Alleen vmbo'ers gezocht! Waar denk jij aan bij duurzaamheid? Vul de vragenlijst in en maak kans op een Bol.com bon van 15 euro

Meedoen

Euro

Beoordeling 6.1
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • 5e klas havo | 3828 woorden
  • 17 juni 2002
  • 42 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.1
  • 42 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
1. Inleiding


1.1 Algemeen


Sinds 1 januari 1999 staat de waarde van de euro vast: 1 euro is ¦ 2,20371. Vanaf dat moment zijn de onderlinge wisselkoersen van de deelnemende munteenheden aan elkaar gekoppeld.
De euro is in elf landen van de Europese Unie ingevoerd. Naast Nederland ook in België, Duitsland, Finland, Frankrijk, Ierland. Italië, Luxemburg, Oostenrijk, Portugal en Spanje. Het is waarschijnlijk dat op een later tijdstip meer landen zullen gaan meedoen.

Toch zal men tot januari 2002 nog weinig merken van de nieuwe munt. Euromunten en -bankbiljetten worden namelijk pas in januari 2002 in omloop gebracht. Tot die tijd zal de gulden dus de belangrijkste munt blijven in Nederland.


1.2 Probleemstelling


Is het handiger om op de euro over te stappen?

1.3 Methode van onderzoek


Onze informatie hebben wij gehaald van de euro-site, http://www.euro.nl, op het internet en de volgende twee boeken:

- DE EURO
- Met gelijke munt

1.4 Overzicht van inhoud


Het eerste hoofdstuk is de inleiding, in de inleiding geven wij algemene informatie over de euro, wij geven tevens ook onze probleemstelling, de methode van onderzoek en een korte overzicht van de inhoud.

In het tweede hoofdstuk bespreken wij onder meer het doel van de euro, de eisen om mee te mogen doen aan de euro en de landen die er aan mee doen.

Het derde hoofdstuk staat in het teken van hoe men tegenover de invoering van de euro staat.


Hoe er informatie verstrekt wordt over de invoering van de euro is het onderwerp van hoofdstuk vier.

In het vijfde en tevens laatste hoofdstuk geven wij onze conclusie waarin wij antwoord geven op de door ons gestelde centrale vraag.



2. Wat is de euro



2.1 Algemeen


Euro is de naam van de nieuwe Europese munt, die op 1 januari 1999 is ingevoerd. De waarde van de euro staat vast op f 2,20371 en bestaat alleen nog op papier. Het is nu mogelijk om betalingen per bank of per giro in euro’s te verrichten. Zo kunnen er rekeningen in euro’s worden geopend, worden staatsleningen in euro’s uitgegeven en wordt internationaal in euro’s zaken gedaan. Betalen aan de kassa gebeurt voorlopig nog in guldens. Dat geldt voor zowel contante betaling als voor pinnen, chippen en betalen met cheques en creditcards.
Vanaf 1 januari 2002 wordt de euro in alle landen in het eurogebied gebracht. De gulden wordt zo snel mogelijk uit circulatie gehaald en zal zelfs vanaf 1 juli 2002 geen wettig betaalmiddel meer zijn. De bank- en girorekeningen worden omgezet en euro’s en betalen met pin, chipcard of creditcard gebeurt ook in euro’s.
De Nederlandse euromunten worden nu al geproduceerd door de Nederlandse Munt in Utrecht. Alhoewel de euro pas in 2002 wordt gebruikt, zal op de eerste munten 1999 staan, omdat de productie al is begonnen. Er zullen 8 euromunten uitkomen en 7 eurobankbiljetten. De reeks munten zal bestaan uit 1, 2, 5, 10, 20 en 50 eurocent en 1 en 2 euro. De bankbiljetten zullen uitkomen in: 5, 10, 20, 100, 200 en 500 euro. De eurobankbiljetten zullen allemaal hetzelfde zijn. Alle euromunten krijgen een Europese zijde en een nationale zijde. De nationale zijde van de munt verschilt per land, maar alle munten zijn in het gehele eurogebied geldig.

2.2 Deelnemende landen


De EMU bestaat uit 15 landen. Het eurogebied bestaat voorlopig uit 11 deelnemende landen. De deelnemende landen zijn: België, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Oostenrijk, Portugal, Finland en Nederland. De landen voldoen aan de toetredingscriteria. Het Verenigd Koninkrijk en Denemarken doen voorlopig nog niet mee, ook al voldoet het aan de toetredingscriteria. Zweden en Griekenland voldoen nog niet aan de toetredingscriteria. De landen moesten in ieder geval een lage inflatie, een lage rente, een stabiele munt en gezonde overheidsfinanciën hebben. Daarnaast moesten veel regels en wetten aangepast worden.

2.3 Het doel van de euro


De munteenheid is bedoeld voor een betere en makkelijkere handelsverkeer tussen de deelnemende landen. Bedrijven hoeven niet meer bang te zijn voor koersdalingen. De risico voor een verlieslijdende order is uitgesloten. Ook voor de consument is de euro straks voordelig. Er hoeven geen omwisselingkosten meer betaald te worden. Goederen in het buitenland kunnen dan makkelijk vergeleken worden als alles in euro’s staat.







2.4 De euromunten


De ontwerper van de Nederlandse zijde van euromunten is Bruno Ninaber van Eyben. De ontwerper van de gemeenschappelijke Europese keerzijde is Luk Luycks van de Koninklijke Belgische Munt. Op de nationale zijde komt 12 sterren te staan en het aantal 12 correspondeert met het symbool en vlag van de Europese Unie. De 1, 2, en 5 eurocent worden gemaakt van verkoperd staal. De 10, 20 en 50 eurocent zijn Nordic Gold, een nieuw materiaal bestaande uit koper, aluminium en tin. De 1 en 2 euro zijn tweekleurige munten die voornamelijk uit nikkel bestaan. De binnenring van de 1 euromunt is zilverkleurig en de buitenste ring is goudkleurig. Bij de 2 euromunt is dit precies andersom.
Voor blinden en slechtzienden zijn verschillende kenmerken. Er is gestreefd naar voldoende variatie om de munten te onderscheiden. De munten zijn te onderscheiden door dikte, gewicht, diameter en de rand. De randen zijn glad, glad met groef, kartel, onderbroken kartel en grove kartel. Als extra kenmerk voor blinden en slechtzienden wordt de 20 eurocent voorzien van 7 halve maanvormige inkepingen in de rand.


3. Gevolgen van de invoering van de euro



3.1 Gevolgen voor de consument


De consument krijgt vooral te maken met de praktische gevolgen. Het wordt wennen om te betalen met nieuwe biljetten en munten. Ook wordt het lastiger om te rekenen in euro’s: de euro is ongeveer twee gulden waard. Een prijskaartje van 70 euro aan een spijkerbroek lijkt dan goedkoper maar is het niet. Behalve deze kleine probleempjes, zal verder weinig verandering voor de consument bestaan. De Europese landen hebben namelijk afgesproken dat de consument zo weinig mogelijk last en helemaal geen schade mag ondervinden van de invoering van de euro.

Daarom zijn er een aantal heel strikte afspraken gemaakt:
· Iedereen krijgt volop tijd om nationale munten en biljetten te wisselen in euro’s. Over de wisselkoers wordt niet gezeurd. Die ligt vast sinds begin 1999 en daar wordt verder niet meer aan gezeten.

· Tot het jaar 2002 kunnen alle betalingen (zowel via overschrijvingen als via pinpas of met echt geld) plaatsvinden in de nationale valuta. Hoewel de banken de euro al hanteren bij de overschrijvingen, mag niemand gedwongen worden de euro ook te gebruiken bij giraal verkeer.

· In de eerste helft van het jaar 2002 zijn zowel de nationale valuta als de euro een wettig betaalmiddel. De klant mag bepalen hoe er betaald wordt, degene die de betaling ontvangt (een winkelier, de bank of het postkantoor) moet de keuze van de klant respecteren.

· In het begin van het jaar 2002 worden in één klap al uw tegoeden én verplichtingen bij banken, verzekeraars en pensioenfondsen omgezet in euro’s. Dat gebeurt tegen de al eerder vastgestelde wisselkoers. De inhoud van de financiële contracten wijzigt verder niet.


Wat zijn de gevolgen van deze afspraken?
Om te beginnen hoeft niemand bang te om geld te verliezen door de gehele operatie. Alle wisselkoersen liggen vast en daar kan niemand onderuit.
Ook mogen de regels van de bestaande financiële contracten niet gewijzigd worden. Dat geldt voor iedereen. Dus als bijvoorbeeld de hypotheek wordt omgezet van guldens naar euro’s, dan blijven de looptijd, de aflossing en de rente toch hetzelfde. Degene die de hypothecaire lening heeft, kan de euro niet aangrijpen om van het contract af te komen.
De opgebouwde pensioenrechten worden omgezet in euro’s maar de uitkeringen blijven gelijk. De spaartegoeden gaan van guldens naar euro’s, maar de afgesproken rente blijft gelijk. Ook contracten tussen verschillende personen waarin bedragen staan (zoals arbeidscontracten, testamenten en koopcontracten) gaan automatisch over van guldens naar euro’s tegen de vastgestelde koers.
Vanaf 1 januari 2002 gaan ook alle inkomens over naar euro. Salarissen, uitkeringen, pensioenen, rentebetalingen; alles wordt uitgerekend in euro’s.



3.1.1 Afschriften in euro’s

In de praktijk zal het waarschijnlijk zo verlopen:
Begin 2002 krijgt iedereen van zijn bank, pensioenfonds, werkgever of verzekeraar een brief waarin precies staat welke financiële overeenkomsten zijn gewijzigd. De rekeningen van gasbedrijf, kabel-tv, fiscus en sportvereniging gaan in de loop van dat eerste halfjaar ook over op euro’s.
Ook de bankafschriften komen in 2002 in euro’s. Tot die tijd zullen de meeste bankafschriften in guldens zijn. De banken voeren de euro tussen 1999 en 2001 alleen in voor onderling betalingsverkeer en voor grote zakenklanten.
Voor degenen die een hekel hebben aan de Europese eenwording is geen ontsnapping mogelijk. De omvorming van de guldens naar euro’s wordt wettelijk geregeld. Iedereen doet mee, of hij nu wil of niet. Ook heeft het geen zin om ruzie te gaan maken met de bank over omwisselkoersen en afrondingsverschillen. Zowel de omwisselkoers als de methode van afronding worden wettelijk geregeld.

3.1.2 Voordelen

Een van de bekende voordelen van de euro is het wegvallen van wisselkosten. Wie reist naar andere EMU-landen hoeft geen ander geld mee te nemen. Dat bespaart geld en tijd. De kosten voor het omwisselen van geld zijn nog altijd zeer hoog.
Ook zal het in het Europa van 2002 makkelijker zijn om prijzen internationaal te vergelijken. De verwachting is dat hierdoor de prijzen internationaal dichter bij elkaar komen. Grote prijsverschillen tussen landen zijn immers direct zichtbaar. Zo zouden de prijsverschillen tussen Duitsland en Nederland (bijv. Voor benzine en cd’s) moeten verdwijnen. De belangrijkste reden om de EMU op te richten (met de euro als sluitstuk) is echter de Europese economie. Eén munt voor heel Europa en gelijke economische regels is uitermate gunstig voor het bedrijfsleven, zo menen de politici. Als zij gelijk hebben, zit voor de consument dáár het grootste voordeel van de euro. Een grotere economische groei betekent immers meer inkomen en minder werkloosheid.

3.1.3 Snelheid

Het is de bedoeling dat de consument pas in 2002 echt met de euro te maken krijgt. Bedrijven echter krijgen al veel eerder te maken met de euro. Het zou kunnen zijn dat een bedrijf al in 1999 besluit de complete administratie om te bouwen naar euro’s.

Dan krijgt ook het personeel het loon in euro’s via de bank. Als de consument dat wil, rekent de bank dat loon in euro’s keurig om naar guldens zodat er niets verandert.

3.2 Gevolgen voor het bedrijfsleven


Voor het bedrijfsleven gaat de invoering van de EMU en de daarbij behorende euro een ware waslijst van gevolgen krijgen.



Bijvoorbeeld: de prijslijsten moeten worden aangepast. Dat lijkt misschien gemakkelijk, maar geeft nog wel enkele complicaties. Veel hangt af van de vraag hoeveel Nederlandse guldens die euro straks waard wordt.

Begin 1996 is op de topconferentie van de Europese Raad in Madrid besloten dat de koers van de euro gelijk zal zijn aan de koers van de ecu. Die is een jaar of vijftien geleden uitgevonden als een soort rekenkundig gemiddelde van de munten van de landen die meededen aan het EMS.

De waarde van zo een kunstmatig ‘mandje’ van valuta’s zou mooi stabiel blijven, dachten economen en politici toendertijd. De beginkoers was f 2,75 nu is diezelfde ecu nog maar f 2,19 waard. Maar wat zal de ecu waard zijn in het jaar 2002?
Het zou best eens kunnen zijn dat die waarde ligt in de buurt van de f 2,19. De problemen komen dan meteen om de hoek kijken. Boeken zouden dan in de etalage komen te staan voor 10,83 euro, aandelen met een nominale waarde van 24,33 euro, de toiletjuf wil 11 eurocent hebben enz. Terwijl het kopend publiek gewend is aan meestal netjes afgeronde prijzen krijgen we dan een periode waarin die prijzen er onaantrekkelijk uitzien als gevolg van de omrekeningskoers van de euro en de gulden.
Iedere winkelier moet daarom als wisselgeld extra veel losse eurocenten in zijn kassa hebben. En zo zijn er nog tal van andere problemen. Deze zullen in de volgende paragraaf besproken worden.

3.2.1 Nadelen

· Vanaf 1 januari 1999 kan er al giraal betaald worden met euro’s. Niet alleen de boekhouding moet aangepast worden, maar ook bestaande computerprogramma’s. Nu al wordt er van diverse zijden gewaarschuwd dat er een tekort aan programmeurs is, en dat men de zaak in een vroegtijdig stadium moet regelen. Veel computerprogramma’s moeten namelijk ook worden aangepast omdat het jaar 2000 nadert en dat jaartal schijnt voor nogal wat problemen te geven.

· Het kasregister in de winkel moet worden aangepast en natuurlijk het apparaat dat gebruikt wordt voor het pinnen, het verwerken van betalingen met de creditcard en voor de chipknip, de chipper, enz. Maar ook de barcode van producten die al enige tijd in de winkel liggen, zal straks wellicht niet meer voldoen.

· Vooral een bedrijf dat geld verdient via automaten krijgt problemen. Allereerst moeten natuurlijk al die automaten worden aangepast aan de euro en de prijzen moeten ‘hanteerbaar’ zijn. Een chocoladereep uit een automaat trekken als die 43 eurocenten kost is lastig. Zoveel losse centen hebben mensen meestal niet bij zich.
En hoe zit het in de periode van de dubbele prijsaanduiding, het eerste halfjaar van het jaar 2002? De automatenombouwers hebben een enorm probleem, want zij kunnen pas beginnen als de exacte maten en gewichten van de euromunten en eurobiljetten bekend zijn.

· Het reclamemateriaal moet worden aangepast. Dat lijkt eenvoudig maar is het niet. Neem bijvoorbeeld het geval van postorderbedrijven en ondernemingen die hun producten vooral via brochures verkopen, zoals reisbureaus. Sommige brochures worden reeds achttien maanden van tevoren opgesteld. En als men dus niet achttien maanden van tevoren weet wat de omwisselingkoers van euro en gulden wordt, is er een probleem.


· Straks moeten ook de balans en de verlies- en winstrekening in euro’s worden opgemaakt. De belastingdiensten in de lidlanden zullen komen met precieze voorschriften. Want hoe staat het met de kosten die de omschakeling naar de euro veroorzaakt en waar een bedrijf niet onderuit kan? Het is immers duidelijk dat er ook flink wat kosten moeten worden gemaakt om het eigen personeel bij te scholen, al was het maar om de klanten uit te leggen waarom al die prijzen er opeens zo vreemd uitzien.

3.2.2 Voordelen

· Het grote voordeel is natuurlijk dat bedrijven die internationaal zaken doen, geen last meer hebben van valutaschommelingen. Dat geldt althans als zij zaken doen met lidlanden van de Europese Unie die in de EMU zitten.

· Ook wordt de markt ‘transparanter’. Dat wil zeggen dat ieder bedrijf veel sneller en beter kan zien waar inkopen het meest voordelig gedaan kunnen worden. Die beslissingen worden niet meer vertroebeld doordat men eerst alles moet omrekenen. Alle prijzen zijn immers in dezelfde euro.

· Voor sommige bedrijven die internationaal financieren wordt ook de grotere doorzichtigheid van de komende financiële markten in euro’s als een voordeel gezien. Misschien is het om een of andere reden straks iets goedkoper financieren in een ander land, en ook daaraan is dan geen valutarisico meer verbonden.

· De meeste bedrijven allereerst voor de thuismarkt. Maar nu, met de EMU, is die thuismarkt opeens een stuk groter. Zo kan men zonder valutarisico de productie op veel grotere schaal organiseren. Meestal leidt schaalvergroting tot lagere productiekosten, en dus tot verhoging van de brutowinst.

· De Europese Centrale Bank en alle EMU-voorschriften zullen ervoor zorgen dat de inflatie laag blijft. Dat betekent dat ook de loonstijging beperkt kunnen blijven en dat de rente zo laag mogelijk blijft. Dat is goed voor de winst en maakt investeringen al gauw aantrekkelijker.

· De euro wordt hoogstwaarschijnlijk een zogenaamde ‘sleutelvaluta’. Dat wil zeggen dat het een munt wordt waarin op grote schaal internationale betalingen worden gedaan, omdat men ook in andere delen van de wereld de euro gaat zien als een bekende en stabiele munt.

· Een ander punt is de concurrentie binnen de EMU. De markt wordt doorzichtiger, men kan met minder risico gaan investeren in andere landen. Men kan ook gemakkelijker in die landen gaan verkopen en daar marktaandeel veroveren.

· Een technisch punt kan ook een voordeel zijn. Alle jaarverslagen van bedrijven in EMU-landen gaan luiden in euro’s en zijn voor beleggers veel beter te doorzien en te vergelijken. Zo kan een goedlopend bedrijf extra veel aandacht krijgen van beleggingsanalisten en dus kan de koers van de aandelen extra stijgen. Met de flink in waarde gestegen eigen aandelen kan men dan gemakkelijker andere bedrijven overnemen tegen in feite lagere kosten.




3.3 Gevolgen voor beleggers


De invoering van die ene munt in de EMU schept een gebied waarin niet alleen producten en diensten in dezelfde munt worden geprijsd, maar ook obligaties en aandelen en alles wat tot het effecten- en beleggingsgebeuren gerekend wordt. Kortom, ook de financiële producten gaan in euro’s genoteerd worden. Er komt een gigantische eurokapitaalmarkt. Op die markt moeten beleggers financiële instrumenten gaan kiezen die naar hun idee het meeste zullen gaan opleveren. Maar daar zitten nogal wat haken en ogen aan. In de komende paragrafen zullen we hier verder op ingaan.

3.3.1 Valutarisico verdwijnt

In het EMU-gebied gaan straks de valutarisico’s verdwijnen. De hele euro-obligatiemarkt ligt dan open voor alle beleggers in de wereld. Het is echter niet waarschijnlijk dat in het ene land voor een staatslening 7% wordt betaald en in het andere land 9%, om maar een voorbeeld te noemen. Immers, in het EMU-gebied wordt nu juist gestreefd naar één soort rente, die geleidt zal worden door de Europese Centrale Bank in Frankfurt. Toch denken experts dat er nog kleine renteverschillen zullen blijven bestaan. Misschien van een kwart procent of nog minder. Beleggers hebben nu eenmaal meer vertrouwen in een staatslening die door de rijke Nederlandse staat wordt uitgegeven dan door de Belgische staat. Deze kampt met een naar verhouding gigantische staatsschuld.

3.3.2 De aandelenmarkt

De eurokapitaalmarkt bestaat niet alleen uit obligaties maar ook uit aandelen. Dit wordt voor beleggers een nog groter taxatieprobleem. Wat is er aan de hand? Om tal van redenen blijkt de ene beurs ‘goedkoper’ te zijn dan de andere beurs. Voor iedere Europese beurs gelden merkwaardigerwijs andere verhoudingen. Het ligt voor de hand te verwachten dat die koers-winstverhoudingen langzaam naar elkaar toe zullen groeien omdat de EMU immers een grote markt is met dezelfde voorwaarden.

Een ander belangrijk punt is dat het niet onwaarschijnlijk is dat de vergrote markt, die de EMU in feite wordt, zal leiden tot concentraties in het bedrijfsleven. Dat wil zeggen dat bedrijven andere bedrijven in hun sector gaan opkopen om zo een groter marktaandeel in de EMU te krijgen. Als een bedrijf A een bod doet op bedrijf B gaat de koers van het aandeel van bedrijf B meestal flink omhoog. De verstandige belegger moet dus gaan uitzoeken welke bedrijven er in de EMU de meeste kans maken om overgenomen te worden. Dan valt er goed te verdienen door juist in de

aandelen van die ondernemingen te beleggen. Maar het blijft oppassen. Het is namelijk ook niet onwaarschijnlijk dat bedrijven in de EMU meer en meer uniforme regels gaan hanteren voor hun verslaglegging, dus met name het berekenen van de winst. Het winstbegrip is namelijk niet overal hetzelfde als in eigen land en dus kan na invoering van andere regels de winst van een bedrijf plotseling stijgen, maar de winst kan ook dalen.




3.3.3. De pensioenfondsen

De grootste beleggers zijn tegenwoordig de pensioenfondsen, verzekeraars en sociale fondsen. Zij krijgen te maken met weer geheel andere problemen. Veel pensioenfondsen mogen bijvoorbeeld niet beleggen of slechts een klein deel van hun vermogen beleggen in het buitenland. Dat was een redelijke maatregel omdat er uitbetaald moest worden in de valuta van het eigen land, waardoor men wilde voorkomen dat met name pensioenfondsen niet aan hun betalingsverplichtingen konden voldoen. Maar straks is er de euro en kan men zonder valutarisico in alle EMU-landen beleggen, want die euro is altijd en overal (binnen de EMU) hetzelfde waard. Daarom zullen hier en daar de wetten en regels moeten worden aangepast, omdat het pensioenfonds of de verzekeraar anders mooie beleggingskansen in de EMU moet laten schieten.

Ook het beleggingsbeleid moet worden bekeken. Tot nu toe kon men de beleggingen spreiden over diverse landen om zo hier en daar wat extra rendement te pakken. Met de komst van de euro wordt die spreiding ineens minder. Is het wel verstandig om alle beleggingen in het eurogebied te doen of is het wellicht verstandiger om ook eens wat meer te gaan beleggen in de VS, Japan of misschien Zwitserland of China? Het beleggingsbeleid moet dus ook nader bekeken worden.

Er is nog een puntje, dat speciaal voor Nederland geldt. Grote Nederlandse beleggers hebben veel belegd in onderhandse leningen. Dat zijn obligatieleningen die rechtstreeks van een lenende instantie (bijv. waterschap of gemeente) naar de belegger gaan en geen officiële beursnotering hebben. Omdat er geen kosten worden gemaakt voor beursnotering kan daarop een fractie hogere rente worden gegeven. Maar in het buitenland kent men deze vorm van lenen niet of nauwelijks. De onderhandse leningen zullen dan ook, volgens experts, snel aan populariteit gaan verliezen.


4. Informatieverstrekking over de euro



4.1 Het Nationaal Forum


In het Nationaal Forum voor de introductie van de euro zijn naast het ministerie van Financiën, organisaties van consumenten, wekgevers, werknemers en de financiële sector vertegenwoordigd. Deze organisaties leveren ieder vanuit hun specifieke deskundigheid en invalshoek een bijdrage aan de acceptatie van de munteenheid in het jaar 2002 en een soepele overgang van de gulden naar de euro. Het hoofddoel van het Nationaal Forum voor de introductie van de euro is het creëren van een zachte landing voor de euro.

4.2 De campagne


"De euro wordt van ons allemaal"

Onder dit thema is in begin 1998 de intensivering van de voorlichtingscampagne, die in 1996 is gestart, van het Nationaal Forum voor de introductie van de euro gestart.
Deze campagne richt zich op het brede Nederlandse publiek en bestaat uit radio- en tv-spots, advertenties in dagbladen en tijdschriften, buitenreclame en een folder. Met de campagne wil het Nationaal Forum op een laagdrempelige manier kennis over de euro overbrengen.
Sinds de start van de campagne is dan ook voornamelijk kennis gecommuniceerd en geen emotie, zoals in de reclame vaak gebruikelijk is. Het gaat hier dan ook om voorlichting niet om propaganda, de euro moet namelijk neutraal gecommuniceerd worden. Voor het Nationaal Forum voor de introductie van de euro zijn de kennisdoelstellingen belangrijker dan de houdingsdoelstelling, emotie is daardoor in de Nederlandse eurocampagne secundair.

4.3 Tv-spots


Omdat de houdingsdoelstellingen in de Nederlandse eurocampagne secundair zijn worden er in de tv-spots geen bekende Nederlanders “gebruikt”. Je ziet “normale” Nederlanders in de spots figureren.
De euro wordt in de context van het dagelijks leven geplaatst

4.4 Printcampagne


De printcampagne voor 1999 wordt afgestemd op het medium waarin die komt te staan. Zo kan je bijvoorbeeld in Libelle lezen over de gevolgen van de euro-introductie voor de kinderbijslag.
In Elsevier staat informatie voor beleggers. En in VT-wonen staat informatie over de euro en hypotheken.






4.5 Data


In de eerste helft van 1998 lag het accent in de voorlichtingscampagne op basisinformatie. Vragen over de werkelijke datum van de invoering van de euro en welke landen er meedoen aan de euro werden beantwoord. Verder kwamen onderwerpen aan bod zoals de gevolgen voor polissen, spaargeld, pensioenen en hypotheek.

In de aanloop naar 1999 verschoof dit naar meer specifieke informatie over de invoering van de girale euro, beleggen en belasting betalen in euro's.

De campagne van het Nationaal Forum voor de introductie van de euro is gestart in 1996 en zal lopen tot en met 2002, het jaar van de chartale invoering van de euro.



Literatuurlijst


Titel: DE EURO Auteur: Arno Reekers en Peter van der Tuin

Inernet-site: http://www.euro.nl

Titel: Met gelijke munt Auteur: Age Bakker

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.