Hoe kies jij een studie?

Daar zijn wij benieuwd naar. Vul onze vragenlijst in en bepaal zelf wat voor beloning je daarvoor wilt krijgen! Meedoen duurt ongeveer 7 minuten.

Meedoen

Laagveenlandschap

Beoordeling 6.2
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • 4e klas vwo | 1826 woorden
  • 27 juni 2007
  • 48 keer beoordeeld
Cijfer 6.2
48 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Overweeg jij om Politicologie te gaan studeren? Meld je nu aan vóór 1 mei!

Misschien is de studie Politicologie wel wat voor jou! Tijdens deze bachelor ga je aan de slag met grote en kleine vraagstukken en bestudeer je politieke machtsverhoudingen. Wil jij erachter komen of deze studie bij je past? Stel al je vragen aan student Wouter. 

Meer informatie
Wat zijn de kenmerken van het landschap en hoe is het landschap ontstaan? Het Kwartair wordt gekenmerkt door sterke temperatuurveranderingen, glacialen (ijstijden) en interglacialen (periodes tussen de ijstijden). Het Kwartair is onder te verdelen in het Pleistoceen (2 500 000-10 000 jaar geleden) en Holoceen (10 000 jaar geleden tot nu). Veenprofiel: De onderste laag is keileem gevormd in de laatste ijstijd. Foto: Drents Museum
Door de verschillen in temperatuur ontstonden er verschillen in sedimentatie: in het vroege Pleistoceen was er vooral fluviatiele sedimentatie (rivieren, zand en grind), tijdens de Saalien veel glaciale sedimentatie (ijs bereikte Nederland en zo werden stuwwallen gevormd) en tijdens het Weichselien eolische sedimentatie (wind, het ijs bereikte Nederland niet maar maakte wel van Nederland een poolwoestijn, in het zuiden werd er loss afgezet en in de rest van Nederland een fijne laag dekzand). Leonie (dit hoort nog bij jouw stuk) Dwarsdoorsnede Nederlandse grond: - Jonge Zeeklei - Hollandveen - Oude Blauwe Zeeklei - Basisveen - Zand uit het Pleistoceen

Veen is in tegenstelling tot de andere grondsoorten in Nederland
niet afgezet door ijs, water of wind. In het Holoceen begon de temperatuur te stijgen. Vooral in het
Boreaal (9000-8000 jaar geleden) heerste er een warm en droog klimaat. Doordat het ijs smolt, steeg de zeespiegel en zo werd in het Atlanticum (8000-5000 jaar geleden) het gebied achter de oude duinen (zie geel/bruine gedeelte plaatje 1), het waddengebied, door zee en rivieren opgevuld met combinaties van zand en klei, de zeeklei (zie lichtpaarse gedeelte plaatje 1). Dit gebeuren heet transgressie (landwaartse verschuiving van de kustlijn als gevolg van zeespiegelstijging), later gevolgd door regressie (zeewaartse verschuiving van de kustlijn, die optreedt bij een zich terugtrekkende zee). In het Subboreaal (5000-2900 jaar geleden) werd vervolgens veen afgezet op de oude zeeklei. De zeeklei werd zo hoog dat het boven water kwam te liggen. Daardoor konden er oeverplanten op gaan groeien. Door het gebrek aan zuurstof in de vochtige bodem konden de planten slechts gedeeltelijk verteren. De onverteerde plantenresten stapelden zich op waardoor uiteindelijk enkele meters dikke laag veen (basisveen) ontstond. Het veen dat aan de oppervlakte ligt van de Holocene afzettingen in Nederland, noemt men Hollandveen. (zie paarse gedeelte plaatje 1) Jonge zeeklei werd vervolgens over het gevormde veen heen neergelegd door een nog steeds stijgende zeespiegel, zoals aan de kust van Groningen/Friesland en Zeeland/Zuid-Holland. Er werd ook veel zand door de zeeën aangevoerd en door de wind opgeblazen. Zo werden er in het Subantlanticum (2900 jaar geleden tot nu) ‘jonge duinen’ gevormd, die over de oude duinen heen kwamen. Deze duinen van dekzand beletten een goede afwatering en zo ontstonden moerassen. Deze moerassen groeiden langzaam dicht met waterplanten. De afgestorven plantenresten hoopten zich op tot veenlagen. Dit veen was op een gegeven moment zelfs zo dik dat de bovenste plantenlaag niet meer bij het voedselrijke grondwater kon komen. Toen groeide er nog maar één speciale plantensoort in het moeras, die van de lucht (en regenwater) kon leven: veenmos. Plaatje 1: Doorsnede van de verschillende landschappen in West-Nederland
Het klimaat, de ligging ten opzichte van het water en de voedselrijkdom van het water beïnvloeden wat voor plantenmateriaal er terug te vinden is in het veen. Het veen is ontstaan in natte gebieden met een gematigde temperatuur. Er zijn verschillende soorten veen in West-Nederland ontstaan: rietveen, zeggeveen, bosveen en mosveen. De ligging van deze soorten veen kun je op het plaatje hieronder zien. Ook is de ligging van rivier- en zeeklei, de duinen en strandwallen aangegeven. Ontwikkeling van de verschillende soorten veen in 3 stadia: 1: Eerst ligt in een gebied een ondiep meertje. Op de bodem slaat organisch materiaal neer, hier hoort o.a. resten plankton, algen waterplanten, ingespoelde plantenresten bij. 2: Vanaf de rand breidt een zone met riet zich uit. Hier ontstaat het latere rietveen uit. Tegen het rietveen aan ontstaat het zeggeveen. Zegge is een rietsoort. Het watergebied wordt steeds ondieper. In feite is het nu al een moerasgebied. 3: In dit stadium ontstaan er kleine bomen, zoals de els en de berk. Doordat er steeds meer mossig materiaal ontstaat, wordt het water eerst half voedselrijk (mesotroof) en daarna steeds voedselarmer(oligotroof). Na dit stadium gaat het ontwikkelen verder tot hoogveen. Het laagveen bestaat nu dus uit eerst een laag organische modder, daarop rietveen en een laag zeggeveen. (zie plaatje 2 punt 3) Daarop ontstaat verder het hoogveen dat bestaat uit een dunne laag bosveen en daarop een laag mosveen. Op deze lagen komt een laag riet en kleine bomen en planten. Zo ontstond het laagveenlandschap. Laagveen bestaat uit plantenresten van riet, zegge, wilgen en berken. Het verschil tussen hoogveen en laagveen is dat hoogveen gemiddeld 1 meter boven het NAP (Normaal Amsterdams Peil, in Nederland worden hoogtemetingen hieraan gerelateerd) ligt. Laagveen ligt echter onder het NAP. Welke menselijke factoren hebben invloed gehad op het landschap? (culturele invalshoek) Rond het jaar 1000 zijn de bewoners van de duinstreek het veen gaan afgraven. Ze groeven vanaf de duinen sloten door het veen naar de rivieren. Ook gingen ze de huidige sloten verbreden. Het water stroomde toen vanzelf uit het veen. Door de inklinking (daling van het grondoppervlak door volumeverlies ten gevolge van vochtverlies) zakte het veen langzaam in elkaar. Het kwam steeds lager te liggen: ongeveer 2 meter onder de zeespiegel. Daardoor werd het te nat voor akkers. Nu is er in het veenlandschap alleen nog grasland voor de veeteelt. Door de lage ligging moesten er constant nieuwe inspanningen geleverd worden om de juiste grondwaterstand te behouden. Als de waterstand niet meer verlaagd kon worden werd het akkerland opgegeven en als weiland gebruikt, de boeren trokken dan verder om nieuwe akkers aan te leggen. Hierdoor ontstonden langgerekte stroken land (strokenverkaveling) waar op den duur steeds meer grasland kwam. Zo is het gevarieerde middeleeuwse landschap met een grote afwisseling van weiland, akkers en woeste grond veranderd in een groot weidegebied. Tegenwoordig draineert (droogleggen door aanleggen van buizen onder de grond) men deze gebieden. Door de lage ligging werd het land ook steeds kwetsbaarder voor overstromingen. Zo werden de bewoners van de veengebieden genoodzaakt zich te verdedigen tegen het water d.m.v. dijken. Hier ontstond veel kwel: water dat door natuurlijke/kunstmatige hoogteverschillen in ingedamde stukken land tussen de dijken (polders) terecht komt. Tussen de polders werden boezems gemaakt: opslagplaatsen van overtollig polderwater. Een zeer belangrijke ontwikkeling was de uitvinding van de windwatermolen. Deze maakte het mogelijk diepe veengebieden te ontwateren (afwatering genoemd: afvoeren van overtollig water uit een gebied) en droogmakerijen te maken. Een droogmakerij is een poldergebied dat ontstaan is door het leegpompen van meren/delen van de zee. Dit gebeurde vooral vanaf de zestiende en zeventiende eeuw. Droogmakerijen bevinden zich in de veengebieden van West-Nederland. Als eerste werden de Beemster, Schermer, Purmer en Wormer drooggelegd. (economische invalshoek) Gunstig van het droogmalen was dat nu ook veen kon worden afgegraven om turf te winnen. Turf is een soort brandstof uit opgedroogd veen. Voordat steenkool, aardgas en aardolie beschikbaar waren was dit de belangrijkste energiebron. Het veen werd ontwaterd en het droge veen werd op smalle stukken land (legakkers) gedroogd tot turf. Waar de turf weggestoken is ontstonden trekgaten of petgaten (‘peat’ = turf). Door de zachte bodem spoelden steeds meer legakkers weg, en zo ontstond een aaneengesloten watervlakte, waar de turf van steeds grotere diepte uit opgebaggerd moest worden. Zo is het met grote delen van Zuid Holland gegaan. Een groot deel van de Zuid Hollandse polders is eerst land geweest, toen afgeturfd, en vervolgens weer ingepolderd. Waar is het landschap te vinden? (natuurlijke invalshoek) In Nederlands hebben we zes soorten landschappen. Één daarvan is het veenlandschap. Het veen is ontstaan in gebieden waar vroeger ondiepe meren en moerassen waren. In Nederland is dit nu in 1)zuid- en Noord-Holland, 2)zuid Friesland en noord Overijssel 3)oost Groningen en zuid Drenthe. Zie tekening hieronder. In Zuid- en Noord-Holland vind je veel kanalen en meren. Die kanalen zijn ontstaan door het afgraven van veen en turf. Zo zijn er veel plassen en meren ontstaan. Hierdoor bestaat het laagveengebied dus uit onregelmatige kavels en grote plassen (zie plaatje linksonder). Ook ontstond door de steeds groter wordende waterplassen steeds meer afkalving (dat is het afslaan van grond door golfslag) waardoor de overgebleven stukken land steeds kleiner werden. Uiteindelijk ontstonden plassen als de Loosdrechtste plassen, Vinkeveense plassen en Reeuwijkse plassen. In het hoogveengebied ontstonden deze plassen niet, dus daar zien de kavels er veel regelmatiger uit (zie plaatje rechtsonder). Wat zijn de functies van het landschap? Productiefunctie: het veenlandschap wordt gebruikt voor grondstoffen, drinkwater, recreatie, weidegebied en akkerbouw. Draagfunctie: het veenlandschap dient als ondergrond voor menselijke activiteiten (wonen en werken) en inrichtingselementen, zoals dijken, wegen, bruggen, etc. Informatiefunctie: het veenlandschap heeft ons iets te leren over vroeger. Ook worden de natuurgebieden gebruikt om men over de natuur (dieren en planten in het veen) te leren. Regulatiefunctie: het veenlandschap treedt regulerend op bij de waterhuishouding in Nederland en d.m.v. geluidswallen, bosstroken en beplanting op hellingen tegen erosie.
Wat is het ruimtelijk beleid van de overheid in dit landschap? (politieke invalshoek) De afgelopen jaren heeft de overheid een aantal maatregelen getroffen, om te voorkomen dat de landschappen in Nederland verwoest worden. Voor het laagveenlandschap geldt: - De veenweide gebieden zijn nu vaak natuurgebieden en in mei komen er veel trekvogels om te broeden. Daarom zijn er voor de boeren een aantal regels ingesteld, ze mogen bijvoorbeeld een bepaalde periode het gras niet maaien, om te voorkomen dat ze de eieren verwoesten. Ook wordt er op de toeristen gelet, zodat zij de gebieden niet vernielen. - Het grondwaterpeil van de veengebieden is opnieuw aan het dalen waardoor het weer droog komt te liggen en er weinig planten meer kunnen groeien. Zo sterven veel plantensoorten uit het veen uit. Staatsbosbeheer probeert het water zoveel mogelijk vast te houden, zodat er weer veenmos kan groeien en er ook weer vogels komen broeden. - In de nota ‘Ruimte’ heeft het rijk twintig nationale landschappen aangewezen, gebieden die internationaal of nationaal van bijzondere waarde zijn en die daarom planologische bescherming krijgen. De provincies verzorgen in 2006 de exacte begrenzing en stellen uitvoeringsprogramma's op. - Vooral in 2005/2006 wil het rijk zich op de nationale landschappen concentreren. Het LNV (ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) zal de aanleg en beheer van landschapselementen en recreatieve voorzieningen colfinancieren. Het budget voor de nationale landschappen bedraagt in 2006 €18,9 miljoen. Wat is Ecologische Hoofdstructuur (EHS)? De term 'Ecologische Hoofd Structuur' (EHS) werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP) van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. De EHS is een netwerk van gebieden (ecosystemen) in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Een ecosysteem is een systeem dat door een groep dieren/planten wordt gevormd met de niet-levende omgeving van dat systeem. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden (door bijv. ziekte) uitsterven en dat de natuurgebieden hun waarde verliezen. De EHS bestaat uit: - Bestaande natuurgebieden, reservaten, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingen daartussen. - Landbouwgebieden met mogelijkheden voor agrarisch natuurbeheer (beheersgebieden). - Grote wateren (zoals de kustzone van de Noordzee, het IJsselmeer en de Waddenzee). De EHS moet in 2018 klaar zijn.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.