Tacitus: Annales XIV 1-11
14.1.1. Tijdens het consulaat van Gaius Vipstanus en Gaius Fonteius heeft Nero een misdadig plan waarop hij lange tijd had gebroed, niet langer uitgesteld. Zijn overmoed nam toe met de ouderdom van zijn regering en hij zelf werd met de dag meer en meer verliefd op Poppaea, die, zolang Agrippina leefde, niet moest hopen dat Nero met haar zou trouwen en scheiden van Octavia. Dus beschuldigde zij de vorst met herhaaldelijke beschuldigingen/verwijten, soms onder geestigheid(=spottend), en noemde hem een onmondige knaap die onderworpen was aan andermans bevelen en dat aan hem niet alleen gezag, maar zelfs vrijheid ontbeerde.
14.1.2. Want waarom werd een huwelijk met haar uitgesteld? Haar uiterlijk stond hem natuurlijk niet aan en de triomftochten van haar voorouders. Of haar vruchtbaarheid en openhartigheid?


14.1.3. Er werd gevreesd dat zij, als ze eenmaal zijn vrouw was, hem het onrecht aan de senatoren en de woede van het volk tegenover de arrogantie en hebzuchtigheid van zijn moeder zou tonen.
14.1.4. Maar als Agrippina geen schoondochter kon verdragen tenzij één die bij haar zoon gehaat was, dan moest zij maar weer hersteld worden in haar huwelijk met Otho: ze zou liever waarheen dan ook ter wereld gaan, waar ze alleen hoort over de mishandelingen van de keizer, dan zijn gevaren te zien en erin meegesleept worden.
14.1.5. Tegen deze redeneringen, die diepe indruk maakten door de tranen en kunst van de echtbreekster, verweerde niemand zich omdat allen verlangden dat de macht van de moeder wordt verbroken en omdat niemand geloofde dat de zoon zo gehard was met haat dat hij haar zou vermoorden.
14.2.1. Cluvius schrijft dat Agrippina in haar begeerte om haar macht te behouden zover gegaan is dat ze zich vaker opgemaakt en bereid tot incest aan de dronkaard aanbood, midden op de dag, omdat Nero dan door wijn en eten wellustig begon te worden; en dat, toen de mensen in hun omgeving de wellustige kussen en de liefkozingen, voorbode van de schanddaad, al opmerkten, Seneca tegen de vrouwelijke verlokkingen een andere vrouw als oplossing heeft gezocht, en hem de vrijgelatene Acte gestuurd heeft die, tegelijkertijd bezorgd om haar eigen gevaar en bezorgd voor de schande voor Nero, hem moest mededelen dat de incest algemeen bekend was nadat zijn moeder er zich op had beroemd en dat het leger geen gezag zou verdragen van een goddeloze keizer.
14.2.2. Fabius Rusticus vermeldt dat het verlangen hiernaar niet bij Agrippina maar bij Nero lag en dat het door de list van dezelfde vrijgelatene verijdeld is.
14.2.3. Maar de overige historici hebben hetzelfde overgeleverd als Cluvius en de algemene opinie neigt hier ook naar, hetzij Agrippina inderdaad het idee voor een zo afschuwelijke wandaad heeft uitgevonden,hetzij het overwegen van zo'n ongehoorde lust bij haar geloofwaardiger scheen omdat ze in haar jeugdige jaren aan ontucht had schuldig gemaakt met Marcus Lepidus in de hoop op macht, en zich met gelijke begeerte had verlaagd tot de lusten van Pallas en zich geoefend had in elke ontucht in het huwelijk met haar oom.
14.3.1. Dus begon Nero geheime ontmoetingen met haar te vermijden en wanneer ze zich afzonderde in de tuinen of op haar domein in Tusculum of Antium, prees hij haar omdat ze rust zocht.


14.3.2. Maar uiteindelijk, waar ze ook verbleef, vond hij haar toch erg drukkend en hij besloot haar te doden. Hij beraadslaagde enkel nog of hij vergif, een zwaard of een ander geweld ging gebruiken.
14.3.3. Het vergif beviel hem het eerste.
14.3.4. Maar als het tijdens de maaltijd van de keizer zou worden gegeven, kon het niet aan het toeval toegeschreven worden omdat Britannicus zo al was gestorven; en het scheen gewaagd dienaars van de vrouw erbij te betrekken omwille van haar ervaring met misdaden en ze op haar hoede was voor hinderlagen; en ze had haar lichaam beschermd door op voorhand zelf tegengif in te nemen.
14.3.5. Niemand kon bedenken hoe een moord met het zwaard verborgen kon worden; ze vreesden dat iemand uitgekozen voor zo’n grote misdaad de bevelen naast zich neer zou leggen.
14.3.6. De vrijgelatene Anicetus bood zijn vindingrijkheid aan; hij was de vlootcommandant bij de Misenumhaven en hij was de opvoeder van Nero in zijn kinderjaren geweest en hij haatte Agrippina evenwel als zij hem haatte.
14.3.7. Hij legde dus uit dat er een schip kon worden gebouwd waarvan een deel door een techniek in zee zelf losgemaakt kon worden, zodat de onwetende in het water zou verdwijnen, hij legde uit “niets is zo onderhevig aan wisselvalligheden als de zee en als ze onderschept zou worden na een schipbreuk wie is er dan zo onrechtvaardig dat hij aan een misdaad zal toeschrijven wat de wind en de golven hebben misdreven? De keizer moest voor de gestorvene tempels oprichten en altaren en andere dingen om zijn genegenheid voor haar te tonen.
14.4.1. Deze listige aanval beviel hem, daarbij geholpen door het tijdstip wanneer hij de Minervafeesten te Baiae vierde.
14.4.2. Daar lokte hij zijn moeder naar toe, herhaaldelijk zeggend dat je grillen van ouders gedragen moesten worden en dat je hun gemoed moest behagen, aangezien hij hoopte dat het gerucht van een verzoening zou ontstaan en dat Agrippina dat zou aanvaarden met de gemakkelijke lichtgelovigheid van een vrouw bij vreugde.
14.4.3. Van hier kwam hij Agrippina tegemoet naar de kust (want zij kwam aan uit Antium), ontving haar met open armen en een omhelzing en begeleidde haar naar Bauli.
14.4.4. Dit is de naam van een landgoed dat, gelegen tussen Kaap Misenum en het meer van Baiae, binnenwaarts gebogen bespoeld word door de zee. .
14.4.5. Tussen de anderen stond er een mooier versierd schip, alsof ook dit ter ere van zijn moeder werd aangeboden: zij was immers gewend om met een driedekker te varen met marinesoldaten voor het roeien.
14.4.6. En toen was ze uitgenodigd voor een feestmaal om de nacht af te wachten om de misdaad te verbergen.
14.4.7. Het staat wel vast dat er een verrader is opgetreden en dat Agrippina, na het horen over de hinderlaag, onzeker of ze het moest geloven, met een draagstoel naar Baiae overgevoerd is.
14.4.8. Daar heeft vleierij haar vrees weggenomen: ze is vriendelijk ontvangen en links van hem geplaatst.
14.4.9. Nero hield meerdere gesprekken met haar, nu eens met een jongensachtige vertrouwelijkheid en dan weer ernstig alsof hij haar belangrijke dingen wilde mededelen. Nadat het feestmaal zolang gerekt was, begeleidde hij haar terwijl zij wegging, met een diepe blik en een omhelzing, hetzij om zijn geveins ten top te voeren, hetzij de laatste aanblik van zijn moeder, die ging sterven, zijn gemoed, hoewel wreed, deed aarzelen.
14.5.1. De nacht was helder door sterren en de zee stil door kalmte, alsof de goden, om de misdaad te bewijzen, het hadden aangeboden.
14.5.2. En het schip was niet ver gekomen, terwijl twee uit het aantal vertrouwelingen Agrippina vergezelden, waaronder Creperius Gallus (die helemaal niet ver van het roer afstond) en Acerronia (die, gelegen over de voeten van de rustende, zich vol blijdschap het berouw van de zoon en het terugkrijgen van de gratie van de moeder herinnerde), toen, nadat het teken werd gegeven, het dak (verzwaard met veel lood) op die plaats in stortte. Creperius is platgedrukt en meteen overleden: Agrippina en Acerronia zijn beschermd door de wanden van het bed, die toevallig te sterk waren om onder de last te bezwijken.
14.5.3. Het uiteenvallen van het schip is hier niet op gevolgd, omdat alles in de war was en omdat veel onwetenden de medeplichtigen voor de voeten liepen.
14.5.4. Het scheen vervolgens de roeiers een goed idee om naar een kant over te hellen en zo het schip tot zinken te brengen: maar omdat ze niet zelf een plan klaar hadden bij de plotselinge situatie, en de anderen tegengewicht boden, gaven zij gelegenheid voor een zachte val in zee.
14.5.5. Vervolgens is Acerronia gedood met roeiriemen en vaarbomen en wat er toevallig aan scheepstuig voorhanden was, toen zij, onvoorzichtig, riep dat zij Agrippina was en dat de moeder van de keizer gered moest worden. Agrippina, stilletjes zwemmend en daardoor minder herkend (hoewel zij toch een wond aan haar schouder ontving), is vervolgens door een toesnellend vissersbootje naar haar villa, gelegen aan het Lucrinusmeer, gebracht.
14.6.1. Daar overdacht ze hoe ze hiervoor door een bedrieglijke brief was uitgenodigd en behandeld met voorname eer, en dat het schip langs de kust lag, niet door de wind bewogen, niet tegen de rotsen omgeslagen, dat het bovenste deel van het schip het begeven had, als een technische stunt op het land; en terwijl ze aan de moord op Aceronia dacht, keek ze tegelijk naar haar eigen wond en besefte dat het enige middel tegen hinderlagen was, als ze niet doorzien werden; toen stuurde ze de vrijgelatene Agermus om haar zoon te berichten dat ze door de welwillendheid van de goden en haar geluk een rampzalig noodlot ontlopen was: dat ze hem smeekte, hoewel hij zeer verschrikt was door het gevaar voor zijn moeder, zijn zorg om te bezoeken moest uitstellen; ze had nu behoefte aan rust.
14.6.2. En intussen, veiligheid veinzend, gebruikte ze geneesmiddelen voor haar wond en rust en warmte voor haar lichaam; ze beval dat het testament van Acerronia werd gezocht en haar bezittingen werden verzegeld en dit niet door geveins.
14.7.1. Maar aan Nero, die wachtte op de boodschap van een voltooide misdaad, werd bericht dat ze was ontsnapt, slechts gewond met een lichte slag, maar zozeer in gevaar was gebracht dat ze niet moest twijfelen over de stichter.
14.7.2. Toen raakte Nero buiten zinnen van angst en verzekerde dat ze elk moment op wraak azend kon verschijnen, hetzij ze haar slaven zou bewapenen of het leger zou ophitsen, hetzij ze zou binnendringen in de senaat en volksvergadering om daar ter verwijten over de schipbreuk en haar verwonding en het doden van haar vrienden.
14.7.3. Wat voor hulp had hij daar tegenover, tenzij Burrus en Seneca? Die had hij dadelijk wakker gemaakt en ontboden, het is onzeker of zij er hiervoor ook op de hoogte mee waren.
14.7.4. Dus hielden ze zich allebei lange tijd stil, om niet tevergeefs af te raden of misschien meenden ze dat het hiertoe was afgedaald dat Nero moest sterven tenzij Agrippina werd verhinderd.
14.7.5 Daarna is Seneca in zoverre vastberaden geweest dat hij Burrus aankeek en vroeg of de moord aan een soldaat bevolen kon worden.
14.7.6. Hij antwoordde dat de keizerlijke lijfwacht verbonden was met het héle keizerlijk huis en dat ze, Germanicus indachtig, niets wreeds tegen zijn afstammeling durfden te ondernemen: Anicetus moest zijn beloften voltooien.
14.7.7. Deze eiste zonder aarzelen de voltooiing van de misdaad op.
14.7.8. Op deze uitspraak verklaarde Nero dat op die dag aan hem de macht gegeven werd en dat de schenker van zo’n beloning een vrijgelatene was: hij moest gauw gaan en degenen die het meest aan zijn bevel gehoorzaamden, meenemen/leiden.
14.7.9. Zelf bereidde hij, toen hij gehoord had dat de bode Agermus, in opdracht van Agrippina, aangekomen was, uit eigen beweging een geveinsde vertoning van een misdaad voor, want, terwijl Agermus zijn opdracht volbracht, wierp Nero een zwaard tussen zijn voeten en beval toen dat hij, als het ware betrapt, in de boeien moest worden geslagen om het verzinsel te verspreiden dat zijn moeder de dood van de keizer beraamd had en dat ze uit schaamte over de ontdekking van de misdaad, zelfmoord had gepleegd.
14.8.1. Omdat intussen het gevaar van Agrippina, als het ware door toeval gebeurt, bekend geraakte, rende iedereen, zodra hij het vernam, naar de kust.
14.8.2. Sommigen klommen op de pieren, anderen beklommen de dichtbijgelegen bootjes; weer anderen liepen de zee in zo ver als hun lichaamslengte dat toeliet; enigen strekten hun handen voor zich uit. Met jammerklachten, gebeden en geroep van mensen die verschillende dingen herhaaldelijk vroegen of onverstaanbare antwoorden gaven werd de hele kust gevuld; een reusachtige menigte kwam met fakkels toestromen en, zodra bekend was dat ze ongedeerd was, zich gereedmaakte als om haar geluk te gaan wensen, totdat ze door de aanblik van gewapende soldaten en een dreigende colonne uiteengedreven werden.
14.8.3. Anicetus stelde een bewaking op rond het landgoed, liet de toegang openbreken en sleepte de slaven weg die in de weg liepen, om zo bij de deur van de slaapkamer te komen; daar stonden enkelen, de anderen waren opgeschrokken en gevlucht uit vrees voor de indringers.
14.8.4. De slaapkamer was weinig verlicht en er was één dienares aanwezig, terwijl Agrippina steeds angstiger werd omdat niemand door haar zoon was gestuurd, en Agermus niet was teruggekomen: de aanblik van een gunstig verloop zou toch wel anders zijn; nu was er slechts eenzaamheid, onverwacht lawaai en voortekens van zeer groot onheil.
14.8.5. Nadat ook de slavin vertrok, zei ze "Laat ook jij mij in de steek?", merkte ze Anicetus op, vergezeld van de kapitein Herculeius en Obaritus, de centurio van de vloot. Als hij kwam om te bezoeken, had hij haar herstel kunnen melden, als hij de misdaad wilde volbrengen, geloofde ze niet dat het over haar zoon ging (dat haar zoon er iets mee te maken had); hij had de moedermoord niet bevolen.
14.8.6. De moordenaars kwamen om het bed heen staan en als eerste heeft de kapitein haar hoofd met een knuppel getroffen.
14.8.7. Nadat de centurio zijn zwaard al had getrokken om haar te doden stak zij haar onderbuik naar voren en riep uit "Steek in mijn buik" en met veel verwondingen is zij gedood.
14.9.1. Dit wordt eenstemmig overgeleverd. Maar dat Nero zijn levensloze moeder heeft bekeken en de schoonheid van haar lichaam geprezen heeft, hebben sommigen bevestigd, en hebben anderen ontkend.
14.9.2. Ze is in dezelfde nacht gecremeerd op het aanligbed en met een armzalige uitvaart; en zolang Nero aan de macht was, is er geen omheinde grafheuvel voor haar opgeworpen.
14.9.3. Later heeft ze door de zorg van dienaars een kleine grafheuvel gekregen in de buurt van de weg naar Misenum en het landgoed van de dictator Caesar, dat, zeer hoog gelegen, uitzicht biedt op de laag gelegen baai.
14.9.4. Nadat de brandstapel was aangestoken, heeft haar vrijgelatene met de bijnaam Mnester zichzelf met het zwaard doorstoken, waarbij onzeker is of het uit genegenheid jegens zijn meesteres was of uit vrees voor de dood.
14.9.5. Dit einde van haar had Agrippina al vele jaren tevoren geloofd en zij had het veracht.
14.9.6. Want nadat zij astrologen had geraadpleegd over Nero, antwoordden ze dat hij keizer zou worden maar zijn moeder zou doden; en zij zei: "Laat hem maar doden, als hij maar keizer wordt".
14.10.1. Maar pas nadat de misdaad voltooid was, is de omvang ervan doorgedrongen bij de keizer.
14.10.2. De rest van de nacht wachtte hij, nu eens onbeweeglijk door de stilte, vaker in angst overeind komend en radeloos van geest, het daglicht af als zou dat hem zijn einde bezorgen.
14.10.3. En op initiatief van Burrus heeft eerst de vleierij van centurio's en tribunen hem hoop gegeven, doordat ze zijn hand grepen en hem feliciteerden dat hij aan zo'n onverwacht gevaar, namelijk de misdaad van zijn moeder, ontsnapt was.
14.10.4. Hierop bezochten zijn vrienden de tempels en, nadat dit voorbeeld begonnen was, betuigden de omringende stadjes van Campanië hun vreugde door middel van offerdieren en gezanten: zelf veinsde hij droefheid en was als het ware verbitterd over zijn ongedeerd zijn (hij niet dood, zij wel) en vergoot tranen over de dood van zijn moeder.
14.10.5. Maar omdat het uitzicht van plaatsen zich niet, zoals mensengezichten, laat veranderen, en de aanblik van die zee en kust zich zwaar vertoonde voor hem (er waren er die geloofden zelfs dat trompetgeschal te horen was op de hoog gelegen heuvels rondom en geweeklaag bij het graf van zijn moeder) is hij uitgeweken naar Napels en heeft een brief naar de senaat gestuurd, waarvan de kern was dat een moordenaar, Agermus, uit de innigste van Agrippina’s vrijgelatenen, met een zwaard betrapt was en dat zij geboet had door schuldbesef omdat zij als het ware de misdaad optouw gezet had.
14.11.1. Hij voegde hieraan nog andere beschuldigingen uit een ver verleden toe: dat zij op een deelgenootschap in de macht gehoopt had en dat de keizerlijke lijfwacht de eed van trouw aan een vrouw zou afleggen en dat ze dezelfde schande voor de senaat en het volk verlangd had, en dat zij, na hierin teleurgesteld te zijn, verbitterd tegenover soldaten, senatoren en volk een geschenk en voedseluitdeling afgeraden had en processen had beraamd tegen vooraanstaande burgers.
14.11.2. Hoeveel moeite had het hem niet gekost, dat zij het senaatsgebouw niet binnendrong, en dat ze geen antwoord gaf aan buitenlandse stammen. 14.11.3. Ook in een zijdelings verwijt op de tijd van Claudius droeg hij alle schanddaden van zijn heerschappij over op zijn moeder waarbij hij haar dood een geluk voor de staat noemde.
14.11.4. Want hij vertelde ook over de schipsbreuk: wie werd er gevonden zo stompzinnig te zijn, dat die gelooft dat het toeval was geweest?
14.5.5. Of dat door een vrouw, een schipbreukeling eentje met een wapen gestuurd was, die zich met geweld een weg moest banen door de cohorten en zeevloten van de keizer?
14.11.6. Dus was het niet alleen Nero, wiens onmenselijkheid de klachten van allen overtrof, maar ook Seneca over wie geruchten waren, dat hij de goedkeuring had getekend voor zo’n bewoordingen.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.