Deltawerken

Beoordeling 6.2
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • groep 8 | 3094 woorden
  • 25 februari 2002
  • 756 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.2
  • 756 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak

Inleiding.

In de zomer kamperen wij vaak in Zeeland. Als wij daar heen rijden, rij je altijd over een aantal dammen.
Op de televisie had ik al eens gezien, dat Zeeland helemaal onder water was gelopen en dat die dammen daarom gebouwd waren.
In de bibliotheek waren er veel boekjes over de Deltawerken en daarom besloot ik om over dit onderwerp een werkstuk te maken.

1. Nederland en de strijd tegen het water.

De zee is voor Nederland altijd heel belangrijk geweest. Door de handel en de visserij is Nederland een heel welvarend land geworden. Zo ontstonden veel vissershavens en hebben wij de grootste haven van de wereld nl. Rotterdam.

Maar de zee is ook altijd een vijand voor Nederland geweest. Als er geen duinen en dijken waren, zou de helft van ons land onder water staan.
Al eeuwenlang proberen de Nederlanders zichzelf en hun land te beschermen tegen de zee. Al in de middeleeuwen bouwde men terpen of wierden. Dat zijn heuvels waar huizen op gebouwd werden, die bij een dijk doorbraak niet onder liepen. Ook legde men in die tijd o.l.v. monniken al dijken aan om zich te beschermen tegen de zee.
Het beschermen tegen het water is niet altijd gelukt. Er zijn in de afgelopen eeuwen heel wat overstromingen geweest, waarbij veel mensen en dieren zijn verdronken.

2. De ramp van 1953.

De laatste grote watersnoodramp in Nederland was op 1 februari 1953, tijdens een zware Noordwesterstorm met springvloed (dat is een vloed waarbij de waterrand hoger komt dan normaal).
De dijken van Zeeland, Zuid Holland en Noord Brabant konden hier niet tegen en braken op tientallen plaatsen. Op de akkers stond het water meters hoog.
In de eerste dagen van de overstroming kwam de hulp niet zo goed op gang. Het duurde een tijdje voordat alles goed liep, want men was helemaal overdonderd door zo’n ramp en men wist niet zo goed waar ze moesten beginnen. Doordat het vrij lang duurde, kwam de hulp voor veel mensen al te laat.
Totaal stond er 200.000 ha. land onder water, 1.835 mensen en ongeveer 35.000 dieren verdronken, 45.500 gebouwen werden verwoest en 45.000 gebouwen werden zwaar beschadigd.

Veel mensen moesten noodgedwongen naar veilige gebieden worden gebracht en dat duurde soms wel maandenlang.
Onmiddellijk na de ramp begon het eerste herstelwerk. De kleine gaten in de dijken werden tijdelijk dichtgegooid met zandzakken. Uit het hele land kwamen duizenden mensen om te helpen. Hieronder waren veel militairen. Zelfs uit het buitenland kwamen ze helpen. De grote gaten in de dijk werden gedicht met caissons, dat zijn grote betonnen dozen, die ze dan lieten zinken. Ook de vernielde huizen werden weer opgebouwd.

3. Het Deltaplan.

Na de ramp vond men dat zo’n ramp nooit meer mocht gebeuren. Er kwam een plan om Zuid-West Nederland voor altijd tegen de zee te beschermen. Dit heette het Deltaplan.
Er kwam een Deltacommissie die van de regering de taak kreeg om dit plan te gaan uitwerken.
De Deltacommissie maakte plannen om langs de hele Nederlandse kust de dijken hoger en de dammen sterker te maken. Ook gingen ze een aantal zee-armen afsluiten met dammen. Alleen de toegang naar Rotterdam (de nieuwe Waterweg) en de toegang naar Antwerpen (de Westerschelde) werd voor de scheepvaart open gehouden.
In 1958 werd door de regering de Deltawet goedgekeurd en kon er worden begonnen met dit grote waterplan.

4. De bouw.

Men begon als eerste met het bouwen van een waterkering in de Hollandse IJssel, bij Rotterdam. De Hollandse IJssel komt uit in de Noordzee. Dit stukje van de Deltawerken kwam in 1958 klaar en zorgt ervoor dat het laagst gelegen stuk van Nederland niet meer kan overstromen.
Deze waterkering bestaat uit 4 torens waartussen beweegbare schuiven hangen. Normaal hangen deze schuiven omhoog en kunnen de schepen eronderdoor varen. Maar als er een hoge vloed van zee komt, dan kunnen deze schuiven omlaag. De schepen kunnen dan ook doorvaren, want aan de zijkant van deze waterkering ligt een grote sluis. Het verkeer gaat er gewoon met een brug overheen.
5. Het afsluiten van de zee-armen.
Als je op de kaart van Zeeland kijkt, dan zie je dat er smalle en brede zee-armen zijn. Een smalle zee-arm loopt er b.v. tussen Noord- en Zuid Beveland. Daar is het water nog geen kilometer breed. Daar werd de eerste dam gebouwd. De Zandkreekdam, die was af in 1960.
Het afsluiten van zee-armen is erg moeilijk, omdat het zo hard stroomt. Ze beginnen aan twee kanten met het afsluiten van de dam. Als de twee dammen steeds dichter bij elkaar komen en het gat steeds kleiner wordt, gaat het heel hard stromen. Het laatste gat is daarom het moeilijkst.
De bouwers van de Zandkreekdam hadden daar iets slims op gevonden. Ze maakten hele grote betonnen kisten van 12 meter lang en 6 meter hoog. Die werden met behulp van sleepboten heel snel op hun plaats gesleept en dan helemaal volgespoten met zand, totdat ze helemaal bedolven waren.
Die betonnen kisten noem je caissons (je zegt késsons). Caissons zijn later nog veel meer gebruikt bij het afsluiten van Deltadammen. Ze werden later wel steeds groter en steeds beter.
Toen ze de Zandkreekdam af hadden begonnen ze aan een grotere dam, nl. in het Veerse Gat. Dit is een dam tussen Walcheren en Noord Beveland.
Deze zee-arm moest vlakbij de zee worden afgesloten en is ongeveer 2,5 kilometer breed. Ze gingen weer vanaf twee kanten bouwen en het laatste stuk werd gesloten met speciale caissons van 45 meter lang, 20 meter breed en 20 meter hoog. Dit is ongeveer een flatgebouw.
Ze bouwden dit aan de kant met een ronde dijk eromheen. Toen het klaar was lieten ze de dijk doorbreken zodat de caissons gingen drijven. Omdat het in het midden zo hard stroomde, hadden ze zeven caissons aan twee kanten opengelaten, met tralies ervoor voor de stevigheid en schuiven erin.
Ze sleepten deze caissons met een boot naar hun plaats en toen het water rustig was, lieten ze tegelijk de schuiven van deze caissons zakken. Zo stonden ze goed op z’n plaats, zonder dat ze door de stroom wegdreven.

In 1961 was deze dam klaar. Achter deze dam ontstond een meer,
het Veerse meer, waar je nu lekker kunt vissen, zeilen en duiken.
Men ging nu weer aan een grotere dam bouwen, De Grevelingendam. Deze dam loopt van Goeree-Overflakke naar Schouwen-Duiveland en is ongeveer 6 kilometer lang. Men begon weer aan twee kanten te bouwen. Op het laatst bleven er twee openingen over. Eén gat werd weer met caissons dichtgemaakt en voor het laatste gat hadden ze iets nieuws bedacht.
Ze maakten een kabelbaan waaruit stenen naar beneden werden gestort.
Ze hadden hier 170.00 ton stenen voor nodig. Toen die stenen boven water kwamen, werd dat met zand en asfalt afgedekt en later kwam daar een weg over. In 1965 was deze dam klaar.
Na de Grevelingen gingen ze naar het Volkerak. Ze bouwden daar een dam tussen Goeree-Overflakkee en Noord-Brabant. Ook kwam daar een brug over het Haringvliet. In het midden komen die dam en die brug bij elkaar. Bij Willemstad kwamen sluizen, zodat de schepen die van het binnenwater komen, naar de havens van Zeeland en in België kunnen varen. In 1969 is de Volkerakdam helemaal klaar.
Na de Volkerakdam begonnen ze aan de Haringvlietdam, die ligt tussen de eilanden Goeree en Voorne. Deze dam was een behoorlijke klus, want de bouw duurde totaal 14 jaar. De zeearm is op dit stuk 4,5 kilometer lang en meer dan tien meter diep. Ook het Haringvliet moest voor de veiligheid worden afgesloten, want met de overstroming had het land hierachter helemaal onder water gestaan.
Maar het water van de grote rivieren moest wel door kunnen stromen naar zee. Er moest dus een opening in de dam blijven. Als er teveel rivierwater is, dan zetten ze de dam open, maar meestal is de dam dicht. Dit noemen ze ook wel spuien.
Middenin het Haringvliet hebben ze sluizen gebouwd. Deze zijn een kilometer lang en ze hebben zeventien openingen. Ze hebben schuiven die aan de kant van de zee en aan de kant van de rivier dicht kunnen. Deze sluizen werden midden in Het Haringvliet met een ringdijk eromheen gebouwd. Het leek wel een soort eiland middenin het water. Toen het klaar was, werd de dijk doorgebroken en stond alles meteen op zijn plaats. In 1971 was alles klaar.
Toen moest er ook nog een dam gebouwd worden om de Grevelingen af te sluiten. Dit werd de Brouwersdam. Deze was 6,5 kilometer lang en op sommige plaatsen wel 30 meter diep. Middenin de zeearm zitten wel wat zandbanken, dus daar is het soms heel ondiep.
Om deze dam te maken gebruikten ze caissons, en ook weer een kabelbaan met stenen. Er waren heel veel stenen nodig. Die kwamen eerst uit het buitenland, maar dat werd toch wel een beetje duur. Daarom zijn ze zelf betonblokken gaan maken. In 1972 was de Brouwersdam af.De Grevelingen is nu een heel rustig meer geworden. Er komen in de zomer heel veel watersporters, omdat er helemaal geen stroming

5A. De Oosterschelde, een moeilijke klus.

Voordat de Brouwersdam af was, waren ze al begonnen met het bouwen van een dam in de Oosterschelde. Dit zou de allergrootste dam van de Deltawerken worden. Deze dam moest 9 kilometer lang worden en loopt tussen Schouwen-Duiveland en Noord-Beveland. Dit zou lastig worden, omdat het water op sommige plaatsen wel 40 meter diep was en er stond een sterke stroming.
Maar er gebeurde iets waar de mensen van de Deltawerken niet op gerekend hadden. De mensen begonnen zich af te vragen of een dam eigenlijk wel zo mooi stond. De mensen uit Zeeland waren dan wel veilig, maar het water achter de dijk zou stil komen te staan en later zoet worden. Hierdoor zouden de vissen uit de Noordzee niet meer kunnen leven en ook de onderwaterplanten niet. De zeevogels zouden geen vis meer kunnen eten, kortom het zou een dooie boel worden
Ik denk dat de mensen het wel goed gezien hadden dat het voor de vogels en vissen niet zo goed was dat al het water zoet zou worden. In De Volkskrant van Maandag 23 februari 1998 stond dit stukje:
Een open zeearm is dus eigenlijk veel beter, maar dan zijn de mensen in Zeeland weer niet veilig. Er is daarover nog een jaar lang ruzie gemaakt, maar uiteindelijk besloot de regering dat ze wat anders gingen bedenken.
Dat plan kwam er eindelijk. Ze gingen toch een dam te bouwen, maar een die open en dicht kon. Zo kon het water uit de Noordzee toch in de Oosterschelde stromen. En als het erg hard ging stormen, dan konden ze die gaten met schuiven afsluiten. Zo’n dam noem je een stormvloedkering.
De stormvloedkering.
Men zou een stormvloedkering van grote betonnen pijlers gaan bouwen. Zo’n pijler is 30- tot 40 meter hoog en hij is van onderen breed en van boven smal. Hierdoor staat hij heel erg stevig op de zeebodem.
Het bijzondere van zo’n pijler is, dat hij op het land gebouwd werd en daarna naar zee werd vervoerd. Dit noem je prefabriceren. Dit houdt in, dat de onderdelen voor een pijler eerst in de fabriek worden gemaakt en daarna als een bouwdoos in elkaar worden gezet. Dit heeft voordelen, want dan gaat de bouw veel sneller. En de bouw had haast, want de regering had de bewoners van Zeeland zo snel mogelijk veiligheid beloofd.
De bouwplaats van de pijlers moest natuurlijk wel een beetje in de buurt van de Oosterschelde liggen. Want dan hoefde je ze niet zo ver te vervoeren. Eén zo’n pijler woog wel 18.000 ton, dat is net zo zwaar als 18.000 auto’s. Men maakte voor de bouw een put in de Oosterschelde van ongeveer één kilometer lang en één kilometer breed. Ze legden een dijk aan en pompten het water eruit en gingen op de drooggevallen zeebodem aan het werk.
De bodem van de put lag 15
meter onder de zeespiegel. Ze hadden wel 66 pijlers nodig voor de stormvloedkering. Toen deze klaar waren, werden ze met een groot speciaal gebouwd schip naar de plaats van bestemming gevaren.
Maar deze zware betonnen pijlers konden ze niet zomaar op de zachte zeebodem neerzetten, dan zouden ze wegzakken of misschien wel kantelen. De zeebodem moest dus eerst verstevigd worden. Daarvoor bouwde men een schip. Die had vier hele lange buizen aan boord die men in de zeebodem kon steken. Als deze buizen diep genoeg in de zeebodem zaten konden ze met machines deze heel hard laten trillen. Daardoor schoven de zandkorrels op de bodem dichter op elkaar en werd de bodem steviger.
Maar de bodem was nog niet sterk genoeg om de pijlers te dragen. Daarom maakten ze hele grote matrassen die ze met zand en grind vulden. Die waren 200 meter lang en 42 meter breed. Deze matrassen werden op een hele grote rol gedaan en met een speciale boot werd dit weer naar de goeie plek gebracht. Vanaf de boot lieten ze dit naar de zeebodem zakken. Voor de zekerheid deden ze hierover nog een kleinere matras, want het moest natuurlijk wel stevig worden.
Toen de pijlers in de bouwput af waren, lieten ze de dijk die eromheen lag doorbreken. Weer een speciale boot kon hier naar binnen varen en de pijlers met dikke stalen kabels optillen. Je noemt zo’n boot een hefboot. Die boot ging elke keer heen en weer om weer een pijler op zijn plaats te zetten. Uiteindelijk stonden er totaal 65 pijlers in de drie stroomgaten.
De pijlers stonden op hun plaats, maar nu was de stormkering nog niet klaar. Nu moesten de op- en neerlaatbare schuiven er nog ingezet worden. Zo’n schuif is 40 meter lang en 11 meter hoog.
Op de poten van de pijler gooiden ze ook nog eens bergen rotsblokken, want die poten mogen natuurlijk niet scheef gaan staan of verzakken.

De schuiven staan bijna altijd omhoog. Alleen als er een zware storm dreigt, dan doen ze de schuiven naar beneden. De eilanden erachter zijn dan veilig.
Het bouwen van deze dam was zo moeilijk, dat het een jaar langer duurde dan ze gepland hadden. Op zaterdag 4 oktober 1986 was de dam klaar. In Zeeland werd er een groot feest gevierd. Staatshoofden uit heel de wereld en alle ministers van Nederland kwamen kijken hoe koningin Beatrix de stormvloedkering officieel in werking stelde.
Doordat er was besloten dat de Oosterschelde in verbinding met de Noordzee moest blijven, moesten er nog twee dammen worden gebouwd, n.l. de Oesterdam en de Philipsdam.
De Oesterdam en de Philipsdam moesten ervoor zorgen dat het zoete water uit de Brabantse rivieren de Mark en de Dintel, niet in de Oosterschelde kwam. Dit is heel erg belangrijk voor de oester- en mosselvissers. Als de dijken dit water niet weghouden zouden al deze dieren doodgaan.
Tussen Zuid-Beveland en Tholen wordt de Oesterdam gebouwd. De Oesterdam loopt vlak langs Bergen op Zoom en er zit een kleine sluis in, zodat de schepen in de haven van Bergen op Zoom kunnen komen.
De Philipsdam loopt tussen de Grevelingendam en Sint Philipsland.
In deze dam zitten grote zeevaartsluizen en daarnaast is een kleinere sluis voor de pleziervaart.
Tussen deze twee dammen is een meer ontstaan, dit is het Zoommeer.
Dat is dus afgesloten van de Oosterschelde. Aan de ene kant van de dam is het water zoet en aan de andere kant van de dam is het water zout. Normaal als er een schip door de sluis vaart, komt er zout water in het zoete water en omgekeerd. Maar de mensen willen dat niet, dus hebben ze speciale sluizen gebouwd, zodat dit niet gebeurt.
Eén zeearm in Zeeland heeft geen dam gekregen en dat is de Westerschelde. Deze moest open blijven omdat anders de schepen niet meer naar de haven van Antwerpen kunnen varen. Ze hebben wel de dijken langs de Westerschelde verhoogd, zodat het daar bij een storm ook veilig is.
6. De stormvloedkering in de Nieuwe Waterweg.

In Zeeland waren nu alle dijken en dammen sterk genoeg om het water bij een zware storm tegen te houden. Nu moest er in Zuid-Holland nog wat gebeuren. Dit konden ze doen door alle dijken daar hoger en breder te maken, maar dat was wel 300 kilometer. Of ze konden het water op één plaats tegenhouden met een stormvloedkering. Ze kozen voor een stormvloedkering in de Nieuwe Waterweg, vlakbij de zee.
De stormvloedkering moest aan een paar eisen voldoen:
1. Als het mooi weer is, moet hij helemaal open zijn, zodat de schepen altijd door kunnen varen, zonder eerst door een sluis te moeten.
2. Als er dan toch een storm op komst is, moet de stormvloedkering binnen minstens een uur te sluiten zijn.
3. Als de storm voorbij is, moet hij binnen een uur weer open kunnen, zodat de scheepvaart snel weer op gang komt en het water van de rivieren weer naar zee kan stromen.
Er kwamen een hele hoop plannen, maar ze kozen voor het plan met de halve draaideuren. Dat leek het veiligst en het goedkoopst.
Dit plan zag er zo uit: Er zouden aan de oevers 2 grote stalen schuiven worden geplaatst, die aan een grote stalen arm vastzitten. Deze arm zit aan een scharnier vast.
Normaal ligt zo’n arm aan de kant in een dok. Een dok is een grote betonnen doos. Als er een storm op komst is, laten ze deze dokken vol water lopen. Dan gaan deze armen drijven, want ze zijn hol van binnen. Dan worden de wanden met reusachtige machines naar elkaar toegeschoven en dan laten ze de deuren op de bodem zakken. Zo krijg je een sterke dam die het water tegenhoudt.
Is de storm voorbij dan pompen ze de deuren weer leeg, waardoor ze gaan drijven. De deuren worden dan weer teruggebracht naar hun dokken op de kant en de schepen kunnen er weer door.
In 1991 was men begonnen met de bouw en in 1997 was deze stormkering klaar.

7. De Deltawerken zijn klaar.

In 1997 was het Deltaplan klaar. Dit heeft bij elkaar 14 miljard gulden gekost. Dit is natuurlijk wel een hele hoop geld, maar het is in Zeeland en Zuid-Holland nu wel veilig bij een zware storm.
Nu dit stuk van Nederland klaar is, is de regering bezig om de rest van Nederland veilig te krijgen voor het water. Ze zijn nu bezig om een heleboel dijken langs de rivieren te verhogen, omdat daar ook gevaar dreigt bij een hoge waterstand.
Nederland is door de deltawerken wereldberoemd geworden. Ze komen overal vandaan om naar de Deltawerken te kijken. Nederlandse bagger- en waterbouwbedrijven krijgen hierdoor in de hele wereld veel werk.

Boekenlijst:

A.J. Boes Zeeland
Dick Schaap Het grootste waterwerk
Dick Schaap Het laatste Deltawerk
F. van Hees Stormvloedkering in de Nieuwe Waterweg
Verkeer en Waterstaat Het Deltaplan
Verkeer en Waterstaat Het Deltaprojekt
Bibliotheek Knipselmap voor de jeugd Deltawerken

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

E.

E.

Heey bas ik vind het een cool werkstuk

Groetjes Elske

19 jaar geleden

J.

J.

ik heb er erg veel aan gehad. Thanx voor er op zetten.

18 jaar geleden

S.

S.

Bas bedankt ik kan veel van je werkstuk gebruiken

17 jaar geleden

A.

A.



@Anoniem: Ik ben het er helemaal mee eens Laura.

6 jaar geleden

L.

L.

Hallo,
Ik heb er heel veel van kunnen leren.
Bedankt!

11 jaar geleden

A.

A.

Bedankt! Dit had ik precies nodig voor mijn hoofdstuk!

10 jaar geleden

A.

A.

hardstikke bedankt

10 jaar geleden

A.

A.

gaaf erg bedankt

10 jaar geleden

S.

S.

goed hoor ik ik ga mijn werkstuk er ook over houden

9 jaar geleden

L.

L.

Leuk werkstuk









9 jaar geleden

L.

L.

bedankt voor al de goede info ik heb er heel veel dingen in me werkstuk van kunnen gebruiken!!!!!!!! groetjes

9 jaar geleden

S.

S.

Hallo bedankt nu kan ik kijken wat ik nog mis in mijn werkstuk

8 jaar geleden

?.

?.

ik heb het zelfden

8 jaar geleden

J.

J.

goed werkstuk

7 jaar geleden

R.

R.

bas ik heb heel veel aan je werkstuk gehad we hebben een 10 dankje bas

6 jaar geleden

L.

L.

inderdaad

6 jaar geleden

H.

H.

:)

6 jaar geleden

H.

H.

goed stuk bas! door jou heb ik 5 goede hoofdstukken dank je
:) :) :)

6 jaar geleden

H.

H.

pizza

5 jaar geleden

J.

J.

Goeie website

4 jaar geleden

een scholier

een scholier

wat heef deltawerken met een zee-armen te maken?

1 jaar geleden