Eerste Catilinarische redevoering: Vertaling



§1: Hoelang nog, Catilina, zul je ons geduld misbruiken? Hoelang nog zal die blinde woede van jou ons belachelijk maken? Tot aan welke grens zal jouw teugelloze grootmoed zich strekken? Raakt noch de nachtelijke bezetting van de Palatijn, noch de stadswachten, noch de vrees van het volk, noch de bijeenkomst van de alle vooraanstaande burgers , noch deze versterkte plaats waar we een senaatsvergadering houden, noch de blikken en de houding van deze senatoren je niet? Voel je dan niet dat jouw plan openstaat? Zie je dan niet hoe de samenzwering, waar iedereen hier van weet, van af nu volkomen is lamgelegd? Meen je dat we niet weten wat je vorige nacht en de nacht daarvoor gedaan hebt, waar je geweest bent, met wie je samengekomen bent, welk plan je beraamd hebt?



§2: Wat een tijden! Wat een verval van zeden! De senaat begrijpt dit. De consul ziet het. Maar toch leeft hij. Hij leeft? Wat zeg ik? Hij komt zelfs in de senaat. Hij mag deelnemen aan senaatsvergaderingen, hij merkt en veroordeelt met z’n ogen elk van ons aan tot de dood. Maar wij echter, dappere mannen, lijken genoeg te nemen als we deze razernij tegen de staat kunnen vermijden. Het was nodig dat je al ter dood was gebracht, Catilina, op bevel van de leiders, het verderf dat je al ruime tijd voor ons gepland had, zou zich tegen jou moeten keren.





§3: Is het soms niet waar dat een zo achtenswaardige man, Publius Scipio, de pontifex maximus, uit eigen initiatief Tiberius Gracchus doodde toen hij de staat een beetje aan het wankelen bracht? Moeten wij consuls tolereren dat Catilina de aarde verlangt te vernietigen met brand en moorden? Want ik ga voorbij aan al te oude verhalen, zoals Gaius Servilius Spurius Maelius met z’n eigen hand doodde toen hij een revolutie voorbereidde. Ooit, ooit was er in deze staat een kwaliteit toen dappere mannen verderfelijke burgers en grimmerige vijanden met strengere terechtstellingen beteugelden. We hebben een hard en streng senaatsbesluit tegen jou, Catilina. Noch een staatsbesluit noch het gezag van deze groep senatoren ontbreekt. Wij consuls, ik zeg je openlijk, wij zijn in gebreke.



§4: Eens besloot de senaat dat consul Lucius Opimius erop moest toezien dat de staat geen schade zou lijden. Er verliep geen nacht ertussen. Gaius Gracchus, afkomstig van een beroemde vader, grootvader en voorouders, werd gedood op basis van een vage verdenking van revolutionaire activiteiten. De senaat vermoorde de oud-consul Marcus Fulvius met zijn kinderen. Door een gelijkaardig besluit van de senaat, vertrouwde hij (hij = de senaat, is ook mannelijk in het Nederlands) de staatsbelangen toe aan de consuls Gaius Marius en Lucius Valerius. Volkstribuun Lucius Saturninus en praetor Gaius Servilius hebben door de staat toch niet langer dan een dag moeten wachten op hun doodstraf? Maar wij echter dulden al 18 dagen lang dat de scherpte van dit gezag afstompt. We hebben immers een dergelijk senaatsbesluit, maar dat ligt opgesloten in de archieven zoals een zwaard opgeborgen in een schede. En door dit besluit, Catilina, moest de senaat je terstond vermoorden. Je leeft en je leeft, niet door het neerleggen, maar door het bevestigen van je overmoed. Ik wil, geachte heren senatoren, zachtmoedig zijn, ik wil in zo’n situatie van groot gevaar voor de staat, niet onverschillig lijken; maar ik veroordeel mezelf al wegens traagheid en onbekwaamheid.



§5: In Italië, zijn er kampen opgeslagen tegen het Romeinse volk, meer bepaald in de bergpassen van Etrurië. Iedere dag groeit het aantal van de vijand. Maar toch zien we de veldheer van deze kampen en de leider van de vijand tussen de muren, ja zelfs in de senaat. Vanbinnen uit beramen ze dagelijks een of andere aanslag op de staat. Catilina, als ik nu eindelijk zal bevolen hebben je te arresteren en te doden, zal – geloof ik - ik niet zozeer vrezen dat de alle adelen zullen zeggen dat ik te laat heb gehandeld. Maar zal ik vrezen dat ook maar één iemand zal zeggen dat ik te wreed ben geweest.

Maar ik word er reeds lange tijd niet toegebracht om dit te doen. Dit is om een bepaalde reden niet nodig. Je zal pas gedood worden wanneer ik niemand zal kunnen vinden die zo slecht, zo verdorven, zo op jou gelijkend is, dat hij niet toegeeft dat ik met recht en rede heb gehandeld.



§6: Wanneer er iemand zal zijn die je zal durven te verdedigen, zal je blijven leven. Je zal leven zoals je nu leeft, in bedwang gehouden door mijn vele sterke troepen. Op die manier kun je je niet verroeren tegen de staat. De ogen en oren van mijn spionnen zullen je, zonder dat je het merkt, bewaken en bespieden, zoals ze dat tot nog toe gedaan hebben.

Want, Catilina, is er nog iets meer dat je kunt verwachten als noch de nacht door zijn duisternis jouw misdadige bijeenkomst kan verbergen, noch een privé-woning met zijn wanden de stemmen van jouw samenzwering kan geheimhouden, als alles aan het licht wordt gebracht, als alles naar buiten breekt? Verander van nu af aan dat gemene plan. Geloof me, vergeet de moorden en de branden. Je wordt van alle kanten in bedwang gehouden. Al jouw plannen zijn voor ons duidelijker dan het licht. Moet ik je ze even herinneren?



§7: Weet je nog dat ik op 21 oktober in de senaat zei dat Gaius Manlius, de medeplichtige en handlanger van jouw overmoed, op een bepaalde dag, en wel nog op 27 oktober, onder de wapens zou zijn. Ik vergis me toch niet, Catilina, niet alleen in zo’n vreselijk en ongelooflijke zaak, maar – wat erg verwonderlijke is – ook de dag? Ik was het, die zei in de senaat dat je de moord op de optimaten had gepland op 28 oktober, toen vele voorname burgers uit Rome, niet zozeer om hun eigen vel te redden maar om jouw plannen ter verijdelen, wegvluchtten. Je kan toch niet ontkennen dat je op diezelfde 28 oktober - door mijn troepen, door mijn waakzaamheid ingesloten - je niet hebt kunnen bewegen tegen de staat. Je had toen gezegd dat, toen de overigen vertrokken waren, je tevreden was over de moorden op degenen van ons die achtergebleven waren.





§8: En verder? Toen je erop vertrouwde op 1 november Praeneste door een nachtelijke verrassingsaanval te kunnen veroveren, voelde je dan niet dat die kolonie op mijn bevel, door mijn troepen, nachtwachten, wachtposten, bewaakt was? Je doet niets, je plant niets, je bedenkt niets of ik hoor het, zie het voel het.

Overloop eindelijk met mij die voorlaatste nacht: je begrijpt toch dat ik veel scherper waak over het welzijn van de staat dan jij over haar ondergang. Ik zeg dat je vorige nacht in het huis van Marcus Laeca in de Zeisenmakersstraat (ik zal er geen doekjes rond winden) bent geweest. Meerdere van jouw waanzinnige misdaad (hendiadys) en waanzin zijn op dezelfde plaats samengekomen. Durf je soms te ontkennen? Waarom zwijg je? Ik zal het bewijzen als je ontkent. Ik zie immers hier in de senaat sommigen die daar tegelijk met jou waren.



§9: Oh onsterfelijke goden! Waar ter wereld zijn we? Welke staat hebben we? In welke stad leven we? Hier, hier in deze groep, geachte heren senatoren, hier in de heiligste en meest verheven vergadering van de wereld, zijn ze. Ze maken plannen over de ondergang van ons allen, van deze stad en zelfs over de vernietiging van de aarde. Ik, als consul, zie dit en ik vraag zelfs hun mening over de staat. Degenen die ik al lang had moeten afmaken, verwond ik slecht met mijn stem.

Jij was dus bij Laeca die nacht. Je verdeelde de delen van Italië. Jij bepaalde waarheen iedereen moest vertrekken. Jij koos uit wie je zou achterlaten in Rome en wie je met je zou uitleiden. Je wees delen van de stand toe voor branden. Jij bevestigde dat jijzelf weldra zou vertrekken. Je zei dat je tot nu even moest wachten omdat ik nog leefde. Er zijn twee Romeinse ruiters gevonden om je van die zorg te bevrijden die beloofden dat ze in diezelfde nacht nog, even voor het licht mij in mijn bed zouden doden.



§10: Ik ben dit alles te weten gekomen toen jullie vergadering nog maar pas gedaan was. Mijn huis is door mijn grote troepen beveiligd en versterkt. Het hield degenen buiten die jij ’s morgens vroeg om mij te begroeten op mij hebt afgestuurd. Aangezien juist dezen gekomen waren, van wie ik al voorspeld had aan vele vooraanstaande mannen dat ze op dat moment bij mij zouden komen.

Omdat het nu zo is, Catilina, ga verder zoals je begonnen bent. Ga toch weg uit de stad. De poorten staan open. Vertrek. Neem ook jouw medewerkers met je mee. Kun je ze niet allemaal mee nemen, neem er dan zoveel mogelijk mee. Zuiver de stad. Je zal me van een grote angst bevrijden als er een muur tussen jou en mij zal zijn. Je kan niet nog langer onder ons verblijven. Ik zal het niet verdragen. Ik zal het niet dulden. Ik zal het niet toestaan.



§11: Aan de onsterfelijke goden en deze Jupiter, de Beschermer, de oudste bewaker van deze stad, zijn wij grote dankbaarheid verschuldigd. Door hen ontvluchtten we al zo dikwijls deze zo weerzinwekkende, zo verschrikkelijke en zo gevaarlijke ziekte voor de staat. Zolang ik aangewezen consul ben, Catilina, heb je mij belaagd. Ik heb me niet verdedigd met een staatswacht maar met eigen waakzaamheid. Toen je op de vorige senaatsverkiezingen in het Marsveld mij en je medekandidaten wilde vermoorden, onderdrukte ik jouw goddeloze aanslag met behulp van vriendschappelijke troepen en garnizoenen, zonder daarbij een publieke alarmbel te luiden. Tenslotte, iedere keer je me hebt proberen te vermoorden, heb ik je met mijn troepen in de weg gestaan hoewel ik zie dat mijn gevaar onlosmakelijk verbonden is een grote ramp voor de staat.



§12: Nu is het al zo ver dat je de staat in zijn geheel al openlijk aanvalt: de tempels van de onsterfelijke goden, de daken van de stad, het leven van alle burgers, heel Italië doem jij tot ondergang en verwoesting. En daarom, omdat ik nog niet durf doen wat eerst moet gedaan worden en wat eigen is aan de grondbeginselen van dit grote rijk en deze functie, zal ik doen wat minder streng is, maar van beter nut voor het algemeen welzijn. Want als ik beveel je te doden, zal de rest van de bende van de samenzwering overblijven in de staat zonder jou. Maar als je vertrekt zoals ik je al enige tijd aanraad, zal de rest van je samenzweerderbende in de staat overblijven zonder jou. Dan zal het grondsop van jouw makkers - een groot verderf voor de staat – uit de stad worden geschept.



§13: Wat is er, Catilina? Je twijfelt toch niet hetgeen te doen wat ik nu beveel wat je al uit eigen beweging deed? ‘De consul beveelt de vijand de stad te verlaten.’ Je vraagt me of ik je beveel in ballingschap te gaan? Ik beveel het niet, maar, als je mij raadpleegt, raad ik het je aan.



§15: Kan dit licht of deze lucht voor jou, Catilina, aangenaam zijn? Wanneer je weet dat er niemand onder ons is die niet weet dat jij op 1 januari 65 onder het consulaat van Lepidus en Tullus met verboden wapens op het verkiezingsplein hebt gestaan; dat je een bende hebt bijeengebracht, met de bedoeling om de consuls en vooraanstaande burgers te doden, dat niet enige bezinning of zelfs vrees van jouw kant maar wel het geluk van het Romeinse volk jouw verdorven waanzin tegenhoudt. Maar ik laat dit verleden verder achterwege: en de dingen die later zijn gepleegd, zijn noch onbekend noch weinig in aantal. Hoeveel keer probeerde jij mij te doden zowal als aangeduide consul als consul. Hoeveel van je aanvallen, die zo precies gericht waren dat het leek dat ik ze niet kon vermijden, ontvluchtte ik met een eenvoudige beweging of zoals men zegt een klein zijsprongetje Je doet niets, je bereikte niets en toch geef je het niet op om het te proberen en te verlangen.



§16: Hoeveel keer is de gemene dolk al ontwrongen aan jouw gemene handen? Hoeveel keer ontviel de dolk je al door een zeker toeval en is hij je ontglipt? Ik weet niet met welke heilige rituelen deze dolk door jou toegewijd werd en opgedragen aan demonen (= ik weet niet met welke rituelen jij de dolk gewijd en opgedragen hebt aan de goden van de onderwereld.) Aangezien je meent dat het noodzakelijk is deze dolk in het lichaam van de consul te planten.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.