Vraagstelling


Het leek mij het beste om dezelfde vraagstelling te gebruiken als de onderzoeker Eysenck deed voor zijn onderzoeken naar intelligentie, namelijk:

In welke mate zijn de waarneembare verschillen in menselijke intelligentie toe te schrijven aan omgevingsfactoren, in hoeverre aan genetische factoren en in welke mate aan een wisselwerking tussen beide?





Het tweelingonderzoek


Dit onderzoek werd gedaan door onderzoekers die aanhangers waren van de nature-theorie. Door middel van dit onderzoek wilden zij aantonen dat de menselijke intelligentie werd bepaald door genetische factoren. Het onderzoek ging als volgt:

De onderzoekers gingen er van uit dat tweelingen (zowel eeneiige als tweeëiige tweelingen) ongeveer in dezelfde omstandigheden worden opgevoed. Hierdoor kunnen de omgevingsfactoren geen rol spelen in het verschil in intelligentie. Men mat vervolgens het IQ van diverse eeneiige en tweeëiige tweelingen. Eeneiige tweelingen bleken een gemiddeld verschil in intelligentie te hebben van 9.2 IQpunt, terwijl bij tweeëiige tweelingen dit verschil opliep tot 17.7 IQpunt. Hieruit trokken de onderzoekers de volgende conclusie:



Omdat de omgevingsfactoren zowel bij de eeneiige als de tweeëiige tweelingen identiek is, kan de grotere overeenkomst in intelligentie bij eeneiige tweelingen alleen worden veroorzaakt door de invloed van genetische factoren.

Ander onderzoek dat ook onder tweelingen werd gehouden gaf dezelfde uitkomsten. Uit dit onderzoek bleek namelijk dat de gemiddelde korrelatie tussen eeneiige tweelingen 0.80 bedroeg, terwijl dit bij tweeëiige tweelingen maar .53 was. Deze uitkomsten waren voor de nature-aanhangers weer een bewijs voor het genetisch bepaald zijn van de menselijke intelligentie.



Enkele onderzoekers waren het echter niet eens met de mening van de nature-aanhangers, dat de menselijke intelligentie alleen zo worden bepaald door genetische factoren. Volgens hen was het namelijk een combinatie van zowel genetische factoren als omgevingsfactoren die samen de menselijke intelligentie vormen.

Daarom probeerden zij het tweelingonderzoek te weerleggen door dit onderzoek nader te analyseren. Uit de analyses trokken zij de volgende conclusies:

- In tegenstelling tot tweeëiige tweelingen wordt het merendeel van de eeneiige

tweelingen door de ouders en de omgeving met opzet gelijk behandeld. Dit kan

onder andere gebeuren door gelijke kleding en kapsels. Ook trekken eeneiige

tweelingen veel langer en vaker met elkaar op dan tweeëiige tweelingen. Hierdoor

gaan eeneiige tweelingen veel meer op elkaar lijken, ook qua IQ.

- Een tweede conclusie was dat wanneer eeneiige tweelingen thuis gelijk worden

behandeld, de korrelatie in IQ veel hoger was dan wanneer de eeneiige tweeling



verschillend werd behandeld. Datzelfde bleek ook uit een andere studie: wanneer

een eeneiige tweeling naar dezelfde opleiding ging, was de gemiddelde korrelatie

in IQ 0.91. Zodra de eeneiige tweeling naar een verschillende opleiding gingen,

daalde deze korrelatie maar liefst tot 0.24.



Uit een onafhankelijk onderzoek is gebleken dat de overeenkomst in IQ bij eeneiige tweelingen die afzonderlijk opgevoed werden 0.77 was, bij tweeëiige tweelingen of gewone broers en zussen was dit veel lager. Hieruit trokken de onderzoekers de conclusie voor 2/3 deel door genetische factoren wordt bepaald.





Het adoptie-onderzoek


Ook dit onderzoek werd uitgevoerd door onderzoekers die aanhangers waren van de nature-theorie. Het doel van het onderzoek is dan ook hetzelfde: aantonen dat de menselijke intelligentie bepaald wordt door genetische factoren. Dit keer gebruikten de onderzoekers geadopteerde kinderen als testgroep. Zij werden gebruikt om te onderzoeken of hun intelligentie alleen beïnvloed werd door hun biologische ouders (genetische factoren) of ook door hun pleegouders (omgevingsfactoren).Uit het onderzoek bleken de volgende resultaten:

- De overeenkomst in IQ tussen pleegkinderen en hun biologische ouders bedroeg

0.50, tussen de pleegkinderen en hun adoptie-ouders maar 0.19.

- Wanneer een eeneiige tweeling afzonderlijk bij de moeder en een familielid

werden opgevoed, dan was de gemiddelde korrelatie 0.82. Werd de eeneiige

tweeling echter afzonderlijk opgevoed door de moeder en een niet verwant

gezin, dan daalt de korrelatie tot 0.51.

- Wanneer een eeneiige tweeling opgevoed wordt door de moeder en de andere

door familie van de moeder, dan was de korrelatie in IQ 0.94. Zodra de

pleegouders verwant waren aan de vader, zakte de korrelatie tot 0.56.

Dit alles was voor de onderzoekers voldoende bewijs om er van uit te gaan dat de menselijke intelligentie grotendeels door genetische factoren wordt bepaald.



Ook hier probeerden de onderzoekers die de nurture-theorie aanhingen deze conclusies te weerleggen door het onderzoek te analyseren:

- Geadopteerde kinderen worden in speciaal geselecteerde gezinnen geplaatst,

waarvan bijvoorbeeld het inkomen de helft hoger is dan normaal en ook het IQ

hoger is dan normaal. Hierdoor valt de gemiddelde korrelatie tussen de

geadopteerde kinderen en de pleegouders lager uit dan verwacht.

- In het Chicago-rapport, dat stamt uit 1937, bleek al dat de korrelatie van

eeneiige tweelingen die opgevoed werden in speciaal geselecteerde gezinnen 0.91

was. Zodra de tweeling in willekeurige gezinnen werden geplaatst, daalde de

korrelatie tot 0.41.

- Er mogen dan verschillen in IQ zijn tussen geadopteerde kinderen en hun

pleegouders, tussen de geadopteerde kinderen en eigen kinderen binnen een

gezin zijn deze verschillen niet aanwezig. De korrelaties tussen de moeder en haar

twee soorten kinderen zijn namelijk bijna identiek: 0.20 en 0.22. Uit een

soortgelijk onderzoek bleken de korrelaties 0.34 en 0.29 te zijn. Deze opvallende

gelijkenissen kunnen volgens de nurture-aanhangers alleen verklaard worden door

omgevingsfactoren, omdat de genetische structuur van de geadopteerde kinderen

en de eigen kinderen niet aan elkaar verwant zijn.



Conclusie


In alle argumenten die de onderzoekers hebben gegeven, zit volgens mij een kern van waarheid. Je kunt in dit geval ook niet zeggen dat een van beide partijen ongelijk heeft. Daarom ben ik tot de volgende conclusie gekomen:

Ik ben van mening dat de menselijke intelligentie deels genetisch bepaald wordt en deels door de omgevingsfactoren. Ik meen ook dat ieder mens met een bepaalde hoeveelheid intelligentie geboren wordt, waarna het van de omgeving afhangt in hoeverre deze ontwikkeld wordt.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.