Eikenprocessierups

Beoordeling 6.1
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • Klas onbekend | 6698 woorden
  • 2 maart 2002
  • 35 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.1
  • 35 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ANW
ADVERTENTIE
De Galaxy Chromebook maakt je (school)leven makkelijker!

Met de Galaxy Chromebook Go kun je de hele dag huiswerk maken, series bingen en online shoppen zonder dat 'ie leeg raakt. Ook kan deze laptop wel tegen een stootje. Dus geen paniek als jij je drinken omstoot, want deze laptop heeft een morsbestendig toetsenbord!

Ontdek de Chromebook!
Wat is de eikenprocessierups?

De eikenprocessierups is de larve van de nachtvlinder, die haar eitjes legt in de toppen van eikenbomen. Daar overwinteren ze. Eind april, begin mei komen de rupsjes tevoorschijn.
Na een aantal vervelling zijn ze in juli volgroeid.
Na de derde vervelling krijgen de rupsen brandharen. Dit is tussen half mei en eind juni.
In juli verpoppen de rupsen zich tot een vlinder, waarna de vrouwtjes hun eitjes leggen. Daaruit verschijnen het volgend voorjaar weer jonge rupsen.

Waarom is het zo gevaarlijk?


1) Brandharen

Het gevaar van de eikenprocessierups, schuilt in de vele duizenden brandharen op de oudere rupsen. De haren van de processierups zijn de veroorzakers van de overlast. De larven zijn in het laatste stadium van hun larve bestaan bedekt met deze haren.
De tweetiende millimeter lange brandharen zijn, pijlvormig met kleine weerhaakjes. Door hun vorm kunnen ze gemakkelijk de oppervlakkige huid doordringen. Ook de ogen en de luchtwegen va de neus lopen gevaar.
De scherpe brandharen veroorzaken direct pijnlijke wondjes. De haren scheiden bovendien een ‘gif’ af in de vorm van een ‘voor ons lichaam’ vreemde eiwit dat bij slachtoffers een aantal enzymen activeert. Daardoor veroorzaken het verschijnselen die sterk lijken op een allergische reactie. In het bloed van ongelukkige zijn echter nooit stoffen gevonden die wijzen op een echte allergie.

Afbeelding
Een brandhaar. Een volgroeide eikenprocessierups kan veel overlast veroorzaken. De lange haren die op wratachtige uitstulpingen staan ingeplant doen geen mens kwaad, maar de fluwelige kussentjes ertussenin bevatten duizenden korte (0,2 mm) brandhaartjes, die met hun weerhaakjes de huid beschadigen en bovendien irriterende stoffen bevatten.
H. Stigter, Plantenziektenkundige Dienst

2) Klachten

Huidklachten;


Binnen 8 uur kan er een pijnlijke rode huiduitstag ontstaan met hevige jeuk. Het beeld van de huid kan velen vormen hebben: van bultjes, pukkeltjes tot en met vocht gevulde blaasjes die kunnen gaan ontsteken.

De huidreactie kan zichtbaar worden op de onbedekte huid (onderarmen, onderbenen, nek en gezicht) maar ook op andere delen van het lichaam. Door zweet, krabben en/of wrijven kunnen de brandharen zich gemakkelijk verspreiden naar andere delen van het lichaam. Langdurig contact kan ook optreden doordat haartjes in de kleding terecht zijn gekomen.

Oogklachten

Als brandharen in de ogen terechtkomen, kunnen zij binnen één tot vier uur een heftige reactie geven van het oogbindvlies en/of het hoornvlies met zwelling, roodheid en jeuk en in sommige gevallen met ontstekingen. Zelden ontstaat er een knobbelvormige ontsteking. Indien de brandharen blijven zitten, zullen de klachten blijven bestaan. Om erger te voorkomen kan specialistische hulp (bijvoorbeeld van de oogarts) noodzakelijk zijn.

klachten van de bovenste luchtwegen

Na inademing kunnen de brandharen ook irritatie of ontsteking geven van het slijmvlies van de bovenste luchtwegen (neus, keel en bovenste gedeelte van de luchtpijp). De klachten lijken in eerste instantie op een neusverkoudheid. Tevens kunnen mensen ook klagen over pijn in de keel en eventueel slikstoornissen. In sommige gevallen kan er sprake zijn van kortademigheid.

algemene klachten
Er kunnen zich ook algemene klachten voordoen, zoals braken, duizeligheid, koorts, algehele malaise.
Iemand die vaker met de brandharen in contact komt krijgt dikwijls steeds sterkere reacties. Daarom kan het voorkomen dat mensen dit jaar meer last van de processierups hebben dan het vorig jaar.

Welke middelen worden erbij gebruikt?

Biologische middelen;

Op eikenprocessierups parasiterende sluipvliegen doden grote aantallen rupsen. Een van die sluipvliegsoorten is Pales processionea. Deze soort leeft alleen op de rupsen van de beruchte plaagvlinder. De vliegen leggen hun minuscule eieren op eikenbladeren in de hoop dat rupsen ze mee verschalken. In het rupsenlijf komen ze na korte tijd uit, waarna de maden de rups van binnenuit leegvreten. Afgelopen zomer viel ongeveer twintig procent van de eikenprocessierupsen ten prooi aan de maden van deze sluipvlieg.
Er is weinig bekend over de exacte levenswijze en de strategie van deze sluipvlieg. Tijdens de vliegperiode van de eikeprocessierups (juli-augustus) is er een tweede generatie sluipvliegen. Mogelijk zetten die vliegen hun eieren af op de verse eilegsels van de vlinders. Als de jonge rupsen zich in het voorjaar door de eischaal naar buiten vreten, verorberen zij ook de vliegeneieren.
In 1994 werd uit de poppen van de processierups een andere sluipvlieg gekweekt, namelijk Carcelia iliaca. Ook deze sluipvlieg is gespecialiseerd op de eikenprocessierups. De vliegen leggen hun eieren op de rupsen van hun gastheer. De volgroeide larven overwinteren in de nesten van de eikenprocessierups. In het voorjaar verschijnen de vliegen van de nieuwe generatie. De sluipvliegen kunnen in de vroege zomer gemakkelijk worden waargenomen rond de nesten van de eikenprocessierups, waar zij in die tijd hun eieren afzetten.
Naast sluipvliegen werden ook sluipwespen gevangen en uit rupsennesten gekweekt. Opvallend was het gedrag van Pimpla turionellae. Deze sluipwespen zwermen vooral rond nesten aan de voet van de stam. De soort parasiteert op allerlei vlinderpoppen. Naast Pimpla-soorten werd uit een rupsennest in Veldhoven een tweetal sluipwespen van de soort Theronia atalantae gekweekt. Het is een hyperparasiet die zich te goed doet aan poppen van Pimpla-sluipwespen.
De grote poppenrover staat bekend als een van de belangrijkste vijanden van de eikenprocessierups. De kever is geen parasiet, maar een rover (predator) die rupsen eet. In 1995 verschenen berichten in de pers dat deze zeer zeldzame kever weer in Nederland was gevonden, maar bij nader onderzoek bleek dit helaas niet het geval.
Plaagbestrijding
Er staat plaagbestrijders een aantal methoden ten dienst. Ingrijpen moet zo gebeuren dat het geen nadelige effecten heeft op mens en milieu. Dat kan op mechanische wijze (opzuigen of wegbranden) of met behulp van gewasbeschermingsmiddelen, chemische zowel als biologische. Ze hebben alle zo hun voor- en nadelen.
Doordat de rupsen in nesten of processies op een kluitje zitten, laten zij zich ‘met de hand’ verwijderen. Dat kan door de rupsen van de stam te zuigen of ze met een flinke gasvlam ter plekke dood te branden. De laatste jaren is met deze methoden veel ervaring opgedaan. Bestrijders probeerden de eerste rupsenkolonies met een huishoudstofzuiger in toom te houden. Evenals in 1996 zullen zij zich de komende paar maanden (van 1997) echter bedienen van grover geschut en gaan zij de processies met vacüummesttanks en rioolputtenzuigers te lijf.
Opzuigen is zeer selectief en milieuvriendelijk. In combinatie met wegbranden bleek de methode bij bomen van drie tot vijftien meter hoog bovendien zeer effectief. Alleen bij hoogopgaande beplantingen is het rendement te laag doordat steeds nieuwe groepen rupsen de stammen vanuit de boomkronen bevolken. In 1997 onderzoekt de Plantenziektenkundige Dienst nader hoe het rendement van de methode nog kan worden vergroot.
Biologische bestrijding
Sinds enkele jaren is het biologische bestrijdingsmiddel Bacillus thuringiensis var. kurstaki (Btk) op de markt. Bacillus thuringiensis is een bodembacterie die eiwitten maakt die giftig zijn voor sommige insecten. De bacterie komt over de hele wereld voor in allerlei vormen, waarbij elke ondersoort een iets ander eiwit maakt. Eiwitten van de ondersoort kurstaki doden rupsen, maar zijn nauwelijks giftig voor zoogdieren of de natuurlijke vijanden van de eikenprocessierups.
Na besproeiing van eikenbladeren met een Btk-spray, bleek binnen een week negentig procent van de plaagrupsen het loodje te leggen. Het middel is vooral effectief als het wordt toegediend tussen de eerste en de derde vervelling van de rupsen. Eirupsjes nemen nog zo weinig voedsel tot zich dat ze niet voldoende Bkt-eiwit binnenkrijgen. Onder gunstige weersomstandigheden voldoet bespuiten met Btk erg goed, maar vooral als het kil en regenachtig is, kan het nodig zijn om chemische middelen in te zetten.
Bij de biologische bestrijding van diverse insecten worden sekslokstoffen of feromonen ingezet. Die aanpak is in de katoenteelt buitengewoon succesvol. Insectenvrouwtjes lokken mannetjes aan met een geheel soorteigen feromoon. Door nu een grote hoeveelheid van die lokstof te laten verdampen, kunnen de mannetjes hun vrouwtjes niet meer vinden en komt er geen nageslacht. In 1996 is op bescheiden schaal onderzocht of feromonen de voortplanting van eikenprocessierupsen kunnen verhinderen. Het resultaat viel tegen, met name doordat het specifieke feromoon van de eikenprocessierups niet beschikbaar was. Hoewel enkele onderzoekers er gewag van maakten dat de vlinder ook zou reageren op feromonen van een nauwverwante soort, bleek dat in de praktijk niet het geval.
Spaarzaam
Land- en tuinbouwers hanteren doorgaans de spuit om schadelijke rupsen te bestrijden. Daarbij hebben ze de beschikking over de middelen diflubenzuron en teflubenzuron. Het zijn selectieve gewasbeschermingsmiddelen die natuurlijke vijanden zoveel mogelijk sparen. Beide stoffen moeten door de rupsen worden opgegeten. Ze ontregelen het vervellingsmechanisme, waardoor de rupsen niet meer vervellen en spoedig sterven.
In vele Europese gebieden zetten ook bosbouwers benzuronen in ter bestrijding van rupsenplagen. Hun Nederlandse collega’s vinden grootschalige inzet van deze chemicaliën echter ongewenst. Zij maken er slechts spaarzaam gebruik van in gebieden buiten de bebouwde kom.
Injecteren
Bij spuiten komt altijd een deel van het bestrijdingsmiddel in de omgeving terecht. Injecteren heeft dat nadeel niet. Bij deze methode wordt een insecticide in de opwaartse sapstroom van de stam gebracht. De boom verspreidt het zelf over zijn bladeren. Als rupsen van de bladeren vreten beschadigt het insecticide hun zenuwstelsel en zullen zij na vrij korte tijd sterven. Deze methode is vooral bedoeld voor dichtbevolkte gebieden (bebouwde kom) en ook geschikt voor toepassing in hoge bomen, die vanaf de grond niet meer te bespuiten zijn. Het beschikbare injectiemiddel, Orthene, kan niet op grote schaal worden ingezet omdat het allerlei bladvretende en sapzuigende insecten en mijten doodt en dus behoorlijke ecologische schade kan aanrichten.
In natuur- en bosgebieden wordt de eikenprocessierups niet bestreden. Deze gebieden dienen als buffer om eventuele ecologische schade aan andere beplantingen te kunnen opvangen. Dat ook de processierups vanuit die buffers weer snel kan oprukken naar beplantingen waar is ingegrepen, moeten we maar voor lief nemen. Bij ernstige overlast kunnen bos- en natuurgebieden desnoods tijdelijk voor het publiek worden gesloten.
Bestrijding
In de bestrijding van de Eikeprocessierups worden diverse methoden gehanteerd. De provincie Noord-Brabant adviseert de volgende methoden:
· Mehanisch (branden, zuigen, verwijderen)
· Bladbespuiting met biologisch preparaat
· Bladbespuiting met chemische middelen
· Injectie met chemische middelen
· Feromonen of sexlokstoffen
· Niets doen

Branden, zuigen, verwijderen
Deze bewerkelijke methode remt de opbouw van de populatie in fase 2, maar heeft aan het eind van fase 2 en in fase 3 nog maar weinig zin: veel rupsen overleven het. Bij branden kunnen bomen beschadigd worden. Toch is deze 'methode vanuit milieu- en natuuroogpunt het meest gewenst

Bladbespuiting met biologisch preparaat
Hiermee wordt bedoeld de bestrijding met Bacillus thuringiensis var. kurstaki. Bij deze methode worden alleen de rupsen getroffen en niet de parasieten.

Bladbespuiting met chemische middelen
Met diflubenzuron en teflubenzuron, die specifiek op de vervelling van insecten werken, is effectieve bestrijding van de rupsen in fase 2 en fase 3 mogelijk. Bij de geringste 'spray' (verwaaiing van het bestrijdingsmiddel) worden echter ook andere insectensoorten, met name vlindersoorten, getroffen. Toepassing over een groter gebied, bijvoorbeeld door besproeiing vanuit vliegtuigen, is dus uit den boze.

Injectie met chemische middelen
Ook deze methode mag slechts in uiterste nood en lokaal worden toegepast. Door injectie legt niet alleen de processierups het loodje, maar ook diverse bladetende en sapdrinkende insecten.

Feromonen of sexlokstoffen
Sexlokstoffen kunnen slechts in fase 2 en fase 4 effectief zijn. In fase 3 komen zoveel dieren uit, dat er direct op het nest gepaard wordt. Bovendien is een geschikte lokstof voor de mannetjes nog niet beschikbaar.

Niets doen
De beste bondgenoten voor de mens in strijd tegen de processierups worden door de natuur zelf geleverd. Schimmels, virussen, bacterieën, loopkevers en sluipvliegen en -wespen kunnen zich op de gigantische aantallen rupsen vermenigvuldigen. Het is als het ware 'tafeltje-dek-je'. In bos- en natuurgebieden zijn deze dieren nog in voldoende mate aanwezig. Om hun effect optimaal te benutten is het zinvol om hier niet in te grijpen. Vanuit de bos- en natuurgebieden krijgen de parasieten juist de kans om de lanen, waar ze anders minder kansen hebben, te koloniseren. Met andere woorden: deze gebieden zijn van immens belang om de plaag de baas te worden.

Het natuurlijk evenwicht in de betrokken gebieden is verstoord ( red : hoe ?? ).
Zo min mogelijk ingrijpen bevordert het natuurlijk evenwicht.
Op plaatsen waar veel ongemak is, probeert men op een zo milieuvriendelijke wijze de plaag te bestrijden. Zo is het opzuigen van nesten een van de methoden. Er wordt echter ook met chemische middelen ingegrepen. Het middel Dimilin wordt gebruikt. Met behulp van een spuitkanon sproeit men op droge, windstille dagen de eiken bomen langs b.v toeristische routes.

Samenvatting

De processierups liet in 1996 in eikenbossen een ware ravage achter en tienduizenden mensen riepen medische hulp in na contact met de brandharen van het diertje. De opmars van een uitgestorven vlindersoort.
Oorspronkelijke titel
Plaagtapijt
De onstuitbare eikenprocessierups
Verschenen in
Natuur & Techniek, 1997, jaargang 65, afl.4, pag. 10 e.v.
Auteurs
Henk Stigter
Plantenziektenkundige Dienst, Wageningen
Ir Wim Geraedts
Ministerie van Landbouw Natuurbeheer en Visserij / Stichting Brabants Landschap
In de Nederlandse natuurmusea bevonden zich slechts enkele tientallen vlinders van de eikenprocessierups. Toen er in 1987 een paar van deze zeldzame vlinders opdoken, hield men de vindplaats angstvallig geheim. Stel je voor dat verzamelaars alle exemplaren zouden vangen. Tien jaar later is de eikenprocessierups in delen van België en Nederland de talrijkste nachtvlindersoort.
Slechts enkele vlindersoorten leveren gevaar op voor de mens. Vooral op de waddeneilanden en in het deltagebied kunnen rupsen van de bastaardsatijnvlinder bij recreanten voor irritatie en jeuk zorgen. Sinds halverwege de jaren negentig veroorzaakt ook de eikenprocessierups op een aantal plaatsen problemen.
Irritaties
Na contact met de huid ontstaat binnen acht uur een pijnlijke, rode huiduitslag met hevige jeuk. De huid vertoont bultjes en zelfs met vocht gevulde blaasjes. Deze klachten verdwijnen doorgaans binnen twee weken. Als brandharen in de ogen komen, ontstaat binnen enkele uren een pijnlijke irritatie met zwelling, roodheid en jeuk. Soms dringen de haartjes dieper het oog in en kunnen zij een ernstige ontsteking veroorzaken. Bij inademing irriteren of ontsteken de brandharen het slijmvlies van neus, keel en grote luchtwegen. De klachten lijken soms op neusverkoudheid of openbaren zich als keelpijn en moeite met slikken. In sommige gevallen ontstaan cara-achtige verschijnselen en een pseudo-allergische bronchitis. Er zijn zelfs mensen die last krijgen van koorts en algehele malaise. Tijdens een plaag in Italië kwam een jongen bij het boomklimmen met zoveel rupsen in contact dat hij eraan overleed. Tegenwoordig kunnen artsen de ernstige verschijnselen adequaat behandelen. Het is dan ook niet waarschijnlijk dat de plaag mensenlevens zal eisen.
De eikenprocessierups veroorzaakt zoveel ongemak doordat de brandharen gemakkelijk loslaten en zich met de wind verspreiden. Ook haren uit (oude) rupsennesten kunnen grote afstanden overbruggen en elders slachtoffers maken. Blootstelling aan de brandharen vindt vooral plaats door inademing van rondzwevende haren of huidcontact daarmee en in veel mindere mate door direct contact met de rupsen. Op het hoogtepunt van de plaag kunnen de brandharen hele gebieden nagenoeg ontoegankelijk maken. Ook het vee ondervindt grote hinder van de rupsen.
Verspreidingsgebied
In Nederland ligt de uiterste noordwestgrens van het verspreidingsgebied van de eikenprocessierups. Sterk afhankelijk van de weersomstandigheden kan de soort zich hier kortere of langere tijd ophouden. In de negentiende eeuw werden plaatselijk soms vele rupsen en vlinders waargenomen, maar algemeen was de soort zeker niet. Deze eeuw werd het dier niet meer gezien in Nederland en vlinderdeskundigen hielden de eikenprocessierups voor uitgestorven. In 1987 werden in het Noordbrabantse Reusel weer enkele vlinders gevangen. De soort was terug. Ook in België is de eikenprocessierups een zeldzame soort, waarvan in 1971 enkele exemplaren werden gevonden. Binnen enkele jaren was de eikenprocessierups op verscheidene plaatsen in de Antwerpse Kempen aanwezig en in 1978 kwam het in de zuidelijke Kempen tot een plaag.
Vondelpark
Na vestiging in het Belgisch-Nederlandse grensgebied ging het snel. Bezuiden de lijn Breda-Tilburg-Eindhoven-Budel, was de soort in 1991 op al op diverse plaatsen talrijk. Vanaf 1993 was de eikenprocessierups er een gewone verschijning; zijn aanwezigheid haalde regelmatig de krant. Vooral in 1995 is de verspreiding met grote sprongen gegaan en is het aantal rupsen op veel plaatsen zo explosief toegenomen dat zij een plaag veroorzaakten. Er was vooral een uitbreiding richting Limburg. In 1996 werden ook in Zeeland en Zeeuws-Vlaanderen kleine kolonies waargenomen. Berichten als zou de eikenprocessierups op de Veluwe huishouden en zelfs tot in het Amsterdamse Vondelpark zijn opgerukt, berustten op foute waarnemingen.
Afbeelding
De eikenprocessierups rukt op. In Nederland veroorzaakte het dier vooral overlast in de gebieden waar tussen 1988 en 1994 de eerste rupsen verschenen. In de provincie Antwerpen kwam de rups in 1995 vooral in de oostelijke helft algemeen voor (gegevens per gemeente). Ook voor die gebieden lijkt een rupsenexplosie onafwendbaar. De opmars van de plaaggeest is nog niet ten einde.
‘Vangen op licht’ is een beproefde methode om insecten die ’s nachts actief zijn te verzamelen. Onderzoekers spannen daartoe een wit laken van twee bij drie meter en verlichten het aan beide zijden met een helderwitte lamp. In de plaaggebieden strijken er elke augustusnacht vele duizenden vlinders van de eikenprocessierups op neer.
H. Stigter, Plantenziektenkundige Dienst
De gebeurtenissen in België en Nederland staan niet op zich. Ook in delen van Duitsland was de soort in het begin van de jaren tachtig weer duidelijk in opkomst en sinds 1995 breidt die zich explosief uit in het zuidwesten van Duitsland. Dat gebeurt ook in de omgeving van Wenen en in delen van Hongarije.
Het is niet duidelijk of de hernieuwde kolonisatie door de eikenprocessierups blijvend zal zijn. In landen waar de soort algemeen is, treden vaak sterke schommelingen in de grootte van de rupsenpopulatie op. Met name weersomstandigheden, voedselkwaliteit, voedselaanbod en de aanwezigheid van natuurlijke vijanden (vooral sluipvliegen en sluipwespen) spelen daarbij een belangrijke rol.
Intermezzo
Parasieten

Groei

De eikenprocessierups leeft hoofdzakelijk op zomereik. In de nazomer zetten de vrouwtjes de eieren af op één- en tweejarige scheuten, vooral in de toppen van de bomen. De eitjes overwinteren. Eind april, doorgaans gelijktijdig met het uitbotten van de knoppen van de eik, komen de rupsen uit het ei. De oranje eirupsjes leven in groepjes dicht bij elkaar aan de onderzijde van de dikkere takken. De rupsjes groeien snel en binnen een week moeten zij voor de eerste keer vervellen. Als de rups zich middenin de zomer verpopt, heeft die vier of vijf vervellingen ondergaan. Tussen eind juli en half september vliegen de vlinders uit.
Afbeelding
Een processie rupsen begint als een pakketje eieren op een dunne tak.
H. Stigter, Plantenziektenkundige Dienst
Afbeelding
Eind april komen de eitjes uit. Met de eerste vervelling worden de rupsen ware vreetmachines. In grote groepen gaan ze op zoek naar eetbare plantendelen.
H. Stigter, Plantenziektenkundige Dienst
Afbeelding
In juli verpoppen de rupsen zich om enkele weken later de gedaantewisseling tot vlinder te ondergaan.
H. Stigter, Plantenziektenkundige Dienst
Na twee vervellingen beschikken de rupsen voor het eerst over brandharen; het worden er bij elke volgende vervelling meer. Ze laten ook steeds gemakkelijker los. De volgroeide rupsen zijn van boven blauwgrijs en aan de onderzijde groenachtig grijs. Hun lichaam is bedekt met lange witte haren die op roodachtige wratten staan ingeplant. Op een aantal segmenten draagt de rups donkergekleurde, fluweelachtige ‘kussentjes’, die zijn bezet met duizenden brandharen.
Na de vierde vervelling maken de rupsen de voor de soort zo kenmerkende nesten tegen stammen en dikkere takken. Deze ‘dagverblijven’ bestaan uit een dicht spinsel van spindraden waarin talloze vervellingshuidjes, haren en uitwerpselen zijn verwerkt. Tegen de avond begeven de rupsen zich vanuit hun nesten in karakteristieke processies naar de top van de boom, op zoek naar voedsel. Na kaalvraat gaan de troepen in slagorde op zoek naar nieuwe voedselbronnen.
Een nest huisvest vaak duizenden rupsen. Meestal heeft het de omvang van een kleine handbal, maar somige nesten zijn wel anderhalve meter lang en enkele decimeters breed. Als een populatie eenmaal op plaagsterkte is gekomen, maken de rupsen nauwelijks nog nesten. Ze bedekken dan de takken en de stammen als waren zij één groot tapijt.
Voedselplant
De belangrijkste voedselplant van de eikenprocessierups is de zomereik, maar ook op wintereik worden rupsenkolonies aangetroffen. In 1996 vraten de rupsen niet alleen inlandse eiken kaal, maar ook Amerikaanse eiken, acacia’s, berken, meidoorns, beuken en lijsterbessen. Alleen op eik en beuk kan een rups zich tot vlinder ontwikkelen.
Insectenplagen vormen een normaal verschijnsel. Onder gunstige omstandigheden kunnen sommige soorten in vrij korte tijd explosief toenemen. In de regel ontwikkelt een plaag zich in vier jaar: twee voorbereidende jaren, het jaar van uitbarsting en het kritieke jaar van overbevolking. Bij de eikenprocessierups gaat daar nog een verkennende fase aan vooraf.
In de verkennende fase worden uitsluitend mannetjes waargenomen. Tussen 1900 en begin jaren tachtig, voordat de eerste rupsen werden waargenomen, werden eerst met grote tussenpozen en daarna steeds vaker mannetjes waargenomen. De mannetjes van de eikenprocessierups kunnen (als vlinder) onder gunstige weersomstandigheden grote afstanden afleggen. Vestiging vindt in deze fase niet plaats, omdat er geen vrouwtjes meekomen.
Onweer
Als de vrouwtjes uit de poppen komen, zijn zij log en zwaar. Ze hebben een beperkt vliegvermogen. Vaak paren ze nog op het nest, waarna ze uitvliegen en in de directe omgeving de eerste eieren afzetten. Daarna zijn de vrouwtjes wat mobieler en kunnen ze zich bij gunstige wind een aantal kilometers verplaatsen. Aldus kunnen eikenprocessierupsen jaarlijks vijf tot twintig kilometer oprukken. Eén enkel vrouwtje kan de soort in een nieuw gebied vestigen. Uit haar eieren ontstaat in het eerstvolgende jaar een aantal kleine nesten. Vermoedelijk zijn enkele locaties gekoloniseerd door grotere aantallen vrouwtjes, die op de luchtstroom van een onweersbui gezamenlijk grote afstanden konden overbruggen.
Vestiging
Onder normale omstandigheden ligt rond het haardgebied een tot twintig kilometer brede zone waar nesten klein en zeldzaam zijn. In zo’n gebied strijken in een zomernacht gemakkelijk tientallen mannetjes neer op een door onderzoekers gespannen, verlicht laken, terwijl het aantal vrouwtjes nog miniem is. De vestigingsfase duurt gewoonlijk vrij kort. Van schade en overlast is nog geen sprake.
Eén tot twee jaar na vestiging kan de populatie zich uitbreiden. Vanuit een besmette boom zal de omgeving spoedig worden bevolkt. De eerste nesten zijn nog klein, maar binnen twee tot drie jaar kunnen er plaatselijk grote nesten ontstaan. Tegen die tijd is er in vrijwel elke eikeboom een nest te vinden. Gevoelige personen kunnen nu last gaan ondervinden van de brandharen.
Plaag
Van serieuze vraatschade is in de kolonisatiefase nog geen sprake. Dat wordt anders in het jaar waarin de populatie op plaagsterkte komt. Vrijwel elke boom is dan bedekt met een tapijt van rupsen. De dieren gedragen zich onrustig en zijn de hele dag in beweging. De processies zijn breed, er kunnen dertig tot tachtig rijen dieren naast elkaar lopen. Spontaan ontstaan grote cirkelvormige optochten waarin de dieren ogenschijnlijk eindeloos blijven rondlopen. De rupsen vreten hun voedselplanten op grote schaal kaal en gaan voortdurend op zoek naar nieuwe bomen. Zelfs op enige kilometers van de haarden ondervinden sommigen last van jeuk en van branderige ogen en slijmvliezen. De klassieke plaag is nu een feit, de overlast is maximaal. Grote delen van de Kempische grensstreek hebben dit stadium in de zomer van 1996 doorgemaakt.
Hongersnood
Het volgend voorjaar is er een overweldigende hoeveelheid jonge rupsen. Die beginnen een geweldige vreetpartij. Al snel hebben zij alles wat eetbaar is verorberd en slaat de hongersnood toe. De jonge rupsen beginnen een verstoord gedrag te vertonen. Vele sterven. De rupsen die overleven vallen ten prooi aan de overvloed van natuurlijke vijanden. De populatie stort in. Doordat de rupsen slechts enkele vervellingen doormaken voor zij aan hun succes ten onder gaan, blijft de overlast in de fase van ineenstorting beperkt. Er zijn tot begin juni weliswaar veel jonge rupsen, maar die beschikken nog niet over erg veel brandharen. Bovendien kunnen de eiken zich zo vroeg in het jaar goed herstellen van de vraatschade.
De komende maanden (voorjaar/zomer 1997) zal de populatie eikenprocessierupsen naar verwachting met name in het gebied ten zuiden van Hilvarenbeek ineenstorten. Daarmee lost de natuur het probleem zelf op. Voor het zover is kan de overlast van rupsen echter aanzienlijk zijn. Vooral in dichtbevolkte gebieden is het vaak niet aanvaardbaar om het natuurlijke einde van de plaag af te wachten en is ingrijpen noodzakelijk.

Monocultuur

Voor het tot een plaag kwam heeft de eikenprocessierups zich bijna tien jaar praktisch onopgemerkt kunnen ontwikkelen. Waardoor de soort zich opeens zo explosief kon vermeerderen is niet duidelijk, maar de gunstige weersomstandigheden, vooral de warme zomers, van de laatste decennia en het gebrek aan natuurlijke vijanden hebben er zeker toe bijgedragen. Bovendien zijn er de laatste tientallen jaren in Brabant en Limburg veel eiken aangeplant, waardoor soms haast een monocultuur is ontstaan. In eiken op hogere zandgronden voelt de rups zich prima thuis. Groenbeheerders doen er goed aan om voortaan wat meer variatie in boomsoorten te kiezen.
De eiken worden bovendien omringd door bouwland. Dat wordt intensief bewerkt en de gewassen worden vaak bespoten, zodat er weinig plaatsen overblijven waar natuurlijke vijanden zich kunnen ontwikkelen of in stand houden. De laanbeplantingen vormen in het landschap lijnvormige elementen waarlangs met name de vrouwtjesvlinders zich vrij gemakkelijk kunnen verplaatsen. Aanvankelijk verloopt de verbreiding zo snel, dat de natuurlijke vijanden er geen gelijke tred mee kunnen houden. Pas na verloop van tijd wordt de soort achterhaald door zijn belagers.
Voorspelling
In het verleden heeft de soort zich in Nederland een aantal malen massaal kunnen ontwikkelen, om vervolgens binnen enkele jaren weer te verdwijnen. In België daarentegen, is de soort al een lange reeks van jaren schadelijk.
Voorjaar 1997: deze tegenspraak maakt een voorspelling voor de afloop van de huidige plaag er niet eenvoudiger op. Gezien de plaagontwikkeling in het gebied bij Reusel en Hilvarenbeek, zou voedselgebrek deze voorzomer wel eens de belangrijkste vijand van de eikenprocessierups kunnen worden. De overgebleven rupsen krijgen waarschijnlijk te kampen met een overvloed aan parasieten. Het lijkt daarom aannemelijk dat de huidige populatie in de komende jaren geen blijvend probleem zal vormen. Bij een groot deel van de bevolking in de haardgebieden is het geduld echter al op.

Waar heeft de eikenprocessierups zijn naam aan te danken ?
Uiteraard omdat de rups in eikenbomen te vinden is.
Verder gaan de rupsen groepsgewijs ( in processie ) op zoek naar voedsel ( het eikenblad ).

Brandharen.
De haren van de processierups zijn de veroorzakers van de overlast. De larven zijn in het laatste stadium van hun larve bestaan bedekt met deze haren.
Na kontact kan er overlast ontstaan. Dit kan na enkele uren na het kontact. De klachten kunnen zijn: pijnlijke jeuk, huiduitslag, irritatie aan de ogen of aan de luchtwegen.

Waar komen ze voor.
Het verspreidings-gebied van de eikenprocessierups is niet exact bekend. Grote delen van Zuid-Oost Brabant ( ten oosten van Giorle - Oss ), Nederlands Limburg, rond Nijmegen en Vlaanderen ( provincie Limburg en Antwerpen ) ondervinden last.

Het centrum van de plaag bevindt zich in Eindhoven en omgeving.

Hoe kun je zien dat er rupsen in een eikenboom zitten ?
De rupsen leven in groepen bijeen en maken op de stammen of dikkere takken grote nesten: een dicht spinsel van vervellingshuidjes, met brandharen en uitwerpselen.
Vanuit hun nesten gaan de rupsen 's nachts in processie op zoek naar voedsel. Zichtbaar gevolg zijn kaalgevreten eikenbomen.

In welke maanden zijn er rupsen.
De maanden half april tot eind juni. De volgroeide rupsen hebben de zogenaamde brandharen. Er zijn volgroeide rupsen in de periode half mei tot eind juni.

Doet men er wat aan ?
Het natuurlijk evenwicht in de betrokken gebieden is verstoord ( red : hoe ?? ).
Zo min mogelijk ingrijpen bevordert het natuurlijk evenwicht.
Op plaatsen waar veel ongemak is, probeert men op een zo milieuvriendelijke wijze de plaag te bestrijden. Zo is het opzuigen van nesten een van de methoden. Er wordt echter ook met chemische middelen ingegrepen. Het middel Dimilin wordt gebruikt. Met behulp van een spuitkanon sproeit men op droge, windstille dagen de eiken bomen langs b.v toeristische routes.

De verschillende stadia.
het ei-stadium tot half april beperkt ongemak
de jonge rupsen half april tot half mei beperkt ongemak
de volgroeide rupsen half mei tot eind juni veel ongemak (door de haren van de rupsen)
het pop-stadium half juni tot eind augustus ongemak (door brandhaarden in lege nesten)
de vlinder augustus tot half september ongemak (door haren in de lege nesten)
het ei-stadium september tot half april beperkt ongemak
Terug
naar de top
van
deze pagina

Meerdere jaren last.
De brandharen kunnen tot na zes jaar last veroorzaken. Als u plaatsen kent waar vorig jaar processierupsen verschenen, dan kunnen de haren van de rupsen tot zes jaar nadien nog overlast veroorzaken, terwijl de rupsen zelf niet voor hoeven te komen op de zelfde plaats.
Gezondheids-
centra
Eindhoven

De in Eindhoven aanwezige gezondheidscentra worden door
Beeldnet op het net geplaatst.

..gezondheid/index.htm..gezondheid/index.htm
KLIK !

De klachten.
huidklachten
Binnen 8 uur kan er een pijnlijke rode huiduitstag ontstaan met hevige jeuk. Het beeld van de huid kan sterk variëren: van bultjes, pukkeltjes tot met vocht gevulde blaasjes die kunnen gaan ontsteken. De huidreactie kan zichtbaar worden op de onbedekte huid (onderarmen, onderbenen, nek en gezicht) maar ook op andere delen van het lichaam. Door zweet, krabben en/of wrijven kunnen de brandharen zich gemakkelijk verspreiden naar andere delen van het lichaam. Langdurig contact kan ook optreden doordat haartjes in de kleding terecht zijn gekomen.
oogklachten
Als brandharen in de ogen terechtkomen, kunnen zij binnen één tot vier uur een heftige reactie geven van het oogbindvlies en/of het hoornvlies met zwelling, roodheid en jeuk en in sommige gevallen met ontstekingen. Zelden ontstaat er een knobbelvormige ontsteking. Indien de brandharen blijven zitten, zullen de klachten blijven bestaan. Om erger te voorkomen kan specialistische hulp (bijvoorbeeld van de oogarts) noodzakelijk zijn.
klachten van de bovenste luchtwegen
Na inademing kunnen de brandharen ook irritatie of ontsteking geven van het slijmvlies van de bovenste luchtwegen (neus, keel en bovenste gedeelte van de luchtpijp). De klachten lijken in eerste instantie op een neusverkoudheid. Tevens kunnen mensen ook klagen over pijn in de keel en eventueel slikstoornissen. In sommige gevallen kan er sprake zijn van kortademigheid.
algemene klachten
Er kunnen zich ook algemene klachten voordoen, zoals braken, duizeligheid, koorts, algehele malaise.
Iemand die vaker met de brandharen in contact komt krijgt dikwijls steeds sterkere reacties. Daarom kan het voorkomen dat mensen dit jaar meer last van de processierups hebben dan het vorig jaar.

Wat moet u doen als u klachten heeft.
In het algemeen verdwijnen de klachten vanzelf binnen enige dagen tot weken. Probeer niet te krabben of te wrijven. Was de huid goed met water. Aangedane ogen kunt u met water uitspoelen. Eventueel kunt u de aangedane huid (kort na de aanraking) strippen met plakband om overtollige brandharen te verwijderen.
Bij lichte symptomen zijn verder geen medicijnen nodig. Bij hevige jeuk kunnen anti-jeuk middelen zeker verlichting geven, zoals zalf of crème op basis van kamfer of menthol. Deze middelen zijn verkrijgbaar bij apotheek of drogist. Bij aanhoudend ernstige klachten kunt u beter contact opnemen met de huisarts.
..uitleg/adressen.htm..uitleg/adressen.htm
beeldnet.nl/
uw.instelling

De natuurlijke vijanden.
De eikenprocessierups heeft twee natuurlijke vijanden. Dit zijn de sluipwesp en de sluipvlieg.

Informatie.
Als u meer informatie wilt kunt u terecht bij de milieutelefoon van de provincie Noord-Brabant. Telefoonnummer 073 - 681 28 21.
Ook kunt u terecht bij de GGD in uw woonplaats of bij uw stadsbestuurders.

Eikenprocessierups
· Eitjes
· Processie
· Verspreiding
· Plaagopbouw
· Fase 0: verkenning
· Fase 1: besmetting
· Fase 2: kolonisatie
· Fase 3: plaag
· Fase 4: ineenstorting
· Bestrijding
· Branden, zuigen, verwijderen
· Bladbespuiting met biologisch preparaat
· Bladbespuiting met chemische middelen
· Injectie met chemische middelen
· Feromonen of sexlokstoffen
· Niets doen
· Conclusie
· Irritatie
· Zeldzaamheid

Het is opmerkelijk dat een soort die nog in 1976 door de bekende vlinderdeskundige Lempke als uitgestorven werd beschouwd, in 1997 als nationale vijand nummer één wordt bestempeld. Hiertoe is meer dan alle reden. De soort kost miljoenen door schade en bestrijding. Vanuit biologisch standpunt echter betreft het een uiterst interessant dier: de eikeprocessierups (Thaumetopoea processionea).
De rups heeft in 1996 en de jaren daarvoor de gemoederen vooral in Brabant danig beziggehouden. In de zomer van 1996 was deze nachtvlindersoort zelfs gesprek van de dag. Vanwege economische, natuurbeheerstechnische en gezondheidsaspecten kreeg hij ook politieke betekenis. In Den Bosch en in Den Haag zijn discussies gevoerd en er is zelfs een Belgisch-Nederlandse werkgroep ingesteld met een eigen telefoonnummer:
De rupsentelefoon
Provincie Noord-Brabant telefoon 073-6812821
Provincie Antwerpen (België) telefoon 03-2591249 (PIH)
Provincie Limburg (België) telefoon 011-332333 (LIM)
top

topEitjes
De vlinder van de eikeprocessierups vliegt van eind juli tot eind augustus in één generatie. Het vrouwtje legt dertig tot driehonderd eitjes rond de toppen en uiteinden van zowel Zomereik als Amerikaanse Eik en dekt de eieren af met haren van het achterlijf. De eitjes overwinteren en de rupsen verschijnen rond begin mei, bij het uitbotten van de Zomereik. De in groepen levende rupsen vreten 's nachts en verblijven overdag in een gemeenschappelijk nest. Gedurende de eerste drie vervellingen bestaat dit nest uit samengesponnen bladeren en twijgen. Pas na de laatste vervelling krijgt het nest zijn typische vorm: een dicht spinsel, waarin haren, vervellingshuidjes en keutels zijn verwerkt. De meeste nesten hangen aan de stam of de eerste grote zijtakken. Meestal heeft het nest een omvang ter grootte van een flinke tennisbal. Nesten van meters lang en enkele decimeters breed, waarin meerdere duizenden rupsen leven, zijn echter geen uitzondering.
top

topProcessie
De rupsen verlaten het nest in het donker en trekken dan naar de boomtoppen om te vreten. Ze doen dat achter elkaar lopend, als het ware in processie. Vandaar natuurlijk de naam.
Onder het kruipen spint iedere rups een draad, zodat na het vreten het nest gemakkelijk teruggevonden kan worden. Uit kleinere nesten komen colonnes, waarbij de rupsen netjes achter elkaar lopen; uit grotere nesten komen brede colonnes, waarbij vele rijen dieren naast elkaar lopen. Wanneer de plaagsterkte bereikt wordt zijn de rupsen erg onrustig en lopen ze de hele dag. Als de eik geheel kaalgevreten is kunnen dergelijke colonnes de boom verlaten en op de grond of op andere planten worden gevonden.
De processierups bezit gifharen die een lichaamsvreemde stof bevatten. De haartjes hebben gemene kleine weerhaakjes. Zowel bij mensen als bij dieren kunnen de haren zwellingen, irritaties (aan onder meer luchtwegen en ogen) en ontstekingen veroorzaken, die vele maanden kunnen aanhouden. Met zowel rupsen als nesten moet daarom heel voorzichtig worden omgesprongen.
top

topVerspreiding
Opvallend is dat de meeste nesten in lanen worden gevonden. Blijkbaar moet het nest op een warme plek hangen. Verpopping geschiedt in het nest of op de grond, dichtbij de stam. Nog in hetzelfde jaar komen de vlinders in de avondschemering uit hun pop. Zeer snel na het uitkomen worden de vleugels gestrekt en begint de vlucht. De mannetjes gaan direct op zoek naar de vrouwtjes. Meestal paren de dieren nog dezelfde avond. De vrouwtjes zijn bij het uitkomen vrij log en niet in staat grote afstanden te overbruggen. Uit het verspreidingsbeeld komt naar voren dat mannetjes in staat zijn om enkele tientallen, zo niet honderden kilometers af te leggen en vrouwtjes slechts vijf tot twintig.
top

topPlaagopbouw
· Fase 0: verkenning
· Fase 1: besmetting
· Fase 2: kolonisatie
· Fase 3: plaag
· Fase 4: ineenstorting
In de opbouw van de plaagpopulatie van de Eikenprocessierups kunnen, voorzover nu bekend, 5 fasen worden aangetekend, dat fase 4, de ineenstorting van de populatie, nog slechts speculatief is. De opbouw verloopt als volgt.
top

topFase 0: verkenning
In dit eerste stadium vindt verspreiding enkel plaats via de mannetjes. Tussen 1900 en begin jaren tachtig deden ze ons land aan met zeer grote tussenpozen.
top

topFase 1: besmetting
Besmetting van nieuwe gebieden geschiedt via de verspreiding van vrouwtjes. Uit onderzoek van de Benelux-werkgroep Nachtvlinders komt een uitbreidingssnelheid van maximaal vijf tot twintig kilometer per jaar naar voren. De snelheid is sterk afhankelijk van de kwaliteit van het landschap en de weersgesteldheid tijdens de vluchtperiode. Kolonisatie, want zo heet dat, kan worden versneld door een onweersbui met bijbehorende rukwinden. In het jaar na de kolonisatie door de vrouwtjes ontstaan kleine nesten ter grootte van een tennisbal. Onder normale omstandigheden ligt aan de buitenzijde van het verspreidingsgebied een circa een tot twintig kilometer dikke 'schil', waar nesten klein en zeldzaam zijn. Slechts door gericht zoeken in eikenlanen zijn dan enkele nestjes op te sporen. De eerste Nederlandse vondsten in 1987 in Reusel verkeerden al in fase 1.
top

topFase 2: kolonisatie
Lokaal ontstaan forse nesten. Eikenlanen met in vrijwel elke boom een nest zijn geen zeldzaamheid. Hier en daar komen zeer grote nesten voor met vele duizenden rupsen. Van massale vraatschade is echter nog geen sprake. Aan het eind van deze fase zijn enkel nog eikensoorten het 'slachtoffer', andere bomen nog niet. Gevoelige personen kunnen last ondervinden van de brandharen, want zelfs het kleinste nest laat al vele duizenden haren los. Grote delen van Brabant, Limburg ten westen van de Maas en enkele plaatsen in Zeeland verkeren nu in fase 2.
top

topFase 3: plaag
De rupsen zitten met duizenden in vrijwel elke boom, in laanbomen zelfs met tienduizenden. Er worden nauwelijks of geen nesten meer gevormd. De dieren gedragen zich onrustig. De processies zijn breed met vijftig tot honderd naast elkaar lopende rupsen. Spontaan ontstaan cirkelvormige processies, die eindeloos blijven doorlopen, tot de dood erop volgt. In bossen treedt grootschalige kaalvraat op. De rupsen gaan op zoek naar nieuw voedsel en komen ook op andere boom- en struiksoorten terecht. De klassieke plaag is een feit. Sterfte door verhongering treedt echter nog weinig op. Een deel van de volwassen dieren vertoont echter wel ernstige dwerggroei. Massale vluchten van vele duizenden vlinders worden waargenomen. De overlast is maximaal. Zelfs op enkele kilometers afstand van de haarden ondervinden gevoelige personen last van jeuk en branderige ogen en slijmvliezen. De irritatie stijgt ten top, de roep om draconische maatregelen wordt steeds luider. Deze fase is pas voor het eerst in 1996 over grotere oppervlakten opgetreden onder de lijn Baarle-Tilburg-Eindhoven-Valkenswaard.
top

topFase 4: ineenstorting
Uit de in het jaar daarvoor gelegde eiclusters komen miljoenen rupsen, die een geweldige vreetpartij beginnen. Door voedselgebrek treedt echter een algehele sterfte op onder de jonge rupsen. De resterende rupsen worden door een overvloed aan sluipwespen en -vliegen zwaar geparasiteerd. De populatie 'implodeert'. Het sintjanslot herstelt de massale aantasting van de Zomereik. De overlast vermindert, omdat de jonge rupsen minder brandharen hebben. Uit de overjarige poppen kan nog een flink aantal volwassen dieren voortkomen, dat in staat is om de populatie het jaar daarop weer op plaagsterkte te brengen. De rol van de parasieten wordt steeds groter. De verwachting is dat in Reusel en omstreken fase 4 in 1997 bereikt wordt.
top

topConclusie
In fase 0 en fase 1 is bestrijding van de rups nauwelijks mogelijk. Pas aan het begin van fase 2 is bestrijding effectief en lonend. Aan het eind van fase 2 wordt mechanische bestrijding al moeilijk en in fase 3 geheel onmogelijk. Op plekken waar 'echte' overlast is, kan zeer gericht bestreden worden en dan liefst met biologische middelen. Grootschalig spuiten dient zoveel mogelijk te worden vermeden. In bos- en natuurgebieden moet men de plaag de gelegenheid geven om tot een ineenstorting te komen. Als dat met allerlei middelen wordt tegengegaan, zal de plaag langer duren.
top

topIrritatie
In fase 2 en fase 3 is de irritatie bij de bevolking groot. Veel gemeenten en particulieren grijpen naar de spuitmachine. Uit de beschrijving van de fasen moge echter blijken, dat de opbouw van de populatie er vanzelf voor zorgt dat de plaag door voedselgebrek en zeer waarschijnlijk ook door de opbouw van het parasietenbestand in elkaar stort. Uit de literatuur blijkt dat fase 3 in bosbouwkundige zin slechts één tot drie jaar duurt. Door het werken met met name illegale bestrijdingsmiddelen worden naast de rupsen ook de parasieten vernietigd. Hierdoor vermindert weliswaar het aantal rupsen, maar wordt tevens een stap teruggezet in de plaagopbouw. Met andere woorden: op een lager niveau heeft men langer last van de plaag. Door de provincie Noord-Brabant is, in samenwerking met de Plantenziektenkundige Dienst, een advies ter bestrijding opgesteld: alleen middelen toepassen die zo weinig mogelijk schade aanrichten en alleen op de plekken met ergste overlast. In principe zijn de natuur- en milieu-organisaties, waaronder de Brabantse Milieu Federatie, daarmee akkoord. Het gevaar bestaat echter dat vanuit de bevolking, recreatiebedrijven en gemeente druk zal ontstaan om meer rigoreuze bestrijdingsmethoden toe te passen.
top

topZeldzaamheid
Lange tijd gold de processierups als een van de zeldzaamste soorten uit onze nachtvlinderfauna. Na de eerste meldingen in 1987 probeerde men de vindplaatsen angstvallig geheim te houden om te voorkomen dat kwaadwillenden de vlinders zouden wegvangen. Velen zullen nu denken: Hadden ze dat maar gedaan. Momenteel is de Eikeprocessierups de talrijkste nachtvlindersoort in Noord-Brabant.
De verwachting is dat de soort over enkele jaren weer zeldzaam wordt en mogelijk zelfs geheel uit Nederland verdwijnt. Deze wetmatigheid is bekend uit binnen- en buitenland. Het zou goed zijn om het geduld op te brengen om dit natuurfenomeen uit te laten razen. Uitroeien lukt niet, het ergste leed verzachten misschien wel. Dat mag echter niet ten koste gaan van andere natuurwaarden. Als bij de bestrijding van de rups fouten worden gemaakt, zal dat tot gevolg hebben dat de overlast langer aanhoudt en de netto kosten dus toenemen.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.