Alleen vmbo'ers gezocht! Waar denk jij aan bij duurzaamheid? Vul de vragenlijst in en maak kans op een Bol.com bon van 15 euro

Meedoen

De 6 landschappen in Nederland

Beoordeling 6.4
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • Klas onbekend | 2012 woorden
  • 5 juni 2001
  • 452 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.4
  • 452 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Inleiding
Voor het maken van dit werkstuk heb ik de zes belangrijkste landschappen in Nederland onderzocht.
Er zijn twee verschillende soorten landschappen; natuurlandschap en ingericht landschap.
Eigenlijk hebben we in Nederland alleen maar met ingerichte landschappen te maken.
In een natuurlandschap merk je weinig van mensen. Het is ook bijna niet bewerkt door mensen.
Voorbeelden van natuurlandschappen:
- Het poollandschap aan de zuidpool.

- De tropische regenwouden bij de evenaar, althans grote delen. Er zijn ook al veel delen van de regenwouden bewerkt door middel van de mens. Er worden bomen gekapt en stukken land afgebrand.
- De woestijnen in Afrika, China enz.
In een natuurlandschap zie je alleen maar natuurlijke elementen. Dat zijn onderdelen van het landschap die door de natuur zijn gemaakt. Voorbeelden hiervan zijn bergen en rivieren.
Ingerichte landschappen zijn door de mensen aangelegd. Deze landschappen zijn dus heel erg bewerkt door mensen. Voorbeelden van ingerichte landschappen:
- Het stadslandschap
- Een landbouwlandschap, de mens heeft daar de weilanden en de sloten aangelegd
Het landschap is opgebouwd door inrichtingselementen. Dit betekent niet dat een ingericht landschap geen natuurlijke elementen bevat. Het is ingericht door wegen, gebouwen, akkers, maar kunnen ook nog rivieren zijn.
Ik heb mijn informatie uit het lesboek, het basisboek en van internet gehaald.

Het Zandlandschap
Er zijn verschillende soorten zandlandschappen, dit zijn de belangrijkste in Nederland:

1 stuwwallenlandschap
2 het dekzandlandschap

Stuwwallenlandschappen:
Tijdens de ijstijden in het Pleistoceen kwam Nederland droog te
liggen. Rivieren als de Maas en de Rijn werden overdekt door zand en grind. Ze hadden toen veel meer water dan tegenwoordig, hierdoor konden ze veel grof materiaal meenemen.
Tijdens de een na laatste ijstijd kwam de ijskap uit Scandinavië tot en met Midden-Nederland. Op dat moment waren er alleen nog maar losse ijstongen over. Doordat deze door rivierdalen zich een weg zochten, stuwden ze de oevers van deze rivieren op tot heuvelruggen van soms 200 meter hoog; de stuwwallen. Dit zorgde er dus ook voor dat ze alleen maar uit zand en grind bestaan.
Stuwwallen vind je o.a. in Drenthe (Hondsrug), in Overijssel ( Lemelerberg en Sallandse Heuvelrug) en in Utrecht ( Utrechtse Heuvelrug).
Zandlandschappen hebben meer reliëf dan klei- en veenlandschappen. Dit heuvelachtige van zandgronden heeft gevolgen voor de begroeiing. Het regenwater zakt diep weg in het grove zand en grind. Een stuwwal zoals de Sallandse Heuvelrug is dus te droog voor akkerbouw.
Vanaf de Middeleeuwen was er vooral hei, maar in de 19e eeuw is er bos geplant. Op de stuwwallen vind je nu nog steeds hei en bos.

Deklandschappen.
Deze omvatten het grootste deel van de zandlandschappen. Ze zijn ontstaan tijdens de laatste ijstijd. Toen bereikte het Scandinavische ijs Nederland niet, maar het werd er wel zo koud er bijna niks meer groeide. De wind liet de onbegroeide bodem geweldig stuiven, hierdoor werden grote delen van Nederland bedekt met dekzand.
Dekzandlandschappen zijn zwak golvend. Het zand is fijner dan het zand van de stuwwallenlandschappen.
Door deklandschappen lopen vrij brede beken die vroeger zijn ontstaan voor de afvoer van veel water. Ze zijn nu wel minder breed dan vroeger.
Dekzand is wél geschikt voor akkerbouw, want omdat het fijner is, houdt het ook meer regenwater vast. Dat zorgt dus voor een vruchtbare grond.

Zeekleilandschap
Zeekleilandschappen vind je vooral in kustgebieden. Het is beginnen te vormen aan het begin van het Holoceen.

Zeekleilandschappen in het noorden van Nederland bij de Waddenzee:
Ze (zijn) ontstaan daar, doordat twee keer per dag het eb is, dan staat het wad droog en als het vloed is (twee keer per dag), stroomt het wad onder. Het zeewater laat elke keer een kleilaagje achter. Hierdoor wordt het wad steeds een stukje hoger. Dan stroomt het bij normale vloed niet meer onder. Op den duur gaan er dan ook planten groeien. Maar bij hoge vloed stroomt het wel weer onder. Zo’n stuk land wordt een kwelder genoemd. Ongeveer 3000 jaar geleden woonden hier al mensen.
Om zich te beschermen tegen de overstromingen bouwden ze zelfgemaakte heuvels; de terpen.
Ongeveer 1000 jaar geleden gingen de mensen op de kwelder zich nog beter beschermen door zeedijken te bouwen. Zo’n stuk land wat bedijkt is heet een polder. Op veel plaatsen zijn later deze dijken vervangen door nieuwe dijken.
Aan de oppervlakte van zo’n stuk land ligt jonge zeeklei ( = klei die er de laatste 2500 jaar door de zee is achtergelaten). Deze grond is heel vruchtbaar en dus goed geschikt voor akkerbouw. En daarom werd tot nog niet zo lang geleden op deze manier landbouwgrond gewonnen, maar nu is dat niet meer nodig. De kwelders laat men nu rusten, zodat vogels en andere dieren er rustig kunnen leven.
In het noorden van Nederland wordt de zeeklei nog steeds heel veel gebruikt voor de landbouw.

Zeekleilandschappen in Noord-Holland.
Bij Alkmaar was de zee bij rustig weer heel kalm. In dat water wat stilstond kon de zeeklei naar de bodem zakken. Na eeuwen was deze laag zo hoog geworden dat bij hoog water het niet meer onderstroomde. Men besloot er toen een dijk omheen te leggen. Ze hadden er een stuk grond bij: een polder.
De grond wordt daar vooral gebruikt voor akkerbouw.

Het Rivierkleilandschap
Toen na de laatste ijstijd de temperatuur was gestegen werd de afvoer via de rivieren regelmatiger. De verwilderde rivieren veranderden in meanderde rivieren.
De meanders hadden smallere beddingen. Bij hoge waterstand traden ze buiten hun oevers. Bij deze overstromingen werd klei en zand afgezet. Zand werd als eerste afgezet en kwam daardoor vlak naast de rivier terecht en daardoor ontstonden zanderige oeverwallen.
Verder van de rivier af werd klei afgezet in kommen, daar is de stroming minder sterk. De komgronden liggen lager, omdat klei meer water kan bevatten en op den duur gaat het dan inklinken. De komgronden zijn ook natter dan de oeverwallen, omdat deze lager liggen.
In de Middeleeuwen begon met het aanleggen van tegen de overstromingen van de rivieren, maar deze dijken doorbraken nog wel eens. Hierdoor ontstonden wielen. Dat zijn een soort kuilen in de grond naast de doorbroken dijk. In de tweede helft van de Middeleeuwen begon men ook met het aanleggen van kanalen voor de waterafvoer.
Tegenwoordig heeft de mens voor veel betere bescherming tegen de overstromingen gezorgd. Vlak naast de rivier ligt een laag dijkje; de zomerkade. Een eind verder ligt een hoge dijk; de bandijk. Deze dijk is ongeveer 8 meter hoog. Tussen de twee dijken liggen de uiterwaarden. Normaal liggen deze uiterwaarden droog.
Alleen bij hoog water overstromen deze stukken land. De rivier legt er dan zand neer. De uiterwaarden worden meestal gebruikt om vee in te laten grazen.
De komgronden worden nu gebruikt als hooilanden en weilanden.
In de buitenbochten van de rivieren heeft men loodrecht op de oever stenen dammetjes ( kribben) aangelegd. Dit is om het uitslijpen van de bochten te voorkomen. Dit gebeurt namelijk, want het is in de buitenbochten het diepst en het stroomt er ook het hardst.
De verschillen tussen klei en zand hebben in de rivierkleilandschappen gezorgd voor reliëf.

Het Veenlandschap
Veenlandschap is na de andere 4 landschappen ontstaan. Het bestaat uit 2 soorten: hoogveenlandschap en laagveenlandschap. Het is ontstaan tijdens het Holoceen. Toen begon het warmer te worden, het werd vochtiger en het grondwaterpeil steeg.

Laagveenlandschappen zijn ontstaan in gebieden waar het grondwater hoog stond en in gebieden die onder water lagen.
Langzamerhand begonnen daar steeds meer planten te groeien. Het groeide zelfs helemaal dicht. De dode planten zakte in het water weg maar vergingen niet. Er groeiden bovenop weer nieuwe planten en ook bomen; er ontstond een moerasbos. De dode plantenresten werden in de loop der jaren helemaal in elkaar geperst en er ontstond een dikke laag veen. Laagveenlandschappen liggen dan ook onder de zeespiegel, in Laag-Nederland.
Je vindt dit in Friesland en ook in Utrecht en in Holland.
Het laagveenlandschap is op 2 manieren gebruikt. Ten eerste voor turfwinning. Turf kreeg men door het veen te drogen
Waar turf werd afgegraven stroomde het land meteen onder. Men deed het dan ook in roeibootjes. Ze groeven honderden meters lange geulen uit, de veenbagger werd op de kant gegooid. Ze lieten het drogen en begonnen aan de andere kant met een nieuwe geul.
Zo ontstonden smalle stroken water naast smalle stroken land. Soms als het heel hard stormde sloegen deze landstroken kapot en ontstonden er grote plassen. Bijvoorbeeld de Loosdrechtse Plassen.
Ten tweede werd het laagveenlandschap voor de landbouw gebruikt.
Rond het jaar 1000 begon men met het graven van sloten richting rivieren zodat het water uit het veen stroomde.
Ze legden er akkers en weilanden op aan. Dit waren lange stroken met sloten ernaast.
De huizen werden aangelegd op dijken omdat de bodem te slap was om op te bouwen. Holland en Utrecht zijn zo langzaam ontwaterd. Hierdoor zakte het veen in elkaar en kwam het dus lager te liggen, ongeveer 2 meter onder de zeespiegel. De grond is daardoor te nat voor de akkers en wordt alleen nog maar gebruikt voor grasland voor de veeteelt. Dat is nu nog steeds het geval. Het regenwater moet uit het laagveengebied worden gepompt, want het stroomt niet meer vanzelf naar de zee door de lage ligging.

Hoogveenlandschappen zijn ontstaan onder invloed van neerslag. Het regenwater kon op sommige plaatsen niet goed in de grond wegzakken. Daardoor werd de bodem zuur en konden de plantenresten niet goed wegzakken. Hier zijn mossen en andere planten op gaan groeien en daardoor werd net als bij de laagveengebieden de plantenresten in de loop van de jaren samengeperst en ontstond er dus veen. Hoogveenlandschappen liggen boven nap vandaar dat het veen ervan hoogveen wordt genoemd. Het ligt in Hoog-Nederland.
Bij Musselkanaal vond je ook hoogveen. Vanaf de 17e eeuw ging men het veen daar afgraven. Ze deden dat door vanuit Groningen en kanaal te graven naar het veenmoeras daar. Daardoor kon het water uit het veen weglopen. Het veen kon drogen en de turf werd eruit gestoken. Het kanaal was ook bestemd voor turfschepen, want deze konden zo naar de stad toe.
Langs deze kanalen werden huisjes voor de turfstekers gebouwd. Vandaar dat dorpen zoals Stadskanaal en Musselkanaal heel langwerpig zijn opgebouwd.
Kanalen werden steeds meer aangelegd en bijna al het veen werd afgegraven. De zandgrond die eronder lag kwam zo dus weer aan de oppervlakte. De kwalitatief slechte veenresten werden op dat zand achter gelaten en dat ging met elkaar mengen. De grond die toen ontstond bleek hele goede landbouwgrond te zijn. Dalgrond heet het. Het werd en nu nog steeds eigenlijk alleen maar voor akkerbouw gebruikt.

Het Lösslandschap
De ondergrond van Zuid-Limburg bestaat vooral uit mergelkalk. Dit is hier miljoenen jaren geleden ontstaan heel Nederland was toen bedekt met tropische zee. De koraalriffen die daar waren bestonden uit kalk van de dode diertjes die daarin leefden. Later is het kalk gaan verstenen waardoor de ondergrond dus nu uit mergelkalk bestaat. Dit werd al bij de Romeinen gebruikt om gebouwen van te maken. Je kunt nu nog steeds zien dat er gebouwen hiervan zijn gebouwd. Je vindt in bijvoorbeeld Maastricht en Heerlen.
Net als alle andere rivieren in Nederland heeft ook de Maas zand en klei afgezet.
Tijdens de laatste ijstijd is Zuid-Limburg door de wind ondergestoven door heel fijn zand; löss. Dit gebeurde daar om dezelfde reden als in de rest van Nederland ( zie zandlanden).
Het is helemaal hier heengestoven, omdat het heel licht was, lichter dan zand, en daardoor kwam het heel ver in Nederland terecht. Het is neergelegd in de luwte van de heuvels daar.
Alleen hier in Nederland vind je löss.
In Zuid-Limburg vind je heuvels. Dit komt omdat de Maas en haar zijrivieren hier dalen in hebben uitgesneden. De meeste heuvels zijn bedekt met Löss. De Maas heeft naast de rivieren zand en grind neergelegd.
Löss is vruchtbaar en het houdt ook regenwater goed vast. Er kunnen dan ook wel akkers aangelegd worden op de Limburgse heuvels, alleen gebeurt dit meestal niet. Löss is erg gevoelig voor bodemerosie, dus een akker op een helling is riskant (bodem spoelt daardoor snel weg). De hellingen worden daarom erg beplant gehouden om de grond vast te houden. Dit gebeurt door middel van bossen, boomgaarden en gras.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

P.

P.

hoi!

Ik moet ff zeggen dat je werkstuk op scholieren.com echt wel goed , teminnste ik had er wat aan.

pim

20 jaar geleden

M.

M.

hey lizzy,

ik kon je werkstuk goed gebruiken want e moesten een muurkrant maken over rivierkleilandschap

-xxx- moniek

19 jaar geleden

A.

A.

Er ontbreekt het duinlandscap ??

19 jaar geleden

A.

A.

Leuk werkstuk

maar er ontbreekt het duinlandscap ??

19 jaar geleden

S.

S.

goed werkstuk joh, klasse!!!!

19 jaar geleden

W.

W.

bedankt voor je werkstuk hehe:D kisses somebody

19 jaar geleden

I.

I.

goed zo

18 jaar geleden

G.

G.

mooi gedaan ik heb er veel aan gehad :D

groetjes ger en joost

18 jaar geleden

B.

B.

kunt je mij vertellen waar heb je deze informatie gehaald

ik bedoel de site

Merci

17 jaar geleden

N.

N.

best wel een goed werkstuk maar mog het niet van mijn moeder over tikken dus heb ik alleen de titels want dat wist ik niet ..
doeidoei lizzy

17 jaar geleden

�.

�.

kep r nie feel an gehad mar kmoes ies hebbe over zeekleilandschap ik heb ur 1 zinuttje uit

liefs!!!!!!!!!!!!!!!!!!

diddllover

17 jaar geleden

M.

M.

ietswat onoverzichtelijk, maar heb er wel wat info uit kunnen halen.

11 jaar geleden