Kanker

Beoordeling 6.2
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • Klas onbekend | 7347 woorden
  • 19 maart 2002
  • 72 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.2
  • 72 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ANW
Wat is kanker?

Er zijn meer dan 100 soorten kanker. Elke soort is een andere ziekte. Een gemeenschappelijk kenmerk van al deze ziekten is ongeremde celdeling.

Celdeling gebeurt niet zomaar. De deling van cellen wordt goed geregeld en gecontroleerd. De informatie die hiervoor nodig is ligt vast in de genen.
Tijdens het leven worden onze lichaamscellen blootgesteld aan allerlei schadelijke invloeden. Normaal gesproken zullen ‘repareer’genen er voor zorgen dat de schade hersteld wordt.
Een cel kan in de loop der tijd echter onherstelbaar beschadigd raken. Uiteindelijk kan dit leiden tot een verandering in de genen en dus een verandering in de regeling van celdeling, groei en ontwikkeling van een cel. Als de celdeling ontregeld raakt, kan dit leiden tot een overmatige celdeling die tot een gezwel of tumor leidt.



Er zijn goedaardige en kwaadaardige tumoren. Alleen bij kwaadaardige tumoren is er sprake van kanker.
* Goedaardige tumoren zijn meestal goed afgegrensd: ze groeien niet door andere weefsels heen en verspreiden zich niet door het lichaam. Een wrat is een voorbeeld van een goedaardige tumor. Wèl kan zo’n tumor tegen omliggende lichaamsdelen drukken. Dit kan zo hinderlijk zijn dat de tumor verwijdert moet worden.
* Bij kwaadaardige tumoren zijn de regelmechanismen dermate beschadigd, dat ons lichaam de celdeling niet meer onder controle krijgt. Een kwaadaardig gezwel drukt niet alleen de omliggende weefsels opzij, maar kan ook daarin binnengroeien. Kanker kan ook ontstaan in bepaalde bloedcellen die in het beenmerg worden aangemaakt (bijv. leukemie), of in het lymfestelsel (bijv. ziekte van Hodgkin).


Bij een kwaadaardige tumor kunnen cellen losraken. De tumorcellen worden via het bloed of via de lymfe door het lichaam verspreid. Op deze manier kunnen kankercellen in andere organen terechtkomen en ook daar uitgroeien tot tumoren. Dit zijn uitzaaiingen (metastasen): uitbreidingen van de oorspronkelijke kankercellen op één of meer andere plaatsen in het lichaam.
Dus, als bij een patiënt met borstkanker ook een tumor in de lever wordt aangetroffen, gaat het niet om leverkanker, maar om borstkankercellen in de lever. Deze worden ook als borstkanker behandeld.


Borstkanker


In Nederland wordt per jaar bij ongeveer 10.000 vrouwen borstkanker vastgesteld. Het is de meest voorkomende soort kanker bij vrouwen. Meestal komt de ziekte voor bij vrouwen die ouder zijn dan dertig jaar. Daarvoor is de ziekte zeldzaam.
Ongeveer 70 % van de vrouwen bij wie borstkanker wordt ontdekt, is boven de 50 jaar. Borstkanker komt ook voor bij mannen, maar dan wel in mindere maten dan bij vrouwen. Man : Vrouw = 1 : 150.



Bij borstkanker gaat het meestal om een zogenaamd ductaalcarcinoom. Een ductaalcarcinoom ontstaat in de melkbuisjes van de borst. Soms is sprake van een lobulair carcinoom, dat zijn oorsprong vindt in de melkkliertjes. Het lobulair carcinoom vormt minder vaak één tumor, maar groeit meer verspreid door de borst. Door deze groeiwijze wordt een lobulair carcinoom meestal pas in een later stadium ontdekt.

Lobulair carcinoma in situ

Ook bij borstkanker kan uitzaaiing plaatsvinden. Als kanker via de lymfe uitzaaien, zullen zij in de lymfeklieren uitgroeien tot een uitzaaiing. De eerste uitzaaiing ontstaat in de lymfeklieren die direct de lymfe-afvloed ontvangen van het gebied in de borst waar de tumor zich bevindt. Die lymfeklieren worden de schildwachtklieren genoemd. De schildwachtklieren kunnen zich op verschillende plaatsen rond de borst bevinden: meestal in de oksel, maar ook tussen de ribben, onder het sleutelbeen of in de borst zelf.


Kankercellen kunnen zich ook via het bloed verspreiden en bijvoorbeeld in de botten uitgroeien tot een tumor. Bij borstkanker kunnen ook uitzaaiingen optreden in andere organen, zoals de longen en de lever.


Borstkankercellen kunnen zo vroeg worden ontdekt (bijv. bij het bevolkingsonderzoek) dat de tumor is beperkt tot de melkgangen. De borstkankercellen zijn nog niet ingegroeid in het omliggende borstweefsel van de melkbuisjes of melkkliertjes. Er is geen risico op lymfeklieruitzaaiingen of uitzaaiingen elders in het lichaam.
Zo’n ‘niet-infiltrerende’ tumor is meestal een Ductaal Carcinoma In Situ (DCIS). De behandeling bestaat doorgaans uit een amputatie, of een lumpectie gevolgd door bestraling. Er is in de regel geen okselklieroperatie nodig. De kans op genezing - na behandeling - is vrijwel 100 %.

Ductaal carcinoma in situ
Risicofactoren


Over de oorzaken van borstkanker is nog lang niet alles bekend. Wel weten we dat sommige vrouwen een wat grotere kans op borstkanker hebben dan andere vrouwen, namelijk:
* Vrouwen die eerder borstkanker hebben gehad.
* Vrouwen van wie de moeder of een of meer zusters borstkanker hebben (gehad). Met name in die gevallen dat borstkanker voor de overgang werd vastgesteld.
* Vrouwen die eerder in hun leven voor bepaalde typen goedaardige borstafwijkingen zijn behandeld. Het betreft hier een klein aantal van het totaal aan vrouwen dat een goedaardige borstafwijking heeft gehad.
* Vrouwen die vroeg zijn gaan menstrueren, laat in de overgang zijn gekomen, weinig of geen kinderen hebben en vrouwen die hun eerste kind op latere leeftijd hebben gekregen. De reden hiervoor is het verband tussen borstkanker en de vrouwelijke hormoonhuishouding, in het bijzonder de hoeveelheid oestrogenen (vrouwelijk geslachtshormoon) die het lichaam produceert.
* Vrouwen die de ‘pil’ slikken. Tijdens het pilgebruik is het risico op borstkanker licht verhoogd. Dit risico neemt af nadat een vrouw stopt met de pil. Verder onderzoek moet meer duidelijkheid verschaffen. Gezien de uitkomsten tot nu toe is er geen rede om de pil als anticonceptiemiddel af te raden. De voordelen van een goede anti-conceptie lijken ruimschoots op te wegen tegen het geringe geschetste risico.
* Vrouwen die in verband met overgangsklachten hormoonpreparaten gebruiken. De wat grotere kans op borstkanker neemt toe bij langer gebruik (meer dan vijf jaar). Ook hier is er meer onderzoek nodig.
* Vrouwen met overgewicht na de overgang.
* Vrouwen die drie of meer glazen alcohol per dag gebruiken.


Bij vijf tot tien procent van alle patiënten met borstkanker is erfelijkheid de doorslaggevende factor bij het ontstaan van de ziekte. Een erfelijke vorm van borstkanker onderscheidt zich op een aantal manieren van niet-erfelijke borstkanker. Zo wordt de erfelijke vorm meestal op jongere leeftijd vastgesteld, namelijk tussen de 30 en 50 jaar. Daarnaast wordt bij patiënten met zo’n erfelijke vorm van borstkanker vaak kanker in beide borsten geconstateerd. Het gecombineerd voorkomen van borst- en eierstokkanker in een familie kan eveneens verband houden met erfelijkheid.


Uit onderzoek is gebleken dat vrouwen die aan sport hebben gedaan, een lager risico op borstkanker hebben in vergelijking met vrouwen die nooit een sport hebben beoefend.
Het risico op borstkanker lijkt ook iets verlaagd te worden als vrouwen langdurig (zes maanden of langer) borstvoeding hebben gegeven.








Verandering in de borst


De meest voorkomende verandering in een borst is een ‘knobbeltje’. Het gaat dan om een verdikking die anders aanvoelt dan de bobbeligheid die normaal te voelen is. Zo’n knobbeltje doet vaak geen pijn. Knobbeltjes kunnen heel verschillend aanvoelen. Vaak is het een plekje dat niet echt rond is, maar wat stugger of harder aanvoelt dan de rest van het klierweefsel. Soms is het kogelrond en glijdt het onder de vingers weg als een knikker.
Andere afwijkingen kunnen zijn:
* een verdikt strengetje naar de tepel
* een deukje of kuiltje in de huid
* bloed of ander vocht uit de tepel
* een tepel die sinds kort naar binnen trekt
* pijn in de borst op een plek waar ook het klierweefsel anders aanvoelt


Bij 8 van de 10 geconstateerde afwijkingen is er sprake van een goedaardige aandoening. Bloed of ander vocht dat uit de tepel komt heeft zelden te maken met borstkanker.
Wanneer een vrouw een knobbeltje voelt, kan dat een vetknobbeltje of een cyste (= holte gevuld met vocht) zijn. Maar alleen medisch onderzoek kan uitwijzen of een afwijking goedaardig of kwaadaardig is.

Onderzoek voor de diagnose

Als een vrouw iets bijzonders in haar borst ontdekt zal ze hiermee eerst naar de huisarts gaan. Deze bekijkt en bevoelt dan de borsten, de oksel en de hals. Dit onderzoek heet inspectie en palpatie. Indien nodig zal de huisarts adviseren een mammografie ( = röntgenfoto’s van de borsten)
te laten maken. Eventueel in combinatie met een echografie, of de arts zal direct doorverwijzen naar een chirurg.
Een mammografie vindt ook plaats in het kader van het bevolkingsonderzoek op borstkanker. Hiervoor worden elke twee jaar vrouwen tussen de 50 en 75 jaar uitgenodigd.
Wanneer er bij dit onderzoek een afwijking op de foto’s te zien is, zal de vrouw doorgestuurd worden naar de huisarts of een chirurg.

Soorten onderzoek:

PUNCTIE

Bij een punctie worden weefselcellen en/of vocht opgezogen met een dunne holle naald.
Een punctie kan zonder verdoving plaatsvinden. De punctie wordt uitgevoerd door een chirurg, röntgenoloog of patholoog. Na de punctie beoordeelt de patholoog het opgezogen materiaal onder de microscoop. Als er geen aanwijzing wordt gevonden voor kwaadaardigheid en de afwijking in de borst geheel is opgehelderd, kan de arts met de vrouw het vervolg bespreken. Hij kan controle adviseren of kan er voor kiezen om de afwijking operatief te laten verwijderen. Als er te weinig zekerheid is over de zaak, kan de arts verder onderzoek adviseren.


BIOPSIE

Biopsie is het verwijderen van weefsel. Voor een kleine biopsie is geen lange ziekenhuis opname nodig. Het weefsel dat bij een biopsie wordt weggenomen, wordt door een patholoog onderzocht om een definitieve uitspraak te kunnen doen over de aard van de afwijking in de borst. Als wordt vastgesteld dat de afwijking kwaadaardig is, zal verdere behandeling nodig zijn. Bij patiënten van wie de afwijking zo klein is dat deze niet voelbaar is, vindt de biopsie altijd onder narcose plaats. Zo’n heel kleine afwijking wordt meestal ontdekt bij vrouwen die mee hebben gedaan aan het bevolkingsonderzoek. Soms bestaat de afwijking alleen uit een groepje kalkvlekjes, zogeheten micro-calcificaties.
Voorafgaand aan de biopsie wordt de afwijking met behulp van een metalen draadje in de borst gemarkeerd, zodat de chirurg precies weet welk stukje weefsel hij moet verwijderen. Dit markeren gebeurt onder röntgendoorlichting of echogeleide.

DIKKE NAALD BIOPSIE

In toenemende mate wordt een ‘dikke naald biopsie’ gedaan. Na een plaatselijke verdoving wordt een klein sneetje gemaakt. Daarna wordt , vaak onder röntgendoorlichting of echogeleide, een holle naald ingebracht. Hiermee worden een of meer stukjes weefsel verkregen waarmee de patholoog de definitieve diagnose stelt.
Behandeling


Wanneer een behandeling is gericht op het genezen van een patiënt, wordt dat een curatieve behandeling genoemd. Soms wordt hieraan een andere behandeling toegevoegd (radiotherapie en/of chemotherapie en/of hormonale therapie) om een beter eindresultaat te kunnen bereiken. Dit noemt men een adjuvante behandeling.
Bij een behandeling die is bedoeld om de ziekte te remmen en/of de klachten te verminderen, spreekt men van palliatieve behandeling.

Operatie

In de meeste gevallen vindt bij een patiënt met borstkanker een operatie plaats. Na de biopsie zal er meer borstweefsel worden weggenomen. Om hoeveel weefsel het gaat, is afhankelijk van de afmeting van de tumor en het type tumor. Men onderscheidt twee soorten borstoperaties: de amputatie en de lumpectomie.
Bij een amputatie wordt de gehele borstklier met onderliggende huid en vetweefsel verwijderd. De borstspieren worden gespaard.
Als alleen de tumor met omringend gezond weefsel wordt verwijderd, spreken we van een lumpectomie. Deze operatie is een onderdeel van een borstbesparende operatie, behalve bij een DCIS (zie borstkanker).
Bij zowel een amputatie als een borstbesparende behandeling wordt onderzocht of er lymfeklieruitzaaiingen zijn.

Er zijn twee manieren om vast te stellen of er uitzaaiingen naar de lymfeklieren zijn. Alle lymfeklieren kunnen uit de oksel worden verwijderd. De patholoog onderzoekt de lymfeklieren vervolgens stuk voor stuk onder de microscoop. Aan de hand van de uitslag kunnen de artsen bepalen of verdere behandeling nodig is.
Een andere manier is het schildwachtklieronderzoek. Dit onderzoek heeft een aantal voordelen voor de patiënt en kan in steeds meer ziekenhuizen plaatsvinden. Het schildwachtklieronderzoek kan worden uitgevoerd bij vrouwen bij wie (onder meer) de tumor in de borst niet al te groot is (maximaal 4 tot 5 cm.), bij wie er niet meer dan een tumor is en bij wie er geen verdachte of vergrote lymfeklieren in de oksel zijn. De schildwachtklieren zijn op te sporen m.b.v. een licht radio-actieve stof die meestal toegediend wordt daags voor de operatie, en een blauwe kleurstof die toegediend wordt kort voor de operatie. Alleen die klieren worden verwijderd en onderzocht. Bevat de schildwachtlymfeklier uit de oksel uitzaaiingen, dan is er tot ongeveer 40 % kans dat er nog meer uitzaaiingen zijn. Daarom is het belangrijk om in die gevallen alle okselklieren te behandelen. Dit gebeurt doorgaans met een okselklieroperatie.
Bevat de schildwachtlymfeklier uit de oksel geen tumor, dan is de kans dat er alsnog lymfeklieruitzaaiingen in andere lymfeklieren in de oksel zitten, ca. 5 %.

Een borstreconstructie na een amputatie kan zowel in praktisch als in emotioneel opzicht van grote betekenis zijn. Er zijn verschillende manieren waarop een borstreconstructie kan worden uitgevoerd. Soms kan dat tijdens dezelfde operatie waarbij de borst wordt geamputeerd. Vaak zijn er voor een borstreconstructie verschillende operaties nodig. De resultaten van een reconstructie lopen uiteen. Bovendien is de beoordeling van het resultaat zeer persoonlijk.
Chemotherapie

HOE WERKT CHEMOTHERAPIE?

Chemotherapie is de behandeling van kanker met medicijnen, zogeheten cytostatica, die de celdeling remmen. Ze worden daarom ook wel celdeling-remmende medicijnen genoemd.
Na toediening komen cytostatica in het bloed terecht. Via het bloed worden zij door het hele lichaam verspreid en kunnen zij kankercellen vrijwel overal in het lichaam bereiken.
Cytostatica grijpen in op het ontwikkelingsproces van kankercellen en remmen de celdeling. Sommige tasten de kankercel aan op het moment waarop deze zich deelt. Andere hebben hun uitwerking op een eerder tijdstip.
Er zijn tientallen verschillende soorten cytostatica. Afhankelijk van de soort kanker kunnen er een of meer daarvan voor een behandeling worden gebruikt.
Kankercellen verschillen wat betreft de gevoeligheid voor een bepaald cytostaticum. Om een zo goed mogelijk resultaat te bereiken, wordt daarom vaak een combinatie van verschillende cytostatica toegepast. Deze vullen dan elkaars werking aan. Die gevoeligheid kan tijdens de behandeling veranderen. Daarom wordt soms na enige tijd op andere cytostatica overgegaan.
Er zijn soorten kanker waarvoor op dit moment geen geschikte cytostatica bestaan.

WANNEER WORDT CHEMOTHERAPIE TOEGEPAST?

Chemotherapie kan worden toegepast:
1. Als curatieve behandeling (genezend)
Sommige soorten kanker reageren goed op een behandeling met cytostatica. Met deze behandeling kan de tumor geheel worden vernietigd.
2. Als adjuvante behandeling (aanvullend)
Soms wordt aan de curatieve behandeling een andere behandeling toegevoegd om een beter eindresultaat te bereiken. Zo kan chemotherapie worden toegediend voor een operatie of bestralingskuur met als doel de tumor te verkleinen.
Chemotherapie kan ook worden toegepast na operatieve verwijdering van een tumor. Er kunnen kankercellen in het lichaam zijn achtergebleven en voor alle zekerheid kunnen dan nog cytostatica worden toegediend.
3. Als palliatieve behandeling (verzachtend)
Soms is een operatie of bestraling niet afdoende en komen na verloop van tijd uitzaaiingen aan het licht. Het komt ook voor dat een operatie of bestraling niet meer mogelijk of zinvol is. In die gevallen wordt geprobeerd de tumor en/of de uitzaaiingen met behulp van cytostatica zoveel mogelijk verkleinen. De behandeling is dan gericht op het remmen van de ziekte en/of het voorkomen of verminderen van klachten zoals pijn.

HOE WORDT DE BEHANDELING GEGEVEN?

Cytostatica kunnen op verschillende manieren worden ingenomen of toegediend:
* Via de mond (tablet of capsule).
* Via een injectie onder de huid of in een spier.
* Rechtstreeks in een ader:
· door middel van een injectie
· door middel van een infuus (intraveneuze toediening)

Een infuus kan om verschillende redenen worden aangelegd:
* De cytostatica mogen niet rechtstreeks in een ader worden gespoten.
* De cytostatica moeten in een andere vloeistof worden verdund.
* De cytostatica moeten langzaam in het bloed komen.
De tijdsduur van het toedienen kan variëren van een half uur tot enkele dagen. Dit is afhankelijk van de hoeveelheid en de soort cytostatica.
De periode waarin de cytostatica worden toegediend, gevolgd door een rustperiode, heet een chemokuur.

In het algemeen gaat een patiënt voor het toedienen van de medicijnen naar de polikliniek, maar het komt ook voor dat men de medicijnen thuis kan innemen. In sommige gevallen moet de patiënt voor een kuur in het ziekenhuis worden opgenomen.

De duur van de behandeling is verschillend en hangt af van:
* Het toedieningsschema waarin de cytostatica worden gegeven.
* De eventuele bijwerkingen.
* het resultaat van de behandeling.

De ene soort kanker reageert beter op cytostatica dan de andere. Meestal bekijkt de specialist na twee tot drie kuren of de behandeling effect heeft. Is dit niet het geval, dan zal hij nagaan of een andere behandeling mogelijk is.

Sommige patiënten die chemotherapie krijgen, moeten gedurende een lange periode vaak worden geprikt. Omdat het aanprikken van een ader steeds moeilijker kan worden, wordt een speciaal infuussysteem ingebracht: een totaal implanteerbaar systeem. Dit bestaat uit een ‘reservoir’ (een plat, rond doosje met een doorsnede van enkele centimeters). Meestal wordt dit onder plaatselijke of algehele verdoving ingebracht. Het reservoir zit geheel onder de huid, in het algemeen een stukje boven de tepel. Het heeft aan de bovenzijde een siliconen membraan, een soort (trommel)vlies. Dit membraan kan eenvoudig door de huid worden aangeprikt. Zo kunnen medicijnen worden toegediend of er kan bloed uit worden afgenomen. Het systeem blijft onderhuids zitten zolang dit voor de behandeling nodig is. Een ander infuus dat soms nog wordt gebruikt, is een Hickmankatheter. Dit is een kunststof of siliconen katheter dat in een groot bloedvat onder het sleutelbeen wordt geplaatst. Het inbrengen gebeurt onder plaatselijke of gehele narcose.

Bijzondere methoden van toediening.
Bij bepaalde soorten kanker kunnen cytostatica plaatselijk worden toegediend:
* Spoeling van de blaas - De cytostatica worden in een vloeistof opgelost. Vervolgens worden de medicijnen met behulp van een katheter, via de urinebuis, in de blaas gebracht. De patiënt blijft hiermee gemiddeld twee uur liggen, waarbij hij regelmatig van houding moet veranderen. Op die manier komt het cytostaticum in aanraking met de gehele blaaswand. De behandeling moet worden herhaald en kan in totaal een jaar duren. Spoelingen met cytostatica worden toegepast bij patiënten met een oppervlakkige blaastumor. In sommige gevallen is dit de enige behandeling. In andere gevallen is het een adjuvante behandeling om de kans op terugkeer van de ziekte te verkleinen.
* Isolatie-perfusie van een arm of been - Bij deze manier van toediening van cytostatica wordt de bloeddoorstroming van een arm of een been afgesloten van de rest van het lichaam. Met behulp van een hart-longmachine krijgt de patiënt dan tijdelijk een aparte bloedcirculatie voor dat lichaamsdeel. Vervolgens wordt de arm of het been gedurende een uur doorstroomd met een hoge dosis cytostatica, aangevuld met het medicijn TNF (tumor necrosis factor a). Deze behandeling wordt geadviseerd bij patiënten met een melanoom (huidtumor) of een sarcoom (spiertumor) waarbij plaatselijk op of in een arm of been uitgebreide tumorgroei bestaat.
* Cytostatica rechtstreeks in de buikholte - Hierbij wordt gebruik gemaakt van een speciale katheter. Deze wordt via de buikwand in de buikholte gebracht. Hierop wordt een infuus aangesloten waarin een cytostaticum is opgelost. Deze manier van toediening wordt met name toegepast bij vrouwen met eierstokkanker.

HOGE DOSIS CHEMOTHERAPIE EN BEENMERG- OF STAMCELTRANSPLANTATIE

Wanneer iemand chemotherapie krijgt, kan in de loop van de tijd de gevoeligheid voor de cytostatica veranderen. De kankercellen worden veel minder gevoelig (resistent) voor die middelen. Ze kunnen dat ook al in het begin van de behandeling zijn. Een van de manieren om te proberen deze resistentie te overwinnen is de toediening van zeer hoge doseringen cytostatica. Een hoge dosering chemotherapie wordt ook gegeven omdat deze bij bepaalde soorten kanker een grotere kans van slagen geeft.

Beenmerg
Behalve kankercellen worden echter ook gezonde cellen beschadigd. Met name beenmerg is erg gevoelig voor de werking van (hooggedoseerde) chemotherapie. Beenmerg bevat enkele duizenden (bloed-)stamcellen. Hieruit ontstaan per dag miljarden bloedcellen:
* witte bloedcellen (leukocyten)
* rode bloedcellen (erythrocyten)
* bloedplaatsjes (thrombocyten)

De schade aan het beenmerg - en daarmee de stamcellen - kan zo groot zijn dat het niet uit zichzelf herstelt. Dit heeft invloed op de aanmaak van nieuwe bloedcellen.
Als er te weinig rode bloedcellen worden geproduceerd, kan dit bloedarmoede tot gevolg hebben. Als het aantal bloedplaatjes daalt, kunnen er stoornissen in de bloedstolling optreden. Bloedarmoede en gebrek aan bloedplaatjes kunnen betrekkelijk gemakkelijk worden bestreden met (bloed)transfusies.
Het grootste probleem is de daling van het aantal witte bloedcellen, waardoor de weerstand vermindert: het lichaam kan zich onvoldoende weren tegen infecties.

Transplanteren van stamcellen
Om dit op te vangen biedt het transplanteren van stamcellen uitkomst. De stamcellen zorgen voor herstel van het beenmerg. Gezonde, goedwerkende stamcellen nemen in het beenmerg de plaats in van beschadigde stamcellen. Een beenmerg- of stamceltransplantatie is dus bedoeld om de bijwerkingen van hooggedoseerde chemotherapie te bestrijden.
De totale behandeling vergt zowel lichamelijk als in geestelijk opzicht erg veel van de patiënt en zijn omgeving.

BIJWERKINGEN


Cytostatica hebben niet alleen invloed op kankercellen, maar ook op gezonde cellen in het lichaam. Vooral snelgroeiende gezonde cellen kunnen worden aangetast door de chemotherapie, zoals slijmvliescellen van de mond en haarcellen. Pijnlijke plekken in de mond en kaalheid kunnen het gevolg zijn. Of iemand last krijgt van bijwerkingen hangt af van de soorten en hoeveelheden cytostatica iemand krijgt. Iedereen reageert anders, ook al betreft het dezelfde soort cytostaticum. Sommige mensen hebben veel last van bijwerkingen, anderen merken er weinig van.
Gelukkig zijn aangetaste gezonde cellen meestal in staat weer de oude te worden, waarna de bijwerkingen verdwijnen. Soms gebeurt dat al na enkele dagen, soms duurt het langer. In de rustperioden van de kuur hebben gezonde cellen de tijd om zich te herstellen. Bepaalde cytostatica kunnen blijvende schadelijke gevolgen hebben, zoals onvruchtbaarheid of beschadigingen van zenuwen in de ledematen.

De ernst van de bijwerkingen heeft niets te maken met het resultaat van de behandeling. Als een patiënt veel hinder heeft van bijwerkingen, mag men daaruit niet op voorhand opmaken dat de chemotherapie een goed effect op de ziekte heeft. Off omgekeerd: als iemand er weinig van merkt, dan wil dat niet zeggen dat de medicijnen geen invloed op de ziekte hebben.

Mogelijke bijwerkingen:
* invloed op de algemene gesteldheid
* invloed op mond, maag en darmen
* invloed op het beenmerg
* invloed op het haar
* invloed op de vruchtbaarheid
* invloed op de menstruatie
* invloed op de seksualiteit
* andere bijwerkingen

Invloed op de algemene gesteldheid
Patiënten die chemotherapie krijgen, hebben ten gevolge van de ziekte en/of de behandeling vaak last van vermoeidheid. Dit kan leiden tot concentratiestoornissen.
Ook spanningen rondom de ziekte en de behandeling kunnen van invloed zijn op hoe men zich voelt. Behalve moe kunnen patiënten dan ook prikkelbaar en somber zijn.
Het is aan te bevelen om tijdens de behandeling voldoende rust te nemen en de dagelijkse activiteiten in een aangepast tempo uit te voeren.
Ontspanning en afleiding kunnen ook helpen. Sommigen zoeken dit thuis, anderen buitenshuis. Misschien is er behoefte aan extra hulp thuis. Mogelijk kan dat in de eigen familie- of vriendenkring worden geregeld. Zo niet, dan kan er een vraag voor hulp ingediend worden bij de Thuiszorg.
Als de behandeling achter de rug is, zal de vermoeidheid meestal geleidelijk afnemen. Maar het kan ook langer aanhouden, soms wel jaren.

Invloed op mond, maag en darmen
Sommige cytostatica tasten het slijmvlies van de mond aan. Daardoor kan men last krijgen van een branderig gevoel en pijnlijke plekjes in en rond de mond. Het is belangrijk de mond te verzorgen. De tanden moeten na elke maaltijd met een zachte tandenborstel en met fluoride tandpasta gepoetst worden. Dagelijks gebruik van flos of tandenstokers wordt aanbevolen. Het moet wel voorzichtig gebeuren om wondjes en bloedingen te voorkomen.
Ter voorkoming van ontsteking van de slijmvliezen helpt het vaak 3x per dag met een zoutoplossing te spoelen. Bij pijn is spoelen met chloorhexidine mogelijk.
Misselijkheid en braken zijn voor veel mensen onlosmakelijk verbonden met chemotherapie. Gelukkig is daar de afgelopen jaren verandering in gekomen. Er zijn tegenwoordig medicijnen die bij veel patiënten goed helpen tegen acute misselijkheid en overgeven. Ze kunnen via het infuus, in tabletvorm of als zetpil worden toegediend.

Sommige patiënten krijgen last van diarree of verstopping. Verandering van voeding heeft echter nauwelijks invloed op deze bijwerkingen.

Invloed op het beenmerg
In het beenmerg worden verschillende soorten bloedcellen gemaakt:
* witte bloedcellen (leukocyten)
* rode bloedcellen (erythrocyten)
* bloedplaatsjes (thrombocyten)
Cytostatica tasten vaak het beenmerg aan, waardoor er tijdelijk te weinig nieuwe bloedcellen worden gemaakt. Dit veroorzaakt allerlei klachten.

Witte bloedcellen hebben onder meer tot taak ziekteverwekkers die het lichaam zijn binnengedrongen, zoals bacteriën en virussen, op te sporen en te vernietigen. Op die manier beschermen ze ons tegen allerlei soorten infecties. Bij een tekort aan witte bloedcellen (leukopenie) ontstaat een grotere kans op infecties. Meestal krijgt men koorts. Ook kan het zijn dat men pijn heeft op de plaats waar de infectie zit, bijvoorbeeld keelpijn of pijn bij het plassen. In zo’n situatie is het verstandig een arts te waarschuwen. De arts kan dan beoordelen of moet worden ingegrepen om de koorts te verlagen. In sommige gevallen worden groeifactoren toegediend om de kans op infecties te verkleinen. Groeifactoren zijn middelen die de aanmaak van witte bloedlichaampjes stimuleren. Ze worden dagelijks als onderhuidse injectie toegediend in de rustperioden van de chemotherapie.

Rode bloedcellen zorgen er voor dat de ingeademde zuurstof door het hele lichaam wordt vervoerd. Bij een tekort aan rode bloedcellen (bloedarmoede) krijgt men last van moeheid, duizeligheid, bleekheid of koude rillingen. Bij ernstige klachten kan een bloedtransfusie nodig zijn.

Bloedplaatjes zijn betrokken bij de bloedstolling. Zij zorgen dat bij verwondingen het bloedverlies wordt beperkt. Daarnaast kunnen deze bloedcellen het optreden van inwendige en uitwendige bloedingen voorkomen. Bij een tekort aan bloedplaatjes (trombopenie) blijft een wondje langer bloeden.
Ook krijgen veel mensen sneller last van een bloedneus of van bloedend tandvlees. Sommige mensen krijgen kleine rode plekjes in hun huid, zo groot als speldeknoppen. Dit zijn puntvormige bloedinkjes die meteen aan een arts moeten worden gemeld.

Andere verschijnselen die kunnen voorkomen zijn:
* blauwe plekken zonder dat de persoon zich heeft gestoten
* menstruatie die heviger wordt
* bloed in de urine of ontlasting

Het aantal witte bloedcellen en het aantal bloedplaatjes zijn bepalend voor het al dan niet doorgaan van de behandeling. De hoeveelheid cytostatica kan worden verminderd wanneer blijkt dat het bloed zich nog niet voldoende heeft hersteld.

Invloed op het haar
Cytostatica kunnen haaruitval veroorzaken, niet alleen van hoofdhaar, maar ook van wimpers, wenkbrauwen, okselharen en schaamhaar. In het algemeen - ook als kaalheid optreedt - is deze haaruitval tijdelijk. Soms beginnen de haren al tijdens de behandeling weer te groeien, in andere gevallen pas daarna.

Invloed op de vruchtbaarheid
Zowel bij mannen als bij vrouwen kan chemotherapie de vruchtbaarheid aantasten. Bij een aantal patiënten herstelt de vruchtbaarheid zich weer, bij anderen is de onvruchtbaarheid blijvend. Mannen doen er goed aan om te overleggen of het zinvol is, voordat de behandeling start, zaad in te laten vriezen. Tijdens de behandeling is het af te raden zwanger te worden of een kind te verwekken. Hoe lang het beste met een zwangerschap kan worden gewacht, is zaak van overleg tussen patiënt, partner en specialist.
Bij kinderen van vrouwen die na de behandeling met cytostatica zwanger zijn geworden, zijn niet meer aangeboren afwijkingen aangetoond dan bij vrouwen die geen chemotherapie ondergingen. Dit geldt ook voor kinderen van vaders die na de behandeling hun kind hebben verwekt.

Invloed op de menstruatie
Cytostatica kunne veranderingen teweegbrengen in het patroon van de menstruatie. Afhankelijk van de toegediende cytostatica kan de menstruatie onregelmatiger worden of geheel verdwijnen. Ook kunnen de bloedingen heviger worden. Zo nodig kan de arts dan ‘de pil’ voorschrijven om die bloedingen tegen te gaan. In sommige gevallen blijft de menstruatie voortaan geheel uit. Het kan zijn dat de vrouw vervroegd in de overgang komt en overgangsklachten krijgt als opvliegers. Ook kan de kans op osteoporose (botontkalking) toenemen.

Invloed op de seksualiteit
De meeste patiënten hebben tijdens de chemotherapie vooral behoefte aan lichamelijke warmte, tederheid en intimiteit. Vaak worden alle tijd en energie in de behandeling gestoken. Ook als gevolg van de bijwerkingen kunnen de seksuele gevoelens verminderd zijn. Voor sommigen is het niet zo moeilijk na verloop van tijd de draad weer op te pakken. Anderen realiseren zich dat de behandeling en alles daaromheen ook over langere periode zijn weerslag heeft op de seksualiteit.
Andere bijwerkingen
Bijwerkingen die minder vaak voorkomen zijn die aan zenuwstelsel, ogen, huid, nieren en lever, en hart en longen.

Zenuwstelsel - Sommige cytostatica kunnen beschadigingen van het zenuwstelsel veroorzaken. Dit kan dan een tintelend of verdoofd gevoel in de vingertoppen en tenen geven. Tevens kan de beweeglijkheid van benen en/of armen beperkt raken. Ook komen spier- en gewrichtspijnen voor. Sommige cytostatica kunne oorsuizen tot gevolg hebben of beschadiging van het gehoor geven.

Ogen - Een klein aantal patiënten krijgt ten gevolge van de cytostaticakuur last van oogklachten zoals branderigheid en prikkelende ogen.

Huid - Sommige patiënten krijgen last van een droge huid. Ook komt het voor dat de huid een beetje verkleurt. Doorgaans zijn huidklachten van tijdelijke aard.

Nieren en lever - Sommige cytostatica beïnvloeden tijdelijk de werking van nieren en lever.

Hart en longen - Er zijn cytostatica waarbij hart en longen regelmatig moeten worden gecontroleerd.

Radiotherapie

WAT IS RADIOTHERAPIE?

Radiotherapie is de behandeling van kanker door middel van straling. Er zijn verschillende soorten straling. Voor radiotherapie wordt meestal gebruik gemaakt van röntgenstraling. Deze is veel sterker dan de straling die gebruikt wordt voor het maken van röntgenfoto’s. Elektronenbestraling is een ander soort straling die wordt toegepast. Ook kan gebruik worden gemaakt van straling afkomstig uit een radio-actieve bron. Al deze soorten straling zijn onzichtbaar, niet te ruiken en niet te voelen.

Radiotherapie kan als uitwendige en als inwendige bestraling worden toegepast. Uitwendige bestraling wordt het meest toegepast. Soms krijgt een patiënt een combinatie van uitwendige en inwendige bestraling.
Bij uitwendige bestraling komt de straling uit een toestel en dringt van buitenaf door tot de kankercellen. Na de bestraling blijft geen straling in het lichaam achter. Patiënten worden dus niet radio-actief. Er komt ook geen straling in zweet, urine, ontlasting of sperma.

Bij inwendige bestraling, ook wel brachytherapie genoemd, wordt radio-actief materiaal in of bij de tumor aangebracht. Deze behandeling kan in een aantal gevallen ook poliklinisch plaatsvinden. Er worden speciale veiligheidsmaatregelen getroffen in verband met de straling. Nadat het radio-actief materiaal uit de patiënt verwijderd is, is er geen straling meer in het lichaam.

HOE WERKT RADIOTHERAPIE?

Bij radiotherapie wordt gebruik gemaakt van straling om kankercellen te vernietigen. De kankercellen verdragen bestraling meestal slechter dan gezonde cellen. Ze groeien niet verder en sterven af, terwijl de gezonde weefsels zich zullen herstellen.
Radiotherapie is een plaatselijke behandeling en heeft daarom alleen affect in het gebied dat door de stralen(bundels) wordt getroffen. Ondanks dit plaatselijke effect kan bestraling wel leiden tot algemene verschijnselen als moeheid.
Straling werkt zowel op sneldelende als langzaamdelende weefsels. De gevolgen van bestraling bij sneldelend weefsel, zoals haren, slijmvliezen en beenmerg zijn al tijdens of kort na de behandeling merkbaar. Bij langzaamdelend weefsel (bijvoorbeeld zenuwweefsel) zijn de gevolgen van een bestralingsbehandeling soms pas na vele maanden of zelfs jaren merkbaar.
Straling kan daarnaast het erfelijk materiaal van een cel treffen en schade veroorzaken. Als de getroffen cel de schade aan het DNA niet kan repareren, verliest de cel het vermogen om te delen. Deze door straling onherstelbaar beschadigde cellen gaan dood.

WANNEER WORDT RADIOTHERAPIE TOEGEPAST?

Sommige soorten kanker kunnen curatief behandeld worden door ze alleen te bestralen. Er is dan geen operatie of chemotherapie nodig: bijvoorbeeld bij een kleine tumor aan de stembanden. Voorwaarde voor de behandeling is dat er geen uitzaaiingen buiten het te bestralen gebied zijn. Radiotherapie is immers een plaatselijke behandeling.

Bij andere soorten kanker kan radiotherapie onderdeel zijn van een curatieve behandeling. Radiotherapie wordt dan gegeven in combinatie met een operatie en/of chemotherapie om een beter eindresultaat te kunnen bereiken.
Adjuvante radiotherapie kan voor een operatie worden toegepast om de tumor kleiner te maken, zodat deze gemakkelijker kan worden verwijderd. Radiotherapie kan ook volgen op een operatie. Dit gebeurt om te voorkomen dat eventueel in het operatiegebied achtergebleven kankercellen later uitgroeien tot een nieuwe tumor.

Wanneer geen genezing meer mogelijk is, kan zo nodig een palliatieve behandeling worden gegeven. Deze behandeling is gericht op het verminderen van klachten. Radiotherapie kan worden toegepast bij pijn, een bloeding, belemmering van een doorgang (zoals in de slokdarm) en bij andere verschijnselen die ontstaan door druk van een tumor op nabijgelegen organen. Vaak gaat het dan om een kortdurende behandeling waardoor het dagelijks leven van de patiënt wordt verbeterd.

UITWENDIGE BESTRALING


Bij uitwendige bestraling wordt de straling met speciale apparatuur opgewekt. Op een bestralingsafdeling zijn verschillende toestellen. Welk toestel wordt gebruikt, hangt af van de plaats van de tumor. Hoe dieper de tumor zit, des te sterker de straling moet zijn om voldoende door te kunnen dringen tot de kankercellen. De keuze van het toestel wordt dus bepaald door de soort straling die nodig is om de kankercellen te kunnen vernietigen.
Zo zullen patiënten met een huidtumor worden bestraald met oppervlakte-therapie. Voor een dergelijke tumor is geen diep doordringende straling nodig. Voor de meeste tumoren moet echter wel straling met een groot doordringend vermogen worden gebruikt.

Voordat een patiënt op een bestralingsafdeling komt, is hij door een of meer specialisten onderzocht. Een team van specialisten bekijkt aan de hand van de onderzoeksresultaten welke behandeling nodig is. Als men van bestraling de beste resultaten verwacht, wordt de patiënt door een bestralingsarts (radiotherapeut) verder behandeld. Bij het eerste bezoek aan deze specialist wordt meestal niet meteen begonnen met de bestraling. Er zijn allerlei voorbereidingen nodig. Ook zal de radiotherapeut vertellen hoe de bestraling in zijn werk gaat.

Eerst moet de plaats van de tumor heel precies worden vastgesteld, zodat de stralenbundel nauwkeurig kan worden gericht. Het exact bepalen van het te bestralen gebied gebeurt met een simulator, ook wel lokalisator genoemd. Dit is een röntgenapparaat waarmee men de bestraling kan nabootsen (= simuleren). Met de simulator worden röntgenfoto’s gemaakt waarop de grenzen van het te bestralen gebied worden aangegeven. De foto’s zijn ook nodig voor het berekenen van de benodigde hoeveelheid straling.
Met een gewone röntgenfoto kan slechts een ‘platte’ afbeelding van het te bestralen gebied worden gebracht. Met een CT-scan of MRI kunnen alle zijden van de tumor en de aangrenzende organen en/of weefsels in beeld worden gebracht. Dit levert een volledig overzicht van het te bestralen gebied en kan leiden tot een bestralingsplan waarbij het gezonde weefsel zoveel mogelijk ontzien wordt.
Er bestaan blokken van een materiaal dat op lood lijkt, maar tegenwoordig wordt veel gebruik gemaakt van een apparaat dat multileaf collimator heet. Hierin zitten metalen platen die onafhankelijk van elkaar kunnen bewogen worden. Zo wordt de vorm van de tumor nagemaakt in het te bestralen veld. Men kan dus heel precies de grenzen van het bestralingsveld afbakenen en het gezonde weefsel zoveel mogelijk sparen.
Hoe groot de dosis moet zijn om een tumor te vernietigen, hangt af van verschillende factoren zoals gevoeligheid van een bepaalde soort kanker voor straling. Deze is voor elke soort kanker anders.
Soms is een hoge dosis straling noodzakelijk, bijvoorbeeld bij leukemie. Om de bijwerkingen hiervan (of van chemotherapie) te bestrijden, wordt de radiotherapie gecombineerd met een beenmerg- of stamceltransplantatie. Daarnaast spelen nog andere factoren een rol zoals:
* de grootte van de tumor
* de plaats van de tumor
* het herstelvermogen van het gezond weefsel rond de tumor dat noodgedwongen wordt meebestraald
* de leeftijd en de algemene conditie van de patiënt

De totale dosis straling die nodig is om een tumor te vernietigen, kan bij een uitwendige bestraling meestal niet in een keer worden gegeven. Een bestraling verloopt daarom vaak stapsgewijs. De periode waarin een bestralingsbehandeling wordt gegeven, kan variëren van een of enkele dagen tot ongeveer een week of zeven.
De bestralingstijd varieert en duurt meestal enkele minuten per keer.

INWENDIGE BESTRALING


Bij inwendige bestraling wordt radio-actief materiaal in of bij de tumor aangebracht. Deze manier van bestralen wordt vooral toegepast op plaatsen in het lichaam die vrij gemakkelijk te bereiken zijn, zoals de borsten of de tong. Voor tumoren in holle organen, zoals de baarmoeder of de slokdarm, is deze behandeling ook bruikbaar.

Bij inwendige bestraling worden holle buisjes (bronhouders) geplaatst in de holte of in het weefsel waarin de tumor of eventueel nog aanwezige kankercellen zich bevinden. In de bronhouders worden radio-actieve bronnen geplaatst. Soms wordt het radio-actief materiaal zonder bronhouder in de tumor geplaatst.

Bij inwendige bestraling kan de totale hoeveelheid straling meestal ononderbroken worden toegediend in plaats van stapsgewijs. Gedurende de tijd dat de stralingsbronnen zich in het lichaam bevinden, moet de patiënt in een speciale behandelruimte verblijven.

Bij de meest voorkomende vormen van inwendige bestraling past men een radio-actieve bron toe die tijdelijk in het lichaam verblijft. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van zogeheten afterloading apparaat. In dit apparaat is de radio-actieve bron opgeborgen. Bij de patiënt zijn bronhouders aangebracht in het te bestralen gebied. Deze worden met slangen aan het apparaat gekoppeld. Via deze slangen kan het radio-actief materiaal, computergestuurd, naar de bronhouders worden overgebracht.

Bij permanente implantatie laat men het radio-actieve materiaal direct in of bij de tumor achter en daar blijft het gedurende het hele leven. Deze bestralingstechniek wordt bijvoorbeeld toegepast bij prostaatkanker. De hoeveelheid straling die het materiaal afgeeft is gering. De bestraling blijft voornamelijk beperkt tot de tumor. De hoeveelheid radio-activiteit die de patiënt met zich meedraagt vormt geen gevaar voor zijn naaste omgeving.

AANVULLENDE WARMTEBEHANDELING

Bij sommige soorten kanker wordt bestraling gegeven in combinatie met hyperthermie, oftewel warmtebehandeling. Kankercellen kunnen slechter tegen een hoge temperatuur dan gezonde cellen. Bij een warmtebehandeling wordt de temperatuur van de tumor verhoogd tot ongeveer 40 - 45 graden. Hiervoor gebruikt men microgolfbestraling. Slechts een gedeelte van de kankercellen wordt gedood, dus zal altijd een combinatie met een andere behandelmethode nodig zijn.

BIJWERKINGEN

Straling heeft niet alleen invloed op kankercellen, maar ook op gezonde cellen in het te bestralen gebied. Vooral als de sneldelende gezonde cellen worden meebestraald, kunnen patiënten last krijgen van bijweringen. Gelukkig herstellen de gezonde cellen zich meestal na enige tijd, zodat de bijwerkingen weer verdwijnen.
Mogelijke bijwerkingen zijn:
* invloed op algemene gesteldheid (o.a. vermoeidheid)
* invloed op het haar (haaruitval)
* invloed op de huid (roodheid en extra pigmentatie)
* invloed op mond, keel en slokdarm (droge mond, minder vorming speeksel)
* invloed op organen in de buik (o.a. misselijkheid en darmkrampen)
* invloed op de vruchtbaarheid (vaak onvruchtbaarheid)
* invloed op de seksualiteit (weinig invloed)

Hormonale therapie

WAT ZIJN HORMONEN EN WAT ZIJN HORMOONBEHANDELINGEN?

Hormonen zijn stoffen die ons lichaam zelf maakt. Ze worden geproduceerd door een aantal organen en weefsels, zoals de schildklier, de zaadballen en de eierstokken. Deze maken verschillende hormonen, die elk hun eigen taak vervullen. Een belangrijke groep hormonen die ons lichaam aanmaakt wordt gevormd door de vrouwelijke en mannelijke geslachtshormonen. Hormonen worden uitgescheiden in het bloed. Ze geven signalen af en beïnvloeden zo organen of processen in ons lichaam. Sommige hormonen zorgen er voor dat bepaalde organen groeien, andere zijn nodig om bepaalde organen goed te laten functioneren, terwijl weer andere onmisbaar zijn voor een goede werking van bijvoorbeeld de stofwisseling of de menstruatiecyclus.

Zo hebben de borsten en het baarmoederslijmvlies bij vrouwen en de prostaat bij mannen geslachtshormonen nodig voor hun groei en ontwikkeling. Als hier een tumor ontstaat, zijn de kankercellen vaak (deels) afhankelijk van de aanwezigheid van die geslachtshormonen, net als de gezonde cellen. Zolang die hormonen - die het lichaam dus zelf maakt - er zijn, kunnen de kankercellen zich delen en kan de tumor blijven groeien. Zonder die ‘eigen’ hormonen neemt de groei van de tumor af of kan de tumor kleiner worden.

Bij de behandeling met hormonen maken artsen hier gebruik van. De productie van bepaalde eigen hormonen wordt dan beperkt of hun invloed wordt verminderd. De hormonale balans van de patiënt wordt gewijzigd. Het ontstaan en de woekering van de kankercellen kan zo (tijdelijk) worden stopgezet.
Hormoonbehandelingen bij kanker zijn meestal gericht op het afremmen of blokkeren van de geslachtshormonen.

Bij vrouwen zijn er twee soorten geslachtshormonen: oestrogenen en progestagenen. Het belangrijkste oestrogeen is oestradiol, het belangrijkste progestageen is progesteron. Deze hormonen worden hoofdzakelijk door de eierstokken aangemaakt. De hormoonproductie in de eierstokken staat onder invloed van hormonen die worden geproduceerd in een bepaald deel van de hersenen: de hypofyse en de hypothalamus. Ook de bijnieren produceren vrouwelijke geslachtshormonen.

Mannelijke geslachtshormonen worden ook wel androgenen genoemd. Het belangrijkste androgeen is testosteron. Dit hormoon wordt voor het grootste deel in de zaadballen aangemaakt. Daarnaast wordt het door de bijnierschors geproduceerd.

WANNEER WORDEN HORMOONBEHANDELINGEN TOEGEPAST?

Hormoonbehandelingen worden bij vrouwen vooral toegepast bij borstkanker en baarmoederkanker en bij mannen bij prostaatkanker.
Verder komt het aan de orde bij:
* bepaalde vormen van leukemie, de ziekte van Hodgkin, non-Hodgkin lymfomen en de ziekte van Kahler, vaak in combinatie met chemotherapie
* schildklierkanker
* het carcinoïd (zeldzaam voorkomende tumor die meestal wordt gevonden in de blinde darm en de dunne darm).


De keuze voor een behandeling met hormoontherapie hangt onder meer samen met de aanwezigheid van zogeheten hormoonreceptoren. Hormoonreceptoren zijn ontvangers van hormoonsignalen en bevinden zich op gezonde cellen en sommige kankercellen. De receptoren gaan verbinding aan met de hormonen die in de bloedbaan circuleren. Als de verbinding tot stand is gekomen, vangt de cel signalen op, bijvoorbeeld signalen tot celdeling.
De kans op een gunstige reactie op de behandeling is het grootst als het kankerweefsel hormoonreceptoren heeft. Kankercellen in de borst, baarmoeder en prostaat beschikken nogal eens over geslachtshormoonreceptoren.

HOE WORDEN DE BEHANDELINGEN GEGEVEN?

Een hormonale behandeling kan op een aantal manieren worden toegepast. Veel patiënten worden behandeld met medicijnen, zogeheten hormoonpreparaten. Deze medicijnen of preparaten remmen de aanmaak of werking van bepaalde eigen hormonen. De medicijnen kunnen onder meer per injectie worden toegediend, als tablet of via een neusspray.
Een behandeling met hormoonpreparaten wordt vaak gedurende langere tijd gegeven en kan maanden of jaren duren.

Veelgebruikte hormoonpreparaten zijn de zogenaamde ‘anti-hormonen’. Een voorbeeld is tamoxifen, dat bij vrouwen met borstkanker wordt toegepast en het effect tegengaat van het vrouwelijk geslachtshormoon oestrogeen.

Hormonale therapie kan ook plaatsvinden d.m.v. het operatief verwijderen of bestralen van de organen die de hormonen aanmaken. Bij vrouwen gaat het dan om de eierstokken als grootste producenten van oestrogenen en bij mannen om de zaadballen. Vrouwen maken dan geen oestrogenen en mannen geen testosteron meer aan.

BIJWERKINGEN BIJ HORMOONBEHANDELINGEN BIJ BORSTKANKER

De bijwerkingen die de patiënt kan ondervinden hangen af van de functie die de eigen hormonen oorspronkelijk hadden voordat ze door de therapie werden tegengewerkt of uitgeschakeld.
Mogelijke bijwerkingen:
* vervroegde overgang
* onvruchtbaarheid
* gewichtstoename
* pijn in de botten
* opvliegers
* misselijkheid





SEKSUALITEIT

Wanneer kanker net is ontdekt hebben de meeste mensen geen zin in seks. Welis er vaak behoefte aan lichamelijke warmte en tederheid. Na verloop van tijd zal iemand de draad van het gewone leven zoveel mogelijk weer willen oppakken. En daar hoort seksualiteit ook bij. De gevolgen voor de seksualiteit zijn van persoon tot persoon verschillend.

Bij vrouwen leiden hormonale behandelingen tot een verminderde productie van vrouwelijke geslachtshormonen. Het gebrek aan deze hormonen kan gepaard gaan met allerlei ongemakken op seksueel gebied, bijvoorbeeld het minder vochtig worden van de vagina waardoor geslachtsgemeenschap pijnlijk kan zijn. Dat komt de zin om te vrijen natuurlijk niet ten goede. Bij mannen kunne ten gevolge van de hormonale therapie seksuele stoornissen als impotentie optreden.

Daarnaast is het zo, dat seksuele gevoelens afhankelijk zijn van geslachtshormonen. Wanneer een tekort aan deze hormonen ontstaat, kan de zin om te vrijen alleen al daardoor afnemen. Dat geldt zowel voor vrouwen als voor mannen. De meeste mensen hebben voorafgaand aan de hormonale therapie al een of meer andere behandelingen ondergaan, vaak ook gepaard gaand met allerlei bijwerkingen en gevolgen.
Psychisch krijgt iemand ook veel te verwerken. De gedachte dat er sprake is van uitzaaiingen en dat de ziekte uiteindelijk niet meer te genezen is, is voor veel mensen die palliatief worden behandeld, beangstigend. Voor anderen geeft het ‘zeker weten’ tegelijkertijd ook een gevoel van rust omdat aan een periode van grote onzekerheid een einde is gekomen. Maar ook dan speelt vaak de vraag hoe lang iemand gunstig op de therapie zal reageren.
Voorop staat dat iedereen zelf moet bepalen wanneer hij of zij weer an vrijen toe is en op welke wijze.


Bronvermelding

* www.kankerbestrijding.nl
* www.kanker.nl
* Encarta 1999
* Encarta 2000
* brochure Koningin Wilhelmina Fonds: borstzelfonderzoek
* brochure F17 Koningin Wilhelmina Fonds: chemotherapie
* brochure F18 Koningin Wilhelmina Fonds: radiotherapie
* brochure F26 Koningin Wilhelmina Fonds: borstkanker
* brochure G57 Koningin Wilhelmina Fonds: hormonale therapie bij kanker

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

B.

B.

ik vind hem hartstikke goed en ik hoop dat we er wat aan hebben met verzorging. THANK YOU!!!!!

19 jaar geleden