Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

Bloed

Beoordeling 7.1
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • 1e klas havo/vwo | 2441 woorden
  • 1 februari 2004
  • 153 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.1
  • 153 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
1. Wat is bloed?

Bloed is een waterige vloeistof waar een heleboel kleine deeltjes in zitten. De vloeistof heet plasma. De deeltjes heten bloedcellen.
Cellen zijn de bouwstenen van je lichaam. Je hebt bijvoorbeeld spiercellen, botcellen, huidcellen, en dus ook bloedcellen. Cellen zijn zó klein, dat je ze alleen door een microscoop goed kunt zien.
Er zijn drie verschillende soorten bloedcellen: rode bloedcellen, witte bloedcellen en bloedplaatjes. Bloedcellen worden ook wel bloedlichaampjes genoemd.

Het bloed stroomt naar alle delen van je lichaam, onder andere naar de organen. Een orgaan is een deel van het lichaam met een eigen aparte taak.

Om goed hun werk te kunnen doen, hebben de organen zuurstof en voedingsstoffen nodig. Om deze stoffen te kunnen vervoeren is bloed nodig.

Bij elke hartslag wordt het bloed door de bloedvaten gepompt. De bloedvaten zijn de buizen waar het bloed doorheen stroomt. Dicht bij het hart zijn ze groot en wijd, maar in de organen zijn ze zo
dun als een haar. Je noemt die vaten haarvaten. Je kunt die haarvaten bijvoorbeeld zien in het wit van je oog. Van de haarvaten stroomt het bloed weer terug naar het hart.
De grote bloedvaten noem je aders en slagaders. Aders zijn de vaten die het bloed weer terugbrengen naar het hart. Je kunt ze soms zien als blauwe lijnen op je hand, op je arm of op je been. Slagaders zijn bloedvaten die van het hart af komen en naar de organen gaan. Je kunt ze niet zien, want ze liggen diep onder je huid. Op sommige plaatsen kun je ze wel voelen, want in de slagaders voel je je hartslag. Bijvoorbeeld in de slagaders van je pols.

2. Verbranding

Om in leven te blijven moet je eten. Wat je eet wordt verteerd. Het wordt heel erg klein gemaakt en vanaf dat moment noemen we het voedingsstoffen.Voedingsstoffen gaan dwars door de wand van de haarvaatjes en kunnen zo van je darmen in je bloed komen. In je bloed lossen ze op, net als suiker oplost in een kopje thee. In die toestand brengt het bloed ze naar de cellen. Daar worden de voedingsstoffen gebruikt, bijvoorbeeld voor de bouwstof van nieuwe cellen. Zo groei je en blijf je gezond.

Benzine is brandstof voor een auto. Sommige voedingsstoffen zijn brandstof voor je lichaam. De voedingsstoffen worden verbrand in de cellen van je lichaam. In de spieren bijvoorbeeld. Dankzij die verbranding heb je de energie om te lopen en te rennen. Voor de verbranding in je lichaam heb je natuurlijk geen vuur nodig, maar er komt wel een heleboel warmte vrij. Je blijft dan ook warm dankzij de verbranding.


Zuurstof zit in de lucht. Het is een gas. Als je inademt komt het in je longen. Ook zuurstofdeeltjes zijn zó klein, dat ze door de wand van haarvaatjes kunnen. Het bloed neemt de zuurstof op en vervoert het naar de cellen van het lichaam. Zuurstof is daar nodig voor verbranding. Zonder zuurstof zou er nooit iets kunnen branden.
Je kunt dat goed merken bij een proefje. Als je een glas omgekeerd over een kaars zet zal hij uitgaan, want de zuurstof raakt op.
Daarom is zuurstof ook onmisbaar in je lichaam. Houd maar eens een tijdje je adem in. Je hebt daarna zoveel zuurstof nodig dat je hard gaat hijgen om genoeg binnen te krijgen.

Bij het sporten verbruik je veel energie. Je hebt dan ook veel zuurstof nodig om voedingsstoffen te verbranden. Daarom hijg je ook zo tijdens de sport. Om al die zuurstof aan de spieren af te geven, gaat je hart sneller pompen. Het bloed wordt sneller rondgepompt en zo krijgen de spieren alles wat ze nodig hebben.
Bij verbranding komen ook afvalstoffen vrij. Denk maar aan een knalpijp van een auto, daar komen uitlaatgassen vrij.
De afvalstof die ontstaat in je lichaam heet koolstofdioxide. Koolstofdioxide is een gas dat oplost in het bloed. Die vervoert het naar je longen. Zo kun je het uitademen.

Dankzij de verbranding blijft je lichaam altijd warm, ongeveer 37 graden Celsius. Je bloed zorgt ervoor dat je niet warmer wordt. Dat merk je ook als je sport. Je wordt dan rood. Dat komt doordat de haarvaatjes in je bloed wijder worden als je het warm hebt. Zo kan er meer bloed doorheen stromen en dus ook meer bloed afkoelen, omdat het bloed dan aan de oppervlakte van de huid, dichterbij de koudere buitenlucht komt.
Bij kou gebeurt precies het tegenovergestelde. De haarvaatjes in de huid worden smaller. Omdat er dan maar weinig bloed doorheen stroomt, verlies je weinig warmte aan de buitenlucht.
Iemand met een blanke huid ziet wit als hij het heel koud heeft, omdat de bloedvaatjes heel smal zijn. Het bloed speelt dus een belangrijke rol bij het regelen van je lichaamstemperatuur.

3. Rode bloedcellen

Als je een druppel bloed onder de microscoop bekijkt, dan vallen de rode bloedcellen het meeste op. Het zijn kleine, ronde cellen die wel wat lijken op damstenen, maar dan met een deuk aan beide kanten. In één druppel bloed zitten ongeveer vijf miljoen rode bloedcellen.

Als je alle rode bloedcellen van een volwassen mens op de grond uit zou spreiden, zou je er drieduizend vierkante meter mee kunnen bedekken. Dat is ongeveer net zoveel als de oppervlakte van een half voetbalveld.

De rode bloedcellen vervoeren zuurstof. Die pikken ze op in de longen en geven ze af aan de lichaamsdelen. In een rode bloedcel zit een rode vloeistof: hemoglobine. Deze kleurstof pakt de zuurstofdeeltjes vast en laat ze weer los waar ze nodig zijn. Hemoglobine werkt alleen als deze stof zelf genoeg ijzer heeft. Hemoglobine en ijzer maken een rode bloedcel tot een vervoermiddel voor zuurstof.
Rode bloedcellen kunnen vier maanden leven, maar dan zijn ze oud, lek en kapot. Ze moeten worden opgeruimd. Dat doen de lever en de milt, twee organen in je lichaam. Het ijzer wordt eruit gehaald. Dat wordt gebruikt voor het maken van nieuwe rode bloedcellen. Het deel van de rode bloedcellen dat niet meer te gebruiken is, moet uit je lichaam verdwijnen. Dat afvalproduct is geel of bruin. Het gaat uit je lichaam via je urine of ontlasting. Het geeft je plas een gele kleur en poep een bruine.
Je ochtendurine is meestal donkergeel. Er zit heel veel van het afvalproduct in. Je hebt namelijk heel lang niet geplast. Als je veel gedronken hebt, en je moet een paar keer achter elkaar plassen, dan is je urine waterig. In die korte tijd zijn er minder rode bloedcellen afgebroken. Je plas is dan lichtgeel. Elke dag gaan er miljarden bloedcellen dood. Die moeten allemaal weer bijgemaakt worden. Dat doen je botten.
In je botten zit beenmerg. Op sommige plaatsen is dat beenmerg geel, en op andere plaatsen rood. Het rode beenmerg maakt de rode bloedcellen. Elk uur worden er acht miljard nieuwe rode bloedcellen gemaakt.

4. Witte bloedcellen

Witte bloedcellen herken je meteen onder de microscoop. Ze zijn rond als een aardappel, maar ze kunnen ook van vorm veranderen. Witte bloedcellen zijn groter dan rode bloedcellen. Er zitten er veel minder van in je bloed. Tussen duizend rode bloedcellen vind je hooguit één of twee witte bloedcellen. Witte bloedcellen worden net als rode bloedcellen gemaakt in het rode beenmerg.

Zoals soldaten de verdedigers zijn in een land, zo zijn de witte bloedcellen de verdedigers in je lichaam. Ziekteverwekkers worden door de witte bloedcellen onschadelijk gemaakt. Virussen en sommige bacteriën zijn hele kleine deeltjes die je ziek kunnen maken. Ze dringen (bijvoorbeeld door een wondje) je lichaam binnen. De witte bloedcellen sporen de ziekteverwekkers op. Hebben ze ze gevonden, dan omsluiten ze ze en eten ze op.
Omdat een witte bloedcel van vorm kan veranderen, is het de enige cel in je lichaam die door de wand van een haarvaatje kan gaan. Hij maakt zich heel dun om erdoorheen te kunnen kruipen. Zo kan de witte bloedcel overal in het lichaam ziekteverwekkers opsporen.
Als er veel bacteriën een wond binnendringen, gaat die plek ontsteken. De plek wordt rood, dik en pijnlijk, omdat er extra veel bloed naar toe stroomt. De witte bloedcellen kruipen op die plek uit de haarvaatjes en gaan op zoek naar bacteriën. Ze eten ze allemaal op. Daarna sterven de witte bloedcellen. In een wond vind je ze terug in de vorm van etter.

5. De bloedplaatjes

Als je een wond hebt, stolt het bloed na een tijdje. Er komt een korstje op. Gelukkig maar, want anders zou je van een snijwond al kunnen doodbloeden. Het maken van een korstje is de taak van de bloedplaatjes.

Tussen duizend rode bloedcellen, vind je ongeveer vijftig bloedplaatjes. Ze zijn de kleinste van de drie soorten bloedcellen. Ze worden, net als de andere bloedcellen gemaakt in het rode beenmerg. Ze zijn niet rond, maar zien onder de microscoop eruit als schilfertjes. De wand van een bloedplaatje is heel kwetsbaar. Die gaat meteen kapot als het bloedplaatje ergens tegenaan stoot.
Omdat de wanden van de bloedvaten glad zijn, stromen de bloedplaatjes veilig mee, zonder dat hun wand beschadigt. Maar als je een wondje hebt, komen de bloedplaatjes in botsing met een kapot bloedvat. Ze breken open. Er komt dan een stof uit die draadjes kan maken. Die draadjes komen kriskras over de wond te liggen. Je kunt het vergelijken met een slordig spinnenweb.
In een spinnenweb blijven vliegjes kleven. In het web over de wond blijven rode en witte bloedcellen plakken. Als het web er genoeg heeft gevangen, trekken de vezels zich samen. Zo wordt het uit de bloedkoek geperst. Er blijft dan een stevig korstje over dat de wond keurig afsluit. Het is de beste pleister die er bestaat.
Bij een kleine verwonding, zoals een prik in je vinger duurt het ongeveer acht minuten voordat het bloed gestold is. Als je een grote wond hebt, dan duurt de stolling veel langer. Een wond waarbij een slagader kapot is gegaan, is zelfs gevaarlijk, omdat je ervan kan doodbloeden.

6. Ziektes

Bij iemand die ziek is, wordt soms het bloed onderzocht. Een arts kan er zo achter komen wat een patiënt misschien mankeert. Onder de microscoop kunnen de ziekteverwekkers ontdekt worden. Ook kunnen de bloedcellen geteld worden. Zitten er bijvoorbeeld veel witte bloedcellen in het bloed, dan is er ergens in het lichaam een ontsteking.

Bloedarmoede
Sommige mensen hebben te weinig rode bloedcellen in het bloed om zuurstof rond te brengen. Zij hebben bloedarmoede. Iemand met bloedarmoede is gauw moe en duizelig. Je kunt ook bloedarmoede krijgen als er niet genoeg ijzer in de rode bloedcellen zit om zuurstof te vervoeren. Je moet dan veel groenten eten waar veel ijzer in zit, zoals spinazie. Soms zul je staalpillen moeten slikken; daar zit veel ijzer in.

Hemofilie
Hemofilie komt alleen bij jongens voor. Het is een ziekte waarbij het bloed niet stolt. Dat kon vroeger erge gevolgen hebben. Iemand kon van een klein wondje al doodbloeden. Jongens met hemofilie brachten daarom hun hele leven maar voorzichtig in bed door. En dan nog stierven ze heel jong, omdat ze toch heel kwetsbaar waren. Nu is er een heel goed medicijn voor de ziekte. Hemofiliepatiënten moeten dat wel hun leven lang gebruiken.

Leukemie
Leukemie is een ernstige ziekte van het bloed die dodelijk kan zijn. Witte bloedcellen worden bij iemand met leukemie zò snel en zò slordig aangemaakt, dat ze hun werk niet goed meer kunnen doen. Er komen steeds meer witte bloedcellen in het bloed, die eigenlijk nog niet rijp zijn. Die zijn niet in staat om de ziekteverwekkers op te eten. Hoe de ziekte ontstaat is niet bekend. Een medicijn voor deze ziekte, die ook wel bloedkanker wordt genoemd, is er nog niet.

Een stolsel
Bij sommige mensen worden de binnenwanden van de bloedvaten minder glad. Als de bloedplaatjes ertegen botsen, breken ze open. Er kan op die plek een stolsel, een soort propje, ontstaan. Als dat stolsel losschiet, drijft het met de bloedstroom mee. Het gevaar hiervan is dat het een klein bloedvat kan verstoppen. Een deel van het lichaam krijgt dan geen zuurstof meer. Als zoiets in je hart gebeurt, noem je het een hartinfarct. In de hersens heet het een herseninfarct.

Aids
Aids wordt veroorzaakt door het aidsvirus, een ziekteverwekker die in het bloed kan zitten. De witte bloedcellen kunnen dit virus niet onschadelijk maken. Het virus gaat zich vermenigvuldigen. Iemand is dan seropositief. Sero betekent bloed. Positief betekent in dit geval dat het aidsvirus aanwezig is. Het kan jaren duren vòòr iemand iets merkt van het aidsvirus in zijn lichaam. Maar dan ineens laten de ziekteverwekkers weten dat ze er zijn; die persoon wordt ziek en gaat dood.
Je kunt aids krijgen als je bloed in contact komt met het bloed of sperma van iemand die seropositief is.

7. Bloedtransfusie

Veel mensen zijn bloeddonor. Zij geven twee of drie keer per jaar een halve liter bloed af. Ze doen dat bij de bloedbank, een speciaal centrum waar bloed wordt afgenomen. Het bloed wordt bewaard voor mensen die te weinig bloed hebben, of voor mensen met een bloedziekte. Een bloeddonor moet gezond zijn. Daarom zijn er strenge regels waar men zich bij de bloedbank aan houdt. Het bloed wordt elke keer heel goed onderzocht op ziekteverwekkers zoals het aidsvirus.
Bloed is niet zo lang te bewaren. Daarom centrifugeert men het bloed. Centrifugeren is heel snel ronddraaien. Daardoor zakken de bloedcellen naar beneden en de bloedvloeistof (plasma) blijft boven. Meestal is het toedienen van alleen bloedvloeistof genoeg om een patiënt te helpen.
Via een infuus wordt de bloedvloeistof aan de patiënt gegeven. Dat heet bloedtransfusie. Een infuus is een vloeistof in een zak die met een slangetje verbonden is met een naald. De naald wordt in een ader geprikt. De vloeistof sijpelt via het slangetje het lichaam binnen.

Het is belangrijk om te weten wat voor een bloedgroep je hebt, want er zijn verschillen in bloed. Je noemt ze de bloedgroepen A, B, AB, of O. Eén van die vier bloedgroepen heb je. Als je bloed van iemand met de bloedgroep A geeft aan iemand met bloedgroep B, dan gaat het bloed klonteren. Dat is dodelijk voor de patiënt. Er zijn meer combinaties van bloed die klonteren als ze samenkomen. Zo’n combinatie mag niet worden gemaakt in een ziekenhuis! Daarom wordt altijd gekeken welke bloedgroep iemand heeft.
Een volwassen mens heeft vijf tot zes liter bloed. Je kunt het uitrekenen door je gewicht met acht te vermenigvuldigen en die uitkomst daarvan te delen door honderd. Als je veertig kilo weegt heb je dus 3,2 liter bloed. Je zou dan best een halve liter bloed kunnen missen. Dat mag nog niet. Als je bloed wil geven moet je minimaal vijf liter bloed in je lichaam hebben. En je moet minstens achttien zijn.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

H.

H.

haai ik vind het een mooien spreekbeurt
hella

17 jaar geleden

L.

L.

het leek een beetje heel erg op een boekje dat ik thuis heb maar ik vond het wel een heel goed werkstuk

17 jaar geleden

E.

E.

Bedankt,
je hebt me erg geholpen voor mijn spreekbeurt!

9 jaar geleden

H.

H.

Ik vind het een goed werkstuk je hebt me er heel goed bij geholpen!:))

8 jaar geleden

F.

F.

goede info ben ik blij mee

6 jaar geleden