De vrouw in het onderwijs na de eerste wereldoorlog

Beoordeling 6
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • Klas onbekend | 793 woorden
  • 8 maart 2004
  • 40 keer beoordeeld
Cijfer 6
40 keer beoordeeld

De vrouw in het onderwijs. Al reeds voor de 20ste eeuw waren er veel veranderingen in het onderwijs. De vrouwen vroegen zich af waarom alleen de mannen profiteerden van verbeteringen in het onderwijs en verruiming van het kiesrecht. Ze gingen zich gaan manifesteren en richtten verschillende vrouwenbewegingen op.Ze vonden dat de vrouw minder afhankelijk moest worden en actiever aan de maatschappij moest deelnemen.De vrouwenbewegingen maakten zich vooral sterk voor beter onderwijs voor meisjes. Dit had dan ook de eerste emancipatiegolf tot gevolg.De eerste emancipatiegolf vond plaats vanaf de jaren 1860.In 1864 werd in Brussel de eerste stedelijke middelbare meisjesschool opgericht,de voornaamste doelstellingen van deze school waren laicisatie en emantiepatie .In 1865 werd in Brussel de eerste beroepsschool voor meisjes opgericht.En in de volgende jaren werden in verscheidene steden en gemeenten gelijkaardige scholen opgericht.In 1879 en 1881 kwam er een wettelijke regeling voor middelbaar normaalonderwijs en lager middelbaar staatsonderwijs.In 188O,1881 en 1882 werden voor het eerst vrouwelijke studenten toegelaten in de Brusselse,Luikse en de Gentse rijksuniversiteit.Aan de katholieke universiteit van Leuven gebeurde dit pas veertig jaar later. En de wet van 10 april 1890 liet vrouwen toe tot alle academische graden en tot de beroepen van arts en apotheker. Tijdens de Eerste Wereldoorlog schortten de vrouwenbewegingen alle acties op hun agenda op,zodanig dat ze zich volledig aan hulpverlening zouden kunnen wijden.3
In het begin van de 19E eeuw waren de meeste scholen op particulier initiatief ontstaan en moesten de meisjes voor onderwijs naar een privé school gaan,die meestal ook de nodige kosten met zich meebrengt.Onderwijs was dus niet voor iedereen weggelegd.Maar uiteindelijk werd het ingewikkelde complex van vakopleidingen voor meisjes,die aan het eind van de 19de en in het begin van de 20ste eeuw waren ontstaan wettelijk geregeld in de Nijverheidswet van 1921.Industriescholen,huishoudscholen en vrouwenarbeidscholen kwamen toen onder één regeling,waardoor er wat meer uniformiteit ontstond.De afzonderlijke scholen bleven bestaan en bleven hun eigen naam behouden, maar de gehele onderwijssoort ging vanaf nu Nijverheidsonderwijs voor Meisjes heten. Sinds het ontstaan van het vakonderwijs voor meisjes is het aantal leerlingen voortdurend gestegen.Rond 1900 waren er zo’n 2700 van de 67.700 meisjes die de lagere school verlieten,die aan de vakscholen gingen verder studeren.In 1930 bedroeg het leerlingenaantal van de industrie- en huishoudscholen zo’n 55.000 leerlingen. Voor de Nijverheidsonderwijswet waren de leerlingen vooral afkomstig uit de hogere sociale milieus,maar daar begon vanaf nu verandering in te komen. Vanaf dan konden de scholen zich verheugen op de toeloop van leerlingen uit de lagere milieus.Dit kwam vooral doordat de scholen nu onder de subsidieregeling van de overheid vielen en het hoge schoolgeld dus geen drempel meer vormde.Maar het was ook de stijging van de welvaart die ervoor zorgde dat het nu minder noodzakelijk was geworden dat meisjes direct na de lagere school meehielpen om de kost te verdienen.Maar het nijverheidsonderwijs voor meisjes bleef zijn enigszins tweeslachtig karakter behouden. In 1930 constateerde de commissie van Deskundigen inzake het Nijverheidsonderwijs dat dit onderwijs, meer dan het jongensonderwijs, gedeeltelijk als aanvullend algemeen vormend onderwijs dient.Dit wat men zou kunnen noemen het tweeslachtig karakter van het meisjesonderwijs,heeft ten gevolge dan een zeker percentage der leerlingen van de hier bedoelde scholen het onderwijs met een geheel ander oogmerk volgt dan de jongens het onderwijs aan de ambachts- en middelbare technische scholen.De laatsten volgen zonder uitzondering het onderwijs met het doel zich in de maatschappij eene plaats te kunnen veroveren; daarentegen heeft voor een deel der meisjes het nijverheidsonderwijs slechts ten doel iets te leren wat hun later in de eigen huishouding te pas kan komen.
Als onderwijzeres. Het enige wat we hierover konden vinden is dat het huwelijk in het begin van de 20ste eeuw als een probleem werd bekeken.Men geloofde niet dat men kon onderwijzen en getrouwd zijn,dit blijkt uit “daar is de quaestie van de gehuwde vrouw,het is een probleem,nog steeds.De overheid wenst maatregelen te nemen om de gehuwde ambtenares uit de overheidsdienst te weren.” Men beweerde dat gehuwde vrouwen beperkter zijn doordat de academica een ‘compromis’ zoekt tussen ‘beroep en gezinsleven’. Het gezinsleven brengt te veel plichten met zich mee en daardoor zou de vrouw geen volwaardige onderwijzeres meer kunnen zijn. Als leerling. De meisjes werden nog altijd achteropgesteld op de jongens.De jongens werden voorbereid op hun plaats in de maatschappij.De meisjes daarentegen, zij werden vooral voorbereid op hun verdere leven als huisvrouw.Waarin het huwelijk het noodzaak bleek te zijn en een huwelijk gaat niet samen met hogere studies. Op 28 augustus 1969 schreef minister Vermeylen voor zijn secretaris-generaal een nota met de beslissing dat vanaf 1 September 1969 alle Rijksscholen en –afdelingen gelijktijdig toegankelijk moesten gemaakt worden voor jongens en voor meisjes. Het hele schoolleven,zo verklaarde hij, moest gemeenschappelijk worden.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.