ADVERTENTIE
Raad jij de studie?

Waarschijnlijk heb je al wat studies op het oog. Maar heb je echt alle studies overwogen? Grote kans dat je wat toffe opleidingen over het hoofd ziet. In deze video gaan Lauren, Lin & Marit raden welke studie wij zoeken! Misschien is dit ook wel wat voor jou?


Meer info

1.Wat is archeologie?



Het woord archeologie is afkomstig van het Griekse , wat oud betekent en , wat rede, wetenschap betekent.

Archeologie is één der wetenschappen die zich met de oudheid bezighouden en is als zodanig betrekkelijk jong. Zij was in de 19de eeuw nog bij filosofische en historische wetenschappen ingelijfd; nieuwe methoden van onderzoek en rijker studiemateriaal hebben haar echter tot een zelfstandige discipline gemaakt, die als gelijkwaardige samenwerkt met andere wetenschappen.

De archeologie staat in nauwe betrekking tot de kunstgeschiedenis, de klassieke filologie en de oude geschiedenis. Hulpwetenschappen zijn de numismatiek (de studie van munten) en de epigrafie (studie van inscripties). Architectuur (tempels, nederzettingen, vestingen, havenconstructies), kunstwerken (beelden, schilderingen) en voorwerpen voor dagelijks gebruik, voor godsdienstige en sepulcrale doeleinden met en zonder artistieke waarde vormen het studiemateriaal.





Het archeologisch onderzoek begint in Europa, Egypte, Klein-Azië en Voor-Azië met het Late Stenen en het Bronzen Tijdperk. Het omvat dus een deel der prehistorie; waarvan weinig of geen schriftelijke overleveringen bestaan.

Voor de zogenaamde 'klassieke archeologie' die zich bezighoudt met de Griekse en Romeinse cultuur, begint de studie met het 2de millennium v.C. en eindigt met de ondergang van het Romeinse Keizerrijk (476 n.C.).



Aanvankelijk beperkte de archeologie zich tot het onderzoek van de Griekse en Romeinse beschaving en de Egyptische beschaving (Egyptologie). Thans echter omvat zij de gehele wereld en is onderverdeeld in verschillende vakken, die door specialisten behandeld worden.



De zogenoemde Christelijke archeologie - ofschoon gedeeltelijk eveneens thuis in de klassieke landen- is gescheiden van de klassieke archeologie, omdat zij het tastbare materiaal omvat, dat in verband staat met de ontwikkeling van het christendom. Ook de zgn. bijbelse archeologie neemt een aparte plaats in, omdat zij primair betrokken is op de uitleg van de bijbel en een toelichting wil geven op de gegevens die de bijbel verstrekt.

Voor het grote publiek komt archeologie nog steeds grotendeels neer op het opgraven van graven vol schatten en van verdwenen steden. De schittering van het goud belemmert zo het zicht op de doelstellingen en de betekenis van de archeologie. De leek denkt in termen van tastbare voorwerpen en gebouwen en beoordeelt de deskundigheid van de archeoloog alleen naar zijn kennis van zaken. Maar potten, schalen, tempels en gebouwen zijn niet de zaken waar de archeoloog eigenlijk naar zoekt. Zij zijn niet het doel, maar slechts een middel tot het doel.

Het doel van de archeologie is het ontdekken, bestuderen en verklaren van de materiële overblijfselen, die de prehistorici gebruiken bij gebrek aan geschreven bronnen. De archeoloog moet zich niet alleen bezighouden met overblijfselen uit de oudheid, maar hij moet die overblijfselen ook in hun onderling verband zien. De archeologie omvat de ontdekking, registratie, interpretatie en waar mogelijk het behoud van alle sporen en overblijfselen van de mens en van de omgeving waarin de mens leefde, tot aan de dag van vandaag.





2.Ontstaan van de archeologie



Archeologie was oorspronkelijk een speciaal Europese wetenschap en werd in het begin hoofdzakelijk beoefend door Europese geleerden. De belangstelling voor een cultuur van het verleden trad als sporadisch verschijnsel al bij de Grieken op (Herodotus), maar pas tijdens de renaissance in Italië en het humanisme ten noorden van de Alpen nam zij de vorm aan van een algemene geestelijke beweging. Toen richtte zij zich voornamelijk op de Romeinse oudheid. De ruïnes van Italië vormden een stimulans voor de kunstenaars. De belangrijke monumenten, waar men soms onvoorzien op stootte, wekten sensatie. Men schetste en kopieerde de oude gebouwen en beelden. Daarnaast ontwaakte de belangstelling voor de oude teksten.

Naast het ontstaan van particuliere verzamelingen getuigt het oprichten van een leerstoel voor archeologie aan verscheidene universiteiten van nieuwe belangstelling.

In de 19de, maar vooral in de 20ste eeuw nam en neemt het aantal archeologen in Nederland sterk toe.



3.Soorten archeologie



Er is een wijde variatie van interessante takken van de archeologie waarop men zich kan concentreren:



EGYPTOLOGIE



Dit onderdeel blijft populair bij het publiek omwille van zijn indrukwekkende en fotogenieke monumenten, zijn mysteries, beeldschrift, vreemde goden en spectaculaire schatten. De meeste films met een archeologisch thema spelen zich af in Egypte en meestal zijn er mummies of vloeken in verwikkeld.



HET NABIJE OOSTEN



Dit houdt in dat men een onderscheid kan maken tussen Sumeriërs, Babyloniërs, Akkadiërs, Assyriërs, Hittieten en vele andere volkeren.

Je moet ook bekend zijn met de koninklijke tomben van Ur, met zijn goudschatten, de grote grafheuvels, gekend als 'tells' en de enorme trappentorens 'zigurats' genaamd. De bekendste trappentoren is de Toren van Babylon.



ONTCIJFERING



Deze tak van de archeologie is op sterven na dood aangezien de meeste oude geschriften reeds ontcijferd zijn.

In de laatste eeuwen was het een rage met vele onopgeloste vraagstukken die wereldwijd ontcijferd moesten worden. De beroemdste 'codebreker' is Jean François Champollion die er in 1822 in slaagde de hiëroglyfen te ontcijferen.

Alleen het schrift van de oude Indische beschavingen en het Rongo Rongo schrift van de bewoners van het Paaseiland zijn tot op heden nog niet ontcijferd.



BESTUDEREN VAN PETROGLIEFEN



Dit houdt de lokalisering, opname en bestudering in van oude snijwerken en tekeningen in rotsen. Degenen die zich hierin specialiseren moeten taai zijn aangezien de meeste rotstekeningen in diepe grotten, in hoge gebergten of in zeer warme streken te vinden zijn.



ONDERWATERARCHEOLOGIE



Onderwaterarcheologie wordt meestal bedreven in zeebeddingen, havens of in meren, maar zeer uitzonderlijk kan het ook te maken hebben met ongewone vindplaatsen zoals 'de heilige put' van de Maya's in Chichén Itzá waarin een groot aantal gouden en jade voorwerpen en maagden als offers geworpen werden.

Onderwaterarcheologen hebben vooral belangstelling voor gezonken schepen. Soms worden de wrakken eerst naar de oppervlakte gebracht en onderzoekt de onderwaterarcheoloog daar het schip.



STADSARCHEOLOGIE



De laatste decennia wordt er vooral veel werk verricht op archeologische sites in steden. Deels door de interesse naar het verleden van de stad, maar vaker uit pure noodzakelijkheid daar er meer en meer gebouwen vernield en afgebroken worden. Dit geeft archeologen de kans om te zien wat er onder het afgebroken gebouw te vinden is. Af en toe leidt dit tot sporen van de Middeleeuwen en kan men verder graven tot de poelen van de Vikingen en Romeinse rioleringen.

De grootste 'stadsvondst' is de opgraving in York, die geleid heeft tot de reconstructie van een nederzetting van Vikingen, 'The Jorvik Centre' genaamd.



EXPERIMENTELE ARCHEOLOGIE



Dit houdt het maken van replica's van oude werktuigen in om zo meer te weten te komen over hun functies, capaciteiten, effectiviteit, enz.



ETNOGRAFIE



Een der jongste takken van de archeologie.

Het houdt het bestuderen van een groep mensen in: de archeologen gaan een tijdje onder hen leven en maken terwijl notities over wanneer en hoe ze welke

werktuigen gebruiken en wanneer er hoe ze dingen afdanken en weggooien, enz.

Na deze onderzoeken analyseren ze hun bevindingen en proberen zo uit te maken hoe volkeren in het verleden en in totaal verschillende culturen geleefd moeten hebben.



INDUSTRIËLE ARCHEOLOGIE EN AFVAL



Vele mensen doen moeite voor de opname en het behoud van overblijfselen van het recent industrieel verleden (fabrieken, bruggen, kanalen, machines, mijnen,...) om er zeker van te zijn dat er voor toekomstige archeologen iets overblijft om te bestuderen.

In Arizona loopt er reeds gedurende een aantal jaren een actie' 'Garbage project' waarbij fanatieke archeologiestudenten in mensen hun afval duiken en hetgeen weggegooid wordt classificeren en meten. Dit moet een inzicht geven in hoe en wanneer mensen dingen afdanken (zie etnografie).



MUSEUMWERK



Vele archeologen bevinden zich in het museum, waar ze zich bezighouden met het in het oog houden van collecties of voorwerpen die nooit door iemand onderzocht worden of met het geven van uitleg over voorwerpen die mensen toevallig in hun tuin of op het strand gevonden hebben.



4.Het archeoloog zijn



OPLEIDING



Een archeoloog wordt in eerste instantie aan de universiteit gevormd. De studenten volgen er cursussen die een theoretische kennismaking zijn met het onderzoek op het terrein. Tijdens hun opleiding kunnen ze ook deelnemen aan opgravingen waar ze de eerste praktijkervaring opdoen.

Hun kennis wordt verder vervolmaakt door bezoeken aan musea en conferenties. Na beëindiging van hun studie moeten jonge archeologen eveneens het archeologisch materiaal leren kennen (aardewerk, stenen, zegels, enz.). Deze praktijkvorming gebeurt op het terrein waar de opgravings-, restauratie- en conservatietechnieken worden geleerd.



WAAROM GA JE AAN ARCHEOLOGIE DOEN?



Er zijn bijzondere kwaliteiten nodig om je leven te wijden aan problemen met geen pasklare oplossingen en om te snuffelen in het afval van dode mensen. Dit is waarom excentriciteit een bijzonder kenmerk van het beroep is.

De meeste archeologen zullen op de vraag 'waarom doet u aan archeologie?' antwoorden dat ze door hun passie voor het verleden en hun verlangen om een bijdrage te leveren aan het aan elkaar kleven van het beeld van de menselijke ontwikkeling en geschiedenis geleid worden.

Er zijn weinig takken der wetenschap die je op zo'n breed terrein iets te leren hebben. Archeologie heeft veel te maken met antropologie, etnografie en sociologie. De student die zich bezighoudt met archeologie moet inzicht hebben in de werkwijze van de scheikundige, de natuurkundige, de aardrijkskundige en de bioloog. Ook de menswetenschappen zijn zeer belangrijk voor de archeologie. Bij het reconstrueren van een oude gemeenschap komt hij met dezelfde facetten van het menselijk gedrag in aanraking als bij het bestuderen van de moderne maatschappij.

Archeologie houdt zich dus bezig met de studie van het hele terrein der lichamelijke en geestelijke activiteiten van de mens; vanaf abstracte zaken als godsdienst tot exacte als technische ontwikkelingen. En juist omdat het zoveel aspecten omvat en zoveel soepelheid van geest vereist, geeft het de beoefenaars een brede en waardevolle ontwikkeling.



5.Waarom opgraven?



Opgravingen kan men, theoretisch, indelen in drie types:



REDDINGSOPGRAVINGEN:



Ze worden zo genoemd omdat het doel is om zoveel mogelijk gegevens veilig te stellen die verscholen liggen in een terrein dat binnenkort verstoord of zelfs geheel vernietigd gaat worden. In de verstedelijkte en geïndustrialiseerde westerse wereld wordt vaak alleen al door de aanleg van wegen het landschap grondig veranderd.

In de dichtbebouwde gebieden van Europa geldt hetzelfde voor vliegvelduitbreidingen, maar de meeste spoorwegen en kanalen waren al aangelegd voordat archeologisch onderzoek werd verricht. Hierdoor is veel belangrijks verloren gegaan. Maar het is nuttig te beseffen dat als dit netwerk van verkeersaders thans aangelegd zou worden, door de grote snelheid waarmee deze opgravingen gedaan zouden moeten worden, veel van de informatie die we nu nog missen evenmin verkregen zou zijn. Vele van de huidige steden van West- Europa waren eens Romeinse steden en zijn sindsdien ononderbroken bewoond geweest. Eeuwenlang was er een voortdurende opeenvolging van bouwen, herstel, afbraak, herbouw, vernieling. Deze activiteiten hebben de ondergrondse resten uit de oudheid verminkt of uitgewist. Tegenwoordig is het tempo van afbraak zo hoog dat de archeoloog voortdurend onder druk staat de nu spaarzame resten uit te graven en te registreren voor ze door bulldozers worden vernietigd.

Een van de meest destructieve processen in de westerse wereld is de landbouw, die vaak over het hoofd gezien wordt omdat de gevolgen ervan slechts langzaam zichtbaar worden. Romeinse villa's en middeleeuwse dorpen verschijnen in schrikbarend tempo als gevolg van diep ploegen.

Ploegen is minder direct vernielend dan het gegraaf van bulldozers en opgravingen in door landbouw bedreigde gebieden worden dan ook gewoonlijk niet als gevolg van, maar ondanks deze bedreiging ondernomen.



TESTOPGRAVINGEN:



Deze worden meestal gedaan om antwoorden te vinden op specifieke vragen of problemen. Waar en hoe gegraven wordt, wordt grotendeels bepaald door wat er gezocht wordt en niet door het tracé van een snelweg of de situering van een ziekenhuis of een andere inrichting.

Archeologen willen niet altijd opgravingen verrichten met de grote beperkingen die noodopgravingen met zich meebrengen.



INSTRUCTIEOPGRAVINGEN:



Dit soort opgravingen komt het minst voor en wordt ondernomen om nieuwe archeologen te trainen. Deze opgravingen staan niet op een lager peil, maar geschieden wel in een trager tempo.

Dergelijke opgravingen worden vaak georganiseerd aan universiteiten door archeologische instituten.



In praktijk zijn de scheidingslijnen tussen deze drie types niet zo duidelijk.



Er moet opgegraven worden om vele aspecten van het verleden van de mens waarvan geen geschreven bronnen bestaan te bestuderen:

Zoals de ontwikkeling van godsdienstige gebruiken, kunst, technische vaardigheden, sociaal gedrag, oorlogstechnieken, enz. Gedurende de lange periode, waarin het bestaan van de mens zich afspeelde zonder schrift, kunnen sporen vaak alleen teruggevonden worden in de vorm van voorwerpen en de samenhang tussen allerlei overblijfselen. Op de meeste plaatsen en voor de meeste perioden zijn deze resten alleen over omdat ze begraven liggen in de grond.

Om de gegevens die ze opleveren te bevatten moeten ze wel opgegraven worden.

De mensheid heeft behoefte aan een tastbaar verleden en de archeologie kan hiertoe toegang verschaffen.



6.Hoe kwam het in de grond?



Er zijn twee manieren waarop iets in de grond terecht kan komen: Ofwel is iets doelbewust begraven, ofwel is iets toevallig of op een natuurlijke manier in de grond terechtgekomen.

Het meest voor de hand liggende antwoord op 'Hoe komt het onder de grond' is 'omdat iemand het daar begraven heeft', maar dit gaat slechts voor een klein aantal vondsten op. Een duidelijk voorbeeld van doelbewust begraven is het begraven van doden, hoewel er perioden in het verleden waren waarin de lijken der overledenen blootgesteld werden aan lucht, roofdieren en vuur. Begraven betekent niet altijd het graven van een graf. Veel volkeren gebruikten grotten als graven, bouwden grafkamers boven de grond of legden hun doden op de grond en bouwden dan een grafheuvel van aarde of steen. Men begroef niet alleen de doden zelf. Voor het begin van onze jaartelling gaf men de doden geschenken mee in het graf, één eenvoudige pot of ook wel veel potten en vaak nog vele andere voorwerpen.

Rituele begrafenissen leveren veel voorbeelden van voorwerpen die opzettelijk begraven zijn. Vaak is het moeilijk om vast te stellen of voorwerpen ritueel begraven zijn. De grote schatten van goud gevonden in de Ierse moerassen zijn daar waarschijnlijk om religieuze redenen begraven.

Weer andere voorwerpen zijn in de grond terechtgekomen omdat in tijden van nood de mensen uit angst voor plunderingen hun schatten begroeven. Om allerlei redenen zijn die schatten daarna nooit meer opgegraven door de eigenaars.

De genoemde begraafmethoden, waarbij sprake is van grote hoeveelheden kostbare voorwerpen en macaber aandoende skeletten, zijn het meest opzienbarend.

Andere, minder indrukwekkende opgravingen, zoals het begraven van afval, zijn zeer leerzaam voor de archeoloog. Wanneer in een huis de vloer vuil of misschien ongelijk werd; werd vaak een nieuw bodem gelegd over de oude, waardoor een laag afval begraven werd.

Wanneer mensen vroeger een nieuwe woning bouwden werd na afbraak van de oude woning het puin gelijkmatig verdeeld en gebruikt als fundament voor de nieuwe woning. Soms ontstonden zo enorme lagen afval. Een duidelijk voorbeeld hiervan zijn de 'tells' of kunstmatige heuvels in het Nabije Oosten. Dit soort heuvels zijn ontstaan door zes à zevenduizend jaar van opbouw en afbraak van kleistenen gebouwen en door het storten van afval.

Natuurlijke oorzaken, die een grote rol spelen bij het veranderen van het landschap waarbij menselijke overblijfselen in de grond terechtkomen vormen achteraf vaak de grootste raadsels.

Voor vele mensen is het onbegrijpelijk hoe zoiets stevigs als een bakstenen gebouw helemaal onder de grond terecht kan komen. In onze tijd kan men de beginstadia van dit proces ook goed waarnemen. Wanneer een gebouw in slechte staat raakt en verzakt, rotten de houten delen snel door en dat betekent dat het dak, zelfs van een stenen gebouw, vlug instort. Naar beneden gevallen en rottend houtwerk vormt samen met zand dat door kapotte deuren en ramen naar binnen geblazen wordt een laag op de grond. Hierop, eveneens ook in scheuren in de muur of op halfvergane vensterbanken beginnen planten te groeien. Na het afsterven van deze planten vormen zij een goede voedingsbodem voor andere planten. Muren brokkelen af en steeds meer aarde en stof wordt over de bouwvallen heen geblazen.

Dit proces kan door natuurlijke oorzaken versneld worden. Als het gebouw op een helling staat zal vallend puin de ruïnes onder steeds dikkere aardlagen doen verdwijnen.

De mensen helpen ook een handje. Vooral bij bakstenen gebouwen omdat deze een gemakkelijke vindplaats vormen voor bouwmateriaal voor nieuwe gebouwen. Het weghalen van het materiaal kan de ruïnes in omvang sterk verminderen of zelfs geheel doen verdwijnen.

Er zijn ook voorbeelden waar de natuur is opgetreden zoals bij natuurrampen die vaak binnen enkele uren grote gebieden bedelven.

Een bekend voorbeeld hiervan is de uitbarsting van de Vesuvius in 79 n. C waardoor Pompeï volledig onder as en lava bedolven werd. Omdat de ramp zo snel optrad werd deze stad zo snel bedolven dat de normale processen van verval geen kans kregen en ook de inwoners geen gelegenheid hadden hun kostbaarheden en bezittingen in veiligheid te brengen.

In het geval van dodenbijzetting en rituele offers wordt meestal alles intact gevonden. Bij natuurlijke en toevallige begrafenissen is dit niet het geval. Een verlaten gebouw zal meestal door de bewoners ontdaan zijn van alles wat bruikbaar of van waarde is. Wanneer het als een bouwval achterblijft, komen misschien andere mensen langs die meenemen wat er nog te gebruiken is. Tegen de tijd dat het gebouw tenslotte door de aarde bedolven is bevatten de ruïnes gewoonlijk nog slechts potscherven, voedselresten, ....

Andere factoren die het bewaard blijven van oude resten bepalen zijn het soort aarde, het klimaat, de vraag of de resten organisch of anorganisch zijn, en menselijke inmenging in natuurlijke processen zoals het mummificeren.

De archeoloog vraagt zich niet alleen af 'Hoe kwam het in de grond?' en 'Wat kan de begraafmethode ons vertellen over de geschiedenis van het terrein?', maar ook 'Wat heeft de methode van begraven voor effect gehad op het behoud of de vernieling van het materiaal?'.

Alleen als hij deze vragen kan beantwoorden kan hij de tastbare overblijfselen uit het verre verleden zinvol verklaren.



7. Hoe weten archeologen of er iets in de grond zit?



Bij de vele archeologische monumenten die permanent boven de grond zichtbaar zijn zoals de 'tells' in het Nabije- Oosten hoeft deze vraag niet gesteld te worden. Hoewel we in West- Europa geen ruïnes kennen die met het Colosseum of de Acropolis vergelijkbaar zijn, vinden we daar bijvoorbeeld wel de Romeinse stadsmuren van Tongeren, de Muur van Hadrianus in het noorden van Engeland, de Porta Nigra in Trier of de Romeinse thermen in Heerlen.

In de aan die Romeinse tijd voorafgaande, prehistorische tijden zijn er in West- Europa weinig grote bouwwerken of monumenten opgericht die de eeuwen konden trotseren. Er zijn slechts enkele, waaronder Stonehenge en Carnac, naast duizenden megalithische graven en grafheuvels zoals de hunebedden in het noorden van Nederland. Sommige van deze monumenten van geringere omvang, nu dolmens genaamd, staan in het landschap als primitieve bouwwerken, ontdaan van de aardlaag die hen vroeger bedekte; degene die nog wel bedekt zijn met aarde of door een steenpakking zijn omgeven, zijn ook vrij gemakkelijk te herkennen. Maar vele duizenden grafheuvels zijn geheel verdwenen en duizenden andere zijn zeer moeilijk terug te vinden.



TOEVALLIGE ONTDEKKINGEN



Als een archeoloog gevraagd wordt hoe hij te werk gaat om overblijfselen uit de oudheid op te sporen zal hij eerlijk moeten toegeven dat deze voor hem ontdekt worden. Dit kan op vele manieren gebeuren.

De landbouw brengt vaak nieuwe vindplaatsen aan het licht. Vele Romeinse villas werden zo door de ploegen ontdekt.

Ook graafwerkzaamheden of afgravingen zijn dikwijls verantwoordelijk voor de ontdekking, maar tegelijk ook de vernieling van archeologische vindplaatsen. Zo zijn we bijvoorbeeld veel te weten gekomen over het Londen uit de Romeinse tijd en uit de Middeleeuwen door opgravingen, die werden verricht omdat er bij bouwwerkzaamheden toevallig archeologische resten te voorschijn kwamen.

Ook de aanleg van wegen en spoorwegen brengt dikwijls resten van oude plattelandsnederzettingen aan het licht.



Baggerwerkzaamheden in Californië bijvoorbeeld hebben vele onbekende Indiaanse vindplaatsen aan het licht gebracht, die onder water verborgen waren.

Zelfs oorlogshandelingen hielpen soms mee bij het ontdekken van het verleden.

Ook de natuur is behulpzaam bij archeologische ontdekkingen. Als gevolg van een of andere vorm van erosie wordt vaak een deel van een vindplaats blootgelegd. Dit kan door de zee of de stroming van een rivier gebeuren.

Zeldzamer, maar dan vaak dramatischer is een plotselinge drooglegging zoals de droogte van 1853-1854 waarbij de Zwitserse meerdorpen ontdekt werden.



BEWUSTE ONTDEKKINGEN



De archeoloog moet proberen de vindplaatsen te ontdekken vóórdat deze door toeval aan het licht worden gebracht, daar elk voorwerp dat uit zijn oorspronkelijke omgeving verwijderd is, weg uit de laag waarin het zich oorspronkelijk bevond, een verloren bewijsstuk is.



Het voorbereidend werk bij het ontdekken van nieuwe vindplaatsen wordt in de bibliotheek, de archieven en de kaartenkamer gedaan. De eerste stap is kennis vergaren over de geologie en de topografie van een bepaald gebied, om zo een goed begrip te krijgen van de aard en structuur van het landschap.

Vele archeologen gaan alleen op zoek in een streek waar ze al jaren wonen of werken, omdat ze daar een zekere 'feeling' voor gekregen hebben.

Kent men het gebied niet, dan wordt er begonnen met het raadplegen van kaarten en foto's, die veel informatie verschaffen over de structuur van het landschap en van de grondsoorten en gesteenten, waaruit het is opgebouwd. Kaarten tonen ook dorpgrenzen, voetpaden, oude paadjes en weggetjes, die kunnen wijzen op het bestaan van nog oudere grenzen en wegen. Ze verschaffen plaatsnamen, die vaak iets zeggen over de ligging van oude nederzettingen, zoals wanneer de naam eindigt op -cester (Romeins voor legerkamp). Andere zijn soms taalkundig veelzeggend, zoals de Nederlandse plaatsnamen die eindigen op -trecht of -tricht (trajectum= oversteekplaats). Deze gegevens kunnen verkregen worden uit heel gewone, voor iedereen toegankelijke kaarten.

Voor meer gedetailleerde aanwijzingen moet er meestal gezocht worden op oudere en minder gemakkelijk te vinden kaarten of in streekarchieven. Dorps- en streekarchieven verschaffen ook veel gegevens omtrent losse vondsten van oudheden en over oude bouwwerken waarvan nu boven de grond niets meer te zien is, maar die twee of drie eeuwen geleden nog wel zichtbaar waren.

Ook boeken uit de achttiende en negentiende eeuw, lijsten van oudheidskamers, musea en opgravingverslagen van vroeger ontdekte vindplaatsen in een bepaald gebied kunnen heel wat aanwijzingen verschaffen.



Nu kan de archeoloog een stapje verder gaan bij zijn voorbereiding voor het veldwerk. Meestal vertoont het model van een nederzetting een bepaald logisch patroon. Door zijn gegevens in kaart te brengen of op een aantal kaarten uit te zetten, kan de archeoloog soms een duidelijk patroon naar voren zien komen en iets begrijpen van de logica erachter.



Na de studie uit boeken, kaarten,... moet hij vervolgens gaan bezien wat hij uit het landschap zelf aan informatie kan halen. Tegenwoordig worden vele overzichtsinspecties verricht waarbij enkele km² zeer intensief worden onderzocht om het patroon van de menselijke bewoning van de oudste tijden tot op heden volledig vast te stellen. De resultaten en vondsten zijn soms indrukwekkend.

In sommige delen van de wereld, waaronder West- Europa, ondervindt dit overzichtswerk veel steun van de luchtfotografie. Op luchtfoto's kunnen drie hoofdtypen van vindplaatsen worden onderscheiden, waarvan er twee op de grond vrijwel onherkenbaar zouden zijn.



SHADOW SITES



Gefotografeerd vanaf geringe hoogten en met de zon laag aan de hemel, zijn op de grond herkenbaar als een reeks aardwerken- lage wallen, greppels, heuveltjes, laagten enz. Vanuit de lucht gezien vertonen ze een patroon en een onderling verband; soms zijn deze aardwerken dermate verstoord dat ze alleen vanuit de lucht als zodanig zichtbaar zijn.



CROP MARKS



Waar gewassen of vegetatie in verschillende stadia van ontwikkeling groeien en verschillende kleuren tonen al naar de aard van de ondergrond, zijn op de grond bijna niet te onderscheiden, tenminste niet als herkenbare patronen. Vanuit de lucht zijn deze patronen heel duidelijk te zien.



SOIL MARKS



Op de grond moeilijk te herkennen en onmogelijk te ontwarren, maar vanuit de lucht vormen ze snel een patroon. Soil marks komen voor waar de mens vroeger de regelmaat van de bovenste aardlaag heeft verstoord. Er kan aarde opgespit zijn uit diepere lagen tijdens het graven van een greppel of een kuil, of er kan materiaal van elders zijn aangevoerd, zoals klei voor funderingen of zelfs stenen en metselkalk voor bouwwerken.



Luchtfotografie is niet zo eenvoudig als het lijkt. Crop marks bijvoorbeeld komen alleen voor onder zeer bepaalde bodem- en weersgesteldheden, en zij zijn slechts gedurende enkele dagen, hoogstens twee weken, zichtbaar. Bovendien moet de interpretatie ervan zeer zorgvuldig gebeuren; niet alle waargenomen bijzonderheden zijn noodzakelijkerwijs door de mens veroorzaakt.

Vele vroege prehistorische gemeenschappen hebben wallen aangelegd die niet hoog genoeg en greppels gegraven die niet diep genoeg waren om de shadow, crop marks of soil marks op luchtfoto's te voorschijn te brengen.



Luchtfotografie vervangt dus de terreinverkenning niet; zij vormt een nuttige aanvulling en helpt wel het te onderzoeken gebied af te palen en de vragen te formuleren die de archeoloog zich zal moeten stellen wanneer hij de vindplaats zelf verkent.



Hetgeen de archeoloog vindt, wordt door verschillende factoren bepaald. Op talrijke vindplaatsen zal hij enkel potscherven vinden. Indien er beenderen gevonden worden, vormen deze soms- het hangt er van af of het mensen- dan wel dierenbotten zijn- aanwijzingen voor begraafplaatsen of afvalkuilen.



Het eerste dat de archeoloog zal proberen vast te stellen is de periode waartoe de plaats behoort. En binnen dit ruime kader kan hij dan weldra een nauwkeuriger datering aangeven. Het is moeilijk onderbrekingen in de continuïteit van de bewoning vast te stellen, maar niet onmogelijk als er voldoende materiaal en gegevens verzameld werden. Het is ook moeilijk om vast te stellen of de vindplaats geleidelijk of plotseling verlaten is. Een grote hoeveelheid verbrand puin bij voorbeeld, waaronder veel dateerbare potscherven uit een bepaalde periode, zou een goede grond kunnen zijn om te veronderstellen dat de nederzetting verlaten is na een grote brand. Het soort puin dat gevonden wordt, kan de archeoloog veel vertellen over het soort gebouwen dat er eens stond, wat betreft hun indeling en bouwwijze. De bestemming van een bouwwerk kan worden afgeleid uit vondsten als metaalslakken, fragmenten van votiefbeeldjes, gebroken maalstenen, kleitabletten en andere zaken. Aan de hand van een hoeveelheid materiaal kan de archeoloog zich een gedetailleerd beeld vormen.



Na het ontdekken van een vindplaats en een voorlopig onderzoek, gaat hij de positie van de vondsten registreren. Zo verkrijgt hij meer gedetailleerde informatie over de plaatsbepaling van bouwwerken en andere objecten. Het verspreide bouwpuin en andere bewoningssporen tonen meestal een patroon, dat kan aantonen waar de bouwwerken stonden en hoe ze gegroepeerd waren. Verschillen in hoeveelheid puin kunnen aangeven waar de voornaamste en de minder belangrijke bouwwerken stonden en bij benadering zelfs de plaats van de vertrekken.



Hierna kan de archeoloog veel te weten komen door een onderzoek van de ondergrond te verrichten. Eerst wordt de weerstand tussen twee in de bodem geplaatste elektroden gemeten. Dit verraad de aanwezigheid van ondergrondse muren (hogere weerstand) en kuilen of greppels (lagere weerstand). Vervolgens wordt het magnetisme in de grond gemeten, waardoor plekken verbrande klei of kuilen vol organisch materiaal (sterker magnetisme) worden aangeduid. Door deze methoden toe te passen is de archeoloog in staat de plaats te bepalen van vele verschijnselen op een vindplaats uit de oudheid zonder dat er nog maar één spade in de grond gestoken is.



8.Wat is het belang van het bewaren van potscherven?



Potscherven en fragmenten van gebroken aardewerk trekken vaak de aandacht van bezoekers aan opgravingterreinen, alleen al door de grote hoeveelheden die ervan gevonden worden. Op een enkele na vervaardigden alle beschavingen van de Nieuwe Steentijd aardewerk en bij opgravingen en nederzettingen uit neolithische en latere tijd vormt het gewoonlijk verreweg het grootste aandeel in de vondsten. Dit komt omdat er zeer veel aardewerk gebruikt werd; het brak snel en moest steeds weer vervangen worden.

Deze breekbaarheid is voor archeologen een van de twee belangrijkste kenmerken van aardewerk. Het andere is dat het ondanks deze breekbaarheid niet of nauwelijks vergaat.

Deze twee kenmerken zijn zeer belangrijk omdat dit betekent dat er grote hoeveelheden aardewerk bewaard zijn gebleven en dit maakt de statistische studie ervan waardevol en nuttig. In de tweede plaats zorgt de snelle vervanging van potten ervoor dat elke verandering wat mode betreft- in vorm, versiering, oppervlaktebewerking- zeer snel na de invoering al in de afvalhopen voorkomt. Aardewerk dient dus in de eerste plaats als duidelijke aanwijzing voor een bepaalde cultuur. Op deze manier is het mogelijk stammen te herkennen met een gemeenschappelijke traditie. Zo kan de archeoloog tientallen, zelfs honderden oude gemeenschappen met elkaar in verband brengen en identificeren als behorende tot één cultuur. Het belang van het aardewerk in dit verband wordt duidelijk aangetoond door het aantal oude culturen die genoemd zijn naar hun meest kenmerkende aardewerkproducten, zoals bij voorbeeld de Klokbeker- en de Trechterbekercultuur.

Verstoringen in die cultuur kunnen op dezelfde manier achterhaald worden. Zo kan aardewerk nuttig zijn bij het volgen van historische gebeurtenissen of processen, zoals invasies, migraties en handelscontacten.

Als er alleen afwijkend aardewerk voorkomt, in gebruik naast grote hoeveelheden inheems aardewerk, dan heeft de archeoloog hoogst waarschijnlijk te maken met aanwijzingen voor handel in de oudheid. Geïmporteerd aardewerk verschilt zeer duidelijk van de lokale producten en is voor de archeoloog gemakkelijk te herkennen. Wanneer de archeoloog te maken heeft met handel binnen één bepaalde cultuur is het niet zo eenvoudig om geïmporteerd aardewerk te identificeren.

Wanneer het voor de archeoloog niet duidelijk is of er handel in het spel was wordt er overgegaan tot een laboratoriumonderzoek. In plaats van de chemische samenstelling van het aardewerk te onderzoeken kan men zich ook concentreren op de geologische structuur -kleine zandkorreltjes of steentjes die, toevallig of opzettelijk, in de klei terechtgekomen zijn.

Dit soort onderzoek kan bijdragen tot de kennis van de archeoloog betreffende een bepaalde nederzetting. Zo komt hij iets te weten over de productiemethoden van het aardewerk en de rol van de pottenbakker binnen de gemeenschap. Een groot deel van deze gegevens kan de archeoloog zelf vergaren zonder de hulp van een geoloog of een scheikundige. Een zorgvuldig onderzoek van aardewerkscherven zal gewoonlijk aantonen of een pot met de hand gevormd was, of op een langzame of snelle schijf gedraaid. Dit geeft een aanwijzing of de gemeenschap gespecialiseerde pottenbakkers telde (snelle draaischijven zijn meestal in bezit van specialisten) of dat elk huishouden zijn eigen potten en kruiken vervaardigde.

Het komt voor dat een pottenbakkersatelier wordt gevonden en opgegraven, maar meestal moet de grootte en het belang van het atelier geschat worden op grond van de gegevens betreffende verspreiding en populariteit van de producten. Dit kan aangetoond worden door een chemisch, geologisch of meer algemeen onderzoek van de productie van de pottenbakkerij. Het bestaat uit het bepalen van de voornaamste kenmerken van de producten van het atelier: oppervlaktebewerking (glazuur, slip, vernis), aard van het materiaal (hard, zacht, zanderig, glad), insluitingen in de klei (verschillende soorten en formaten steentjes), en de overheersende kleur. Samen stellen deze kenmerken de archeoloog in staat verschillende soorten makelij te identificeren en van een hele groep soorten zal hij dan een typologische reeks opbouwen. Door deze voorbeelden te vergelijken met aardewerkscherven uit andere opgravingen kan hij beginnen de verspreiding van verschillende soorten in kaart te brengen. Hij kan nog een stap verder gaan en reeksen van een bepaalde vorm opstellen.

Dit alles kan jaren werk kosten, maar op lange termijn loont het de moeite omdat het een boeiend beeld vormt van hoe de plaatselijke pottenbakkers elkaar beconcurreerden, de manieren waarop zij zich specialiseerden in bepaalde typen potten of kruiken en hoe soms een atelier tot bloei kwam ten koste van een ander.

Dit soort onderzoeken maakt ook duidelijk waarvoor het aardewerk moest dienen en geven aanwijzingen omtrent het oorspronkelijk gebruik voor speciale soorten voedsel.

Het in huis gevonden aantal van dergelijke potten kan een nuttige aanwijzing vormen voor de economische basis van de welvaart.

De voornaamste rol van aardewerk in de archeologie blijft het verschaffen van een betrouwbaar chronologisch kader. Bij de bestudering van het verleden is tijd duidelijk de belangrijkste dimensie; om orde in de chaos te scheppen moeten de gegevens in de juiste volgorde geplaatst worden.

Aardewerk is het enige materiaal dat vrijwel overal ter wereld in grote hoeveelheden voorkomt en het registreert snel veranderingen in versiering en vorm. Daarom is het het meest voor de hand liggende materiaal waarmee een chronologisch kader opgebouwd kan worden.



CHRONOLOGISCH KADER:



Uit een opeenvolging van lagen op een archeologisch terrein komt een opeenvolging van bij elkaar horende groepen aardewerk. Deze groepen verschillen van elkaar en elke groep bevat bepaalde typen aardewerk die kenmerkend zijn voor die groep. Typerend aardewerk kan worden vergeleken met wat er op nabijgelegen opgravingterreinen in opeenvolgende reeksen gevonden wordt. Op deze manier kunnen reeksen van aardewerktypen van verschillende plaatsen een langere opeenvolgende reeks opleveren die voor de gehele streek geldt en waarin toekomstige vondsten kunnen worden ingepast.



Zodra voor een bepaald gebied een kader opgesteld is kunnen er twee volgende stappen ondernomen worden. Binnen het gebied kunnen de vondsten van andere soorten artefacten (benen naalden, bronzen werktuigen of wapens, sieraden, beeldjes,...) in het kader geplaatst worden. Buiten het gebied kunnen verbanden worden gelegd met gebieden waar andere aardewerkstijlen voorkwamen.



9. Dateringtechnieken



In wezen is de archeologische datering gebaseerd op de opeenstapeling van een reeks lagen in de bodem (stratificatie), die in enig aantoonbaar verband tot elkaar staan. Bestudering van het verband tussen de niveaus of lagen laat zien welke de oudste is, welke de op een na oudste enz. . Hetzelfde kan worden afgeleid uit de verschillende voorwerpen die in deze lagen gevonden worden.

Door de verschillende materialen waaruit deze reeksen zijn opgebouwd steeds maar weer te bestuderen en in handen te nemen, leren de archeologen de vormen, versieringen en andere kenmerken van een bepaalde groepvoorwerpen kennen. Zo ontwikkelen zij een 'gevoel' voor het aardewerk uit verschillende perioden en voornamelijk daardoor kunnen ze onmiddellijk het verschil tussen de verschillende potten opmaken.

Grote lijnen van de ontwikkelingsgang worden achterhaald door de bestudering van stuifmeelkorrels. Deze werden door de levende planten afgescheiden, zijn opmerkelijk duurzaam en onder gunstige bodemomstandigheden blijven ze duizenden jaren bewaard. De plantkundige kan de verschillende genera, of families, van planten herkennen aan hun onderscheiden stuifmeelkorrels. Door vergelijking van de hoeveelheden van elke familie aanwezig in een bodemmonster van een opgravingterrein, kan hij een nauwkeurig beeld opstellen van de plantengroei op die plaats en in de naaste omgeving in de tijd dat die aarde de bovenlaag vormde. Het vegetatiepatroon is in de loop van duizenden jaren vele malen veranderd en het is nu mogelijk het verleden te verdelen in een aantal vegetatiezones, elk met een eigen specifiek patroon van plantengroei.

Indien een archeoloog dus een bodemmonster met stuifmeelkorrels kan verkrijgen, in relatie met een geïsoleerde laag of zelfs met een losse vondst, dan kan hij deze laag of vondst in een van deze zones plaatsen en ze zo dateren.



Deze methoden geven relatieve en geen absolute jaartallen weer. Dit soort dateringen zijn nog steeds essentieel voor het begrijpen van het verleden, maar zonder een absolute chronologie is dit onvolledig. Een absolute datering geeft ons een idee van de snelheid van de menselijke ontwikkeling. Om te begrijpen hoe een beschaving zich ontwikkelt is het van groot belang om veranderingen in de snelheid van deze ontwikkeling te kennen.

Sommige vondsten kunnen nauwkeurig gedateerd worden op grond van inscripties, die vaak de stichting of voltooiing van een bepaald bouwwerk memoreren of het herstel na een gedeeltelijke vernieling.

Ook munten zijn een belangrijke factor bij het dateren van Romeins- inheemse bodemlagen. Aan de hand van afbeeldingen op de munten kan er een tamelijk nauwkeurige schatting geven worden van het tijdstip waarop ze werden geslagen.

Zulke methodes zijn nauwkeuriger en betrouwbaarder dan de C 14- methode en in tegenstelling tot datering met behulp van de jaarringen in bomen, die wel zeer nauwkeurig is, kunnen ze in alle klimaatsomstandigheden toegepast worden en kennen zij geen gebrek aan monsters.

C 14 en andere technische dateringsmethoden zijn van onschatbare waarde voor de prehistorie en zij hebben een revolutie teweeggebracht in de opvattingen der archeologen betreffende de absolute chronologie van opeenvolging der prehistorische culturen over de gehele wereld.

Natuurwetenschappelijke methoden hebben drie voordelen:

Ze zijn objectief: ze berusten op berekeningen gebaseerd op wetenschappelijk vastgestelde feiten en opmetingen die gedaan zijn onder zorgvuldig gecontroleerde omstandigheden.

Ze kunnen toegepast worden op geïsoleerde culturen, want er zijn geen vastgestelde contacten met historische beschavingen voor nodig.

Ze hebben de periode van de menselijke geschiedenis waarvoor we een absolute chronologie kunnen opstellen, sterk uitgebreid.



C14- METHODE



Is gebaseerd op het feit dat de radioactieve deeltjes van C14 die door een levend organisme worden opgenomen, na de dood van dat organisme met een bekende, constante snelheid uiteen beginnen te vallen.

Het tellen van jaarringen in bomen speelt een belangrijke rol bij het verbeteren en preciseren van C14- dateringen.



Op dit ogenblik wordt het merendeel van de opgravingen nog steeds gedateerd met behulp van archeologische methoden, zowel uit financiële overwegingen als omdat deze in vele gevallen nog altijd de meest nauwkeurige resultaten opleveren.



10. Hoe bepalen archeologen 'wat' ze precies gevonden hebben?



De klimatologische, technologische en sociale omstandigheden dragen ertoe bij tot het bepalen wat voor soort bouwwerken een bepaald volk in de oudheid oprichtte en hoe ze bij de bouw te werk gingen.

De archeoloog moet iets weten over het klimaat in die tijd, de beschikbaarheid van grondstoffen en de sociale en technologische ontwikkeling van het betreffende volk. Hij moet ook kennis hebben van andere bouwwerken, die al opgegraven zijn, uit dezelfde tijd en van dezelfde cultuur als de gebouwen die hij onderzoekt.



Eerst bepaalt de archeoloog wat wel en wat geen bewijs voor oude gebouwen vormt.

Degene die stenen bouwwerken opgraaft, onderzoekt zeer zorgvuldig de grote hoeveelheden puin en neemt deze in zijn plattegrondtekeningen op, omdat ze net zo goed getuigenissen van het oude bouwwerk zijn als de bewaard gebleven delen van muren en vloeren.

Alle bouwsporen worden ingetekend op een gedetailleerde plattegrond van de bouwkundige overblijfselen en aan de hand daarvan kan de archeoloog beginnen zijn gegevens te vertalen in termen van bouwwerken. De volledige plattegrond zal alle op de vindplaats in situ gevonden bewijsmateriaal voor bouwwerken moeten bevatten.

Meestal is er ook nog ander materiaal dat niet werd aangetroffen op de plaats waar het oorspronkelijk stond. Op een Romeinse vindplaats bijvoorbeeld worden er meestal rondom en binnen het bouwwerk dakpannen, pleisterwerk, vloerfragmenten of soms een brok van een stenen zuil of deurstijl gevonden. Wanneer al deze gegevens verzameld zijn in de vorm van plattegronden, tekeningen en foto's kan er worden begonnen aan de interpretatie.

Eerst wordt de volgorde van de bouwresten vastgesteld en worden er tekeningen gemaakt van de overblijfselen uit elke afzonderlijke fase.

De archeoloog moet uitzoeken welke muren op welke vloeren stonden; welke vloeren tot de buitenmuur gaan en welke over de opgegraven fundamenten van andere muren heen liggen.

Daarna wijdt de archeoloog zich aan elk gebouw afzonderlijk. In de eerste plaats gaat hij na welke bovenbouwer was. De fundamenten kunnen hem hierin enig inzicht geven. Paalgaten of dwarssleuven, bestemd voor het plaatsen van horizontale balken, wijzen bijvoorbeeld op een houten geraamte, terwijl zware stenen funderingen wijzen op een zware, stenen bovenbouw. Zeer belangrijke gegevens over dakbedekkingsmaterialen zijn er vaak in de vorm van dakpannen of leistenen, dikke brokken pleisterwerk met indrukken van tenen vlechtwerk of balken, verkoolde fragmenten van balken of, in het geval van een stenen overwelving, reeksen naar beneden gevallen stenen. De vorm van dak het wordt vaak afgeleid uit de vorm van het gebouw en de plaats van de daksteunen daarbinnen.

De archeoloog stelt zich hierbij drie vragen:

'In welke richting wijzen de bewaard gebleven resten?', 'Ontbreekt er iets dat er zou moeten zijn indien mijn hypothese juist is?' en 'Was de door mij veronderstelde bouwwijze en afwerking in bouwkundig opzicht goed en technologisch mogelijk voor het volk dat het bouwwerk oprichtte?'.

Zodra hij het geraamte van het gebouw kent, gaat de archeoloog proberen wat meer over de inrichting te weten te komen. Waar zaten de deuropeningen? Vaak worden deze aangegeven door drempels, fragmenten van deurstijlen of een pad dat naar de deuropening leidt.

Door verschillen in slijtage en aarde van de vloer, de verspreiding van losse vondsten en van het huisvuil, ovens, stookplaatsen, enz. wordt er een indruk verkregen van de indeling van het huis. Aan de hand van zeer regelmatig gevormde stukken vloer waar afval en slijtage ontbreken kan soms de plaats van bedden, kasten, enz. vastgesteld worden.

Het is moeilijk om vast te stellen of een gebouw verdiepingen had aangezien trappen zelden bewaard blijven. Het enige bewijs voor een bovenverdieping is de ontdekking van afval en voorwerpen van de bovenetage, die boven op het ingestorte plafond van de kamer daaronder liggen.

Aan de hand van het materiaal dat er binnen en omheen een gebouw ligt, wordt de functie van dat gebouw uitgemaakt.



Hoe meer informatie de archeoloog kan halen uit zijn waarnemingen op het terrein en in de studeerkamer, en hoe meer andere specialisten voor hem kunnen afleiden uit verschillende soorten vondstenmateriaal, des te groter worden zijn kansen op een juiste en volledige reconstructie van zijn vindplaats in de oudheid. Maar er is meer nodig dan kennis en informatie, namelijk een combinatie van intuïtie en fantasie.



11. Waarom verlopen opgravingwerken zo langzaam?



Opgravingen moeten in handen blijven van bekwame en geschoolde specialisten. Alleen door opleiding en ervaring weten opgravers waarnaar ze moeten zoeken en wat belangrijk is. Alleen een geoefend en ervaren oog ziet het belang van minieme verschillen in kleur en samenstelling van de grond, die een leek niet eens zou waarnemen.



De hoeveelheid tijd die een archeoloog aan opgraven besteedt zou veel kleiner zijn als het hem alleen ging om de opgraving van het terrein. Maar bij archeologie behoort niet alleen opgraven en waarnemen, ook registreren. Zodra een terrein is opgegraven, is het voorgoed verdwenen, en het werk kan niet worden overgedaan. Daarom is een complete en nauwkeurige optekening van de ontdekkingen even belangrijk als het deskundig gebruik van de beste en modernste opgravings- en conserveringstechnieken. Dit betekent dat tijdens het werk op een opgraving de archeoloog tientallen, soms wel honderden plattegronden, doorsneden en tekeningen moet maken, waarvoor telkens zeer vele opmetingen moeten gedaan worden.

Daarbij komt dat zowel de losse vondsten als de algemene waarnemingen zorgvuldig geregistreerd worden.en ter plaatse worden er vele notitieboekjes volgeschreven en vele foto's gemaakt.

Dit alles vergt zeer veel tijd, maar als het goed gedaan is kan het opgravingterrein in de toekomst altijd opnieuw geïnterpreteerd worden.

Moderne archeologen nemen ook bodemmonsters en verzamelen slakkenhuizen naast monsters houtskool en metselkalk voor archeomagnetische of C14- datering. Ook dit kost zeer veel tijd en veel kennis inzage de vraag wat voor monster genomen moet worden voor het toepassen van een bepaalde techniek en hoe deze monsters precies moeten worden verzameld en bewaard.



Het grote publiek realiseert zich meestal niet dat hoewel de tijdsduur van een opgraving misschien wel heel lang schijnt, dit in feite slechts een fractie is van de totale tijd die een archeoloog besteedt aan het onderzoek van een opgravingterrein. Vooraf moet er veel voorbereidend werk verricht worden en ook na de opgraving is er nog veel werk, zoals bestudering, interpretatie en conservering, voordat de archeoloog kan gaan beginnen aan het langdurige karwei van het schrijven van zijn eindverslag.



Enkele jaren geleden heeft Professor Barry Cunliffe een schatting gemaakt van het aantal werkuren door hemzelf en zijn collega's besteed aan de opgraving en de daaropvolgende bestudering en interpretatie van een Saksisch Grubenhaus of hut te Hampshire in Engeland. De hut was niet meer dan tien m² groot. Toch waren er voor het opgraven en registreren en voor de voorlopige behandeling van de vondsten 83 werkuren nodig. Aan het werk na de opgraving werden nog eens 165 werkuren besteed, terwijl op het tijdstip van Cunliffe's schatting het werk van bestudering, interpretatie en publicatie van deze hut en de vondsten nog niet voltooid was.



Na verloop van tijd kan de staf van een museum een tentoonstelling inrichten aan de hand van zijn resultaten, zodat ook het publiek kan zien wat de vele maanden van opgraving en studie opgeleverd hebben. Soms worden bijzondere ontdekkingen op televisie getoond en verschijnt de nieuw verworven kennis in boekvorm in de openbare bibliotheken.



Uit: Archeologie hoe opgraven van Keith Brannigan en Bluff your way in archeology van Paul Bahn

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

W.

W.

hoi,

dit verslag is erg groot, maar ik heb er wel veel aan. ik wist de soorten archeologie niet, maar nu wel. bedankt.

17 jaar geleden

N.

N.

Vet goed!!!!!!!!!!!
Ik heb er veel aan!!
bedankt
doeg

15 jaar geleden

S.

S.

dankje wel ik heb er heel veel aan me spreekbeurt archeologie

8 jaar geleden

K.

K.

wel moeilijke woorden maar verder zit er veel informatie in

7 jaar geleden

K.

K.

ik snap deze zin niet wil iemand de zin even uitleggen?
Na deze onderzoeken analyseren ze hun bevindingen en proberen zo uit te maken hoe volkeren in het verleden en in totaal verschillende culturen geleefd moeten hebben.

7 jaar geleden

O.

O.

leuk werkstuk ik had er veel aan bedankt

3 jaar geleden

S.

S.

een 10

3 jaar geleden