Architectuur Groninger museum

Beoordeling 6.1
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • 4e klas havo | 5374 woorden
  • 5 mei 2001
  • 178 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.1
  • 178 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
CKV
Kijkwijzer

1. Inleiding: Wat is het voor een kunstwerk?

We komen aanlopen en kijken elkaar aan. "Wat is dit voor vaag gebouw?!" zeg ik tegen Jorie. "Het lijkt nergens op, allerlei verschillende vormen door elkaar. Als het van binnen ook zo is ben ik voor Piet Snot helemaal naar Groningen gekomen."
Ik ben al niet zo'n kunstliefhebber en Jorie gaat ook niet echt ervan uit haar dak, maar goed, we zijn hier nu eenmaal, dus laten we het dan maar wat beter bekijken. Want hoe langer je ernaar kijkt hoe mooier je het eigenlijk gaat vinden, het is zo apart, zo'n blikvanger in een omgeving van doodnormale gebouwen.
Het Groninger Museum is niet alleen maar een omhulsel voor tentoongestelde kunst, het is eigenlijk zelf ook een kunstwerk. Dit is iets dat steeds vaker voorkomt. Het vangt vele blikken, vele mensen blijven staan om te kijken wat voor een gebouw dit eigenlijk is.

De collecties van het Groninger Museum bestaan uit: Archeologie en Geschiedenis van stad en provincie Groningen, Kunstnijverheid, met belangrijkste deelcollecties Chinees en Japans porselein, Oude Beeldende Kunst (van ca. 1500 tot 1950) en Hedendaagse Beeldende Kunst (vanaf 1950 tot nu). Deze vier totaal verschillende collecties vormen de identiteit van het Groninger Museum en die zijn allemaal stuk voor stuk zichtbaar in het gebouw.


2. Wat is er te zien?

Het basisontwerp van Mendini bestaat uit drie eenvoudige en strakke bouwvolumes die in de lengte van het Verbindingskanaal los in het water liggen en met elkaar verbonden worden door gangen. Deze gangen dienen tevens als brug. Een hemelsblauwe ophaalbrug voor fietsers en voetgangers, doorsnijdt het complex. Het verbindt niet alleen de twee oevers, maar maakt tevens onderdeel uit van een rechtstreekse verbinding tussen station en binnenstad. Het museum is daardoor een toegangspoort naar het centrum geworden, waar men dwars doorheen gaat.
Ieder bouwvolume bestaat uit meerdere delen, paviljoens, die op of naast elkaar geplaatst zijn. Elk paviljoen heeft zijn eigen functie en daarmee samenhangend een eigen vorm, kleur en materiaal.
Wanneer je het Groninger Museum nadert is de grote gouden toren in het midden van het gebouw het eerste dat je opvalt. Dit is het depot (opslagruimte) en tevens de ingang. Mendini ziet dit deel als het hart van het museum, de schatkamer waarin het bezit van het museum bewaard wordt. Dit verklaart de centrale plaats die de toren in het ontwerp heeft gekregen. De kleur goud die de toren heeft verwijst natuurlijk nar de kostbare inhoud. Als de zon erop schijnt wordt de toren letterlijk oogverblindend en vraagt de volledige aandacht van de voorbijgangers.
Het groene gedeelte aan de zuidkant heeft grote ramen: hier is het café, van daaruit heeft men een prachtig uitzicht over het water en de voorbijvarende schepen. Het is ingericht met meubilair van diverse ontwerpers, die ook in het museum een tentoonstelling hebben staan.

Onder het café bevinden zich educatieve ruimtes, zoals het auditorium, het kinderatelier, de cursusruimte en het onderwatercafé. Op het niveau van de entreehal is de museumwinkel te vinden. De grote vitrinewand in de hal is ontworpen door Hervé en Richard di Rosa.
De wenteltrap is de eigenlijke toegang tot de collecties en ook het centrale oriëntatiepunt. De bezoeker moet de trap afdalen, en niet, zoals als in een "normaal" museum, de trap omhoog nemen. Via de grote wenteltrap kom je in de gangen die naar de tentoonstellingspaviljoens leiden.
Westelijk van het centrale gedeelte staan twee paviljoens op elkaar. Het onderste is bestemd voor de presentatie Archeologie en Geschiedenis van stad en provincie Groningen. Dat wordt al meteen duidelijk aan de buitenkant van het paviljoen; dat bekleed is met rode bakstenen. Dit is namelijk het traditionele bouwmateriaal van Groningen. In het paviljoen wordt in een semi-permanente tentoonstelling ( hier bedoel ik mee; een regelmatige wisseling van objecten uit eigen collectie) stukken uit de geschiedenis van de stad en provincie de Groningen getoond, vanaf de prehistorie tot en met de twintigste eeuw.
Helaas is in 1998 de inrichting van dit paviljoen verloren gegaan door waterschade. Nu is er een tentoonstelling te zien van de twee modeontwerpers Viktor en Rolf.
Bovenop het bakstenen deel ligt een cirkelvormig paviljoen waarin voorwerpen op het gebied van kunstnijverheid te zien zijn. De buitenkant is bekleed met aluminium platen, waarop in reliëf vaasvormen te zien zijn. Wederom wordt hier een verwijzing gemaakt naar de binnenkant van het gebouw en haar tentoonstelling. De vormgeving is gedaan door Philippe Stark in samenwerking met Albert Geertjes. Voor deze ruimte ontwierp Stark een verlichte cirkelvormige vitrine, helemaal rondom de schuine binnenmuur. Hierin staat de internationaal belangrijke collectie "Oosters keramiek" centraal. De ronde zaal wordt door middel van slingerende gordijnen verdeeld. Door de gordijnen, de mooie vormgegeven vitrines en opvallende belichtingseffecten, ontstaan sierlijke, sfeervolle ruimtes, waarin objecten volledig tot hun recht komen. Op de betonnen vloer en wanden zijn grote kunstmatige barsten aangebracht, die verwijzen naar het craquelé van porselein. De lift is kelkvormig en verwijst zo naar kunstnijverheid, maar ook naar Starks eigen ontwerpen.
De "klassieke" museumopstelling is aan de oostkant van het gebouw vertegenwoordigd. Aan deze zijde zijn drie paviljoens op elkaar geplaatst. Het onderste paviljoen (Mendini 1), heeft een trapezium en bestaat uit twee verdiepingen. Zowel binnen- als buitenkant zijn door Mendini ontworpen.
De zalen op de begane grond zijn bestemd voor de wisselende tentoonstellingen van verschillende aard. De zalen op de eerste verdieping (Mendini 2) zijn ingericht met een steeds wisselende selectie uit eigen collectie Hedendaagse Beeldende Kunst. Te zien zijn objecten die zich bevinden op de grens tussen kunst, architectuur en design, maar ook werk van onder andere hedendaagse Afrikaanse kunstenaars, graffiti en geënsceneerde fotografie.
Aan de buitenkant van de twee Mendini-paviljoens wordt door het pointillistische Signac-motief verwezen naar de inhoud, namelijk beeldende kunst.
In het midden van de vierkante plattegrond bevindt zich de grootste rechthoekige ruimte, met daaromheen kleinere zalen. Deze zijn rechthoekig en verschillend van formaat. Op de eerste verdieping, de presentatie van Hedendaagse Beeldende Kunst, heeft iedere zaal zijn eigen kleur, naar een kleurenprogramma ontwikkeld door de Nederlandse kunstenaar Peter Struycken.
Net zoals in de westelijke paviljoens "traditionele" kunstvoorwerpen afsteken tegen de vernieuwde inrichting, contrasteren hier de klassieke zalen met de hedendaagse kunst.
Een grote betonnen trap verbindt de twee etages van het Mendinipaviljoen. De trap brengt ons ook naar het bovenste paviljoen. Dit paviljoen is het meest spraakmakende deel van het museum. Het is helemaal gemaakt door het architectenduo Wolfgang Prix en Helmut Swiczinsky, ook wel Coop Himmelb(l)au genoemd.
De vorm is opgebouwd uit grote dubbelwandige staalplaten, die, daar waar ze elkaar niet raken, afgewisseld worden met hard glas. Het ontwerp is een typisch voorbeeld van de jongste architectuurstroming, het deconstructivisme, waarbij alle tradities binnen de architectuur overboord werden gegooid. De wanden zijn van staal en glas, zodat op onverwachte plaatsen, daglicht toegelaten wordt. Coop Himmelb(l)au streeft naar "open architectuur", naar wisselwerkingen tussen binnen en buiten, zodat de bezoeker regelmatig verrast wordt met plotselinge doorkijkjes naar buiten.








3. Materiaal/techniek/werkwijze.

Bij het Groninger Museum is er sprake van skeletbouw. Bij skeletbouw wordt het gewicht van het gebouw gedragen door een skelet (geraamte) van pijlers en vloeren. De muren en wanden hebben geen dragende functie. Daarom wordt afhankelijk van de wand een bepaald materiaal (glas, gips, staal, decoratieve steen, kunststof, enzovoorts) gekozen.
Het Groninger Museum heeft de muren ook geen dragende functie gegeven. Ik ga uit van skeletbouw omdat de muren van het Groninger Museum grotendeels uit laminaat bestaan. Laminaat heeft absoluut geen dragende functie, het is kunststof en heeft eerder een decoratieve functie, omdat het erg veelzijdig is.
De grote gouden toren (het depot) van het Groninger Museum is gemaakt van laminaat evenals de twee kleinere gebouwtjes aan weerskanten van het depot. Laminaat is een harde kunststoffen afdeklaag op plaatmateriaal van hout. Dit materiaal wordt steeds meer toegepast, bijvoorbeeld bij vloeren en meubels. Laminaat is handig in gebruik omdat het makkelijk voorzien kan worden van een print, bijvoorbeeld de afdruk van hout, steen of een bepaalde structuur.
Een duidelijke bekleding van laminaat kan je goed zien bij de twee paviljoens van Mendini. Laminaat is namelijk makkelijk een ander kleurtje of motiefje te geven. De paviljoens van Mendini zijn aan de buitenkant helemaal beschilderd met een motief van Signac, een stukje pointillisme uit één van de schilderijen van Signac. De skeletbouw is juist weer heel goed te zien bij het paviljoen van Coop Himmelb(l)au. Het vele glas dat daar als muur en vloer is gebruikt duidt er wel op dat deze absoluut geen dragende functie hebben, maar ook niet echt een decoratieve functie. En we spreken bij glas pas eigenlijk van een decoratieve functie als het gaat om gekleurd glas, bijvoorbeeld glas-in-lood.
Voor het paviljoen Archeologie en Geschiedenis van stad en provincie Groningen is er gebruik gemaakt van baksteen. Baksteen wordt uit klei gevormd in bakvormen. Daarna wordt de klei gebakken. Baksteen heeft een handzaam formaat, is poreus vochtdoorlatend en is in verschillende kleuren en hardheden verkrijgbaar. Bij dit paviljoen hebben ze roodbaksteen gebruikt omdat roodbaksteen het traditionele bouwmateriaal is van Groningen.
Het paviljoen kunstnijverheid is aan de buitenkant helemaal bekleed met aluminiumplaten. Aluminium is een niet-natuurlijk materiaal en wordt tegenwoordig vaak in de bouw gebruikt ter vervanging van traditionele materialen.





4. Welke beeldende aspecten?

A. Licht
We gaan als eerste bekijken hoe licht wordt gebruikt in het interieur van het Groninger Museum. In het Groninger Museum wordt er zelden gebruik gemaakt van daglicht, omdat het namelijk niet de bedoeling is dat de mensen afgeleid worden door de omgeving buiten. Toch zijn er op sommige plekken afgescheiden ruimtes, waar mensen die willen uitrusten kunnen zitten en van het uitzicht kunnen genieten.
In de delen die Mendini heeft ontworpen zijn weinig ramen te vinden. De kunst die daar tentoongesteld is wordt geheel in de spots gezet zodat het net acteurs op het toneel lijken. Dit is heel goed te zien in het paviljoen waar voorheen altijd de tentoonstelling Archeologie en geschiedenis van stad en provincie Groningen te zien was. Nu wordt daar de modecollectie van Victor en Rolf tentoongesteld. Hierbij is de zaal in zijn totaliteit donker, maar de poppen met hun fascinerende kledij staan letterlijk in de schijnwerpers, de spots staan helemaal op de poppen gericht, zo wordt je aandacht niet afgeleid door de omgeving.
Coop Himmelb(l)au streeft daarentegen naar "open architectuur", naar wisselwerkingen tussen binnen en buiten, zodat de bezoeker regelmatig verrast wordt met plotselinge doorkijkjes naar buiten. Op de plekken waar te veel daglicht is, wordt er rekening gehouden met lichtgevoelige kunstwerken en is het glas beschilderd.
Nu gaan we eens kijken naar het exterieur van het Groninger Museum. Het allereerste wat je opvalt als je buiten aan komt lopen is de grote gele toren. Vooral als de zon er op een heldere dag op schijnt geeft deze een mooie gouden gloed en begrijp je dat de inhoud van het depot kostbaar is. De bedoeling van dit opvallende stuk gebouw is ook dat dit gebouw opvalt bij voorbijgaande mensen en dat dit in hun hoofd blijft hangen.

B. Kleur
Als je aan komt lopen bij het Groninger Museum, is het eerste wat je opvalt de goudkleurige toren. Een mooie intense kleur komt je tegemoet, de kleur glinstert in de zon. Bij deze toren is er duidelijk gebruik gemaakt van symbolisch kleurgebruik. Dat wil zeggen dat aan kleuren een diepere betekenis wordt toegekend. Deze zijn niet overal hetzelfde, maar verschillen per cultuur en ze zijn ook tijdgebonden. Hier is het goud op de toren gebruikt als teken van waarde. De toren dient als depot (opslagruimte) van het museum. Hier staan dus allerlei waardevolle spullen. Zo is de kleur goud op de toren te verklaren.
Aan weerszijden van het depot zijn twee bijna identieke gebouwtjes te zien. Aan de linkerkant (noord) staat het roze gebouwtje en aan de rechterkant (zuid) het groene. Als je binnenkomt zie je dat de pastelkleuren overheersen. Je ziet de pasteltinten zachtgeel, lichtblauw, lila en terracotta. Dit is omdat donkere kleuren te erg zullen overheersen en de mensen hierdoor afgeleid zullen worden of vinden dat het te druk overkomt.
De grote wenteltrap die in de hal te zien is, is wel met veel opvallende donkere kleuren. Dit is juist om deze trap te laten opvallen, het is gewoon een kunstwerk op zichzelf. Via de wenteltrap kom je in de gangen die naar de tentoonstellingspaviljoens leiden. De halfronde ramen in de gangen zijn blauw geverfd. Dit doet denken aan water en verwijst dan ook naar het water van buiten dat het Groningermuseum omringt. In de bekleding aan de buitenkant van het gebouw komt deze kleur terug.
Westelijk van het centrale gedeelte staan twee paviljoens op elkaar. Het onderste was bestemd voor de tentoonstelling Archeologie en Geschiedenis van stad en provincie Groningen maar door waterschade in 1998 is er nu een tentoonstelling te zien van Viktor en Rolf. Hier is kleur niet van toepassing omdat de poppen in een donkere ruimte staan en er alleen spots zijn gericht op de poppen met kleding. Toen hier nog de oude tentoonstelling te zien was, was er binnen een baksteenrode kleur in het interieur aangebracht, naarmate men verder de tijd in ging werd de kleur lichter. Hier is dus ook weer sprake van symbolisch kleurgebruik omdat het baksteenrood staat voor het traditionele bouwmateriaal van de stad Groningen, hieraan vast zit natuurlijk historie. Hoe verder je dus de tijd in gaat hoe ouder dit materiaal wordt en dus vervaagt. Daarom de lichtere kleuren naarmate de tijd verstrijkt. Het baksteenrood is ook weer aan de buitenkant van dit paviljoen te zien.
Bovenop het bakstenen deel ligt een cirkelvormig paviljoen waarin de tentoonstelling kunstnijverheid is te zien. Het interieur van dit paviljoen is heel licht van kleur. Je ziet hier eigenlijk alleen wit-kleuren. Dit is om het breekbare en het kwetsbare van de tentoonstelling naar voren te brengen.
Aan de oostkant van het Groningermuseum is Hedendaagse Beeldende Kunst te zien. In het onderste paviljoen (Mendini 1) worden wisselende tentoonstellingen gehouden, deze kunnen van allerlei aard en samenstelling zijn. Op de eerste verdieping heeft iedere zaal zijn eigen kleur, naar een kleurenprogramma van Peter Struyken. De zalen op de tweede verdieping (Mendini 2) zijn ook voor steeds wisselende tentoonstellingen uit de eigen collectie Hedendaagse Beeldende Kunst.
Een grote betonnen trap verbindt de twee Mendini paviljoenen en hij brengt ons ook naar het bovenste paviljoen waar de collectie Oude Beeldende Kunst te zien is. De inrichting van dit paviljoen hangt af van de tentoonstelling die is te zien. Maar binnen is wel de overheersende kleur rood te zien, die we ook aan de buitenkant tegenkomen. Deze kleur doet je denken aan roest en dat refereert weer aan de grote hoeveelheden staal die in deze constructie zijn gebruikt.

C. Ruimte
Het nieuwe Groninger Museum moest iets heel anders worden dan andere musea. Er werd een nieuwe locatie uitgezocht. In 1990 koos een voorbereidingscommissie voor de zwaaikom in het Verbindingskanaal aan de zuidkant van het centrum. Het is een historische plek, grenzend aan de statige 19e eeuwse singels met herenhuizen die gebouwd zijn op de plaats waar ooit de oude verdedigingsmuur van de stad stond. De stadsgracht lag op de plek waar later het Verbindingskanaal gegraven is. Aan de andere kant bevinden zich het hoofdstation en enkele lintvormige kantoorgebouwen. Een unieke locatie voor een uniek gebouw.
De hoofdarchitect voor het nieuwe gebouw werd Alessandro Mendini
Mendini was gebonden aan een aantal eisen van de gemeente. Er moest een directe verbinding tussen station en binnenstad (fiets- en voetgangersbrug) worden opgenomen in het ontwerp, de scheepvaart moest door kunnen gaan, en men moest vanaf de ene oever de andere oever kunnen blijven zien.

D. Vorm
We gaan ten eerste kijken wat de basisvormen zijn van het Groninger Museum. Basisvormen zijn vormen die we tegenkomen als we vormen steeds verder vereenvoudigen. Voorbeelden van basisvormen zijn eenvoudige geometrische vormen; vierkanten, driehoeken en cirkels of stereometrische vormen zoals; kubussen, piramides en bollen. Basisvormen worden vooral gebruikt om composities overzichtelijk te maken. In het Groninger Museum spreken we alleen maar over stereometrische vormen omdat we met deze vormen ruimtelijke, geometrische vormen bedoelen. En het Groninger Museum is natuurlijk iets driedimensionaals. Je kan er omheen lopen en het van vele verschillende plekken bekijken.
Het centrale gedeelte van het Groninger Museum bestaat vooral uit vierkante stukken. Het depot is een rechthoekig gebouw met daarnaast bijna identieke gebouwtjes die vierkante vormen bevatten. Het paviljoen van de Kunstnijverheid is het enige paviljoen dat uit een ronde vorm bestaat, maar ik zou eigenlijk niet weten waarom het het enige is. Het zal vast wel iets met kunstnijverheid te maken hebben. Het paviljoen daaronder is een beetje rechthoekig van vorm.
Als we gaan kijken naar de paviljoens van Mendini zien we hier ook weer de vierkante vormen terugkomen. Belangrijk bij deze twee paviljoens is dat het een heel erg gesloten vorm is, alleen aan de achterkant zijn twee ramen gemaakt en die dienen als uitrustpunt voor de bezoekers, om van het uitzicht te genieten. Ook de paviljoens Kunstnijverheid en Archeologie en Geschiedenis van stad en provincie Groningen zijn twee hele gesloten vormen. Daglicht zorgt namelijk alleen maar voor afleiding vond Mendini.
Het spraakmakendste deel van heel het museum is toch wel het paviljoen ontworpen door het architectenduo Wolfgang Prix en Helmut Swiczinsky, of ook wel Coop Himmelb(l)au. Het grillige paviljoen staat in groot contrast met de rest van het gebouw, dat bestaat uit strakke, eenvoudige vormen. De eerste indruk die je hebt is een willekeur van chaos. Vele verschillende, dubbelwandige staalplaten zijn schots en scheef neergezet, afgewisseld met gehard glas.
Het ontwerp is een typisch voorbeeld van de jongste architectuur stroom, het deconstructivisme, waarbij alle tradities binnen de architectuur overboord worden gegooid. De wanden zijn van staal en glas, zodat op onverwachte plaatsen daglicht toegelaten wordt. Coop Himmelb(l)au streeft naar "open architectuur", naar wisselwerkingen tussen binnen en buiten.

E. Beweging
Ik vind het bij een gebouw moeilijk te zeggen of er beweging in zit. Vooral als het gaat om rechte vormen die gewoon eentonig naast elkaar zijn neergezet.
Bij het Groninger Museum zie ik alleen beweging in het paviljoen dat ontworpen is door het duo Coop Himmelb(l)au. Hier zijn namelijk rechte vlakken schots en scheef, maar toch systematisch neergezet. Daardoor lijkt het net of het beweegt, of er leven in zit. Het lijkt net of er een bom is ontploft en het paviljoen elk moment kan instorten.
Bij het Groninger Museum is er gekozen voor een moderne stroomlijn. Een stroomlijn wordt gebruikt om bijvoorbeeld de luchtweerstand bij voertuigen te verminderen. Uitstekende onderdelen worden daarbij zoveel mogelijk in de totale vorm opgenomen. Gestroomlijnde vormen zijn glad en vloeiend van vorm.
De stroomlijn heeft in de loop van de jaren zijn functionele betekenis een beetje verloren en daarvoor in de plaats is de decoratieve betekenis gekomen. Bij het Groninger Museum is er sprake van eigenlijk alleen maar rechte, vierkante vormen, behalve bij het paviljoen kunstnijverheid is het paviljoen rond van vorm. Maar ook dit paviljoen straalt moderniteit uit, door de kleur ervan.

F. Contrast
Contrasten zijn, samen met kleuren, enorm belangrijk in de architectuur van het Groninger Museum. Het hele gebouw is in feite een groot kleur- en vormcontrast.
De verschillende onderdelen waaruit het geheel bestaat staan in directe tegenstelling met elkaar.
De contrasten die in de architectuur van het Groninger Museum (sterk) vertegenwoordigd worden zijn onder andere:
- gesloten-open.
Sommige vormen nodigen je als het ware uit om kennis te nemen van hetgeen dat zich binnen de muren van het artistieke gebouw afspeelt. Terwijl anderen, in tegenstelling totdat, zich volledig afsluiten.
- enkelvoudig-samengesteld.
Enkele onderdelen van het geheel, onder andere de grote, zilverkleurige ovaal (paviljoen Kunstnijverheid), zijn eenvoudig krachtig. Hoewel sommige anderen, zoals de goudkleurige toren, het depot en de ingang, samengesteld is uit verschillende onderdelen.
- symetrisch-asymmetrisch.
Aan de buitenkant van het museum zijn de te onderscheiden vormen veelal symmetrisch. Denk daarbij aan de goudkleurige toren en de groene en roze zijden aan weerskanten hiervan. Ook het paviljoen Kunstnijverheid is een voorbeeld van een symmetrisch object. Binnenin komen eveneens veelvoudig symmetrische figuren voor. Met name de verschillende zalen vertonen een symmetrisch karakter; alles is perfect in balans en op elkaar afgesteld.
Slechts enkele aspecten in het museum zijn asymmetrisch. Ook aan de buitenzijde wordt deze vormsoort in geringe mate vertegenwoordigd.
- Regelmatig- onregelmatig.
Zoals hierboven eigenlijk al enigszins beschreven zijn sommige aspecten regelmatig geordend terwijl anderen onregelmatig geplaatst zijn. 'Willekeurig' vinden zij een plaats in de gehele compositie, het totaalbeeld. Op geen enkele manier lijken zij, op welke wijze of door wie dan ook, te zijn beïnvloed door van te voren vastgestelde factoren.
- Groot-klein.
Over het algemeen is het Groninger Museum groots opgezet, een enorme ruimte waarin vaak enkele objecten tentoongesteld staan. Deze steken af tegen het volume van de zaal. De architectuur tegenover de geplaatste kunst.
- Hoekig-rond.
Zowel aan de buiten- als aan de binnenzijde is dit een veel voorkomend contrast. Buiten zijn er zowel hoekige (bijv. de goudkleurige toren) als ronde onderdelen te herkennen, zoals de zilveren ovale figuur (het paviljoen Kunstnijverheid). Ook binnenin vinden we dit vormcontrast terug in de veelzijdigheid van de diverse zalen. Rond, ovaal, rechthoekig, vierkant en nog enkele compleet andere vormen dienden als uitgangspunt hiervoor. Ook combinaties en contrasterende vormen recht tegenover elkaar zijn mogelijk.
- Complementair contrast.
Er zal in het Groninger Museum ongetwijfeld sprake zijn van complementaire contrasten. Felle kleuren, pasteltinten, aardeachtige aspecten; alles komt in een gebouw bij elkaar, het is in zijn totaliteit een enorme gekleurde massa, waarin kleuren elkaar versterken door ze op de juiste manier te rangschikken.
- Licht-donker.
Licht wordt door veel beeldend kunstenaars optimaal benut bij het totstandkomen van hun werk. Bij enkelen van hen is het licht zelfs de gehele essentie ervan; zij proberen het zo nauwkeurig mogelijk weer te geven of na te bootsen. Het licht speelt een belangrijke rol wanneer het gaat om de tentoonstelling van kunst. Deze kan door het licht gemaakt of gebroken worden. De vele ramen, in het paviljoen Coop Himmelb(l)au maken het licht in dit paviljoen enorm belangrijk. Er zijn echter ook hele donkere zalen in het gebouw, waar het licht juist een ondergeschikte rol speelt. Doordat slechts de objecten gering verlicht zijn hebben deze de absolute nadruk.
- Warm-koudcontrast.
In en buiten het gebouw worden zowel warme als koude kleuren toegepast. Vaak wordt deze tegenstelling nog eens extra benadrukt door deze tinten direct naast elkaar te gebruiken. Over het algemeen stralen rood, oranje en geel een warmte uit, terwijl kleuren als groen en blauw juist een kil gevoel oproepen.

G. Textuur
Omdat het Groninger Museum zo veelzijdig is vind je er een vele verschillende texturen. Ieder onderdeel van het gebouw heeft niet alleen zijn eigen kleur en vorm, maar ook textuur is erg belangrijk voor de uitstraling van een kunstwerk. Een balletdanseres zal vaak afgebeeld worden met een gladde stuctuur, terwijl voor een bouwvakker eerder de grove variant gekozen zal worden.
De textuur kan een onderdeel net dat beetje extra geven of het juist naar beneden halen. Alle beeldende aspecten moeten met elkaar in balans zijn. Op elkaar afgesteld.
Alleen wanneer dat het geval is verkeerd het kunstwerk in perfecte harmonie.
Verschillende materialen zorgen voor verschillende texturen. Tegels hebben een gladde, fijne textuur (glazuur) , bakstenen zijn poreus en ruw. Het is de kunst om de juiste materialen op de juiste plaats te hanteren zodat iedere ruimte een bepaalde uitstraling krijgt.

K. Compositie
Het gebouw is opgenomen in de stadsplanning. Er is duidelijk over nagedacht. Het museum ligt vlakbij het centraal station zodat het, ook voor mensen van buiten Groningen, gemakkelijk en snel te bereiken is. Ook binnen de totaliteit van het gebouw hebben alle onderdelen een eigen plek. Deze is zorgvuldig uitgedacht. Aan de voorkant, een grote, goudkleurige toren, die veel aandacht opeist. Aan beide zijden hiervan lichte, pastelachtige tinten toegepast op eenvoudige architectuur. Dan de opvallende zilverkleurige ovaal, die massaal in het water ligt en aan de achterkant nog enkele asymmetrische aspecten. Ook over de invulling binnenin is naar mijn idee lang gediscussieerd. Wat moest op welke plek en hoe komt de enorme kleurenmassa, de absurditeit, zo goed mogelijk naar voren? Welke kunst moest naast andere worden opgesteld, en wat komt alleen beter tot zijn recht? En dan zijn we er nog lang niet. Ook aspecten als licht en ligging spelen een belangrijke rol in de totale compositie.

5. Wat heeft de nadruk/aandachtspunt?

Volgens ons is het helemaal niet de bedoeling de nadruk op een enkel onderdeel te leggen. Het is de bedoeling dat het volledige gebouw, in zijn totaliteit, opzien baart. Er moet over gepraat worden! Maar bij binnenkomst valt je oog in eerste instantie toch op de toren, die ook als ingang fungeert. De gouden kleur zorgt ervoor dat het gebouw luxe, duurzaamheid en klasse uitstraalt. Men moet er wel naar kijken, het is een hoog object en is vanuit diverse standpunten nog steeds duidelijk te zien. Het wordt dan ook een punt van herkenning. Je kunt er als beschouwer ook niet omheen, je moet er tenslotte door naar binnen.

6. Wat is de inhoud, bedoeling, functie?

De bedoeling of functie van het gebouw is zowel praktisch als symbolisch. Praktisch omdat het een museum is; er wordt kunst vertoond. Mensen gaan erheen met een bepaald doel.
Het Groninger Museum staat er niet voor de sier of omdat het alleen maar mooi is, maar toch heeft het ook een symbolische functie; aan de buitenkant is eigenlijk al af te lezen dat er in dit gebouw (uitgesproken) kunst vertoont wordt. Aan de complexiteit, de vele kleuren, de verschillende vormen enzovoorts is af te lezen dat het aan de binnenkant zeker niet saai zal zijn. Daarbij moet het gebouw in het absolute middelpunt staan, net zoals dat bij kunst de bedoeling is.
We zullen nu nog iets meer vertellen over de architecten die aan het museum hebben gewerkt.
Vanaf het eerste moment stond vast dat het nieuwe Groningermuseum door meerdere architecten zou worden ontworpen. En wel Allesandro Mendini, Philippe Starck, Coop Himmelb(l)au en Michele De Lucchi. Veelvuldige selecties gingen hieraan vooraf. Wij zullen hen hieronder kort toelichten.

Allesandro Mendini (1931)
Mendini is naast architect ook designer, kunstenaar, theoreticus en dichter, hij schrijft onder andere columns in internationale tijdschriften. In 1988 presenteerde het Groninger Museum een grote overzichtstentoonstelling van zijn activiteiten waarin zijn veelzijdigheid duidelijk tot uiting kwam. Hij kan ook wel als grondlegger van het nieuwe design worden beschouwd.
Naar zijn mening is versiering het uitgangspunt van het ontwerpen. De functionalisten verwierpen het ornament omdat dat de aandacht afleidde van het geen waar het eigenlijk omging, namelijk de functie. Wat zij maakten was sober en strak met alle aandacht gericht op de doelmatigheid van het voorwerp, dit leidde tot onpersoonlijke massaproducten, waar de consument deze dagen geen behoefte meer aan heeft, persoonlijkheid in plaats van de anonimiteit van de functionele vormgeving is waar hij naar streefde.
Bij Mendini zijn gebruiker en schoonheid uitgangspunt van een voorwerp, niet het object en de functie. Kenmerken van Mendini's werk zijn ontkenning van traditionele rangordes in de kunst. Bijvoorbeeld dat schilderkunst verheven is boven toegepaste kunst en historische indelingen van tijd en plaats. Kunsthistorische stijlen uitheemse culturen en kitsch zijn voor hem even belangrijk. Uit deze opvatting komt het tweede kenmerk van zijn werk voort, namelijk vermenging van disciplines. Er zijn geen grenzen tussen de verschillende activiteiten waar hij zich mee bezig houdt. Theater, beeldende kunst, sculptuur, architectuur en wetenschap zijn naar zijn idee vrij door elkaar te gebruiken. Een derde kenmerk van Mendini is het samenwerken met anderen. Hij ging samenwerkingprojecten aan met kunstenaars, vormgevers en architecten. En creëerde op deze wijze kleding, decors, schilderijen, meubels, theatervoorstellingen, juwelen, objecten maar ook gebouwen.
Hij is meer actief als regisseur en bedenker dan als uitvoerder door het streven naar doorbreking van de grenzen van traditionele vakgebieden.
Het basisontwerp van Mendini bestaat uit drie strakke en eenvoudige bouwvolumes die met elkaar verbonden worden door gangen. Deze gangen dienen tevens als brug, de hemels blauwe ophaalbrug doorsnijdt het complex. Het verbindt niet alleen de twee oevers maar maakt ook onderdeel uit van een rechtstreekse verbinding tussen het station en binnenstad. Het museum is daardoor een toegangspoort naar het centrum geworden. De bouwvolumes die los in de lengte van het verbindingskanaal in het water liggen bestaan ieder uit meerdere delen; zogenaamde paviljoens, die op of naast elkaar geplaatst zijn. Elk paviljoen heeft zijn eigen functie en daarmee samenhangend een eigen vorm, kleur en materiaal.

Philippe Stark (1949)
Stark behoort tot de internationale designerscène. Zijn ontwerpen zijn wereldberoemd. Daarnaast is hij bekend als architect. In de loop der jaren heeft hij aan meer dan veertig projecten over de gehele wereld gewerkt, onder andere aan kantoren, openbare gebouwen, privé huizen, nieuw-, her- of fantasiebouw.
Zijn karakteristieke stijl wordt gekenmerkt door met eenvoudigheid grootse effecten te bereiken.

Coop Himmelb(l)au (1971)
Wolf D. Prix (1942) en Helmut Swiczinski (1944) vormen sinds 1971 het architecten duo Coop Himmelb(l)au. Voor het ontwerp van het paviljoen voor Oude Beeldende Kunst waren zij gezamenlijk verantwoordelijk. Het experimentele karakter is kenmerkend voor hun ontwerpen. Het ontwerp voor het Groninger Museum is een typisch voorbeeld van de jongste architectuurstroming het zogenaamde deconstructivisme. Kenmerkend voor deze stijl is het gebruik willen maken van het onderbewuste en dit als grondslag gebruiken om nieuwe vormen te ontwikkelen en emotie terug te brengen in de architectuur. Uitgangspunten zijn beweging, contrast, chaos en versnippering.

Michele De Lucchi (1951)
De Lucchi maakt deel uit van een groep jonge Italiaanse ontwerpers. Zij hebben een internationale reputatie en in de jaren '80 beïnvloedden zij wereld wijd de designscène. In nauwe samenwerking met Geert Koster, vormgever te Groningen, ontwierp hij de inrichting voor het paviljoen waar de tentoonstelling Archeologie en Geschiedenis van stad en provincie Groningen plaatsvindt.



























Tentoonstelling Viktor en Rolf

Tijdens het schoolbezoek op 16 januari 2001 was in het Groningermuseum een tentoonstelling van de jonge designers Viktor en Rolf gaande. Dit vond plaats in het paviljoen waar normaal de tentoonstelling Archeologie en Geschiedenis van de stad en provincie Groningen stond. Deze is echter in 1998 verloren gegaan door wateroverlast.
Viktor Horsting (1969) en Rolf Snoeren (1969) studeerden in 1992 af aan de Hogeschool voor Kunsten in Arnhem. Onder de naam Viktor en Rolf creëerden zij verschillende Haute Couture en trachtten zij door te breken in het internationale design en mode wereldje. Hun debuut collectie werd in 1998 in Parijs gepresenteerd en in 1999 waren zij zodanig succesvol dat een opname in de Haute Couture kalender van Chambre Syndicale de la Couture niet uitbleef. Over het algemeen staan zij bekend als leiding van de avant garde.
Voor hen ligt de hoofdzaak van mode in dat wat het ontstijgt. Voor hen is de Haute Couture een middel waarmee zij communiceren. In hun meest recente show met als uitgangspunt transformatie wilde zij de zintuigen prikkelen door outfits te creëren die men kon horen, dit door middel van belletjes aan de kleding toe te voegen. Viktor en Rolf verschenen op het toneel om een model aan te kleden met negen lagen, de gehele collectie. Het onthullen van de ene outfit moest de andere outfit verhullen. Zij experimenteren als moderne alchemisten met nieuwe ideeën die zij omtoveren tot creaties.
Het Groninger Museum stelt een selectie van outfits uit de Haute Couture collecties die de beide ontwerpers hebben gemaakt in de jaren 1998/2000 ten toon. Het museum verzamelt systematisch werk van dit duo, omdat het op de grenzen van kunst en samenleving begeeft.













7. Wat vinden wij er zelf van?

Zelf vinden wij het gebouw erg opvallend en modern met al die verschillende kleuren en vormen. Het is naar onze mening niet perse mooi. Maar het is wel echte kunst. De kunstenaars hebben hun doel bereikt; bijna elke Nederlander heeft het gebouw Groninger Museum wel eens gezien of heeft er in ieder geval van gehoord. Het is een groot, veelzijdig en absurd gebouw. Ook wat er binnenin het gebouw werd vertoond vonden wij erg indrukwekkend. In eerste instantie begrepen wij niet waarom het nu nodig was helemaal naar Groningen te gaan, in de Randstad heb je toch musea in overvloed? Maar dit was weer helemaal anders dan bijvoorbeeld het Haags Gemeentemuseum. Hoewel je dat misschien ook niet met elkaar moet of kunt verglijken. In ieder geval begrijpen wij nu beter waarom we ruim acht uur in de bus hebben gezeten.


8. Verklarende woordenlijst/begrippen.

Omdat wij tijdens het beschrijven van het Groninger museum alle begrippen hebben uitgelegd die we hebben gebruikt. Is het overbodig om hier alle moeilijk woorden nog een keer uit te leggen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

N.

N.

Heel erg bedankt voor je verslag op scholieren.com. Ik was er wel geweest in het gronuinger museum maar toen mocht het niet meer meetellen voor die periode.
bye, nikki

21 jaar geleden

L.

L.

Ik vind persoonlijk handiger om alinea's met kopjes te gebruiken. zo kan iemand die naar een bepaald onderwerp over het gebouw zoekt (zoals ik) alles gemakkelijker vinden. het is maar een tip!

9 jaar geleden