Jongeren met messen

Er komen veel berichten in het nieuws over jongeren die betrokken zijn bij steekincidenten. Wat merken jullie van het messenbezit onder jongeren? Vul onze (anonieme) vragenlijst in! Duurt maar 2 minuten.


ADVERTENTIE

Als ik moet kiezen, dan ga ik het liefst:

Andere ogen

Dieren zien heel anders dan mensen. Als je een zonnebril opzet en op je knieën door het huis gaat kruipen, zie je ongeveer wat een hond ziet. Je kunt niet zien wat op tafel ligt en alles heeft veel minder kleur. Honden kunnen toch goed de weg vinden en dat komt door hun neus. Hij herkent je aan je uiterlijk en je gedrag maar vooral aan je geur.

Katten hebben weer betere ogen dan honden. Overdag kijken ze met smalle spleetjes maar ’s nachts zijn hun ogen weer wijd open. Dan weerkaatsen de ogen net zoals reflectors het licht. Daarom lijkt het ook net of de ogen van een kat lichtgeven. Katten kunnen als er nog maar een beetje licht is nog steeds zien. En omdat ze ook nog goede oren hebben kunnen ze goed in de schemering op jacht.

Bijna elk dier kan licht zien. Katten kunnen dus bij heel weinig licht nog iets zien. Honden zien minder goed, maar die kunnen weer erg goed ruiken. Zelfs regenwormen kunnen zien, ook al hebben ze geen echte ogen.





Zien of kijken?

Zintuigen hebben dieren nodig om te overleven. Zintuigen geven signalen uit de omgeving door aan de hersenen. Die zorgen voor een reactie. Het opvangen van signalen door de zintuigen heet waarnemen. Door signalen uit de omgeving weet het dier waar voedsel, gevaar en soortgenoten zijn.

Bij veel dieren zijn de ogen belangrijke zintuigen. Het zijn zintuigen die licht waarnemen. Licht is straling die wordt uitgezonden door bijvoorbeeld lampen, vlammen of de zon. Maar er zijn ook voorwerpen die zelf geen licht uitstralen. Straling die op die voorwerpen valt wordt teruggekaatst. Als die straal in je ogen komt, dan zie je het voorwerp.

Met je ogen kijk je om je heen. Je hersenen kiezen uit de informatie die je oog binnenkomt wat belangrijk is. Dat is wat de hersenen zien. Kijken gebeurt met de ogen, zien gebeurt in de hersenen. Zo gaat dat ook bij dieren. Maar wat dieren nu precies zien, zullen we wel nooit te weten komen.



Oogvlekken en bekerogen

Een regenworm heeft geen ogen nodig, omdat hij in de grond leeft. Daar is toch niets te zien. Heel soms kruipen ze uit de grond om te paren. Als je dan met een zaklamp op de wormen schijnt, kruipen ze snel weer weg. Ze merken dat er licht is, hoewel ze geen echte ogen hebben. Dat is bij jezelf ook zo, als je zelf je ogen dicht doet, kun je toch zien of er licht is. Zo ziet een regenworm licht met zijn oogvlekken. Dat is voor een regenworm genoeg. Hij kan dan kijken of het licht te sterk is. Dat is belangrijk want overdag kan de zon hem uitdrogen. Hij merkt ook wanneer een schaduw van bijvoorbeeld een vogel over hem heen valt. Dan kruipt hij snel weer in de grond.

Een slak heeft oogvlekken in de vorm van een bekertje. Daardoor kan hij zien uit welke richting het licht komt. Die ogen zitten op beweegbare steeltjes. Daardoor kan een slak makkelijk om zich heen kijken. Je weet zelf wel dat die ogen erg gevoelig zijn. Als je er maar even met je vinger erop duwt, gaan ze gelijk in. Dan komen ze pas weer na een poosje tevoorschijn. Ook een krab heeft zulke ogen.



Insectenogen

Het oog van een insect heet insectoog. Meestal bestaat uit een heleboel kleine oogjes die dicht bij elkaar zitten. Bij mieren bestaat een facetoog maar uit negen facetten, maar bij libellen bestaat het uit dertigduizend facetten. Elk oog neemt een stukje van de omgeving waar. In de hersenen van het insect worden de signalen van alle facetten samengevoegd tot één beeld. Een insect ziet waarschijnlijk een mozaïek van lichte en donkere vlekjes. Toch kan bijvoorbeeld een libel goed zien. Een insect waar hij op jaagt, houdt hij op een afstand van veertig meter nog in de gaten! De bovenste facetten dienen om ver weg te kijken en het onderste deel is voor dichtbij. De libel heeft ook nog drie puntogen die verschillen tussen licht en donker waarnemen. Dit maakt dat een libel heel moeilijk te benaderen is.

Facetogen zien vooral bewegingen, iets wat stil zit valt bijna niet op. Beweegt er iets kleins, dan kan het een lekker hapje zijn. Is het groot, dan kan het gevaarlijk zijn. Insecten verwerken de signalen van de ogen tien keer sneller dan mensen dat kunnen. Een gewone gloeilamp gaat vijftig keer per seconden aan en uit. Het is eigenlijk een snel knipperlicht. Wij merken daar niks van, maar een vlieg ziet de lamp wel als een knipperend licht. Om een vlieg dood te maken kun je dus beter traag naderen, dan valt het niet zo op.



Hoofdogen en bijogen

Een spin heeft acht ogen waarmee hij zijn omgeving in de gaten houdt. Die acht ogen zijn niet allemaal hetzelfde. Jachtspinnen bijvoorbeeld hebben twee hoofdogen. Die kunnen bewegen en daardoor kan de spin de omgeving goed in de gaten houden. De andere ogen zijn bij-ogen. De bij-ogen kunnen niet bewegen en zitten twee aan twee verspreidt over de kop. Ze kijken omhoog, opzij, naar voren en soms zelfs naar achteren. Sommigen zijn om dichtbij te zien en anderen voor veraf.



Lensogen

Alle zoogdieren, vogels en vissen hebben lensogen.

Lensogen maken een scherp beeld dat eruit ziet als een foto of film. Een libel maakt met zijn facetogen een beeld dat lijkt op een grove krantenfoto. Kleine onderdelen van het beeld ziet hij daardoor niet. Om net zo scherp als een lensoog te kunnen zien, zou het facetoog van de libel een doorsnede van een meter moeten hebben.

De lensogen van dieren werken net als de ogen van mensen. Gewoon met een pupil waardoor het licht in het oog valt. Het doorzichtige hoornvlies beschermt de pupil. De lens zit net achter de pupil. Het zorgt ervoor dat het beeld scherp op het netvlies valt. Het netvlies zet het beeld om in informatie, die door de zenuwen naar de hersenen wordt gestuurd. De hersenen verwerken die informatie. De gekleurde rand om de pupil is de iris. De iris is een ring van kleine spiertjes. De iris zorgt ervoor dat er genoeg licht in het oog valt. Bij weinig licht gaat de pupil wijd open om zoveel mogelijk licht door te laten. Bij veel licht sluit de pupil zich een beetje.



Prooidieren en roofdieren

Prooidieren en roofdieren zien allebei op een andere manier. We behandelen ze een voor een.

Prooidieren moeten altijd op hun hoede zijn. Er kan natuurlijk altijd een roofdier achter hen aan zitten. Jammer genoeg hebben ze geen achteruitkijkspiegels, net als een auto. Daarom hebben ze een ander middel om te kijken wat er achter hen bevindt. Hun ogen staan aan de zijkant van hun kop. Ze kunnen niet alleen naar voren kijken, maar ook opzij en naar achteren. Zo houden ze de hele omgeving in de gaten, zonder dat ze hun hele kop moeten draaien. Het beeld dat hun ogen vormen, heet een panoramabeeld. Dat heet zo omdat ze heel groot stuk kunnen overzien. Dat is voor hen van levensbelang.

De meeste dieren zien vooral beweging. Voor prooidieren is beweging meestal gevaar. Een duif vliegt weg, maar een konijn houdt zich soms bewegingloos. Als het niet beweegt, heeft het meer kans om te overleven.

Nu hebben we het over roofdieren. Roofdieren hebben hun ogen aan de voorkant van de kop. Ze kijken dus beide naar voren, maar ze staan een beetje van elkaar vandaan. Daarom zien het linker- en het rechteroog beelden die iets van elkaar verschillen. De hersenen verwerken die twee beelden tot één beeld. Daardoor zie je diepte en kun je afstanden schatten. Voor roofdieren is diepte zien van levensbelang. Een leeuw bijvoorbeeld moet goed kunnen zien hoever zijn prooi van hem verwijderd is. Roofvogels hebben hele scherpe ogen die aangepast zijn aan de jacht. Ze zijn even scherp als onze ogen plus een verrekijker. Het oog van de roofvogel heeft een speciaal kuiltje in het netvlies. Die plek zorgt voor een extra vergroting van het beeld van de prooi die hij in de gaten houdt.



Kleuren zien

In het vorige hoofdstuk stond dat roofvogels hun ogen heel scherp kunnen kijken.

Een havik ziet bijvoorbeeld een muis al heel hoog in de lucht. Maar dat komt niet alleen door de muis. Pas geleden is ontdekt dat muizen zichzelf verraden door hun plas. Haviken zien die muizenplas als een oplichtende kleur die wij niet kunnen zien: ultraviolet. Ook bijen zien dat licht. Door dat ultraviolet ziet een bij streepjes op de bloemen. Die wijzen hem de weg naar de nectar.

Het netvlies bestaat uit cellen die licht waarnemen. Je hebt cellen in de vorm van kegeltjes en in de vorm van staafjes. Met kegeltjes kun je gekleurd licht waarnemen en met staafjes zwart/wit en grijs. Over de staafjes hebben we het in het volgende hoofdstuk. Nu eerst de kegeltjes. Je hebt voor elke kleur een kegeltje. Als die kegeltjes nu tegelijk geel en rood licht opvangen, zie je oranje. Vogels kunnen heel goed kleuren zien. Dat is gebleken uit onderzoek, maar je merkt ook aan reacties dat ze goed kleuren kunnen zien. Vogels reageren vooral op rood. Zaden die door vogels verspreidt worden, kwamen meestal uit een rode bes. Mannelijke roodborstjes worden woedend als ze een ander roodborstje zien. En giftige of vieze insecten, bijvoorbeeld het lieveheersbeestje, zijn vaak rood als waarschuwing.

Apen kunnen ook heel goed kleuren zien. Vooral mensapen. Veel beter dan dat mensen dat kunnen. Honden, katten en de meeste andere zoogdieren kunnen haast geen kleuren onderscheiden. Een stier bijvoorbeeld wordt niet woest op een rode lap omdat die rood is, maar omdat die zo heftig beweegt.



Zien in het donker

Bepaalde padden, adders en veel vissen zien ook een kleur licht die mensen niet kunnen zien: infrarood. Wij kunnen infrarood voelen als warmte op onze huid. Die padden, adders enz. hebben voor het zien van infrarood licht een soort bekeroog, naast het lensoog. Dat infrarood – oog kan net als het slakkeoog geen scherp beeld maken. Het ziet alleen een vage vorm en de richting van het licht. Dat is voldoende om in het donker een prooi te zien die warmer is dan de omgeving.

Katten en uilen kunnen geen infrarood licht zien. Ze zeggen altijd dat katten in het donker kunnen kijken maar dat is dus helemaal niet waar. Ze zijn ’s nachts even blind als wij. Maar hun ogen zijn heel goed aangepast om met heel weinig licht te kunnen kijken. Het netvlies van deze dieren bestaat vooral uit staafjes. Die werken vooral bij schemering en in het donker. Ze kunnen helemaal geen kleuren waarnemen. Nachtdieren hebben dus heel veel staafjes en minder kegeltjes. Daardoor zien ze alles zwart/wit. De ogen van nachtdieren zijn groot, zodat er veel staafjes in passen. De pupil gaat zo ver mogelijk open om zoveel mogelijk licht in het oog te laten vallen.

Bij katachtigen is de pupil in het zonlicht een smal spleetje. Als een kat ronde pupillen zou hebben, dan zouden de spiertjes van de iris elkaar in de weg zitten. Bij een spleetje zijn veel minder spiertjes nodig om zo’n groot verschil tussen open en dicht te maken. Katachtigen hebben ook nog een ‘spiegel’ achter hun netvlies. Het licht wordt weerkaatst en prikkelt de zintuigjes in het netvlies voor de tweede keer.

Voor anderen nachtdieren is het gehoorzintuig het belangrijkste zintuig om te overleven.



Bronvermelding

- Hoe dieren zien, William van den Akker

- Nectar, biologieboek deel 1

- Tijdschrift Vrije Vogels

- Leven en laten leven, J. van den Hengel

- Wat kan een dier wat jij niet kan, R. van der Meer

- Licht, B. & K. Taylar

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

T.

T.

goede uitleg

5 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast