Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

Huismussen

Beoordeling 5.8
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • 2e klas havo | 3673 woorden
  • 15 augustus 2006
  • 77 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.8
  • 77 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
Hoofdstuk 2: De Huismus

Herkenning: Grootte: 14,5 cm. Het is opvallend hoe weinig mensen er zijn, óók vogelmensen, die het verenkleed van een Huismus kunnen beschrijven. 't is gek dan men gewoonlijk niet de moeite neemt om zo'n 'doodgewone vogelsoort' eens wat nauwkeuriger te bekijken. Er zijn twee soorten mussen in Nederland en de Huismus is van beide soorten de meest talrijke. De andere soort is de Ringmus. Deze komt 10 keer zo weinig voor als de Huismus. Ze lijken op het eerste gezicht sterk op elkaar, maar er zijn toch wel opvallende verschillen. De Huismus heeft een grijze kruin, de Ringmus een bruine. Daarnaast heeft de Ringmus een duidelijke witte ring om de hals. Leefgebied: dorpen, steden, maar ook platteland en tuinen in het bijzonder.
Komt in Nederland voor als: Jaarvogel.

Bedreigd of niet? Er is iets aan de hand met onze Huismus, de straatjongen onder de vogels. Nog wat aarzelend durft men te beweren dat het deze vogelsoort niet zo goed gaat, maar diegenen die veel Huismussen vroeger om het huis hadden, hoor je daar wel wat duidelijker over. Zonder dit met cijfers aan te kunnen tonen, beweren velen dat de Huismus veelvuldig bij hen voorkwam en tegenwoordig echt een ongewone gast is geworden of zelfs geheel is verdwenen. Er worden niet veel precieze tellingen en onderzoek naar deze soort gedaan en zelfs nu nog wordt de soort tijdens stadstellingen zelden nauwkeurig bekeken. De een beweert dat er nestgelegenheid ontbreekt en de ander vindt dat er te veel gifstoffen worden gebruikt op gemeentelijke gronden en in particuliere tuinen. Maar ook op plaatsen waar de gelegenheid tot broeden volkomen gelijk bleef, zijn ze verdwenen. Daar kan het in eerste instantie niet aan liggen. Op veel spoorwegstations woonden vroeger ook veel Huismussen. Als we bij ons in de omgeving naar de achteruitgang kijken, lijkt het erop dat de volwassen vogels zich nog enige tijd hebben kunnen handhaven, maar dat voor de jongen van deze zaadetende soort geen of onvoldoende insectensoorten meer te vinden zijn om hen vliegvlug te kunnen laten worden. Jongen worden voor een groot deel met insecten gevoerd, zoals dat bij vele zaadeters het geval is. Die insecten kunnen op velerlei wijzen zijn verdwenen, onder meer door ongezonde stadslucht veroorzaakt door verkeer en gebruik van allerlei giffen om zogenaamd 'onkruid' en lastige insecten te bestrijden. Op bepaalde plaatsen op het platteland komen wij soms nog hele kluchten Huismussen tegen, dat valt op en daar is het leven nog aangenamer.
Aantal broedparen in Nederland: 1.000.000-2.000.000 broedparen (1979) (nu de helft minder)

Hoofdstuk 3: De leefgewoontes van de Huismus

3.1 De vijanden van de Huismus
De mus heeft betrekkelijk weinig vijanden. De mens is daarvan de grootste, want als wat voor een dier maar ook schadelijk of hinderlijk is of kan zijn, wordt dat dier uitgeroed. Zo ook bij de mus die in sommige gevallen bij duizenden vernietigd wordt omdat de mus zich te goed doet aan graan op het veld of in een graanschuur. Voorts levert het verkeer ook de nodige slachtoffers op.
Natuurlijke vijanden heeft de mus niet veel. De kat is een van de grootste vijanden van de mus. Verder, zij het in mindere mate, ratten, wezels, uilen en valken en in sommige gevallen de koolmees. De laatste heeft namelijk nog wel eens de gewoonte om pas uitgevlogen mussen de hersenpan in te pikken om zich vervolgens te goed te doen aan de hersenen.
De grootste natuurlijke vijand van de mus is de sperwer. Een sperwer, die van verrassingsaanvallen leeft, komt laag over de grond en met een hoge snelheid aanvliegen als hij een bosje ontdekt heeft, waarin zich mussen ophouden. Een adulte (volwassen) sperwer nadert veelal aan de achterkant van het bosje, een juveniele (jong) sperwer aan de voorkant. De sperwer slaat veelal een mus aan die zich op een uitstekende tak bevindt. Mist hij, dan verdwijnt de adulte sperwer op zoek naar een ander slachtoffer, een juveniele sperwer probeert echter vaak nog een paar keer toe te slaan, altijd zonder succes. De mussen springen bij herhaaldelijke aanvallen van de juveniele sperwer gewoon enkele centimeters opzij.


3.2 Het gedrag van de Huismus
De mus heeft een uitgebreid gedragspatroon met betrekking tot het sociale gedrag. Twee veel voorkomende gedragingen, die echt niet zozeer sociale gedragingen zijn, maar wel in bepaalde sociale gedragspatronen terugkomen, zijn op en neer bewegen van de staart en het wetten (bewegen) van de snavel. Het eerste komt in de volgende situaties voor:
a. Wanneer een "vreemd" mannetje een nieuw nest onder zoekt,
b. Wanneer iets of iemand de mus verhindert om voedsel voor de jongen binnen te brengen,
c. Wanneer een mens of vijand nadert in het veld.
Het tweede wordt in eerste instantie gebruikt om de snavel schoon te maken na het eten, maar wordt ook gebruikt wanneer de mus verstoord wordt of tussen de copulaties door. Beide gedragingen kunnen het gevolg zijn van angst of nervositeit en zijn een vorm van overspronggedrag.
De belangrijkste sociale gedragingen zijn het seksueel en het agressief gedrag. Het seksuele gedrag zal ik, samen met paarvorming en copulatie bespreken in paragraaf "Paarvorming, seksueel vertoon en copulatie".
Het agressieve gedrag bestaat uit het aanvallen of het daarmee dreigen en het verdedigen of het verzoenen. Het dreigen begint met het naar voren steken van de kop, de snavel iets geopend. De vleugels worden iets naar buiten gestoken en worden op en neer bewogen. De mus keert zich hierbij naar zijn opponent (tegenstander).

Bij het mannetje gebeurt de dreiging in sommige gevallen intenser. Hij zakt namelijk door zijn poten, steekt de vleugels opzij en beweegt ze rond en steekt de staart omhoog. Het dreigende effect wordt versterkt door de zwarte bef en de witte strepen op de vleugels (zie figuur 2.)
Zulk dreiggedrag wordt in de volgende situaties vaak waargenomen bij:
a. Een voorbijganger van het nest.
b. Het foerageren, als een mus het voer voor een ander wegpikt.
c. Het stofbaden, als er een mus te dicht bij het kuiltje van een ander komt.
Heeft het dreigen geen effect dan valt de mus zijn opponent, altijd van dezelfde sekse, aan. De mus zal proberen de opponent in zijn nek, vleugel of staart te grijpen. Vlucht de opponent, dan vindt veelal een achtervolging plaats. Vlucht de opponent niet, dan ontstaat er een fel gevecht. Beide gaan borst aan borst, al pikkend en fladderend, de lucht in. Als ze vervolgens weer op de grond neerstrijken kan zich dit herhalen totdat de opponent wegvliegt of zijn evenwicht verliest en op de grond terechtkomt. In het laatste geval springt de aanvaller op de opponent en pikt op hem in. Dit kan tot de dood van de opponent leiden, waarbij de overwinnaar in sommige gevallen de hersenen van de opponent opeet. Zulke gevechten kunnen een uur duren.
Heeft het dreiggedrag wel effect, dan vlucht de opponent of vertoont het verzoeningsgedrag. Dit gedrag bestaat uit het ineenduiken en het bibberen met de iets neerhangende vleugels. Bij het mannetje wordt de staart iets omhoog gestoken.
Het verzoeningsgedrag wordt in de volgende situaties vaak gezien:
a. Bij juveniele die bij hun ouders om voedsel smeken. Dit is waarschijnlijk de oorsprong van het gedrag.
b. Bij ongepaarde mannetjes die een nest hebben en een vrouwtje op die manier aanlokken.
c. Bij mannetjes die voor het nest met dit gedrag de vliegrijpe jongen van het nest lokken.
d. Bij juveniele en adulte die aangevallen worden.
Het gezamenlijke foerageren, baden e.d. is ook een vorm van sociaal gedrag en zijn, als zodanig van nut om de sociale band te verstevigen.

3.3 De communicatie van de Huismus
Het gezang en de roep van de mus, zowel van het mannetje, als van het vrouwtje bestaat uit allerlei variaties op "tjilp", zowel luid als zacht. Het getjilp wordt in eerste instantie gebruikt om de onderlinge band te verstevigen, zoals dat vaak gebeurt in sociale samenzang en dan geeft het veelal een gemoedsuitdrukking aan van tevredenheid of van zelfverzekerdheid. Voorts wordt de zang zoals bij vele andere zangvogels gebruikt om het territorium aan te geven en vervolgens om een vrouwtje te lokken. Het territorium bestaat uit een nest en de directe omgeving. Wordt het nest op een ongunstige plaats gebouwd, dan zoekt het mannetje een beter geschikt punt in de buurt op om daar een vrouwtje te lokken.
Zoals vermeldt bestaan er vele variaties op "tjilp". De ene auteur gebruikt echter een andere fonetische spelling dan een andere auteur, waardoor het onmogelijk wordt de juiste spelling van een bepaald gezang voor een bepaald gedrag te geven. Bij de meeste gedragingen worden verschillende klanken gebruikt zoals bij seksueel- of territoriumgedrag.
De mus beschikt over een alarmroep die afwijkt van "tjilp", namelijk een luid "quer-quer" of "kew-kew". De alarmroep bestaat dus uit twee versies. Dreigt er namelijk gevaar waarbij makkelijk vluchten mogelijk is, zoals bij de nadering van een mens of een kat, dan wordt het luide "quer-quer" gebruikt. Is de mus buiten bereik van de vijand, dan blijft hij sarcastisch zitten kwetteren. Dreigt er echter gevaar, waarbij vluchten vanuit het veilige bosje moeilijk mogelijk is, zoals bij de nadering van een sperwer, dan wordt een schel "kew-kew" gebruikt. Zit de mus eenmaal in een veilig bosje, dan blijft hij doodstil zitten.

Hoofdstuk 4: Het voedsel, het gedrag bij het eten en de jacht van de Huismus

4.1 Het gedrag bij het eten van de Huismus
De mus heeft een zeer gevarieerd menu. In hoofdzaak eet de mus de zaden van granen, grassen en onkruiden en af en toe beukennootjes of bessen. Ook wordt buiten het broedseizoen in geringe mate dierlijk voedsel genuttigd, zoals bladluizen, torren, rupsen, etc. Het menu hangt nauw samen met het gebied waar ze leven. Zo zal in steden meer broodkruimels en andere etensresten en minder dierlijk voedsel gegeten worden en op het platteland meer granen, onkruidzaden en verspilde veevoerresten. De mus zal tijdens het foerageren bijna altijd te vinden zijn op plaatsen waar veel voedsel verspild wordt. Het foerageren gebeurt in zwermen, wat het voordeel heeft, dat eventueel naderend gevaar sneller opgemerkt wordt.
Het foerageergedrag bestaat uit het pikken, het rondhuppen en het rechtop staan rondkijken. Af en toe vindt er agressief gedrag plaats, meestal door een mannetje. Voor het vangen van insecten, hoofdzakelijk tijdens het broedseizoen, heeft de mus allerlei gedragingen ontwikkeld. Zo vliegt de mus laag over de vegetatie en valt neer als hij een insect ontdekt heeft of scharrelt in de strooisellaag op zoek naar kruipende dieren. Het vangen van vliegende insecten gaat moeizaam, en de mus beperkt zich daarom vaak tot traag vliegende insecten. Bestaat het menu uit hard brood, dan kan de mus dat brood weken mits er water voorhanden is. Ook kan hij er op gaan staan en zo proberen stukjes ervan af te breken, zoals dat vaak bij mezen waargenomen wordt.
Een ander essentieel deel van het menu is grit en kleine steentjes. Het eerste dient om de kalkspiegel op peil te houden en voor het vormen van eischalen. Het tweede dient voor het malen van harde granen.
Een eigenaardig foerageergedrag van de mus wordt voornamelijk in de lente gezien, namelijk het lostrekken van bloemblaadjes. Vooral de gele bloemblaadjes, van krokus, paardebloem, sleutelbloem e.d., oefenen een grote aantrekkingskracht uit op de mus. De bloemblaadjes worden niet willekeurig eruit getrokken, maar zorgvuldig een voor een. Het laatste eindje wordt naar alle waarschijnlijkheid opgegeten en dient om het vegetarische voedsel op peil te houden, voornamelijk in een droog seizoen. Het kan echter ook een gevolg van verveling zijn, omdat de mus in de lente betrekkelijk veel tijd over heeft.

4.2 Het eten en de jacht van de huismus
De mus eet vooral wormpjes, kleine insecten, zaden en bessen. De bessen haalt hij van planten en struiken. De zaden haalt hij van de grond in het bos of van vetbollen, zadenrekjes (zie hiernaast) en planten. Ook eet hij appel-, peren- en aardappelschillen. De wormpjes en de kleine insecten vangt hij in de lucht en haalt ze uit de grond. Verder drinkt de huismus natuurlijk water. Ook hierbij helpen wij, mensen in de winter, voor als het water bevroren is.

Hoofdstuk 5: De voortplanting van de huismus

5.1 Nestbouw
Het nest is een belangrijk element in het leven van de mus. Hij overnacht veelal op zijn nest en brengt er zijn jongen groot. Hij zal veelal zeer trouw aan zijn nest blijven. Een zeer opmerkelijk voorval, wat betreft de trouw aan een nest, vond plaats in Egypte, waar een paartje, dat een nest gebouwd had op een schip, beiden met het schip de Nijl op en neer voeren en van tijd tot tijd op de oever foerageerden. Het mannetje blijft trouwer aan zijn nest en besteedt er meer aandacht aan dan een vrouwtje. Het hele jaar door kun je de mus bezig zien aan het nest door van tijd tot tijd strootjes en veertjes te vervangen door nieuwe. Heeft een paartje geen nest, dan kan in 3 dagen tijd een nest gebouwd worden.
Het nest is vrij grof gebouwd en bestaat uit dood gras, strohalmen, wortels, papiersnippers, draadjes wol en ander dergelijk materiaal, voor de bekleding worden veel veertjes (o.a. kippenveertjes) gebruikt. Het nest heeft een bolvorm, een diameter van ongeveer 30 cm en met de ingang hoog opzij. Er zijn ook veel nesten die niet overdekt zijn.
Het nest bevindt zich voornamelijk onder dakpannen, verder in holtes in muren, nissen en bomen en in nestkastjes. Zijn zulke ruimtes niet voor handen, dan wordt het nest in een struik, boom of klimop gebouwd en is dan altijd overdekt. Ook wordt het nest wel eens in een overgebleven zwaluwnest gebouwd, want een mus broedt vaak eerder dan dat een zwaluw terugkeert uit zijn winterkwartier. De mus heeft in dat geval niet altijd succes om tot broeden te komen, want het gebeurt nog wel eens dat zwaluwen het nest dichtmetselen, al of niet met een mus erop. Verder wordt het nest soms in de takken van de horst van een roofvogel, of van het nest van een ooievaar gebouwd.
Het nest bevindt zich in kolonieverband in een of twee gebouwen. Buiten die gebouwen zal nauwelijks een nest gevonden worden. Een onervaren mus zal met een nest buiten die gebouwen veelal ongepaard blijven. Een alleenstaande mus met een nest in die gebouwen zal snel weer gepaard zijn. Zo kon het gebeuren dat door het afschieten van een mannetje van een specifiek vrouwtje, het vrouwtje dat seizoen 7 maal een nieuw mannetje kreeg.

5.2 Paarvorming, seksueel vertoon en copulatie
De paarvorming begint omstreeks begin maart en kan tot de rui plaatsvinden. Het mannetje, dat door het lengen van de dagen seksueel ontwikkeld wordt, vertoont zich bij het nest op een opvallende plaats. Als een vrouwtje, dat ook door het lengen van de dagen, maar ook door de aanwezigheid van seksueel actieve mannetjes, seksueel ontwikkeld wordt, het nest van een ongepaard mannetje nadert, vertoont het mannetje zich als volgt:
• Hij begint met zijn vleugels te schudden en houdt de verzoeningspose aan.
• Vliegt het vrouwtje weg, dan kan hij haar al roepend achterna gaan.
• Blijft het vrouwtje, dat meestal vrij nerveus is, dan hupt het mannetje het nest in en uit met het doel het vrouwtje het nest te laten zien. Als het vrouwtje echter te dicht bij het nest komt, zal het mannetje in eerste instantie instinctief, om zijn nest tegen indringers te verdedigen, dreigen. Houdt het vrouwtje vol, dan zal na verloop van tijd het mannetje haar vrijelijk accepteren.
• Het extatische roepen van het mannetje houdt op, de roep als teken dat hij de eigenaar van dat nest is, is nog wel te horen.
Het paar dat nu gevormd is, blijft voor de rest van hun leven trouw aan elkaar en kunnen elkaar herkennen in het veld, want het mannetje zal zijn vrouwtje tijdens het foerageren niet verjagen, andere vrouwtjes wel. Komt een van beide echter te overlijden, dan paart de ander vaak snel weer. Bigamie komt wel eens voor in kolonies, waar het aantal vrouwtjes hoger is dan het aantal mannetjes, maar is zeer uitzonderlijk.
Na de paarvorming vindt de copulatie plaats. Het seksuele vertoon van het mannetje, wat voor de copulatie afspeelt, gaat als volgt:
Het mannetje houdt zijn kop achterover, de borst naar voren, de vleugels schuin naar achteren en de staart wordt opgericht en lichtelijk gespreid.
Het mannetje heeft nu een "militair" voorkomen en hupt voor het vrouwtje rond, echter nooit met zijn kop naar haar toe gericht, en buigt zich soms stijf op en neer. Komt het mannetje te dicht bij het vrouwtje, dan rekt zij zich uit en tracht hem te pikken. Dit alles trekt de aandacht van andere mannetjes en als het vrouwtje wegvliegt zullen zij meevliegen. Eenmaal geland vertoont het mannetje zich weer voor haar. Zij zal zichzelf furieus (fel) verdedigen, hoe furieuzer, hoe intenser het vertoon van het mannetje. Vervolgens zullen de mannetjes het vrouwtje in haar achterste proberen te pikken. De meeste mannetjes zijn echter toeschouwer.
Het seksuele vertoon kan alleen tot copulatie leiden als het vrouwtje daar aanleiding toe geeft:
Ze trekt haar hoofd in, houdt de vleugel iets zijwaarts, trilt met haar lichaam en roept zacht. Het mannetje negeert dit gedrag haast nooit en copuleert soms meer dan dertig keer. Tijdens de copulatie grijpt het mannetje het vrouwtje in haar nek, soms zo fel dat de veren rondvliegen. Tussen de copulaties gaat het mannetje vaak verenpoetsen of snavelwetten. Het vrouwtje blijft tussendoor zacht roepen, totdat zij er genoeg van heeft en het mannetje aanvalt.
De functie van het seksuele vertoon is om andere mannetjes seksueel te stimuleren, zodat in een kolonie tegelijkertijd eieren aanwezig zijn. Dit heeft twee voordelen.
1. Dat bij het seksuele vertoon eventueel gevaar opgemerkt kan worden, aangezien het vertoon een vrij intens gebeuren is.
2. Dat de jongen op hetzelfde moment aanwezig zijn en zodoende gezamenlijk gefoerageerd kunnen worden.

5.3 Het broedseizoen
Het broedseizoen van de mus vangt aan in april en duurt tot augustus met heel soms van maart en september. Tijdens die periode zijn er over de gehele kolonie gezien vier legsels waar te nemen, per paar wordt er gemiddeld 2,1 broedsel gelegd. Een week na de eerste copulatie legt het vrouwtje het eerste ei. Het legsel bestaat uit vijf tot zes eieren, die om de dag gelegd worden. De grondkleur van de eieren kan wit, blauwwit of lichtgroen zijn en rijk bedekt met grijze tot bruine vlekjes, vooral aan het stompe eind. Het vrouwtje kan vijf jaar achtereen eieren leggen.
Is het legsel voltooid, dan wordt met het broeden begonnen. Beide mussen nemen deel aan het broeden, het vrouwtje meer dan het mannetje. Het mannetje voert in die tijd het vrouwtje nauwelijks.
Na ongeveer 12 dagen komen de jongen uit. Zij doen dit door aan de spitse kant een dopje met hun eitand af te breken en de rest van de schaal vervolgens met hun poten weg te drukken. Lukt dit laatste niet, dan wil het vrouwtje haar jong wel helpen, maar mocht het toch niet lukken, dan neemt zij jong en schaal op en deponeert beiden enkele meters van het nest vandaan om zo een vroege dood te bewerkstelligen. De lege schalen worden uit het nest gedeponeerd alsook dode jongen, onbevruchte eieren echter niet.
De jongen worden van zonsopkomst tot zonsondergang door de ouders gevoerd met een voerpiek in de ochtend en een tegen de avond. De eerste dagen wordt vrij veel dierlijk voedsel gevoerd, vooral zachte insecten, zoals bladluizen. Het dierlijke voedsel bestaat voor de rest uit torren, vliegen, motten, sprinkhanen, larven, spinnen, miljoenpoten, etc. De totale hoeveelheid bedraagt 70% van het voedsel voor de jongen. Het vegetarische deel bestaat in eerste instantie uit geweekte zaden, later krijgen de jongen normaal hard zaad. Een groot deel van het voedsel kan ook, voornamelijk in steden, uit brood bestaan. Hoe ouder de jongen worden, hoe groter het vegetarische deel van het voedsel.
De faeces worden de eerste dagen door de ouders opgeruimd, later deponeren de jongen hun faeces zelf buiten het nest.
Negen dagen na de uitkomst beginnen de jongen met het oefenen van de vleugels en het trillen van de vleugels om zodoende om voedsel te smeken. Negen dagen later staan ze op het punt om uit te vliegen. Dit wordt bevorderd door het mannetje. Eerst vermindert het mannetje de hoeveelheid voedsel en vervolgens vertoont hij het verzoeningsgedrag, waardoor de jongen naar buiten gelokt worden. Ongeveer negen dagen nadat de jongen zijn uitgevlogen kan het vrouwtje aan een tweede legsel beginnen, terwijl het mannetje de verzorging van de jongen op zich neemt.
Het broedsucces van de mus is ongeveer 50%, wat aanzienlijk lager is dan het broedsucces van andere holenbroeders (vogels die in gaten in grotten of in de grond broedden) (gemiddeld 66%) en wat hoger is dan die van niet-holenbroeders ( vogels die in de boom of in het gras broedden) (gemiddeld 46%). Dit komt omdat de mus altijd in hetzelfde nest broedt en overnacht. De kans op parasieten wordt door deze gedragswijze behoorlijk groot. Zo kan het voorkomen, dat in grote kolonies tijdens het broedseizoen tientallen dode jonge mussen gevonden worden.

5.4 De mus in zijn eerste jaar
De juveniel, die veel op een vrouwtje lijkt, wordt tot 14 dagen na zijn uitvliegen door de ouders verzorgd. In die periode zie je vaak de juveniel zijn ouders achternazitten en d.m.v. het verzoeningsgedrag de ouders om voedsel smeken. Ook zijn in die periode onvolledige seksuele gedragingen te zien, zoals het "paren" met een ander juveniel. Ook zie je de juveniel af en toe met strootjes e.d. rondhuppen. Deze gedragingen verdwijnen na verloop van een maand.
Na een maand vormt de juveniel met andere juveniele grote zwermen en gaan ze rondzwerven. Eerst in de buurt van de kolonie waar ze geboren zijn, later trekken ze verder weg, echter veelal niet verder dan enkele kilometers. Zulke zwermen kunnen soms uit enige honderden juveniele bestaan.

5.5 Levensverwachting van de huismus.
De mus heeft een overlevingskans van 56% per jaar, gemiddeld wordt hij niet ouder dan 5 jaar. De oudst bekende mus, die in het wild voorkwam, had echter de respectabele leeftijd van 11,3 jaar, die van de oudst bekende mus in gevangenschap 12 jaar. Het grootste percentage van de sterfgevallen valt, zoals gewoonlijk, in het eerste jaar. Onervarenheid is de voornaamste doodsoorzaak. Ziektes, verhongering e.d. kunnen echter ook een doodsoorzaak zijn, alsook natuurlijke vijanden.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

S.

S.

"Natuurlijke vijanden heeft de mus niet veel. "

Dit is niet juist.
De Huismus heeft vele natuurlijke vijanden. Sperwer, Ransuil, Kauw, Ekster, Vlaamse Gaai in ieder geval.
Daarnaast inderdaad huiskatten.
Ratten heb ik nog niet van gehoord, als natuurlijke vijanden van betekenis. Maar we kunnen ons vergissen.

Met name de pas uitgevlogen jongen vallen ten prooi aan deze natuurlijke vijanden, omdat deze nog niet voldoende op hun hoede zijn.

11 jaar geleden

J.

J.

Op de deurknop van onze schuur zit sinds een paar dagen een mus op en neer te springen.
ik zal graag willen weten waarom hij dit doet.

7 jaar geleden

H.

H.

In dit verslag staan erg veel fouten over huismussen.

4 jaar geleden

I

I

hoeveel had je voor dit verslag/werkstuk?

3 jaar geleden