de Vlaamse, Franse en Brabantse ridders goed getrainde krijgslieden die rond 1300 al flink wat oorlogsjaren achter de rug hebben. Dit maakt hen tot geharde krijgers.

Tactiek op het slagveld
Gepantserde ruiters strijden in dichte formaties. De paarden raken elkaar bij het
manoeuvreren over het slagveld en dit smalle front geeft de ruiterij een bijzonder grote
stootkracht. De ridders zijn georganiseerd in eenheden van een twintigtal ruiters. Een
baanderheer voert de groep aan. De typische formatie van een dergelijk eenheid is een
vierkant van 6 tot 8 ruiters breed en 2 tot 3 rijen dik. Drie tot vier eenheden vormen een
“schaar” of “bataelgen”. De bataelgen is de standaard tactische formatie en opereert als een
blok van ongeveer 60 tot 80 ridders sterk. Op deze aantallen staan echter geen vaste regels.

De goedendag
De goedendag is in werkelijkheid niets anders dan een stevige, anderhalve meter lange staf
die lichtjes dikker is aan het boveneinde, waar een ijzeren pin op staat die verankerd zit met
behulp van een ijzeren ring. Het wapen wordt afgebeeld op de Kist van Oxford en is ook te
zien op de reproducties van de tegenwoordig verdwenen Leugemeete fresco’s uit Gent. Er
zijn ook een paar archeologische vondsten van het wapen die ons ook een inzicht geven in
de constructie. In deze foto’s is uiteraard het hout al eeuwen vergaan, behalve voor een klein
deel in de onderste.
De goedendag is een eenvoudig en daardoor ook goedkoop wapen. Tijdens de late 13de en
vroege 14de eeuw werd veel gebruikt in Vlaanderen en bewees hij ook een zeer effectief
wapen te zijn. Met de goedendag wordt in de eerste plaats geslagen, als een knots. Daarna
kan men er ook nog eens mee steken. Men had dus in feite een dubbelwerkend wapen.
Meest waarschijnlijke reconstructietekening van een goedendag. Totale lengte ongeveer 1
meter 50.

Het ridderzwaard
Het zwaard van een ridder rond 1302 was tamelijk kort, net geen meter lang. De kling had
een dubbele snede en was breder aan het gevest dan aan de punt. Over drievierde lengte van
de kling liep er een geul, die vooral de stijfheid van het zwaard diende. De pareerstang was
recht ofwel lichtjes gebogen naar de kling toe. Het gevest liet toe het zwaard te hanteren met
een enkele hand. Boven op het gevest zat de zwaardknop, die rond 1302 meestal rond was.
Die knop was tamelijk zwaar en had een dubbele functie: als tegengewicht dienen voor het
gewicht van de kling, en als knots gebruikt te worden als er geen plaats of tijd was om met de kling uit te halen in een gevecht.
Een typisch zwaard voor de periode rond 1302.
Voor de ridder was het zwaard eigenlijk niet het belangrijkste wapen in de strijd. Hij viel
steeds eerst aan met zijn lans. Slechts indien de lans verloren geraakt tijdens het gevecht of
niet meer bruikbaar is zal de ridder zijn zwaard trekken.

De badelaar
Met het gewone zwaard kunnen zowel slagen gegeven worden als gestoken worden. Met de
Badelaar echter kon enkel geslagen worden. Dit wapen was specifiek ontworpen om met
veel kracht door wapenuitrustingen te kunnen klieven. De kling liep breed uit naar de punt
en er was maar een enkel snijvlak. Het was goedkoper te maken dan een gewoon zwaard en
daardoor ook tamelijk verspreid binnen stadsmilities.
De lans
Het belangrijkste wapen van de ridder te paard is de lans. Tijdens de late 13de eeuw werd de aanval van ridderscharen uitgevoerd met de lans onder de arm, punt naar voren gericht.
Deze lans was tamelijk lang, drie meter tot vier meter, met een eerder kleine punt. De punt
was zo klein en spits omdat ze moest toelaten maliën en platenvesten te doorboren. De
belangrijkste functie van een lans is dus te steken, gezeten op een paard. De schacht was
meestal gemaakt van essenhout en had overal dezelfde dikte.
Aan de lans kon de ridder een vaantje (pennoen) vastmaken met zijn kleuren. Voor een
eenvoudige ridder was dit driehoekig. Een baanderheer, die ongeveer twintig ridders
aanvoerde, had een rechthoekige banier.

De speer
Een lans is niet geschikt om mee te werpen, hij is te zwaar en te lang. Daarvoor gebruikte
men een speer. Met een lengte van ongeveer twee meter en een dunnere schacht kon men
met dit wapen ook werpen. Maar deze manier van oorlogvoering werd nog maar zelden
gebruikt in de late 13de eeuw.

De piek
Een geliefd wapen voor voetsoldaten was de piek. Hij was iets kleiner dan de lans (tussen de
twee en drie meter) maar had een iets dikkere schacht. De punt was wel ongeveer dezelfde.
Het wapen werd gebruikt op twee manieren. In de aanval dient ze om de vijand op een
“veilige” afstand te kunnen raken. In de verdediging kan de piek in de grond geplant worden
om een charge met paarden op te vangen. Dit gebeurde ook tijdens de Guldensporenslag.
De combinatie van de piek met de goedendag bewees een zeer effectieve verdediging op te
leveren. In Kortrijk stonden de Vlamingen zodanig opgesteld dat er afwisselend een man
met een piek naast een man met een goedendag stond. De mannen met de piek vingen de
schok van de riddercharge op en de mannen met de goedendag maakten het werk af.

De kruisboog
Sinds de 11de eeuw ongeveer werd de kruisboog in Europa ingevoerd. Die eerste kruisbogen waren eigenlijk niet veel meer dan een houten handboog gemonteerd op een houten lat, om toe te laten de boog langer gespannen te houden. In drie eeuwen tijd tot aan 1300 evolueerde de kruisboog tot een handzaam apparaat met een korte boog, gemaakt van
composietmateriaal, gemonteerd op een soort houten kolf met een trekkermechanisme.
Het composietmateriaal van de boog bestond uit lagen hout, hoorn en dierlijke pezen. Dit
gaf de boog een grote stijfheid waardoor hij meer kracht kon ontwikkelen dan de houten
handboog. De boogpees was gemaakt van ineengevlochten vlas- of henneptouw.
Een kruisboog verschiet geen gewone pijlen. Het zijn namelijk korte, dikkere pijlen met een
kleine, scherpe stalen tip. Deze waren veel aerodynamische dan een gewone pijl en dit droeg zeker bij tot de grote effectiviteit van het wapen.
Rond 1300 werd de kruisboog gespannen door een voet in de stijgbeugel vooraan de boog te plaatsen en een haak die aan de riem van de schutter vastzat aan de boogpees te haken. Door zich nu te strekken zal de haak de boogpees mee omhoog trekken en kan de schutter het trekkermechanisme op scherp zetten. De ingewikkelde lieren en ander opspanmechanismen, die vaak getoond worden in verband met kruisbogen, dateren van veel later. De kruisboogschutters van de stadsmilities werden in de strijd bijgestaan door garsoenen, knechten die grote schilden meedroegen waarachter men kon schuilen tijdens het laden van de kruisbogen. Deze schilden zijn de zogenaamde targen of paveses.
Veel middeleeuwse veldslagen werden begonnen door de kruisboogschutters naar voren te
sturen en te proberen met hun pijlen de vijandelijke rangen te verzwakken. Dit gebeurde ook
zo te Kortrijk. Anderzijds bewees het wapen ook zijn nut bij belegeringen.

Resultaat van de Guldensporenslag
De op 11 juli 1302 geleverde slag op de Groeningekouter bij Kortrijk, tussen het Franse
ridderleger en de rebellerende Vlamingen, is het militaire hoogtepunt in de Vlaamse strijd
tegen de pogingen van de Franse koningen om Vlaanderen bij hun kroondomein te
annexeren. Dit laatste lukte Filips IV (1285-1314) die in 1300 Jacques de Châtillon aanstelde
als landvoogd. Graaf Gwijde van Dampierre (1278-1305) gaf zichzelf en zijn twee zonen
Gwijde (van Namen) en Jan in gevangenschap aan de Franse koning. De torenhoge schulden die het graafschap had bij de Franse koning, en de tweedeling binnen de bevolking in Fransgezinde leliaards en anti-Franse klauwaards, zorgden voor onrust, zeker bij de
ambachtslieden in de steden. Maar niet iedereen was ontevreden. Patriciërs sponnen garen
bij de bestaande situatie, en de stad Gent gaf in 1302 geen gehoor aan de opstand. Het is een misvatting om te denken dat de opstand een door het hele graafschap gedragen uiting van nationaal, Vlaamse gevoel was.
De opstand begon op 18 mei 1302, toen in Brugge een aantal door de Fransen verbannen
stedelingen terugkeerden en het aldaar verblijvende Frans-Vlaamse leger overvielen met de
strijdkreet ‘schild Ende vriend’. Franse ridders konden dit niet correct uitspreken, en zo was
duidelijk wie de vijanden waren. Deze gebeurtenis staat tegenwoordig bekend als de ‘Brugse
Metten’. Vijftien dagen later trokken de opstandelingen onder leiding van Willem van Gulik,
kleinzoon van graaf Gwijde, en Pieter de Coninc, een welsprekende wever, langs de Vlaamse
kust. Gwijde van Namen besloot met een leger naar Brugge op te trekken om Vlaanderen te
bevrijden. Op 23 juni bereikte hij Kortrijk, drie dagen later voegde het leger van Willem van
Gulik zich bij dat van Gwijde. De Franse koning had inmiddels een strafexpeditie naar
Vlaanderen gezonden onder leiding van de graaf Robrecht II van Artesië, die werd gezien als
de beste Franse ridder van zijn tijd. Voorzichtig kan gesteld worden dat beide legers rond de
10.000 man telden. Maar het Franse leger bestond hoofdzakelijk uit zwaar gepantserde
ridders met hun gevolg, terwijl aan Vlaamse zijde voornamelijk ambachtslieden te voet de
gelederen vulden. Op 9 en 10 juli trachtten de Fransen vergeefs de stad te bestormen;
uiteindelijk kwam het op 11 juli tot een treffen op open terrein. Tot de Guldensporenslag
gold de vuistregel dat een bereden man het kon opnemen tegen tien infanteristen; het zag er
dus naar uit dat de Franse ridders in het voordeel waren. De tactisch juist gekozen posities
van het Vlaamse leger, tussen beekjes en op drassige grond die de Franse strijdrossen het
springen bemoeilijkte, en de stevige wapens van de Vlamingen verzorgden hun uiteindelijk
de overwinning. In het bijzonder Jan van Renesse (? 1304), leider van de Vlaams gezinde
anti-Hollandse partij in Zeeland, wist de Franse aanvallen af te slaan. Robrecht II sneuvelde
door de goedendags van de Vlamingen en het Franse leger sloeg op de vlucht. De
opstandelingen achtervolgden hen om hen te doden, niet wetende dat het gewoonte was een ridder gevangen te nemen en losgeld voor hem te vragen.
De Guldensporenslag had niet alleen op politiek terrein gevolgen. Naast het kortstondig
afwenden van het Franse gevaar was er sprake van een nieuw tijdperk op militair gebied: de
infanterist, met hellebaard en goedendag, had zijn kracht bewezen.
In de 19e eeuw werd de herinnering aan de Guldensporenslag een jaarlijkse aanleiding voor
een feestelijke viering van de Vlaamse identiteit. In 1973 werd 11 juli tot feestdag voor de
Nederlandstalige gemeenschap in België verklaard.

De Franse revolutie
de oorzaken voor de Franse revolutie
Allereerst was er een indeling van de maatschappij die niet meer voldeed aan de bevolking.
Alle mensen in Frankrijk werden verdeeld in drie zogenaamde standen. Je geboorte bepaalde in welke stand je thuishoorde. Als zoon van een boer ‘hoorde’ je in de Derde Stand thuis. Als dochter van een graaf was je lid van de Tweede Stand. In de Eerste Stand kon je
terechtkomen als je lid van de geestelijkheid wilde worden. Deze drie standen, geestelijkheid, adel en boeren, bestonden sinds de Middeleeuwen. Rond het jaar 1000 was het systeem ‘af’.
De geestelijkheid zorgde voor de godsdienst, de adel voor de verdediging van het land en de
boeren zorgden voor het voedsel.
Sinds het jaar 1000 was er wel het een en ander veranderd. Er waren steden ontstaan. De
burgers in de steden behoorden ook bij de Derde Stand. Ook de kooplieden, bankiers,
fabrikanten, juristen en dokters hoorden daarbij. Hoe rijk ze ook werden...
In de zeventiende en achttiende eeuw gebeurde het in Frankrijk regelmatig dat een rijke
koopman voor zichzelf een adellijke titel kocht. Op dezelfde manier kon men ook
bijvoorbeeld een rang in het leger kopen. Dan werd men luitenant, niet omdat men iets goed
kon, maar alleen omdat men rijk was.
Ook in de andere standen was er ongelijkheid ontstaan. Er was een duidelijk verschil tussen
de hogere en lagere geestelijkheid. De bisschoppen in de steden kwamen veelal uit de
adellijke families en waren rijk. De pastoors in de boerendorpen echter kwamen voort uit de
Derde Stand en waren arm. Bij de adel kon men verschil zien tussen de hoge adel, die bij de
koning aan het hof leefde, de landadel in de provincies en de burgerlijke ambtsadel (degenen die een titel hadden gekocht).Duidelijk was in ieder geval dat de Derde Stand verreweg het grootst was. Zij vormde 89 procent van de bevolking, terwijl ze maar 30 procent van het land in handen had. Zij moest ook alle belastingen betalen. Geestelijkheid en adel waren daarvan vrijgesteld. De grond waarop de boeren werkten was vaak in handen van een
edelman of van een rijke koopman uit de stad.
In 1788 was er een slechte oogst. Dat had tot gevolg dat de graanprijzen hoog waren. De
gewone mensen moesten dus veel betalen om aan eten te komen. Daarbij kwam dat men
toch pacht (= de huur van het land) moest betalen aan de landeigenaar. Men moest
grondbelasting betalen. Ook andere belastingen, vaak per streek verschillend, moesten
betaald worden. Rond 70 procent van het boereninkomen ging op aan belastingen. De
prijzen stegen en het inkomen bleef gelijk. De gevolgen waren dat de mensen armer werden
en dat er honger werd geleden. Daarbij kwam ook nog dat er grote stukken land niet
gebruikt werden, omdat bijvoorbeeld de adel het voor de jacht gebruikte.
In de steden waren de mensen ook ontevreden. In de allereerste plaats waren er fabrikanten
die van de (te) strenge Koninklijke voorschriften afwilden. Zij wilden geen regels voor
werktijden en geen verbod om bepaalde machines te gebruiken.

De meer ontwikkelde mensen wilden meer zeggenschap, meer democratie. Onder invloed
van de ideeën van de verlichting wilde men vrijheid van godsdienst en gelijkheid van
rechtspraak voor iedereen. Alle mensen waren gelijk. Dat betekende dat dezelfde regels en
wetten voor iedereen moesten komen. Belasting betalen moest ook betekenen dat men mee
kon beslissen in staatszaken.
De staatsschuld was enorm. De Franse koningen hadden veel te veel geld uitgegeven aan
hun hofhouding en aan het leger. Zij hadden al heel veel geld geleend en de grootste post op
de begroting was dan ook het afbetalen van de leningen. Bezuinigen kon niet, meer lenen
ook niet en de belastingen verhogen kon niet meer. Er was in 1788 sprake van een
staatsbankroet.

Manieren van oorlogvoeren

Het leger
Voor het bekijken van de oorlogvoering na de middeleeuwen zullen we als voorbeeld de
tactiek van een van de beste strategen bekijken: Napoleon Bonaparte.

De infanterie
De infanterie bestond uit twee groepen: de lijninfanterie en de lichte infanterie. De
lijninfanterie is de zware infanterie, die vooraan in elk slagveld zit. Hij moeten het langst
tegen de vijand uit houden en zijn dan ook de ruggengraat van het leger. Door zijn
zwaardere gewicht is hij het minst mobiel van de infanterie en verandert daarom ook het
minst van positie op een slagveld. De lichte infanterie is het meest veelzijdige van alle tropen.
Zij vechten aan het front, snel van positie wisselen, gebieden verkennen en vestigingen
bouwen. Door hun lichtere gewicht werd hij vooral gebruikt om de vijand van aan een
zwakke kant aan te vallen of als hulptroepen te functioneren. De lichte infanterietroepen
droegen meestal veel kleurrijkere uniforms. Als wapen hadden deze troepen alleen een
geweer.

De artillerie
De artillerie die gebruikt werd, waren grote zware kannonen, geplaatst op wagens en
voortgetrokken door minstens 2 paarden. Deze werden vooral gebruikt om de vijand van
een grote afstand te bestoken en was het meest effectief tegen een leger dat dicht bij elkaar
stond. De artillerie had een bereik van 700 tot 2600 meter, en de gebruikte kogels hadden
een gewicht van 2 tot 16 kilogram.

De cavalerie
De cavalerie bestond uit drie delen: de lichte, middelzware en zware cavalerie Het verschil
tussen hen was hoeveel bescherming de soldaten hadden en dus hoe sterk de paarden
moesten zijn. Ze droegen allemaal zwaarden de lichte cavalerie had lichte, gekromde
zwaarden terwijl de zwaardere een rechte, groot zwaard droegen. Ook hadden ze een pistool, maar dat was niet zo praktisch aangezien het boven de 30 meter geen effect had. De zware cavalerie bestond dus uit grote mannen met grote sterke paarden, zodat ze weinig snelheid en uithoudingsvermogen hadden. Ze werden gevolgd werden door de lichte cavalerie De bedoeling was dan dat de zware cavalerie de vijand versloeg zodat dan de lichte cavalerie de vluchtende troepen kon afmaken. De lichte cavalerie was er om voor het leger te zorgen, voortdurend in beweging om er onder andere voor te zorgen dat de vijand niet met een verrassingsaanval in de flanken zou aanvallen. In landen met een dichte begroeiing werden ze ondersteund door lichte infanterie en op de meer open vlaktes hielden ze de vijand op afstand. Deze troepen waren ervoor gemaakt te verkennen, te patrouilleren en te achtervolgen. Ze moesten het dus vooral hebben van hun snelheid en behendigheid en
daarom waren hun rijders ook het meest bekwaam in paardrijden. De middelzware cavalerie
werd vooral gebruikt voor schokaanvallen. Ze moesten snel tussen de vijand komen, chaos
zaaien, en weer snel wegkomen. De lichte cavalerie deed dit ook soms, maar door hun
lichtere bepantsering waren ze hiervoor minder geschikt. Ook hielpen deze troepen samen
met de lichte cavalerie om dekking te geven tijdens het terugtrekken. Soms was het moeilijk
in een gevecht om te zien welke cavalerie winnend was omdat er heel veel stof de lucht in
kwam. Voordeel hiervan was wel dat je de vijand van een grote afstand kon zien aankomen.

De tactiek
Voor Napoleon waren de legers, grote langzaam bewegende massa’s. Het verplaatsen van
een leger over een land kon soms maanden duren Dit kwam omdat het goederentransport
zeer inefficiënt was. De wegen waarop ze vervoerd werden waren ook van slechte kwaliteit
en na verloop van tijd zouden deze veranderen in modderige paden door het gewicht. Dit
werd dus veranderd door de troepen over een groter gebied te verspreiden, zo konden ze
van het land leven en hoefden de vervoerders van de goederen alleen maar militaire spullen
te leveren. Hierdoor ging de kwaliteit van de wegen omhoog en konden de troepen sneller
over het land bewegen.
Het enige nadeel hiervan was dat de troepen zo verdeeld waren dat ze makkelijk door de
vijand zouden worden verslagen. Daarom werden de troepen in groepen verdeeld, met elk
genoeg artillerie, cavalerie en infanterie om hun militaire taak te kunnen voldoen. De grootte
van zo een groep werd bepaald door de ‘één dag regel’. Dit hield in dat zo’n groep het één
dag moest uithouden tegen de vijand in zijn eentje. Na een dag werd er dan vanuit gegaan
dat andere groepen te hulp zouden schieten.
Een van de beste oorlogstactieken in die tijd is het ‘gevecht voor de midden positie’. Het
kwam erop neer dat het ene leger tussen het leger van de vijand kwam en zo de troepen van
de vijand verdeelde. Op deze manier kon de vijand niet samen tot één gezamenlijk en dus
gevaarlijk, front komen. Hierna ging het merendeel van het leger een kant van de vijand
aanvallen terwijl de rest met zo min mogelijk moeite de rest van het vijandelijke leger bezig
hield. Werd eenmaal zo’n kant verslagen, dan gingen ze verder op de volgende kant. Dit is
mede mogelijk doordat het leger van Napoleon zeer goed georganiseerd was en zeer snel
kon manoeuvreren.

De tweede generatie oorlogvoering
De 2de generatie oorlogvoeren is een relatief kort tijdperk waar de kracht van een leger niet
meer bepaald werd door het aantal manschappen maar door de vuurkracht waarover deze
manschappen bezaten. Deze generatie strekt zich vanaf 1870 tot het einde van de eerste
wereldoorlog met als meest significante voorbeeld de 1ste wereldoorlog, beter bekend zal
staan als the Great War. Gelijk iedere verandering van oorlogvoering is deze evolutie niet
enkel te danken aan de vooruitgang van technologie, in dit geval de industrialisatie, maar aan een samenhang van economische en politieke factoren.
De eerste reden voor de evolutie was vast en zeker en vast de industrialisatie en de komst
van geweren, kanonnen en de mogelijkheid om die in grote hoeveelheden te maken.
De industriële revolutie bracht met zich mee dat een groot aantal manschappen goed
voorzien kond worden van degelijke wapens en voedsel. Door de opkomst van de trein, de
eerste auto’s en goede wegen, en grotere stoomschepen.
Een andere factor was het politieke landschap in die tijd. De wereld rond de eeuwwisseling
was verdeeld in grote industriële machten, Groot-Brittannië in volle koloniale glorie,
ontwakend Japan, Rusland, Duitsland, en Amerika. Al deze grootmachten waren niet zulke
goede vriendjes als nu. De economische afhankelijkheid was zo goed als onbestaande en
deze grootmachten zagen elkaar meestal meer als rivalen dan als bondgenoten.
Toch bestond er een zeker bondgenootschap tussen bepaalde grootmachten en zeker tussen grootmachten en kleinere landen ertussen, Bijvoorbeeld tussen België en Engeland,
Oostenrijk-Hongarije en Duitsland. Ook moeten we erbij vermelden dat een groot deel van
deze grootmachten in het bezit waren van evenveel kolonies over heel de wereld.
Deze factoren zullen leiden tot de eerste wereldoorlog en een nieuwe manier van
oorlogvoering. Waar vroeger oorlog werd gevoerd tussen 2 legers op een relatief kleine
oppervlakte, zijnde het slagveld waar de 2 legers elkaar ontmoetten, konden door nieuwe
technologieën oorlogen zich over veel grotere afstanden afspelen met de komst van
Houwitsers, mortieren, en een snelle bevoorrading door trein/truck van materiaal en
manschappen. Daar waar vroeger legers meestal te voet, met man en macht, zichzelf en hun kostbare artilleriestukken te voet verplaatste en het bijgevolg vrij gemakkelijk was voor de vijand om hen tegemoet te komen en tot een confrontatie te dwingen. Het is echter nu
mogelijk geworden zeer snel op te rukken en de vijand uit te manoeuvreren en zonder
confrontatie strategische locaties in te nemen. Maar wat als je niet snel genoeg oprukt of op
bepaalde fronten tijdelijk tot stilstand gebracht word? Dan krijgt de vijand de tijd om zich
letterlijk in te graven, gretig gebruik makend van de nieuwe technologieën zoals prikkeldraad.

Dit is wat de Duisters meemaakten in 1914. Zij planden een vrij snelle opmars van het
Duitse leger door België via het spoorwegennet om zo vrij snel in Parijs te staan en daarbij
de fransen niet de kans te geven ergens tot een echte confrontatie te komen. Maar zij hielden geen rekening met een klein landje zoals België. Ten eerste vergaten ze dat de neutraliteit van België was gewaarborgd door Engeland, dat er bovendien niet op stond te wachten om met de Duitsers eventueel de Noordzee te moeten delen en wierp zich bijgevolg onmiddellijk in de oorlog en mobiliseerde zijn troepen richting België toe. Een tweede tegenvallen was dat het Belgische leger meer weerstand bood dan verwacht werd.
De weerstand van de Belgische en deels Engelse troepen maakte het mogelijk voor de
Franse om vrij snel een linie te vormen achter de Marne om zo de Duitse opstoot kost wat
kost een halt toe te voeren, en dat deden ze ook. Door een snelle reorganisatie en
manschappen die naar het front werden gebracht met zelfs taxi’s kon “den Duits” tot stand
worden gebracht. De enige optie voor de Duitsers, was zich ook in te graven zoals Franse,
Engelse en Belgische troepen over heel het front al hadden gedaan om zo te vermijden dat
het Duitse leger zou worden geflankeerd.
De eerste wereldoorlog was ook het einde van de cavalerie die al 5000 jaar als de elite van
een leger werd beschouwd. Honderden veldslagen waren bepaald door het inzetten van
ruiters. Ze konden gemakkelijk flankeren, de ruiter zat hoger en veiliger en het paard zelf was een niet te onderschatten wapen. Zelf in de laatste klassieke oorlog in Europa, de Frans
Duitse oorlog werd de overwinning behaald door een epische charge van de cavalerie die
korte metten maakten met de vijandige artillerie. Maar hieraan kwam en einde toen cavalerie
oog in oog kwam te staan met machinegeweren.
Een goed draaiend industrieel thuisfront, en de onmogelijkheid van beide legers om elkaar
effectief te flankeren, leidde tot een 4 jaar durende strijd in loopgraven met een dodental van
38 miljoen, merendeels militairen. Bijna evenveel als in de 2de wereldoorlog, 40 miljoen maar
dit getal is zo groot omdat hierin ook de exterminatie van de joden, de doden bij de 2
atoombommen, en de duizenden burgerslachtoffers zijn bijgeteld.
Ongeacht wat de meesten denken is de 1ste wereldoorlog niet gewonnen door het inzetten
van nieuwe technologieën zoals gifgas en het gebruik van tanks en beginnende luchtvaart
maar door een combinatie van de vorige technologieën op een politiek sociaal toneel.
Rusland had zich vroegtijdig teruggetrokken om zich bezig te houden met zijn interne
problematiek van revoluties. Beide zijden van het Europese theater waren uitgeput van 4 jaar
oorlogvoering en zowel het front als thuisfront geraakte stilaan op in de oorlogvoerende
landen.
Met de komst van een nieuwe manier van oorlogvoering waar nuttig word gebruik gemaakt
van de nieuwe technologieën en waar het Manoeuvre nu centraal staat, dwingen de
geallieerden de totaal uitgeputte Duitsers tot overgave.

Het verloop van de 1ste Wereldoorlog

Het verloop van de oorlog
1914 was een prachtig jaar. Vooral de julimaand mocht er wezen. Aan de stranden van West-Europa vierde de burgerij onbekommerd vakantie. De wijnboeren wreven zich vergenoegd in de handen, want het warme weer beloofde een prima oogst. De Bayreuther Festspiele brachten Der Fliegende Holländer van Richard Wagner. En de Belg Philippe Thys won de Ronde van Frankrijk. Maar aan de hoven, in de kanselarijen en de regeringsgebouwen en op de militaire hoofdkwartieren van de Europese grootmachten was van vakantiestemming geen sprake. Daar zag menigeen de catastrofe onafwendbaar naderen. Vooral sinds de moord – op 28 juni door de Serviër Gavrilo Princip – op de Oostenrijkse aartshertog Frans Ferdinand. De Donau-monarchie Oostenrijk-Hongarije wist zich gesteund door het machtige Duitse keizerrijk en zag eindelijk een aanleiding om Servië te annexeren. Duitsland zal zijn bondgenootschappelijke verplichtingen nakomen, meldde de Duitse pers. En: Rusland kan in het Oostenrijks-Servisch conflict niet werkeloos blijven toezien, luidde het in Sint-Petersburg. Ten slotte had Rusland Servië twee keer eerder laten zitten. Op 28 juli verklaarde Oostenrijk-Hongarije de oorlog aan Servië, met de frivole oorlogszuchtigheid van seniele keizerrijken, zoals de Amerikaanse historica Barbara Tuchman het treffend uitdrukte.
Een dag later bombardeerden de legers van de dubbelmonarchie Belgrado. Er trad een
mechanisme in werking dat niet meer te stoppen was.

Het sneeuwbaleffect
Het ‘sneeuwbaleffect’ in kort bestek: Op 30 juli mobiliseerde Rusland, beschermer van
Servië. Een dag later volgde op een Duits ultimatum om die mobilisatie in te trekken geen
antwoord uit Sint-Petersburg, waarop Duitsland onmiddellijk de mobilisatie afkondigde en
op 1 augustus Rusland de oorlog verklaarde. Toen kon Rusland bondgenoot Frankrijk niet
achterblijven en mobiliseerde ook. Duitsland verklaarde Frankrijk de oorlog en begon - het
was inmiddels 3 augustus - meteen met een opmars door België. Dat was tenslotte weer
aanleiding voor Engeland, dat borg stond voor de neutraliteit van België, om Duitsland de
oorlog te verklaren. Binnen een week waren alle Europese grootmachten met elkaar in
oorlog. De diverse generale staven hadden haast. Ze zaten vast aan onverbiddelijke
tijdschema’s. Een eenmaal in gang gezette mobilisatie - met alle troepenverplaatsingen en
spoorwegregelingen van dien - was nauwelijks nog terug te draaien. Ook beschuldigde
Duitsland Engeland van spionage, maar dit is nooit bewezen.
3 Bron: http://www.wikipedia.be

Poor little, brave Belgium. Arm, klein, dapper België
België hield zich aan de afspraak om neutraal te blijven en de Duitsers niet door te laten. In
bijlage kan je de posters zien, die gebruikt werden om de jonge mannen uit het Britse
Imperium aan te zetten, het arme kleine dappere België ter hulp te komen.
Op 25 augustus hebben Duitse troepen, tijdens een strafexpeditie tegen de stad Leuven 218
burgers vermoord en de stad gedeeltelijk platgebrand. Van de ongeveer zesduizend huizen
die Leuven telde zijn er 2117 in de as gelegd. Ook de universiteitsbibliotheek is in vlammen
opgegaan. De Duitsers keken lachend toe hoe een kwart miljoen boeken, waaronder
duizenden onvervangbare middeleeuwse manuscripten en wiegedrukken in de vlammen
opgingen.
De Duitsers beslisten tot de afschrikwekkende represaille nadat ze, naar eigen zeggen, door
burgers waren beschoten. Maar om afgrijselijke vergeldingsmaatregelen goed te praten
hebben ze al eerder dit argument aangevoerd. In totaal zijn tijdens de verovering van België
zeker 5000 burgers vermoord, waaronder vrouwen en kinderen. Het is dan ook te begrijpen
dat de Britse propaganda aan de Duitse wreedheid een vette kluif had. De Duitsers werden
voorgesteld als “Hunnen met pinhelmen”, barbaren uit het oosten. Het Britse Rijk
beschouwde het als een heilige plicht, het eervolle kleine België bij te staan.
Deze laffe en barbaarse daden zorgden voor een massale rekrutering op vrijwillige basis in
het Britse Rijk. Nieuwe manschappen ronselen om het uiteengeschoten beroepsleger aan te
vullen was aanvankelijk geen probleem. In 1914 was het Britse Rijk nog heel wat groter dan
het huidige “United Kingdom”.

De loopgravenstrijd
Terwijl de Duitse politiek ervan uitging dat Engeland neutraal zou blijven, had het Duitse
opperbevel intussen wel een krijgsplan klaar dat die neutraliteit onmogelijk zou maken (het
von Schlieffenplan). Immers, Londen stond in voor de Belgische neutraliteit. Toen die op 3
augustus werd geschonden en de Duitse Uhlanen brandschattend naar de forten rond Luik
trokken, bleef Londen niets anders over dan Berlijn een ultimatum te stellen en de oorlog te
verklaren.
De Duitse legers marcheerden door België en Noord-Frankrijk. Ze rukten op tot vlak bij
Parijs, hoewel deze stad niet het doelwit was van de aanval. De Fransen voerden ondertussen
in de Elzas een aanval uit volgens hen eigen Plan XVII en werden bloedig afgeslagen.
Massa’s infanterie rukten op tot de Duitse loopgraven, waar ze echter werden neergeschoten
met mitrailleurs. Met hun felblauw-felrode uniformen vormden zij levende schietschijven.
De sikkelvormige opmars van de Duitsers door België en Noord-Frankrijk leek aanvankelijk
redelijk volgens plan te verlopen. Luik en de cirkel van reusachtige forten eromheen werden
binnen enkele dagen bezet, en in de Slag om de Grenzen werd de Britse BEF (British
Expeditionary Forces) verslagen. De Duitsers rukten op tot aan de rivier de Marne, waar de
Fransen hen trachtten tegen te houden. De Fransen claimen de overwinning maar volgens
veel historici werd de Slag bij de Marne, als er al een winnaar was, eerder door de Duitsers
dan door de Fransen gewonnen. De nerveuze Generale Staf, die al eerder kleine afwijkingen
van het plan had geconstateerd, besloot echter het Duitse leger te laten terugtrekken op
Chemin des Dames. Het front groeide door omtrekkende bewegingen van beide partijen (de
Race naar de Zee) naar het westen aan tot aan de Noordzeekust.

Met uitzondering van Spanje en de Scandinavische landen, Zwitserland en Nederland,
zouden uiteindelijk alle Europese landen bij de Eerste Wereldoorlog betrokken raken.
Algemeen werd verwacht dat het een korte oorlog zou worden. Weer thuis als de bladeren
vallen, was de veelgehoorde slagzin. Maar het werd een ongekend lange en wrede oorlog
waarvan de fronten al na anderhalve maand vast lagen. Wat volgde was een zinloze
loopgravenstrijd die miljoenen slachtoffers kostte. Op één slagveld zoals bij Verdun of aan
de Somme meer doden en gewonden dan bij alle veldslagen van de eeuw daarvoor samen
(bij de Somme 600.000 geallieerden en 750.000 Duitsers).
Slechts heel langzaam drong bij de militaire opperbevelen het inzicht door dat in deze
oorlog, waarin zij de aanval nog als alleenzaligmakend beschouwden, verdedigers altijd in het voordeel waren. Aanvallers sneuvelden bij bosjes doordat snelvuur en granaatbombardementen de oude gevecht- en wapentechniek inmiddels hopeloos ouderwets hadden gemaakt.
De grote slagen aan het Westfront waren:
• De Duitse opmars van 1914, culminerend in de Slag bij de Marne
• Slag om Verdun
• Slag aan de Somme
• Slagen om Ieper
• Kaiserschlacht

De kerstbestanden
Rond Kerstmis 1914 hadden de weersomstandigheden oorlogshandelingen onmogelijk
gemaakt en lagen beide legers tegenover elkaar in de loopgraven. Een sfeer van “leven en
laten leven” ontstond. Rond Kerstmis gingen soldaten zelfs bij de vijand Kerstmis vieren in
de loopgraaf, rondom een kerstboom, en werden cadeaus uitgewisseld. De dag erna volgde
een voetbalwedstrijd in het niemandsland, die de Duitsers overigens wonnen. De
merkwaardige situatie aan deze fronten duurde tot Pasen 1915. Men waarschuwde elkaar
zelfs als er een aanval zou komen. Als er in de loopgraven bezoek kwam van de legerleiding
werd de tegenstander hiervan gewaarschuwd en werd er duchtig heen en weer geschoten,
over de hoofden heen. Het initiatief voor dit bestand werd aanvankelijk op kerstavond door
de Duitse troepen genomen. De dag nadien werden alle lijken die nog in het niemandsland
lagen geruimd.
De eerste kerstbestanden ontstonden in Vlaanderen op initiatief van Duitse soldaten en dan
nog vooral Saksische en Beierse troepen. De Pruisische troepen namen nooit deel aan deze
bestanden. Langs de andere zijde waren het vooral Britse troepen die deelnamen aan deze
verbroederingen. In mindere mate participeerden Belgen en Fransen
Een van de merkwaardigste voorvallen deed zich voor in Diksmuide waar op tweede
kerstdag de Duitse soldaten (een regiment uit Beieren) aan de Belgische soldaten aan de
overkant vroegen of er een priester aanwezig was.

Even later kwam de Belgische commandant Lemaire ter plaatse met de regimentspriester,
Sabin Vandermeiren. Zij werden aangesproken door een Beierse commandant met een
Engelse naam: majoor John William Anderson. Deze laatste had in de kolenkelder van een
veldhospitaal een gouden monstrans gevonden en wenste deze terug te geven aan de Belgen.
De overdracht gebeurde op de dichtgevroren IJzer. De monstrans staat nu tentoongesteld in
de IJzertoren te Diksmuide.
De Geallieerde en Duitse opperbevelhebbers raakten echter in paniek. Men zag dit als
muiterij en hoogverraad. De vaderlandstrouw van de soldaten was echter sterker: de
Kerstbestanden waren slechts een poging geweest er het beste van te maken, omdat er
wegens de weersomstandigheden toch geen offensieven te verwachten waren. Toen het
voorjaar eenmaal begonnen was, gingen dezelfde soldaten elkaar weer te lijf. Toch nodigden
de Duitse soldaten de Geallieerde manschappen opnieuw uit voor een kerstbestand toen
Kerstmis 1915 naderde. Ondanks dreigementen van officieren gingen de soldaten hierop in,
en opnieuw vonden taferelen van verbroedering plaats.
De legerleiding was furieus: dit moest afgelopen zijn! In de herfst van 1916 dreigde de
legerleiding de artillerie op de infanterie te richten als die zich op vriendschappelijke wijze
met de vijand inliet. Lagere officieren en soldaten zouden standrechtelijk worden
geëxecuteerd. Duitse of geallieerde soldaten die met Kerst 1916 het niemandsland betraden
of contact zochten met de vijand vlogen de kogels nu om de oren. Er kwam geen
Kerstbestand dit jaar, en in 1917 evenmin.

Het oostfront
Ondanks de mobilisatietijd van 42 dagen die het Von Schlieffenplan aan de Russen
toerekende, vielen twee Russische legers alsnog in augustus 1914 Oost-Pruisen binnen. Na
aanvankelijke paniek werden de legers door de nieuwe bevelhebber Paul von Hindenburg in
de pan gehakt bij Tannenberg en de Mazurische Meren. De Duitse acties beperkten zich
hoofdzakelijk tot verdedigen en voorzichtig aanvallen, al dan niet om de Oostenrijkse
bondgenoot bij te staan. Aan het Oostfront kwamen ook loopgraven voor, maar deze lagen
verder uit elkaar en hadden het karakter van een tijdelijke verdedigingslinie. De Duitsers
gebruikten hier voor het eerst gifgas (traangas) tegen de Russen.
De Russen organiseerden later meer offensieven om hun westelijke bondgenoten lucht te
geven. De Broesilov-offensieven tegen de Oostenrijkers in Galicië waren hiervan de
bekendste en meest succesvolle. Roemenië koos hierop de zijde van de geallieerden, maar
werd door Duitsland, Oostenrijk en Bulgarije binnengevallen en bezet. De Russische
offensieven liepen uiteindelijk vast met grote verliezen aan mensenlevens.
In Rusland braken hierop de revoluties van 1917 uit, waarna de communisten met de
Duitsers begonnen te onderhandelen. De Russische legers waren inmiddels uiteengevallen en de Duitsers bezetten zonder slag of stoot de Oekraïne. De communisten sloten tenslotte de vrede van Brest-Litovsk met de Duitsers, die hierdoor de beschikking kregen over een keten vazalstaten en de handen vrij kregen in het westen. Na de wapenstilstand moesten deze gebieden echter ontruimd worden, en bij het Verdrag van Versailles werd het Verdrag van Brest-Litovsk nietig verklaard. Tevens moest al het Russische en Roemeense in beslag
genomen goud worden teruggegeven.

Het Ottomaanse rijk in de eerste wereldoorlog
Voordat de oorlog uitbrak had het Ottomaanse Rijk goede contacten met onder andere de
Britten. Het Ottomaanse Rijk werd toen geregeerd door het driemanschap van de Jonge
Turken. Enver Pasja had een sterke voorkeur voor Duitsland en op 2 augustus 1914
tekenden de Turken en Duitsers een geheime overeenkomst. Op 5 november verklaarden de
Turken de geallieerden de oorlog.
De Turken streden op twee fronten: in het Midden-Oosten tegen het Verenigd Koninkrijk
en de Kaukasuscampagne tegen Rusland. Zij riepen, op Duits aandringen, een jihad uit tegen de geallieerden, om zo de steun van de Arabieren en andere moslims te proberen te
vergaren. Dit had echter weinig succes. De Arabieren waren zeer ontevreden over de Turkse
overheersing en zouden later vanwege hun eigen nationalistische ambities in opstand komen
tegen de Turkse overheersing.
De Geallieerden probeerden troepen te laten landen in Turkije, maar werden verslagen
tijdens de Slag om Gallipoli. De Turken streden met wisselend succes tegen Rusland. Vele
Armeniërs kwamen in opstand tegen de nationalistische Jong-Turken. Andere Armeniërs
vochten in het Russische leger. Dit leidde tot de Armeense genocide, die naar schatting
500.000 tot 1,5 miljoen slachtoffers maakte.
Na de Russische Revolutie bezette het Turkse leger de Kaukasus, maar het moest zich in
1918 toch overgeven.
In Arabië lukte het de Britten om Hoessein ibn Ali, de Sjarif van Mekka, over te halen om
aan hun zijde mee te vechten. De Arabieren, met hulp van de beroemde Lawrence of Arabia,
en de Britten verdreven de Turken tijdens de zogenaamde Arabische opstand
In de Balkan wisten de Geallieerden in september 1918 door te breken. In Servië rukten ze
op naar de Donau, terwijl Britse troepen langs de kust naar Istanbul oprukten.
Andere gebieden
Duitslands (bescheiden) koloniale rijk werd relatief gemakkelijk ontmanteld. Overal waren de
Duitsers numeriek ver in de minderheid en afgesneden van hun moederland. Duits
Togoland, Kameroen en Duits Zuidwest-Afrika werden in 1914 en begin 1915 al door de
Geallieerden bezet. Een leger van 60.000 Japanners omsingelde het kleine Duitse garnizoen
van Kiautschou. Ook verscheidene Pacifische eilanden werden door de Japanners bezet,
terwijl de Britten vanuit Australië Keizer Wilhelmsland en de Salomonseilanden bezetten.
Slechts in Duits Oost-Afrika, het latere Tanzania, hielden de Duitsers onder leiding van
Lettow-Vorbeck stand tot na de wapenstilstand van 1918. China verklaarde Duitsland de
oorlog en stuurde duizenden arbeiders naar de loopgraven voor ondersteunend werk. Japan
heeft na de bezetting van de Duitse koloniën en concessies geen man naar het front
gestuurd, maar stelde wel een ultimatum aan China (de Geallieerden floten Japan overigens
terug). Het toewijzen van de Duitse concessies in China aan aartsvijand Japan is Woodrow
Wilson door de Chinezen, en ook door veel Amerikanen, bijzonder kwalijk genomen

De Amerikaanse oorlogsdeelname
Duitsland beantwoordde de blokkade van de geallieerden met het duikbootwapen. Duitse
duikboten schuimden de zeeën af en torpedeerden koopvaarders. Behalve geallieerde
schepen, werden ook wel eens neutrale schepen getroffen, zoals de Lusitania. Dit werd de
Duitsers door veel neutralen zeer kwalijk genomen.
In 1917 zaten de Duitsers met een probleem. De nood steeg steeds hoger maar er zat geen
beweging in de fronten. Een poging om de Engelse vloot te vernietigen en zo de blokkade te
breken was in 1916 met de zeeslag bij Jutland mislukt. De Duitsers vernietigden meer
schepen dan de Britten, maar waagden zich niet meer op open zee. Een onbeperkte
duikbootoorlog zou de kans geven om Engeland te isoleren en tot overgave te dwingen. Dit
zou echter kunnen leiden tot een oorlog met de al geïrriteerde Verenigde Staten.
De Duitsers zetten het plan toch door, maar trachtten Japan en Mexico tot de Centralen te
doen toetreden om zo de Amerikanen af te leiden. Een telegram met deze strekking
(Zimmermanntelegram) werd echter onderschept. Naar aanleiding hiervan, en van de
onbeperkte duikbootoorlog, verklaarden de Verenigde Staten Duitsland op 6 april 1917 de
oorlog. De Mexicanen hadden echter net een burgeroorlog achter de rug en hadden geen
behoefte aan een nieuwe oorlog, terwijl ook Japan bedankte voor de eer.
De Amerikaanse aanwezigheid had, vooral in het begin, een louter psychologische waarde.
Zo kolossaal als de Amerikaanse marine was, zo klein was hun landleger. Er was mankracht
genoeg, maar er was onvoldoende bewapening. Kanonnen moesten van de Britten worden
geleend. De Duitsers zagen echter een nieuw leger tegenover zich dat steeds verder
aangroeide. Hun duikboten waren onvoldoende om de oorlogskonvooien tegen te houden.
De tijd werkte in hun nadeel: steeds meer troepen stroomden Europa binnen, en de
ongeschonden Amerikaanse wapenfabrieken draaiden op volle toeren.

Het einde
In de zomer van 1918 besloten Hindenburg en Ludendorff nog één keer alles op alles te
zetten. De Duitsers vielen op drie punten aan:
Een offensief aan de Marne tegen de Fransen;
Een offensief aan de Somme om een wig te drijven tussen de Fransen en Britten;
Een offensief tegen de Britten en Belgen bij Ieper in Vlaanderen.
Op het eerste gezicht waren deze offensieven succesvol: de loopgraven werden verlaten en
een flinke terreinwinst werd geboekt. De troepen waren echter aan het eind van hun Latijn
(na een offensief gingen ze bijvoorbeeld eerst vijandelijke voedseldepots plunderen), en ook
achter het front bevonden zich nog grote hoeveelheden vijandelijke troepen. De offensieven
liepen alle drie vast in modder, bloed, en een muur van frisse Amerikanen. Over het hele
front werden de Duitsers in de herfst van 1918 teruggedreven.

Hindenburg en Ludendorff wisten dat het afgelopen was. De legers hadden aan alles gebrek
en er dreigde revolutie. Bij monde van generaal Wilhelm Groener lieten zij de keizer weten
dat zij niet langer op de trouw van het Duitse leger konden rekenen. Een verstijving van de
weerstand in Vlaanderen was maar schijn: er was aan alles gebrek, tot uniformen toe. Een
rebellie van matrozen sloeg over naar het hele land. Bij de Centrale bondgenoten, die nu ook
op alle slagvelden werden verslagen, was de situatie nog erger omdat Duitsland hen
economisch uitzoog en als koloniën behandelde. Een Bulgaars regiment schaamde zich zo
voor zijn kleding dat het zich in ondergoed voor zijn generaal presenteerde. De burgers
leden nog meer gebrek en stierven bij bosjes van de honger. In de herfst van 1918 sloten
Turkije en Bulgarije wapenstilstanden. Oostenrijk-Hongarije volgde op 3 november, zodat
Duitsland nu aan de zuidkant onbeschermd was. De keizer vluchtte naar Nederland, en de
republiek werd uitgeroepen. Onderhandelingen vonden plaats, en een wapenstilstand werd
overeengekomen. De Oorlog werd op de 11e van de 11e 1918 (11 november 1918) om 11
over 11 uur in een treinwagon te Compiègne beëindigd. Tot de laatste minuut vielen de
‘vernietigingsschoten’ door de artillerie over en weer (vrede van Versailles; het volgende
dispuut; aanleiding tot WO-II).

Vergeefs
Het was een oorlog die begon met de militaire tactieken van de Frans-Duitse oorlog van
1870. Met charges van de cavalerie, massale inzet van de infanterie en al even massale als
vergeefse bajonetaanvallen. Aan Franse kant was bijvoorbeeld deze tactiek uitentreuren
beoefend. De naam voor deze tactiek (het Elan genaamd) van de aanval met grote groepen
infanterie in een offensieve vorm heette: Offensieve de Outrance (aanval tot het uiterste).
Het was ook een oorlog die zou eindigen met de tactieken van de Tweede Wereldoorlog: in
deze oorlog namen tanks en vliegtuigen voor het eerst deel aan de strijd. Maar het was
bovenal de oorlog die een hele generatie Europeanen uit zou roeien. In totaal vielen er bijna
negen miljoen doden; wel overwegend militairen. Burgerslachtoffers waren er in deze oorlog
nauwelijks, hoewel de Duitsers zich tijdens hun inval in België bijzonder rigide gedroegen
tegenover de Belgische burgerbevolking. Duizenden burgers werden vermoord.
De keizer Wilhelm II schreef na de oorlog in zijn ballingsoord Doorn in zijn
Kriegserrinnerungen:
“Wanneer ik terugdenk aan die moeilijke vier oorlogsjaren met hun hopen en verslagen, met
hun schitterende zegepralen en hun verliezen aan kostbaar bloed, dan ontgloeit in mij een
gevoel van vurige dank en van onvergankelijke bewondering voor de weergaloze daden van
het Duitse volk in de wapenen...”

De derde Generatie Oorlogvoering
Het einde van de eerste wereldoorlog leide ook het begin in van een nieuwe generatie
oorlogvoering, de focus lag niet langer op pure vuurkracht maar op strategie. De 1ste
wereldoorlog werd gewonnen door een perfect uitgevoerde en gecoördineerde aanval van
tanks, vliegtuigen, artillerie en manschappen op meerdere fronten. Het draaide nu allemaal
om de juiste troepen op het juiste moment op de juiste plaats te hebben. Door de nieuwe
technologieën kon oorlog voeren over een veel grotere afstand en stilaan begon het begrip
van frontlinie te vervagen, oorlog speelde zich af over grote afstanden met vage linies.
Bij de aanvang van de 2de wereldoorlog werd door de Duitsers een volledig nieuwe manier
van oorlogvoering ingevoerd, de Blitzkrieg. Het principe was als volgt:
Eerste zorgde de luchtmacht voor het uitschakelen van grote strategische doelen zoals
treinsporen en aanvoerwegen om zo de frontlinie af te snijden van versterking. Vervolgens
namen Duitse elite valschermspringers strategische locaties zoals strongpoints en versterkte
punten in om de doorbraak van de tankdivisie te vergemakkelijken en een snelle doorbraak
van de tankdivisie te garanderen. Tenslotte stootte de tankdivisie door en dankzij het
preventief innemen van strategische punten konden deze meestal zeer snel doorbreken.
Verder zorgde de genietroepen ervoor om achter de tankdivisie een stevige aanvoerlijn te
verzorgen zodat ze nooit afgesneden zouden kunnen worden. Deze strategie werd niet op
een punt toegepast maar werd meestal over heel te linie of landsgrens gedaan waardoor bij
aanvang van de oorlog de Duitse troepen een land letterlijk over de voet konden lopen in
enkele dagen.
Ook naarmate de oorlog vorderde begonnen de geallieerde deze strategie toe te passen om
zo de Duitsers weer terugtredrijven. Het beste voorbeeld hiervan zijn de twee befaamde
operaties, D-day and Market Garden.
In tegenstelling wat sommige denken was D-day meer dan een invasie in Normandie,
Tegelijkertijd werden er door de geallieerden verschillende fronten opengetrokken, een
invasie via Sicilië, een via het noorden door de russen en de invasie zelf in Normandie. Het
plan in Normandie was eerst para-eenheden achter de linies te dropen van de Duitser om zo
strongpoints zoals bruggen en spoorwegen in te nemen met de bedoeling een snelle
tegenaanval van de Duitster te smoren en zelf een succesvolle doorbraak naar Parijs te
garanderen.
Operation Market Garden was gelijkaardig: om een snelle val van Berlijn te garanderen
legden de geallieerden een tapijt van paratroepers aan over al de bruggen tot aan de Rijn,
vooral in Nederland. Dit gaf de Xe tankdivisie de kans om zo zeer snel tot aan de Rijn te
komen. Door dit manoeuvre werd en ganse Duitse tankdivisie afgesneden en tot overgave
gedwongen,zonder slag of stoot.

Verloop 2de wereldoorlog
De Poolse campagne en het begin van de Tweede Wereldoorlog
Polen werden op 1 september 1939 door een sterke troepenmacht van Duitse
Weermachtdivisies aangevallen in wat bekend kwam te staan als de Poolse campagne. De
Polen werden na een oneervolle aanval van de Sovjet-Unie gedwongen voor Duitsland en de
Sovjet-Unie te capituleren, wat resulteerden in de vorming van de volgende gebieden op
vroeger Pools grondgebied: In het Duitse West-Polen verschenen:
Het Generaalgouvernement von der bezetse Polnischer gebiete.
Gebieden onder vroeger Pools gezag die door Nazi-Duitsland werden geannexeerd
waaronder Posen, West-Pruisenen de vroegere vrijstaat Danzig.
Rusland deelde haar veroverde Oost-Polen op onder de Wit-Russische USSR en de
Oekraïnse USSR.

De eerste oorlogsmaanden op zee
De Duitse Kriegsmarine had voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog al de sterke
Duitse Vetzakslagschepen Admiral Graf Spee, Scharnhorst enGneisenau op volle zee, en
spoedig na de oorlogsverklaringen van Engeland ( 3 september 11:00 ) en Frankrijk ( 3
september 15:00 ) gevolgd door de Tirpitz, de Bismarck en de Deutschland. De Admiral
Graf Spee begon meteen koopvaarderei van Engeland en Frankrijk tot zinken te brengen,
spoedig gevolgd door de eerste acties van de Bismarck. Aan het Westelijke Front heerste
echter een stilte : de Duitse en Franse legers lagen in de Maginotlinie ( Frankrijk ) en de
Westwall tegenover elkaar aan beidde zijde van de Rijn, maar de artillerie zweeg en Fransen
en Duitsers vroegen elkaar toestemming om tijdens hete dagen in de Rijn te gaan zwemmen!

Operaties in het noorden
Engeland begon met haar Royal Navy mijnen te leggen in de territoriale wateren van
Noorwegen om het ijzererts vanuit Zweden naar Duitsland te onderbreken. Duitsland zag
het gevaar hierin, en in operatie Fall Blue veroverden ze met een snelle traditionele Blitzkrieg
de landen Denemarken - dat de strijd al na een dag door een verrassingsaanval op moest
geven - en Noorwegen dat de strijd in het noorden van het land enkele weken wist vol te
houden. Parallel aan deze oorlog in het noorden van Europa viel de Sovjet-Unie Finland
binnen na een mislukte onderhandeling betreffende verschuiving van de Finse grens naar het noorden over de Karelische landengte.

Fall Gelb
Na Polen, Denemarken en Noorwegen was het nu de beurt aan Frankrijk en Engeland.
Hitler’s strategen ontwierpen een plan voor de invasie van West-Europa dat de naam Fall
Gelb meekreeg, en een brute schending van de neutraliteit van Nederland, België en
Luxemburg betekende teneinde Frankrijk militair op de knieën te krijgen door een omzeiling
van de Maginotlinie. Op 5 mei 1940 vielen Duitse legers de grenzen van Nederland, België
en Luxemburg over, operatie Fall Gelb was begonnen. Nederland moest op 9 mei de
vijandelijkheden tegen Duitsland staken ( in Zeeland pas een dag later toen Franse troepen
wegtrokken ), België hield het enkele weken vol tegen de Duitsers. De grote Duitse aanval
4 Bron: http://www.wikipedia.be

kwam echter niet via België zoals het leek, maar via een snelle pantseropmars door de
Ardennen via de Franse stad Sedan door Noord-Frankrijk naar Het Kanaal. Deze opmars
slaagden, en 1.000.000 man aan Fransen, Engelsen en Belgen werden ingesloten, waarvan er tijdens operatie Dynamo 322.000 uit Duinkerken naar Engeland wisten te ontkomen. Hitler
ondertekende een wapenstilstand met Pentain waarin Frankrijk werd opgedeeld en Pentain
leider bleef van Vihcy-Frankrijk en het Franse koloniale rijk.

Balkanveldtocht
Na de val van Frankrijk en de vorming van Vichy-Frankrijk begon de Battle of Britain tussen
de Royal Air force en de Luftwaffe om de luchtheerschappij boven Engeland. Deze
resulteerden in een overwinning voor de Engelsen, waardoor Hitler ook meteen moest
afzien van zijn operatie Seelöwe, een invasie van Engeland. Op de Balkan waren Slowakije,
Hongarije, Roemenië en Bulgarije toegetreden tot de Asmogendheden, en drie dagen lang
volgden ook Joegoslavië dat voorbeeld tot enkele pro-geallieerden legerofficieren een
staatsgreep pleegden. Het Italië van Benito Mussolini had in Zuid-Frankrijk tijdens een
kleine aanval geen militaire lauweren kunnen verwerven, en probeerden dat nu in een aanval
via Italiaans-Albanië op Griekenland. De Grieken sloegen de Italianen echter terug en wisten
de gevechten over te brengen naar Zuid-Albanië. Mussolini vroeg Hitler snel militaire steun,
iets wat Hitler goed uitkwam in zijn plannen voor een aanval op Joegoslavië. Joegoslavië en
Griekenland werden veroverd.

Noord-Afrika
In Noord-Afrika waren na de Italiaanse oorlogsdeelname confrontaties haast zeker : de
Italianen hadden Libië als een kolonie, terwijl de Britten een sterke invloed hadden op
Egypte jegens het economisch en militair belangrijke Suezkanaal. Bovendien hadden de
Italianen in Italiaans Oost-Afrika hun vroegere koloniën in Eritrea, Italiaans Somaliland en
Ethiopië samengevoegd en bedreigden zo de Britten in Brits Somaliland. Mussolini gaf de
order om het Italiaanse woestijnleger van 250.000 manschappen Egypte binnen te laten
trekken om het Suezkanaal in te nemen, en ze stonden tegenover slechts 63.000 Britten die
terug moesten trekken onder hevige Italiaanse druk, maar de Italiaanse opmars stopte bij het
Egyptische dorpje Sidi-Berani. De Britten onder generaal Wavel openden een offensief wat
eigenlijk was bedoeld als een raid, maar wat weldra een groot offensief werd. De Italianen
werden teruggedrukt naar Tobroek, en door een Britse tangbeweging recht door de woestijn
naar de stad Bengazi werden er meer als 200.000 Italianen gevangengenomen, waardoor de
verdediging van Libië geheel in elkaar storten. Hitler zag het gevaar dat Italië uit de oorlog
zou treden of dat de Geallieerden in Italië zelf zouden landen na Libië te hebben veroverd,
en zond terstond generaal Erwin Rommel met twee speciaal voor de woestijn uitgeruste
Duitse pantserdivisies naar Libië, een leger dat weldra zou uitgroeien tot het legendarische
Afrikakorps. De Britten werden verrast door het snelle offensief dat Rommel begon - zijn
troepen waren nog niet eens allemaal gearriveerd - en werden teruggeslagen (dit ook ten dele omdat de beste Engelse troepen naar Griekenland waren gestuurd waar de Duitsers ook samen met de Italianen tot de aanval waren overgegaan). Na een oorlog die heen en weer golfden stopte de opmars van het Afrikakorps bij El Alamein, waar het Britse 8ste leger
onder Montgomery Rommel versloeg en tot een terugtocht dwong

Italiaanse campagne
Nadat in 1943 de laatste Italiaanse en Duitse troepen zichzelf in Tunis en Bizirte hadden
overgeven ontstond er een discussie die deels in de conferentie van Casablanca werd
opgelost: wat was het volgende oorlogsdoel van de Geallieerden? Churchill, de Engelse
premier stemde voor een aanval in de Middellandse Zee, op Italië of Griekenland. Stalin had
namelijk aan de Geallieerden om een Tweede Front gevraagd om de Sovjet-Unie na de
Duitse operatie Barbarossa te verlichten en de Duitsers te dwingen hun krachten te verdelen
over verschillende fronten. Uiteindelijk werd het aanvalsdoel toch Italië

Operatie Barbarossa
Hitler had misschien een niet-aanvalsverdrag met Stalin ( zie ook : Molotow-Ribbentroppact)
maar Hitler wilde Lebensraum voor het Duitse volk, en de enige plek waar dat volgens hem
mogelijk was, was de Sovjet-Unie. 3.000.000 Duitse, Hongaarse, Roemeense en Slowaakse
eenheden, in het verre noorden gesteund door Finnen.

De vierde Generatie Oorlogvoering
De 4e generatie van het oorlogvoering is een term die gedefinieerd is in 1989 door een team
van Amerikaanse analysisten. De eenvoudigste definitie houdt in dat het hier gaat om een
oorlog waarbij één van de twee partijen niet echt een staat is maar eerder een organisatie. De vierde generatie oorlogen worden gekenmerkt door de vage lijn tussen oorlog en politiek,
soldaat en burger, vrede en conflict, oorlogsgebied en veiligheid. Deze term lijkt erg op
terrorisme en asymmetrische oorlog, maar is in werkelijkheid veel enger.
Een 4e generatie oorlog is meest succesvol wanneer de organisatie erin slaagt chaos te
veroorzaken in de staat waartegen de oorlog plaatsvindt. Het doel is de staat geld te laten
investeren in meer mankracht, wapens, enzovoort in zo’n manier dat de chaos enkel groter
wordt tot de staat zich uiteindelijk terugtrekt of overgeeft.
De overgang van de vorige generaties naar de vierde generatie kwam er door de geweldige
vooruitgang op gebied van informatie, tactieken en wapens. We denken hierbij aan de
extreme doeltreffendheid verkregen door real-time informatie te linken aan precisie gerichte
wapens die digitaal bestuurd worden zoals gebeurde in bijvoorbeeld Operation Desert Storm
in de Golfoorlog.
Tevens kwam de overgang naar de 4de generatie oorlogen er door een reeks politieke, sociale en economische veranderingen in de maatschappij alsook door de veranderingen op
technologisch gebied sinds de start van de 3de generatie.

Voorbeeldoorlog
Om het concept beter te begrijpen maak ik gebruik van een voorbeeldoorlog, namelijk de
Vietnamoorlog.
De Vietnamoorlog, die ongeveer 30 jaar lang duurde, was een oorlog tussen het op de VS
georiënteerde Zuid-Vietman en het op de Sovjet-Unie georiënteerde Noord-Vietnam (geleid
door Ho).
Algemeen wordt aangenomen dat de oorlog begon op 23 november 1946 door het
bombardement op de havenstad Haiphong door Franse oorlogsschepen.
In 1957 ontstond er dan een oorlog in Zuid- Vietnam tussen de Vietcong en het door de
verenigde staten gesteunde Zuid-vietnamese bewind.
Op de rand van de overwinning in 1965 kreeg Ho een zware klap door de inbreng van
Amerikaanse troepen in de oorlog. Door deze inbreng werden de communisten een stap
terug gedrongen. Zich bewust zijnde van de economische en militaire achterstand op de
Amerikanen deed Ho aan internationale politiek maneuvering in samenwerking met guerrilla
technieken om het tij te doen keren. Hij wist dat een sleutelfactor in het winnen van de
oorlog de internationale politieke situatie zou zijn. Om deze veranderingen in werkelijkheid
te brengen bouwde hij verschillende internationale netwerken. Ho moedigde actief
vredesorganisaties aan om te protesteren tegen de oorlog. Hoewel hij deze organisaties niet
onder controle had, kon hij ze beïnvloeden en hun assistentie gebruiken om hun beeld van
de oorlog te laten veranderen in Amerikaanse maatschappij.
In 1968 gebruikte Ho de media om van de tactische flater die het ‘Tet-offensief’ was een
groot strategisch succes te maken, dat uiteindelijk de terugtrekking van de Amerikaanse
troepen tot gevolg zou hebben.
Terwijl de communisten de grote verliezen en het tactische falen van het tet offensief
blijkbaar niet voorzien hadden, kozen ze hun doelen wel voor een maximale politieke
impact. Ze waren zeker op de hoogte dat het een verkiezingsjaar was in de VS. De massale
toewijding en het gebruik van massale onvervangbare hulpmiddelen in het Tet offensief
laten blijken dat ze zeker hoopten dat het Tet-offensief de oorlog in een beslissende plooi
zou laten vallen. Doch, ondanks al hun plannen, konden ze de politieke impact van het
offensief in de VS niet voorzien.
Ho, gebruikte zowel de internationale media als zijn eigen netwerken om de impact van tet
uit te vergroten. Gebaseerd op wat de media uitzond liet hij de vietcong uitschijnen als een
militair onoplosbaar probleem voor de Vs. Hij viel de VS aan recht in de kern ( de politieke
wil) en slaagde erin, president Johnson trok zich terug uit de verkiezingsstrijd en de
Amerikaanse visie op de oorlog veranderde in een visie die duidelijk vond dat de
Amerikanen zich moesten terugtrekken.
Na dat dit gebeurde was het slechts een kwestie van tijd voordat de Vietcong, nu gebruik
makende van de 3e generatie oorlogvoering, het Zuiden veroverde.

Verdere 4e generatie oorlogen
De 1ste Golfoorlog
Op 2 augustus 1990 viel Irak Koeweit binnen en verklaarde Saddam Hoessein Koeweit tot
een provincie van Irak. Deze aanval werd meteen streng veroordeeld in de VN. Er werden
economische sancties ingesteld en Irak werd een ultimatum voorgelegd. Voor 15 januari
1991 moesten de Iraakse troepen zich terugtrekken uit Koeweit.
Vredesonderhandeling mislukte, en op 16 januari, 1 dag na het verlopen van het ultimatum,
begon operatie “Desert Storm”. De Verenigde Staten brachten een leger op de been, een
coalitie uit uiteindelijk 34 verschillende landen, bestaande uit 700.000 manschappen, 3500
tanks, 1700 gevechtsvliegtuigen en 149 oorlogsschepen. Het zou uiteindelijk het grootste
luchtoffensief ooit worden, en het grootste landoffensief sinds de tweede wereldoorlog.
De geallieerden veroverden in een mum van tijd het luchtruim door de radarposten van de
vijand snel en doeltreffend uit te schakelen, hierdoor konden de tevens moderne Russische
jagers van het Iraakse leger niet ten volle benut worden.
Op 24 februari begon operatie “Desert Sabre”, de grondaanval. De Iraakse troepen waren na
7 weken van bombardementen erg verzwakt en boden zeer weinig weerstand, ze trokken
terug of capituleerden met hele divisies tegelijk.
Op 27 februari trokken Amerikaanse troepen Koeweit binnen. De helft van het Iraakse leger
was uitgeschakeld en tegen de avond liet Irak weten alle VN-resoluties over de terugtrekking
uit Koeweit te aanvaarden. Hiermee kwam een einde aan de oorlog die 7 weken lang het
wereldnieuws beheerste.
Wat we zien in deze oorlog is het belang van de luchtmacht, door precisiebombardementen
werd de vijand zodanig verzwakt dat hij uiteindelijk nauwelijks nog weerstand kan bieden
aan de grondaanval. We zien ook voor het eerst een nieuwe manier van oorlogvoering door
gebruik te maken van burgers. Saddam zou vele burgers naar strategische plaatsen brengen.

Afghanistan
Na de aanslagen in New York verklaarde president Bush de oorlog tegen het terrorisme. In
de weken voor de oorlog stelde Bush een ultimatum aan de Taliban dat bestond uit een
vijftal punten waarover niet onderhandeld kon worden. De Taliban ging niet in op het
ultimatum en op 7 oktober 2001 bombardeerden strijdkrachten van de verenigde staten en
het Verenigd Koninkrijk voor het eerst doelen in Afghanistan. Half november kwam er een
doorbraak in de oorlog, guerrilla’s veroverden grote delen van het land en de Taliban werd
teruggedrongen tot in het noordwesten van Afghanistan, uiteindelijk werden ook deze
gebieden overgenomen en trokken de Talibanstrijders zich terug in de bergen.

De 2de golfoorlog
Tijdens de wapenstilstand die volgde op de eerste golfoorlog moest Irak zich ontdoen van
zijn massavernietingswapens onder toezicht van wapeninspecteurs van de verenigde naties.
Op 31 oktober 1998 beëindigde Irak de toestemming voor verdere inspecties. In de loop van
de jaren bleef Irak elke oproep tot inspecties naast zich neerleggen. Na de aanslagen op 11
september 2001 besloten de Amerikanen deze weigeringen niet meer te tolereren en
verklaarde de oorlog aan Irak omwille van 5 redenen:
• Irak zou massavernietingswapens bezitten
• Irak zou het internationale terrorisme steunen
• Saddam Hoessein zou zijn bevolking onderdrukken en vermoorden
• Saddam Hoessein steunde het zelfmoordterrorisme tegen Israëli’s
• Saddam Hoessein negeerde keer op keer de instructies van de VN Veiligheidsraad
De oorlog zou gelijkaardig verlopen met golfoorlog 1. Na zware bombardementen namen de
geallieerden belangrijke strategische punten in en veroverden zo Irak. De Iraakse weerstand
die heel fel was in het begin zou plots inklappen waardoor de geallieerden redelijk snel de
controle overnamen.

Structuur Belgisch leger
De structuur van het Belgische leger is onderverdeeld in verschillende rangen en
componenten. De opperbevelhebber van het Belgische leger is koning Albert II.
Sinds 2 januari 2002 heeft het Belgische leger een eenheidsstructuur. Het is om die reden dat de traditionele “machten” (vb. Landmacht) officieel niet meer bestaan. Ze werden vervangen door “componenten”.

Indeling van de rangen
In dit hoofdstuk geven we een beknopte bespreking van de belangrijkste rangen van vorig
schema, beginnende met de minister van landsverdediging.
Minister van landsverdediging
Op 12 juli 1999 werd André Flahaut verkozen tot De Minister van Landsverdediging. Waar
nieuwe verantwoordelijkheden en talrijke uitdagingen mee gepaard gingen.
Zijn doelstellingen zijn:
• De Belgische defensie-inspanning in de eerste plaats opgevatten een Europese context
• Het personeelsstatuut aanpassen het militaire beroep aantrekkelijker te maken
• Er belang bij is dat de bestaande synergie, onder andere met het ministerie van
Buitenlandse Zaken, onderhouden word.
• Er bij het beheer van de infrastructuur van uitgegaan moet worden van een rationele
keuze van de vestigingen

De Chef Defensie
De Chef Defensie (CHOD, Chief Of Defence) is de hoogste autoriteit die onder de minister
ressorteert. Hij is tevens chef van de defensiestaf.
Binnen het algemene commando is de chef defensie verantwoordelijk voor de uitvoering van
het door de politieke overheid vastgelegde defensiebeleid.
Daartoe is hij als commandant van de interventiemacht verantwoordelijk voor de training
ervan en voor de voorbereiding en uitvoering van de operaties.
Daarenboven is hij verantwoordelijk voor het beheer en de administratie van het
departement en verzekert en controleert hij de uitvoering van de door de minister
vastgelegde plannen. Hij bepaalt de grondbeginselen en de richtlijnen betreffende de
aanwending van de middelen in functie van de opdrachten en controleert de toepassing van
de wettelijke en reglementaire voorschriften.
5 Bron:http://mil.gov.be

De operationele componenten
Ons Belgische leger bevat 4 operationele componenten, nl. land- , lucht- , marine- en
medische component. De rangen van deze componenten kunt u terug vinden in de bijlage.
Hieronder volgt nog een beknopte samenvatting van deze componenten.

De Landcomponent
De Landcomponent opteert voor een mediane capaciteit met integratie van een lichte
capaciteit. De mediane eenheden hebben een efficiënt gevechts- en voortzettingsvermogen,
zijn strategische mobiel en snel inzetbaar.
Een dergelijke organisatie laat de snelle inzet toe van projecteerbare modules volgens
configuraties die goed aangepast zijn aan de opdrachten.
Alle wapensystemen die ingezet worden, alsook hun inzetbaarheidconcept, zullen
doelmatigheid en rendement, een verhoogde bescherming en het welzijn van het personeel
tot absolute prioriteit hebben.

De Luchtcomponent
De Luchtcomponent stelt twee capaciteiten ter beschikking. De tactische luchtcapaciteit
gebaseerd op het jachtvliegtuig F-16, wordt verder gemoderniseerd, maar de vloot zal
geleidelijk terug gebracht worden van 90 toestellen nu tot 60 in 2015. Om redenen van
vliegveiligheid en kwaliteit van de training zal de huidige norm van 165 vlieguren per piloot
en per jaar strikt van toepassing blijven. Om aan een verhoging van onze transportcapaciteit
te kunnen beantwoorden zullen sommige gevechtspiloten omgeschoold worden naar
luchttransport.
Wat betreft de luchttransportcapaciteit zullen de elf transportvliegtuigen C-130, beschermd
tegen missile-aanvallen vanop de grond, behouden blijven tot ze rond 2018 vervangen
worden door zeven A400M-toestellen (die in totaal een grotere transportcapaciteit bieden).

De Marinecomponent
De escortecapaciteit:
De escortecapaciteit zal verbeterd worden door hetzij de overname van twee recentere Mfregatten (multifunctioneel) die door Nederland te koop gesteld worden, hetzij door de
modernisering onder deze legislatuur van de wapensystemen op 2 van de bestaande
fregatten.
Deze overname van 2 recentere M-fregatten zou ons toelaten de samenwerking binnen
ABNL (Admiraal BENELUX) nog te verdiepen.
De mijnenbestrijdingscapaciteit:
Deze capaciteit en in het bijzonder de mijnenjagercapaciteit, wordt in samenwerking met
Nederland verder gemoderniseerd en aangevuld met een mijnenjagercapaciteit in ondiepe
wateren. Het commandoschip en het logistieke steunschip zullen eveneens gemoderniseerd
worden. Terwijl verbindingshelikopters van de Marine zullen vervangen worden. Het
mijnendatabankcentrum en de School voor Mijnenbestrijding in Oostende zullen aangepast
worden aan de jacht op moderne mijnen.
De strategische maritieme transportcapaciteit:
In dit domein zullen synergieën gezocht worden met onze partners en geallieerden.
Eventueel zal het transport verzekerd worden via commerciële huurcontracten.
Bovendien zouden één of meer hulpschepen kunnen ter beschikking gesteld worden in het
kader van de politiek voor veiligheid op de Noordzee.
De Medische Component
De modulaire benadering van de operationele inzet laat toe de medische steun in
overeenstemming te brengen met de ingezette operationele capaciteiten. De aandacht gaat
daarbij in de eerste plaats naar de eerstelijnszorg. De medische component moet aldus
beschikken over uitrusting die overeenkomt met deze van de operationele componenten. De
medische component blijft als volgt georganiseerd:
Een basis hospitaalcentrum, dat hoog gespecialiseerde diensten omvat: het
brandwondencentrum, met hospitalisatie en raadpleging, het hyperbaar/hypobare centrum,
de Medisch Urgentiedienst (MUG) met medische dispatching, een departement
traumatologie en orthopedie met hospitalisatie en raadpleging, alsook het centrum voor
mentale gezondheid met een sectie crisispsychologie.
Vier operationele medische modules met hun antennes.
Drie medische interventiemodules.
Een medische module voor technische interventie.

Beschrijving van enkele programma’s
Het merendeel van de operationele middelen moeten kunnen ingezet worden om de
opdrachten daar waar nodig uit te voeren. Defensie moet daarom beschikken over snel
inzetbare, mobiele capaciteiten met een doeltreffend gevechtsvermogen, een voldoende
voortzettingsvermogen én die zichzelf kunnen beschermen. De interessantste programma’s
hebben we even kort besproken.
Gevechtsmateriaal
Multipurpose protected vehicle (mppv)
Figuur 10: MPPV
Dit type voertuig zal gebruikt worden als commandovoertuig, troepentransport, vervoer van
gewonden, enz. … . Het voertuig heeft een hoge beschermingsgraad voor de bemanning en
beantwoordt aan de operationele objectieven van de lichte en mediane eenheden. (Zijn
beschermingsniveau en defensieve bewapening moeten toelaten om zijn rol als
troepentransportvoertuig voor eenheden in vredesondersteunende operaties te vervullen. De
boordapparatuur zal radio’s en een
Beheersysteem voor tactische informatie bevatten. De MPPV voertuigen zullen
luchtvervoerbaar zijn met C130.)
Armored infantery vehicle (AIV)
Aankoop van + /- 325 gepantserde wielvoertuigen bestemd voor gebruik door lichte en
mediane eenheden. Deze verwerving is verdeeld over een vaste schijf gevolgd door twee
optionele schijven. Iedere schijf, bestaande uit verschillende versies, zal een coherent en
operationeel geheel vormen. Het zijn gepantserde voertuigen gekenmerkt door een grote
tactische en operationele mobiliteit, voorzien van zelfverdediging- en vuursteensystemen
(rookpotten,…) die toelaten om de uitgestegen soldaat de nodige vuursteun te geven. Een
van de versies (+/- 55 voertuigen) zal voorzien zijn van een capaciteit voor rechtstreeks vuur
met een kaliber van maximum 90 mm. Hun beschermingsniveau moet beantwoorden aan de
bedreiging waaraan de bemanning onderworpen is: rechtstreeks vuur van zware mitrailleurs,
scherven van artilleriegranaten en antitankmijnen. De boordapparatuur zal radio’s en een
beheersysteem voor tactische informatie bevatten. Indien mogelijk zullen deze voertuigen
luchtvervoerbaar zijn met C-130.

F-16 programma
Voortzetting van het programma dat voorziet in een progressieve update van het vliegtuig F-
16, noodzakelijk om de interoperabiliteit met onze partners binnen de NAVO en de EU te
verzekeren. Het programma voorziet in de levering van modificatiekits voor de evolutie van
de software en hardware van het vliegtuig met betrekking tot landingsgeleidingssysteem, de
identificatie, de elektronische tegenmaatregelen en de consolidatie van het
transmissieprotocol LINK 16.
Targetting Pods
Figuur 11: Targetting Pods
Aanschaf van gondels die gemonteerd worden op het F-16 vliegtuig en die een aanduiding
toelaten van gronddoelwitten door middel van laser en van de geleiding van precisiewapens.
Het betreft een bijkomende aankoop van 6 gondels. Acht gondels van dit type (LANTIRN –
Low Altitude Navigation and Targetting Infra Red for Night) werden in 2000 aangekocht.
Gevechtssteun materiaal
Alle terrein voortuigen
Aankoop, door middel van een vaste en één of meer optionele schijven, van lichte
voertuigen ‘alle terrein’ uitgerust met een afneembare inrichting die bescherming biedt tegen
steenworp, schoten van lichte wapens en de effecten van antipersoneelsmijnen. Deze
voertuigen zullen de jeeps ILTIS vervangen die al sinds 1985 in dienst zijn. Zij zullen meer
plaats bieden voor personeel: 4 personen met uitrusting. Het betreft in totaal ongeveer 830
voertuigen en 300 beschermingskits.
Special forces
Aanschaf van dual band radiomiddelen (VHF/HF) bestemd voor het personeel van de
compagnie Special Forces (SF). Deze posten verzekeren de verbinding tussen de
ploegcommandanten en de commandopost van de compagnie SF. De verwerving is
voorzien door middel van één vaste en één optionele schijf. Totaal aantal aan te schaffen
posten: 21

Operaties van het ogenblik
Libanon
Deelnemen aan de VN-operatie in Libanon, daar kan je beter grondig op voorbereid zijn.
Daarom volgden de Belgische militairen van Unifil (United Nations Interim Force in
Lebanon) in september onder meer een extra praktijkcursus eerste zorgen, helemaal
afgestemd op de verzorging van gewonden in tactische situaties. Verder doordrenkte een
Libanees cultuurbad hen van de lokale gebruiken en gewoonten.

Balkan
De onafhankelijkheidsverklaring van Slovenië en Kroatië op 25 juni 1991 betekent het begin
van een burgeroorlog in ex-Joegoslavië. Europa kan niet onverschillig blijven toekijken. Op
23 maart 1992 vertrekken vijftien officieren om de vredesopdracht van de Belgische troepen
voor te bereiden. Bijna vijftien jaar later is Defensie nog altijd aanwezig met een 240-tal
militairen.

Bosnië
In Bosnië is er het hardst gevochten en zijn de gruwelijkste misdaden tegen de menselijkheid
gepleegd. Bovendien heeft het land vanuit etnisch oogpunt de meest gediversifieerde
bevolking. Het wantrouwen tussen de verschillende bevolkingsgroepen is hier nog sterk.
Eufor, de Europese vredesmacht in Bosnië, legt steeds meer de nadruk op politionele acties
en economische wederopbouw. Eufor geeft ook steeds meer bevoegdheden en taken over
aan de Bosnische autoriteiten.
Net zoals verleden jaar werken er gedurende zes maanden drie Belgische A-109-helikopters
en een veertigtal personeelsleden onder Eufor-vleugels. Hun voornaamste opdrachten zijn
de uitvoering van ambulancevluchten en steun aan de strijd tegen de georganiseerde
misdaad.

Kosovo
Kosovo is het jongste conflictgebied in ex-Joegoslavië. Hier smeult het etnische wantrouwen
tussen de Serviërs en de Albanezen aan de oppervlakte.
België is nog actief in Kosovo met een kleine 200 soldaten. Ze werken er onder Frans
commando. De Belgische regering evalueert voortdurend de aanwezigheid van de Belgische
troepen. Voorlopig staan er nog twee verlengingen van vier maanden op stapel. Daarbij zou
er bij de eerstvolgende aflossing een Mongolische peloton in een Belgische compagnie
werken. Voor de tweede aflossing zou er een Rwandees peloton bij de Belgen ondergebracht worden.

Afrika
Afrika en België maken elkaar al jarenlang het hof. Het is een onstuimige relatie met veel ups
en downs, met gedenkwaardige meningsverschillen en heftige verzoeningen. Wanneer de
nood hoog is, reppen de Belgen zich naar Afrika. Een korte terugblik op de voorbije missies.

Interviews
Verslag interview DOVO 27 oktober 2006
(interview met commandant Jacobs op 27 oktober 2006 te Meerdaal kwartier Meerdaalbos)
In de eerste plaats zou ik Luitenant-Kolonel Carrette, bevelhebber van DOVO, en
Commandant Jacobs willen bedanken voor de zeer goede ontvangst, de interessante
uiteenzetting en rondleiding op de basis.
Hoe zijn jullie onderverdeeld in het Belgische leger? (structuur?)
DOVO (Dienst voor Opruiming en Vernietiging van Ontploffingstuigen) bestaat uit 3
kwartieren: Zeebrugge waar een duikersschool is voorzien en een EOD eenheid die
gespecialiseerd is in opruiming van zeemijnen, Poelkapelle waar een EOD eenheid is die
gespecialiseerd is in opruiming van toxische munitie uit WOI en waar dus ook de benodigde
infrastructuur is om deze taak te vervullen, en tenslotte Meerdaal. In Meerdaal bevindt zich
de staf van DOVO, het EOD-IEDD intelligence centre, een EOD eenheid en een IEDD
eenheid. Als je DOVO moet onderverdelen in 2 andere groepen kan je dus duidelijk de
EOD en de IEDD onderscheiden.
De EOD (Explosive Ordnance Disposal) heeft als voornaamste taak de opruiming van
munitie uit WOI en WOII en dit is nog een steeds een fulltime bezigheid, ook al zijn we al
ruim 60 jaar verder. De opruiming van toxische munitie in Poelkapelle is een zeer
arbeidsintensief werk omdat dit bijvoorbeeld in speciale NBC-pakken moet gebeuren om het
personeel te beschermen. Dit gebeurt dan ook nog eens in speciale bunkers om de gevolgen
van een mogelijk ongeluk zoveel mogelijk in te perken. Er zijn betere omstandigheden om in
te werken. Op de basis in Meerdaal is overdag altijd een interventieteam van de EOD
aanwezig. Oproepen die zij binnenkrijgen worden eerst naar prioriteit ingedeeld (toxische
munitie is gevaarlijker dan een verroeste obus,…) en vervolgens begint men dan dit lijstje af
te werken. ’s Nachts is er geen permanentie op de basis maar in geval van nood moet het
team van permanentie op een uur tijd op de basis kunnen zijn om dan vervolgens uit te
rukken.
Dan hebben we ook nog de IEDD (Improvised Explosive Device Disposal). Zoals de naam
zegt is dit dus de ontmijning en opruiming van zelfgemaakte bompakketten,
autobommen,… Kortom het antibanditisme en antiterreur. Wat de hoogste prioriteit heeft
qua oproepen, zijn natuurlijk de IEDD’s. Zeven dagen lang, 24 uur op 24, staat er een
interventieploeg op stand-by. Deze periode moeten de militairen dus op de basis blijven. Na
zeven dagen worden ze afgelost door de volgende ploeg. Het is duidelijk dat dit dus wel wat
vergt van zowel de militairen als de familie van deze militairen. Indien de IEDD ploeg moet
uitrukken krijgt de volgende ploeg een uur tijd om naar de basis te komen als reserveploeg
om andere binnenkomende oproepen te beantwoorden. Ook heeft de IEDD als taak om de
gerechtelijke instanties bij te staan met hun kennis wat betreft explosieven. Commandant
Jacobs is commandant, ploegchef, van een IEDD team en is deze week van permanentie.

Naast de EOD en IEDD taken doet men natuurlijk veel aan training. Zelf geeft DOVO
trainingen aan politiediensten, beveiligingsbedrijven, buitenlandse ontmijners, ... Deze
trainingen hebben meestal als doel de veiligheidsdiensten duidelijk te maken wat ze moeten
doen bij een bommelding in afwachting van de komst van DOVO. De trainingen met
buitenlandse collega’s heeft natuurlijk als doel de eigen kennis te verbreden, nieuwe
technieken aan te leren,…
Hoe gaan jullie te werk bij een bommelding? (procedures?)
Er wordt dus eerst nagegaan wat de aard van de bedreiging is en vervolgens wordt er op
basis hiervan beslist om een EOD of een IEDD ploeg uit te sturen. Een EOD ploeg kan 3
tot 5 mannen inhouden. De EOD zal steeds proberen om de munitie ter plaatse te
elimineren. Dus bijvoorbeeld een put graven van 3-4 meter diep, de munitie hierin leggen, en
met behulp van plastische explosieven dit opblazen. Let wel op: dit zijn nauwkeurig
berekende risico’s die men neemt. Men kan vrij goed voorspellen hoe de munitie zich zal
gedragen indien deze ontploft en men zal dus extra explosieven plaatsen op een bepaalde
manier zodanig dat de bom niet volledig fragmenteert en de granaatscherven dus niet
honderden meters ver vliegen. Men zal altijd proberen om de risico’s zoveel mogelijk te
beperken voor de omgeving. Bij toxische munitie echter moet deze dus naar Poelkapelle
gebracht worden waar men met behulp van X-ray-bestraling de toxische lading kan
lokaliseren in de bommen om deze dan te verwijderen. De overige explosieven worden dan
in een speciaal geïsoleerde kamer gestoken en opgeblazen. Dit gebeurt in een geïsoleerde
kamer omdat er nog steeds een kans bestaat dat niet alle toxische stoffen verwijderd zijn uit
de bom en deze dus zouden kunnen ontsnappen. Nog een belangrijk aspect aan deze EOD
taak is natuurlijk de identificatie van de munitie. Vooraleer men tot al deze handelingen over
kan gaan, moeten de ontmijners wel goed weten met welk type munitie ze te maken hebben
en dit vormt eigenlijk de grootste moeilijkheid aan deze EOD-taak. Munitie uit de eerste en
tweede wereldoorlog is meestal in zeer slechte staat. Ook kende men toen natuurlijk nog niet
de NATO-kleurencodes zoals we die vandaag de dag kennen (Met deze kleurencode kan
men zien over welk type munitie het gaat, een groene lijn bijvoorbeeld betekent high
explosive enzovoort). Een interessant weetje: sinds 1999 heeft DOVO 12000 ‘shells’
(=granaten) opgeruimd, toxische en niet-toxische.
Een IEDD-ploeg bestaat uit een commandant, twee techniekers (onderofficieren) en een
chauffeur. Bij een interventie moet deze ploeg over heel België kunnen uitrukken. Hiervoor
hebben ze een commandowagen en een materiaalwagen ter beschikking. Hun eerste taak
bestaat dus uit de neutralisatie van bompakketjes e.d. Hiervoor gaan ze dus als ze ter plaatse komen steeds proberen te verkennen met de robot. De IEDD heeft speciale robotten ter beschikking om benaderingen en neutralisaties uit te voeren. Deze robot is uitgerust met
allerlei sensoren en zogenaamde “wapens”. Deze wapens zijn geweren die een lading water
kunnen afvuren. Door middel van kruit wordt dit water met een dergelijk grote kracht
afgevuurd dat het zonder problemen mooi door de carrosserie van een wagen kan
penetreren. Dit is dus zeer handig om van op veilige afstand het slot bijvoorbeeld uit de
koffer te schieten en vervolgens te kijken wat erin steekt. Bovendien kan men met dit wapen
ook elektrisch aangedreven bommen uitschakelen. De grote moeilijkheid hier is natuurlijk
met behulp van het water de elektronische circuits in de ontsteker van de bom uit schakelen
nog voordat de ontsteker een elektrische impuls zou kunnen geven aan de bom om tot
ontploffing gebracht te worden. De kracht en snelheid waarmee het water wordt afgevuurd
is dus echt ontzettend groot. Indien een benadering met de robot niet lukt, moet men de bom persoonlijk benaderen en hier hebben ze dan speciale beschermingspakken voor. Een
volledig pak weegt 30 kg en heeft een ventilator achteraan de helm voor toevoer van
zuurstof. Commandant Jacobs vertelt dat dit eigenlijk het meest beangstigende aspect aan
deze baan is. Vanaf je een dergelijke pak aantrekt, krijg je ineens een claustrofobisch gevoel.
Je kunt moeilijk ademen in het pak, het is snikheet, het is loodzwaar, en door de helm krijg je
een beperkt gezichtsveld, een tunnelvisie. Je kunt niet zien wat er rondom je gebeurt. Alleen
als je in dat beschermingspak rondloopt, besef je eigenlijk dat het werk toch serieuze risico’s
kan inhouden. Nog een interessant weetje: in 2005 heeft DOVO 203 interventies moeten
uitvoeren.
Kun je bepaalde tendensen, “modegrillen”, opmerken in de loop der jaren? (aard van bommeldingen e.d.?)
Ja, het grootste aantal oproepen dat we op een jaar al hebben gehad, was in 1985, namelijk
210 en in 2005 hadden we ook meer oproepen als gewoonlijk. In 1985 kwam dit door de
aanslagen van de CCC (Cellules Communiste Combatants) en nu met de zogenaamde “war
on terror” ziet men ineens ook overal terroristen met als gevolg dat wij meer werk krijgen.
Een gemiddeld aantal oproepen per jaar is 150, vorig jaar hadden we er dus 203. Door de
aanslagen enkele jaren geleden in Madrid en vorig jaar in Londen is dit aantal duidelijk
gestegen. Maar je kunt wel stellen dat 80% van de opdrachten uiteindelijk niets is, al moet je
natuurlijk wel elke opdracht als ‘echt’ beschouwen.
Wat vormt, volgens jullie, de grootste bedreiging vandaag de dag?
Wat nog steeds een gevaar vormt, zijn de munitie uit WOI en WO-II. Vooral omdat mensen
ook niet weten hoe ze daar mee om moeten gaan als ze zoiets vinden. Als je een oproep
krijgt van de lokale politie, vragen ze natuurlijk direct of dat ze in afwachting op de komst
van DOVO het gebied al moeten afzetten, maar juist dan ga je een soort ramptoerisme
krijgen en mensen hebben die pas echt stomme dingen doen. Meestal proberen we als raad
te geven om zo discreet mogelijk om te gaan met dergelijke bedreiging. Vind je ergens een
obus op een akker, laat die dan gewoon liggen. Begin niet heel de wijk af te zetten met
dranghekken want dan doe je de situatie gevaarlijker voor als dat ze eigenlijk is. En dit met
als enige gevolg dat je de mensen onnodig bang maakt. Ook bij de IEDD kan je soortgelijke
situaties aantreffen. Je wordt bijvoorbeeld opgeroepen voor een ‘verdacht’ voertuig, je komt
dan ter plaatste, er staat een agent overdreven te zwaaien dat we tot daar moeten komen, en als je dan aan hem vraagt waar dat ‘verdacht’ voertuig staat, wijst ie angstig de wagen aan die naast hem staat. Een aantal dergelijke situaties zouden niet mogen voorkomen. We proberen de politiediensten steeds duidelijk te maken dat er veilige perimeter van minstens 100m zou moeten opgesteld worden, liefst zelfs 200m maar dit is moeilijk realiseerbaar in grootsteden als Brussel en Antwerpen. Ook moet wel gezegd worden dat politiediensten in grootsteden beter weten om te gaan met dergelijke bedreigingen door het feit dat zij daar vrij regelmatig mee geconfronteerd worden.
Op welke buitenlandse missies zijn jullie momenteel aanwezig?
Wij zijn voornamelijk actief in Afghanistan, zowel in de hoofdstad Kabul als in de provincie
Kunduz. Hier is het voornamelijk landmijnen en onontplofte springtuigen uit de vroegere
Russische oorlog opruimen. Ook staan wij in voor de beveiliging van de NATO-luchthaven
in Kabul.
Sinds kort zijn we nu ook actief in Libanon sinds de recente oorlog die daar heeft
plaatsgevonden. De grootste vuiligheid die we daar moeten opkuisen, zijn
antipersoneelsmijnen gedropt door het Israëlisch leger. Deze worden gewoon in
clusterbommen boven akkers en soms zelfs dorpen gedropt met als gevolg dat deze op echte gevaarlijke plekken kunnen liggen. In iemands tuin, op straat, in de buurt van een school, …
De ontmijners die missies naar het buitenland doen, zijn meestal EOD-ploegen. Het is dus
hetzelfde ploegensysteem als hier in België. Dat wil zeggen dat je samen met dezelfde
ploegleden naar het buitenland gaat. Waarom alleen de EOD-ploegen? Omdat hun taak
opruiming van munitie uit verleden oorlogen is en zij hier dus het meeste ervaring mee
hebben.
Met ontmijningsmissies in het verleden in Kroatië, Kosovo, Bosnië-Herzegovina, Benin, Rep
Dem Kongo, Libanon, Afghanistan, Irak, Somalië, Cambodja, Laos en Indonesië hebben we
al een aardige palmares.
Hoe wordt je ontmijnen? (opleiding?)
Je moet al militair zijn om voor deze functie te solliciteren, je kunt niet zeggen: “Ik ga in het
leger als ontmijnen”. Als er een open plaats is bij de ontmijning kan je solliciteren voor die
baan en dan wordt er nagegaan of je in aanmerking komt voor die baan. Wat bijvoorbeeld
zeker een vereiste is, is de cursus “munitievernieuwer” die je kunt volgen. In deze één jaar
durende cursus krijg je al een bepaalde technische bagage over munitie mee. Nadat je deze
cursus hebt gevolgd kan je in aanmerking komen voor de cursus ontmijning. Als je je
opleiding ontmijning kan afronden na twee jaar, behoor je automatisch tot de EOD. Om
dan tot de IEDD te kunnen behoren moet je nog een opleiding van een jaar volgen met
stages in het buitenland. Ook kan je je nog bijvoorbeeld specialiseren als duiker.
Waarom kies je voor een baan als ontmijnen?
Voor de afwisseling. Je weet nooit wat je staat te wachten bij de volgende oproep. En
natuurlijk ook de kick tijd. Om 7.30 uur ’s ochtends in de spits naar Brussel scheuren in 13
minuten tijd met een politie escorte tegen 180km/h op de pechstrook, en vervolgens een
splinternieuwe Alfa Romeo volledig kunnen kapotschieten met de robot omdat de koffer
niet wil openen, en nadien tegen de eigenaar van de wagen zeggen dat dat ons probleem niet is, daar doen we het voor (lacht).

Verslag interview gevechtsinfanterie 30 oktober 2006
(interview met eerste soldaat Gunter Gilbert, Regiment Carabiniers/Grenadiers op 30
oktober 2006 te Leuven)
Hoe zijn jullie onderverdeeld in het Belgische leger?
Ik behoor tot het Regiment Carabiniers Prins Boudewijn – Grenadiers. Wij zijn één van de
vier infanterieregimenten van het Belgische leger. Een regiment wordt altijd onderverdeeld in
een aantal bataljons, bataljons worden nogmaals onderverdeeld in compagnieën,
compagnieën zijn nog eens onderverdeeld in pelotons en een pelotons is onderverdeeld in
een aantal sectie. Een sectie bevat een achttal manschappen. Ik ben de specialist zwaar
wapen in mijn sectie, wat wil zeggen dat ik met een minimi (zwaar machinegeweer, vuurt 700
tot 1000 patronen per minuut) rondloop. Momenteel ben ik nog eerste soldaat in mijn sectie,
maar ik ben geslaagd voor mijn toelatingsexamens voor onderofficier, dus volgend jaar mag
ik beginnen met mijn opleiding tot onderofficier om dan de graad van sergeant te behalen.
Wat voor opleiding heb je genoten?
Ik ben afgestudeerd in het middelbaar in elektriciteit-mechanica, maar wou hier niet echt iets
mee gaan doen. Mijn vader is militair en dit was dus zo’n beetje een jeugddroom geworden
om in het leger te gaan. Ook dat ik bij de gevechtsinfanterie wou, wist ik al lang op
voorhand. Normaal gezien wou ik voor duiker gaan bij de marine, maar aangezien ik lenzen
draag, kon ik de baan van duiker niet beoefenen. Met als gevolg dat mijn tweede keuze,
infanterie, realiteit is geworden. Ik heb een training van 1 jaar doorlopen. De opleiding
gevechtsinfanterist behoort tot één van de zwaarste uit het Belgische leger, naast die van
speciale strijdkrachten “special forces” natuurlijk. Er wordt vaak gezegd dat de opleiding
paracommando de zwaarste is voor gewone soldaten (buiten de special forces dus), maar in
werkelijkheid is hun opleiding juist dezelfde als die van ons. Het enige verschil tussen een
gevechtsinfanterist en een paracommando is dat een paracommando ook nog leert
parachutespringen. De tactische training, de wapentraining, eerste-hulptraining, fysieke- en
mentale training, … is volledig hetzelfde. Deze training vergt ook echt veel, zowel fysiek als
mentaal. Ik heb mijzelf, tijdens lange dagmarsen, heel dikwijls de vraag gesteld waarom ik in
godsnaam voor dit vak heb gekozen. Je leert constant je eigen grenzen verkennen en deze te overschrijden. Binnenkort staat mij dit allemaal opnieuw te wachten als ik start met mijn
opleiding tot onderofficier. Opnieuw moet ik dan een opleiding volgen van 8 maanden. Maar
ik heb het ervoor over.
Wat is nu eigenlijk jouw taak?
Mijn specifieke taak binnen mijn sectie is dus specialist zwaar wapen. Bij gevechten zorg ik
dus voor de nodige vuurkracht. Als ik gedaan heb met mijn opleiding onderofficier zou ik
misschien een eigen sectie toegewezen kunnen krijgen. Dit wil zeggen dat ik
verantwoordelijk wordt voor een aantal mannen. Dan is het mijn taak deze te leiden in een
gevechtssituatie, mijn toegewezen missie te vervullen en iedereen ongedeerd thuis zien te
krijgen, een grote verantwoordelijkheid.
Mijn regiment is voornamelijk gespecialiseerd in FIBUA (=gevechten in bebouwde zone),
humanitaire operaties (bescherming van medische personeel, genie, …) en we zijn
luchtmobiel. Dat wil zeggen dat we inzetbaar zijn met helikopters. Wij zijn getraind op
insertie op het slagveld met helikopters via rappel, of door te springen vlak boven de grond
als er mogelijk landmijnen liggen, en direct een veilige perimeter te kunnen opstellen zodat
andere eenheden kunnen volgen. De mogelijkheid tot insertie met helikopters maakt dat wij
ook geschikt zijn voor snelle aanvallen op een vijandelijk gebouw bijvoorbeeld om
vervolgens onmiddellijk te kunnen terugtrekken.
In december vertrekken we met de compagnie naar Kosovo voor aflossing van de aanwezige troepen daar. Natuurlijk zijn we daar nu volop voor aan het trainen. Onze missie daar is verkenningen uitvoeren, de connecties met de bevolking onderhouden, de plaatselijke autoriteiten steun bieden en natuurlijk de Belgische niet-gevechtseenheden beschermen. We zouden vier maanden in Kosovo verblijven. Dit wordt ook mijn eerste grote, buitenlandse operatie. Dat is altijd wel spannend.
Als we geen geplande missies hebben, zijn er altijd wel andere dingen die we moeten doen:
nieuwe technieken gevechtschieten aanleren, onderhoud van materiaal, eigen conditie op peil houden, …
Jouw baan houdt toch serieuze risico’s in. Ben jij nooit bang?
Natuurlijk heb ik nog nooit in een echte gevechtssituatie, waar je ineens genoodzaakt bent te
vechten voor je eigen leven, gezeten. En natuurlijk ben je je er soms wel ineens bewust van
dat het gene waar je mee bezig bent wel eens dramatische gevolgen zou kunnen hebben,
maar ik vertrouw voldoende op mijn training om hier telkens heelhuids door te geraken. Ik
vertrouw mijn kameraden dat zij voor mij zullen vechten (en ik voor hen) als het moet, ik
vertrouw op mezelf dat en op mijn kunde die ik heb opgedaan tijdens mijn training, en ik
vertouw op mijn oversten, dat zij nooit onnodige risico’s zullen nemen bij de deployment
van de troepen.
Wat maakt jou baan zo speciaal?
De uitdaging natuurlijk. Ik ben een sportman en in deze baan krijg ik echt de kans om een
aantal uren per dag intensief te sporten en er nog voor betaald te worden ook. Ook het
kameraadschap is heel speciaal. De band tussen de mannen in de sectie is echt enorm. Dit is zo’n beetje een cliché dat er heerst over het leger, maar het is echt zo. Je steunt elkaar door dik en dun, als iemand niet meer kan volgen met de lange dagmarsen, dan neemt iemand zijn rugzak over, en iemand anders zijn wapen, de mannen zijn zelfs bereid om hem te dragen als het moet. Er zal nooit iemand achtergelaten worden. Ze gaan letterlijk door het vuur voor elkaar. Ik kan mij geen andere baan inbeelden waar zo’n sterk kameraadschap centraal staat in het werk. En wat de baan nog specialer maakt is de kick. Als je vanuit een helikopter gedropt wordt, een perimeter opstelt en vervolgens aanvallen op de vijand begint uit te voeren en al die luide knallen en explosies rondom je heen hoort, dat geeft zo’n geweldige adrenalinerush die ik voor geen geld ter wereld niet meer zou willen missen.

Enquête
Het doel van deze enquête was te peilen naar de publieke opinie van het volk over het
Belgische leger en over de kennis van het volk over het Belgische leger.
Over het algemeen kunnen we besluiten dat er bitter weinig geweten is over het Belgische
leger en dat de meeste mensen niet te springen staan om in het leger te gaan.
In het totaal hebben 169 mensen den enquête volledig of gedeeltelijk ingevuld de resultanten
zullen nu vraag per vraag besproken worden.
Vraag 1 tot en met 5 zijn vragen die rechtstreeks pijlen naar het imago van het Belgische
leger, de andere vragen proberen de kennis van Jan met de pet te achterhalen over het
Belgische leger en toont aan hoe geïnterneerd mensen zijn in ons leger. Het is vrij duidelijk
uit de enquête dat mensen weinig weten over het Belgische leger en bovendien weinig mee
zijn met recente wereldgebeurtenissen.
Vraag 1: Gemiddelde leeftijd – zie Tabel 1
De Gemiddelde leeftijd bedraagt 19.3 jaar, dit is vooral te danken aan het feit dat de
enquêtes vooral zijn ingevuld door mensen uit de entourage van de teamleden.
Vraag 2: Zou u naar het leger gaan ? – zie tabel 2
Het merendeel van de ondervraagden ziet een job in het leger niet zitten, reden hiervoor
zullen verder onderzocht worden in de volgende vragen.
Vraag 3: Zou de dienstplicht opnieuw moeten worden ingevoerd ? – zie tabel 3
Het grotendeels van de ondervraagden ziet een dienstplicht niet zitten of ziet die er liever
niet terug komen, dit heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat de meesten al niet naar
het leger willen in de eerste plaats.
Vraag 4: Waarom zou u naar het leger gaan ? – zie tabel 4
De meeste ondervraagden, ,moesten ze toch naar het leger gaan om iets bij te leren en
gewoon voor de kick, patriottisme is ver te zoeken bij de meeste mensen kunnen we hieruit
concluderen.
Vraag 5: Waarom zou niet u naar het leger gaan ? – zie tabel 5
Het merendeel van de mensen zou niet naar het leger gaan omdat de kans bestaat dat ze
moeten vechten en niet omdat het Belgische leger een slecht imago zou hebben.
Vraag 6: Hoeveel mensen telt het Belgische leger ? – zie tabel 6
Het meerendeel van de mensen blijkt een goed iedee te hebben van onze groote van de
strijdmacht.
Vraag 7: Hoeveel vrouwen telt het Belgische leger ? – zie tabel 7
De meeste ondervraagden weten niet dat er bijna geen vrouwen zijn in het Belgische leger,
zijnde 3%
Vraag 8: Hoeveel schepen telt het Belgische leger ? – zie tabel 8
Het Belgische leger telt twee volwaardige schepen, fregatten van Nederlandse makelarij. De
meeste ondervraagden hadden ook hier geen flauw benul van.
Vraag 9: Heeft het Belgische leger een duikboot ? – zie tabel 9
Het Belgische leger beschikt over geen duikboten, wederom het merendeels van de
ondervraagden wist dit niet.
Vraag 10: Heeft België kernwapens ? – zie tabel 10
België heeft geen kernwapens, dit wiste de meeste mensen blijkbaar wel, waarschijnlijk door
de recente media-aandacht
Vraag 11: Wie is de opperbevelhebber van het Belgische leger? – zie tabel 11
De meeste ondervraagden hadden het antwoord wel juist, toch valt op dat sommige mensen
zo bitter weinig van de politieke structuur van ons land kennen en bijgevolg deze vraag
verkeerd beantwoorden.
Vraag 12: Zou u het leger andere bevoegdheden geven? – zie tabel 12
Het merendeel van de ondervraagden duid hier een bestaande bevoegdheid aan, nogmaals
het bewijs dat zelf de elementaire taak van het leger niet gekend is.
Vraag 13: Zou u het leger andere bevoegdheden geven? – zie tabel 13
Deze vraagt toont niet alen aan de meeste mensen niets weten over het Belgische leger maar
ook niet mee zijn met de media aangezien sommige denken dat er militairen zitten in Noord-
Korea.

Enquête Resultaten
Aantal ingevulde enquêtes: 169
Leeftijd
0
10
20
30
40
50
60
70
80
90
100
1 punt
3-4. Iedereen kort aan het woord laten ivm zijn uit te voeren opdracht & bespreken:
Iedereen had zijn opdracht goed uitgevoerd. De structuur van het Belgische leger was zo goed als klaar, er werd enkel besloten dat, Wim en ik, nog enkel de rangen en de geschiedenis van het Belgische leger moeten toevoegen. Voor de andere groepen moet de verwerkte informatie samen gelegd worden, vermits iedereen eerst apart zijn informatie verwerkte.
5. Enquête laten controleren door de docent en deze achteraf verbeteren:
Zoals de verbetering aangaf in het vorige verslag, moesten we dus eerst de enquête laten
controleren door de docent. De fouten werden achteraf verbeterd. Kunnen jullie de enquête
toch nog toevoegen aan het volgend verslag aub?
6. Nieuwe taakverdeling opstellen voor de komende weken:
To Do-lijst
Nr Omschrijving taak Verantwoordelijke Deadline Status
1 Enquête online zetten Ruben 20/10 In Progress
2 Afwerken Middeleeuwen Jelle & Steven 23/10 In Progress
3 Afwerken Me – WO I Ruben 23/10 In Progress
4 Afwerken Heden Gregory & Jeroen 23/10 In Progress
5 Structuur Leger Afwerken
(Rangen + geschiedenis bijvoegen)
Wim & Willem 23/10 In Progress
6 Afwerken Oudheid Thomas & Gaetan 23/10 In Progress
7 Doorsturen van afgewerkte versies
naar Gregory
Team 23/10 In Progress
8 Samenbrengen tot 1 geheel Gregory 26/10 In Progress
9 Enquêtes verspreiden Team 29/10 In Progress
10 Logboek bijhouden en doorsturen Team 01/11 In Progress
11 Interviews afnemen
Met wie? data?
Vragenlijst reeds opgemaakt?
Thomas & Ruben 29/10 In Progress
12 Project enquête analyseren en
afwerken (Grafieken, …)
Nog te bepalen 01/11 In Progress
13 Opmaak van het “geheel”
Gaëten 05/11 In Progress
14 Voorwoord, samenvatting,
inleiding, besluit, … schrijven.
Team 02/11 In Progress
15 Procespunten opstellen Gregory 01/11 In Progress
16 Werkschema ?? wat bedoelen
jullie hiermee?
Thomas 01/11 In Progress
Erasmushogeschool Brussel
Project communicatievaardigheden I
Groep 12 Project I 3
7. Agenda voor volgende vergadering opstellen (26/10/2006):
Agendapunten
Punt Geschatte tijd.
Evaluatie vorig verslag 5 min.
Bespreken van eerste afgewerkte versie 40 min.
Evaluatie van het interview 15 min.
Evaluatie van de enquête 15 min.
Algemene bespreking van de taakverdeling ivm opmaak 15 min.
Bespreking en evaluatie deadlines 10 min.
Vergaderschema 26/10/2006
Voorzitter Wim Arnouts
Verslaggever Jeroen Delcourt
Timemanager Willem De Vits
8. Evaluatie van de vergadering
Het was een aangename vergadering voor iedereen. Er werd een goede vooruitgang gemaakt
en dit onder een “perfecte” sfeer, zover dit mogelijk was. Iedereen nam actief deel aan de
vergadering en er werd naar iedereen geluisterd.
Over de voorzitter zijn er geen klachten, hij had zich goed voorbereid. De vergadering duurde
ongeveer 2 uur, deze gingen snel voorbij door de leuke en aangename sfeer.
Erasmushogeschool Brussel
Project Communicatievaardigheden 1
Project groep 12: Evolutie van het oorlogvoeren.
Beoordeling: 9/10
Zelfde positieve conclusies als in het vorig verslag – ik hoop dinsdag 31/10 (voor 12u30)
een eerste versie van jullie rapport in mijn bezit te hebben zodat ik dit tijdens de vakantie
kan nalezen.
1 agendapunt werd toegevoegd voor volgende vergadering.
Opgelet: einde vergadering: 15u 45 – een paar typfoutjes in enquête
Verslag vergadering nr. 4
Datum vergadering: 26/10/2006
Locatie: In de gang op de eerste verdieping
Aanwezigen: Gregory Oldyck, Wim Arnauts; Gaëtan Franckx, Willem De Vits,
Jelle Vervloessems, Jeroen Delcourt, Thomas Moeraert, Ruben Decleyn.
Afwezigen: Steven Robijns (Verwittigd)
Reden: Rijexamen
Agenda vergadering
Nr.
Punt Geschatte tijd
1 Aanwezigheden checken 5 min
2 Evaluatie vorig verslag 5 min
3 Bespreking van de eerste versie van het projectwerk 35 min
4 Voorleggen van de vragen van het interview + bespreking 10 min
5 Evaluatie van de enquête 10 min
6 Nieuwe taakverdeling opstellen 25 min
7 Agenda voor de volgende vergadering opstellen 10 min
8 Evaluatie van de vergadering 5 min
Uitgereikte of verdeelde documenten:
- Eerste versie van het schriftelijke projectwerk
Voorzitter Wim Arnauts
Verslaggever Jeroen Delcourt
Timemanager Willem De Vits
Erasmushogeschool Brussel
Project Communicatievaardigheden 1
- Vragen die gesteld worden in het interview
Besproken onderwerpen
2.? Evaluatie van het vorige verslag
De groep was zeer positief over het vorige verslag en uiterst blij met de behaalde score,
de hele groep is gemotiveerd om op deze manier te blijven verder werken.
3. Bespreking van de eerste versie van het projectwerk
De meerderheid van het werk was in orde, doch moeten er hier en daar nog zaken
bijgeschaafd, bijgevoegd en herwerkt worden om het werk tot een mooi geheel om te
vormen. Vooral de tekst over het heden en over het Belgische leger miste ofwel de
doelstelling of er ontbrak eenheid.
4. Voorleggen van de vragen van het interview + bespreking
De vragen die opgesteld zijn door Ruben en Thomas zijn ingekeken en goed bevonden
door het team zodat zij deze vragen kunnen stellen aan de personen die ze gaan
interviewen.
5. Evaluatie van de enquête
De enquête staat momenteel online en er worden zoveel mogelijk mensen toe
aangespoord deze in te vullen, zodat we een realistisch beeld krijgen van de kennis die de
mensen bezitten over het Belgische leger.
6. Nieuwe taakverdeling opstellen
To Do-lijst
Nr. Omschrijving taak Verantwoordelijke Deadline Status
1 Verwerken van de
enquête + tekst
Ruben 6/11 In Progress
Erasmushogeschool Brussel
Project Communicatievaardigheden 1
schrijven
2 Aanpassen tekst
Heden
Jeroen 1/11 In Progress
3 Logboek afwerken en
posten
Team 1/11 In Progress
4 Enquête online zetten Ruben 27/10 Done
5 Herwerken teksten Team 1/11 In Progress
6 Doorsturen tekst ME Jelle 26-27/10 In Progress
7 Interviews afnemen Ruben & Thomas 27/10 10.00
u
In Progress
8 Bibliografie posten Team 1/11 In Progress
9 Samenvatting
schrijven
Ruben 6/11 In Progress
10 Inleiding schrijven Jelle 6/11 In Progress
11 Werkwijze schrijven Wim & Willem 6/11 In Progress
12 Inleiding 1ste generatie
schrijven
Thomas 6/11 In Progress
13 Besluit schrijven Steven 6/11 In Progress
14 Schrijven
procesverslag
Ruben 6 /11 In Progress
15 Voorwoord schrijven Jeroen 6/11 In Progress
16 Interviews afnemen en
uitwerken
Ruben & Thomas 6/11 In Progress
17 Finaal afwerken tekst
+ binnenbrengen
Gregory 7/11 In Progress
7. Agenda voor de volgende vergadering opstellen
Agendapunten
Nr. Punt Geschatte tijd
1 Evaluatie van het vorig verslag 10 min
2 Bespreking van de tweede afgewerkte versie en kijken wat er
eventueel moet aangepast worden mbv feedback docent
40 min
3 Verslag inbinden en afgeven, wie wat waar ? 10 min
4 Brainstormen over de presentatie, inhoud? 30 min
5 Taakverdeling presentatie 15 min
6. Evaluatie van het teamwerk: 15 - 30 min
Hoe gaat het met het team?In welke ontwikkelingsfase zit het team? Is die fase
effectief voor wat jullie willen bereiken? Welke andere fasen heeft het team zeker
al doorlopen?
Past de huidige gerichtheid (balans taak- of relatiegericht) bij de taken/doelen en
situatie?
Erasmushogeschool Brussel
Project Communicatievaardigheden 1
Met welke taken is het team vooral bezig geweest?
Werden er duidelijke afspraken gemaakt (wie wat moet doen – tegen wanneer?)
Zijn de teamdoelstellingen voor iedereen duidelijk? En staan alle teamleden
onvoorwaardelijk achter de doelstellingen?
Denkt het team dat de doelen haalbaar en uitdagend zijn?
Wat kan het team eventueel veranderen en hoe?
Hoe kan de samenwerking beter of plezieriger?
Vergaderschema volgende vergadering
8. Evaluatie van de vergadering
De vergadering verliep onder een gemoedelijke sfeer en ging goed vooruit, we bereikten
snel de doelen die we ons hadden vooropgesteld dus iedereen was tevreden. Het werk
was vrij snel klaar aangezien het verslag zich in het laatste stadium bevindt.
Bijlage 1: enquête
Voorzitter Steven
Verslaggever Jelle
Timemanager Ruben
Erasmushogeschool Brussel
Project Communicatievaardigheden 1
Project groep 12: Evolutie van het oorlogvoeren.
Verslag vergadering nr. 5
Datum vergadering: 09/11/2006
Locatie: In de gang op de eerste verdieping
Aanwezigen: Gregory Oldyck, Wim Arnauts; Gaëtan Franckx, Willem De Vits,
Jelle Vervloessems, Jeroen Delcourt, Thomas Moeraert.
Afwezigen: Ruben Decleyn (geen reden)
Agenda vergadering
Nr.
Punt Geschatte tijd
1 Aanwezigheden checken 5 min
2 Evaluatie vorig verslag 5 min
3 Bespreking van de tweede versie van het projectwerk 35 min
5 Evaluatie van de enquête 10 min
6 Taakverdeling presentatie opstellen 25 min
7 Agenda voor de volgende vergadering opstellen 10 min
8 Evaluatie van de vergadering 5 min
Voorzitter Thomas Moeraert
Verslaggever Steven Robijns
Timemanager Jelle Vervloessem
Erasmushogeschool Brussel
Project Communicatievaardigheden 1
Gebruikte documenten:
- Huidige versie van het schriftelijke projectwerk
Besproken onderwerpen
1. Bespreking van de resultaten
De geleverde resultaten zijn goed, maar soms is er wat vertraging opgelopen door de
naderende examens en andere omstandigheden. In die gevallen werd er een nieuwe
strikte deadline opgesteld.
2. Logboek
Het logboek is nog niet volledig en wordt zo spoedig mogelijk (tegen 10/11)
vervolledigd.
3. Evaluatie van de enquête
We moeste nog een aantal enquêtes laten invullen om het vooropgestelde aantal te halen.
Het leeftijdsbereik van de personen waarvan we de enquêtes afnemen is voldoende
uitgebreid.
4. Overlopen huidige versie van het projectverslag & taakverdeling
- Lay-out is goed maar moet hier en daar verbeterd worden.
- Voorwoord moet herschreven worden
- Eerste deel van werkwijze moet in het proces komen.
- Projectverslag moet meer in passieve vorm geschreven worden, zo objectief en feitelijk
Mogelijk.
- Bronvermelding moet in de tekst komen.
- Boeken als bronvermelding: auteur, jaar van uitgave en details van het boek moeten
Vermeld worden.
- Bronvermelding(bij meerdere bronnen): per paragraaf, slechts één bron: achter
Hoofdstuk.
- Samenvatting moet gemaakt worden
- Verslagen moeten bij de bijlage geplaatst worden.
- Detailfouten: schrijffouten, grammaticale fouten, …
5. Voorbereiding presentatie & taakverdeling
- Presentatie toelichten:
1e & 2e generatie van oorlogsvoering (oudheid t.e.m. WO I): Jelle
3e & 4e generatie van oorlogsvoering (WO II): Jeroen
Bespreking interview en enquête: Thomas
Procesverslag: Gaëtan
Vragen beantwoorden: Gregory, Wim en Willem
- Samenstelling PowerPoint: Gregory
Erasmushogeschool Brussel
Project Communicatievaardigheden 1
To Do-lijst
Nr. Omschrijving taak Verantwoordelijke Deadline Status
1 Verwerken van de
enquête + tekst
schrijven
Ruben 6/11 In Progress
2 Persoonlijke evaluaties Team 9/11 In Progress
3 Inleiding Jelle 10/11 In Progress
4 Samenvatting Jeroen 9/11 In Progress
5 Schrijven
procesverslag
Jelle 13/11 In Progress
6 Conclusie schrijven Steven 13/11 In Progress
7 Voorlopige presentatie
maken
Team 29/11 In Progress
8 Inbundeling rapport Gaëtan Nog af te
spreken
In Progress
9 Finaal afwerken tekst
+ binnenbrengen
Gregory 7/11 In Progress
6. Agenda voor de volgende vergadering opstellen
Agendapunten:
Nr. Punt Geschatte tijd
1 Evaluatie van het vorige verslag 10 min
2 Bespreking en controleren van de finale versie van het
projectverslag
40 min
3 Presentatie voorbereiden 55 min
Vergaderschema volgende vergadering:
7. Evaluatie van de vergadering
Thomas leidde de vergadering uitstekend. De taakverdeling verliep goed en iedereen was
er tevreden mee. Alles werd binnen de voorziene tijdspanne besproken. De groep heeft de
taken van Ruben moeiteloos kunnen herverdelen, aangezien hij niet meer kwam opdagen.
Voorzitter Willem
Verslaggever Gaëtan
Timemanager Steven

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.