De samenzwering van catilina

Beoordeling 6.9
Foto van een scholier
  • Vertaling door een scholier
  • Klas onbekend | 9354 woorden
  • 19 september 2001
  • 58 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.9
  • 58 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Catilina, werkvertaling
Cicero, Cat. I 1-5, 11-21, 32-33; II 17-23; III 5-6, 12; IV 7-12
Cicero, Pro Cael. 12-14
Sallustius, Cat. 5, 14, 23, 25, 43-45, 52

Sallustius, Cat. 5

[5] Lucius Catilina, zoon uit een adellijk geslacht, was zowel geestelijk als lichamelijk een sterk man, maar had een slecht en verdorven karakter. Van jongs af aan waren hem binnenlandse oorlogen, bloedbaden, plundertochten, onenigheid onder burgers lief en op die gebieden heeft hij zich in zijn jonge jaren geoefend. Zijn lichaam was gehard in niet-eten, koude en gebrek aan slaap, méér dan men kan geloven. Zijn persoon was overmoedig, doortrapt, wendbaar, een simulant en huichelaar in welke instantie ook maar, belust op andermans, kwistig met het eigen bezit, hartstochtelijk waar het om verlangens gaat. Zijn vermogen om te spreken was voldoende verzorgd, in intelligentie schoot hij tekort. Zijn onverzadelijke eerzucht wilde altijd het mateloze, het ongelooflijke, het ál te hoge.
Na de tirannie van Sulla had hem de grootste lust bekropen om naar de macht te grijpen en het kon hem niets schelen hoe hij dit kon bereiken, als hij maar het heft in handen kon krijgen. Met de dag werd zijn razende geest meer en meer hiertoe opgejaagd door het tekort aan familiekapitaal en de medeplichtigheid aan misdaden, welke beide zaken hij met die kwaliteiten had verergerd die ik hierboven heb vermeld. Een extra prikkel vormde de aantasting van de maatschappelijke normen en waarden, die in het gedrang raakten door de grootste en aan elkaar tegenovergestelde kwaden: zucht naar weelde en inhaligheid.


Sallustius, Cat. 14

[14] In een samenleving die zo groot was en zo verdorven, had Catilina, iets wat heel gemakkelijk uit te voeren was, uit alle misdadigers en boeven als het ware groepen volgelingen om zich heen verzameld. Want wie ook maar (losbandigen, echtbrekers, kroegenlopers) de bezittingen uit zijn vaderlijk erfdeel met dobbelen, slemperijen en hoererij had verbrast, en wie ook maar zijn schulden hoog had laten oplopen om daarmee wangedrag en misdaad af te kopen, daarenboven allen die overal als moordenaars en heiligschenners voor de rechtbank waren veroordeeld of voor hun daden hun veroordeling vreesden, daarbij ook nog de lieden die in meineed en bloed van medeburgers leefden van misdaad en leugenachtigheid, kortom allen die opgejaagd werden door misdadigheid, armoede en een slecht geweten… dat waren de vertrouwelingen en vrienden van Catilina. Maar zelfs als iemand die niets op zijn kerfstok had tot zijn vriendenkring was gaan behoren, werd deze door de dagelijkse omgang met hem en door de verlokkingen moeiteloos volledig gelijk aan de overigen gemaakt.
Hij zocht vooral de vriendschap van mannen in de bloei van hun jaren: hun nog kneedbare en onzekere harten werden zonder moeite met zijn listen ingenomen. Want al naar gelang iemands verlangen als gevolg van zijn leeftijd oplaaide, bezorgde hij sommigen prostituées, voor anderen kocht hij honden en paarden, kort gezegd: hij spaarde kosten noch zelfrespect, als hij hen maar aan zich kon verplichten en zich van hun trouw kon verzekeren. Ik weet dat er enkele mensen geweest zijn die als volgt dachten: de jonge mensen die Catilina’s huis platliepen hielden hun goede naam te weinig in ere. Maar dit gerucht leefde meer op grond van aanwijzingen anders dan dat het voor iemand vaststond.

Sallustius, Cat. 23

[23] Van deze samenzwering maakte echter Quintus Curius deel uit, een man van niet onaanzienlijke geboorte, overladen met gruwel- en misdaden, die door de censoren uit de senaat was geroyeerd om zijn wangedrag. In deze man stak niet minder ijdelheid dan overmoed. Hij had er maling aan om zijn mond te houden over zaken die hij had gehoord of zelf zijn eigen misdaden verborgen te houden, kortom, hij zei en deed zoals het hem inviel. Hij had met Fulvia, een vrouw van adel, een buitenechtelijke relatie. Toen zij het steeds minder met hem zag zitten, omdat hij uit geldgebrek minder te besteden had, begon hij plotseling op te scheppen en haar gouden bergen te beloven en haar soms met zijn zwaard te bedreigen, als zij hem zijn zin niet zou geven, op het laatst zelfs ongecontroleerd zich te gedragen, meer dan hij gewend was. Omdat Fulvia echter de reden voor het ongebruikelijke gedrag van Curius kende, hield zij een dergelijk gevaar voor de staat niet voor zich, maar vertelde zonder haar bronnen te noemen aan een groot aantal mensen wat en op welke wijze zij over Catilina’s complot had gehoord. Dit wakkerde de gemoederen van de mensen vooral aan om het consulaat aan Marcus Tullius Cicero op te dragen. Voorheen immers kolkte het grootste deel van de adel van afgunst en dacht deze dat het consulaat een smet opliep, als een nieuweling, hoe capabel ook, de post zou krijgen. Maar waar gevaar dreigt, raken afgunst en trots op de achtergrond.

Sallustius, Cat. 25


[25] Onder hen bevond zich echter Sempronia, die vaak zo moedig als een man vele misdaden had begaan. Deze vrouw was tamelijk gezegend met haar afkomst en haar schoonheid, bovendien met man en kinderen. Als een vrouw die door de Griekse en Latijnse literatuur gevormd was om citer te spelen en te dansen, virtuoser dan nodig was voor een gerespecteerde vrouw, beschikte zij over vele andere zaken die de middelen waren om in pracht en praal te leven. Alles was haar echter meer lief dan fatsoen en ingetogenheid. Men kon niet gemakkelijk bepalen of zij minder om geld dan om haar goede naam gaf. Haar wellust was zo hoog opgelaaid dat zij vaker op mannenjacht ging dan zelf zich te laten versieren. Daarvóór had zij dikwijls haar woord gebroken, had zij plechtig verklaard geen schulden te hebben, was zij medeplichtig geweest aan doodslag. Door haar zucht naar weelde en geldgebrek was zij diep gezonken. Toch had zij geen onontwikkeld karakter. Zij kon poëzie schrijven, grappig uit de hoek komen, een gesprek voeren op een keurige, kokette of uitdagende toon. Kortom, zij beschikte over een grote portie scherpzinnigheid en humor.

Cicero, Cat. I 1-5, 11-21, 32-33

[1] Hoe lang nog zult u, Catilina, misbruik maken van ons geduld? Hoe lang zal zelfs die waanzin van u de spot met ons drijven? Tot welk einde zal uw brutaliteit teugelloos op en neer gaan? Hebben de nachtelijke bezetting van de Palatijn, de bewaking van de stad, de angst bij het volk, het zich verzamelen van alle patriotten, deze voor het houden een senaatszitting bijzonder streng bewaakte plaats, de blikken en gelaatsuitdrukkingen van de mensen hier u helemaal niet geraakt? Merkt u niet dat uw plannen bekend zijn, ziet u niet dat uw complot nu aan handen en voeten is gebonden, doordat allen hier op de hoogte zijn? Wat u de afgelopen nacht, de nacht daarvoor hebt uitgevoerd, waar u bent geweest, wie u bijeen hebt geroepen, welk plan u hebt opgevat – wie van ons, denkt u, weet dat niet?

[2] Wat een tijden, wat een zeden! De senaat begrijpt dit, de consul ziet het. Toch leeft hij nog. Leeft hij nog? Sterker: hij verschijnt zelfs in de senaat, neemt deel aan een openbare beraadslaging, wijst met zijn ogen elk van ons aan en bestemt hem voor de dood. Wij echter schijnen als dappere mannen naar tevredenheid onze plicht te doen tegenover de staat, indien wij zijn waanzin en projectielen uit de weg gaan. U, Catilina, had op bevel van de consul al eerder ter dood gebracht moeten worden, op u had het verderf gericht moeten worden dat u al lang voor ons allen aan het beramen bent.

[3] Heeft soms niet een zeer aanzienlijk man, Publius Scipio, opperpriester, als ambteloos burger Tiberius Gracchus gedood, toen deze het staatsbestel een béétje aan het wankelen bracht? Moeten wij als consul Catilina, die de hele wereld met moord en brand wil vernietigen, verdragen? Ik ga maar voorbij aan die tamelijke oude geschiedenis, dat Gaius Servilius Ahala eigenhandig Spurius Maelius heeft gedood, toen deze zich revolutionaire plannen in het hoofd haalde. Die voortreffelijkheid in deze staat is niet meer, is voorbij, dat dappere mannen een verderfelijk medeburger met zwaardere straffen in toom hielden dan de meest bittere vijand.

[4] Wij hebben hier een senaatsbesluit tegen u, Catilina, dat doortastend en streng is. De staat ontbreekt het niet aan visie noch gezag van dit orgaan: wij, ik zeg het openlijk, wij als consul schieten te kort! Ooit heeft de senaat besloten dat consul Lucius Opimius erop moest toezien dat de staat geen enkele schade zou lijden. Daar is geen nacht over heengegaan: op grond van bepaalde verdenkingen van oproer is Gaius Gracchus, hoewel diens vader, grootvader en voorouders de grootste roem genoten; oud-consul Marcus Fulvius is samen met zijn kinderen omgebracht. Met een vergelijkbaar senaatsbesluit is de staat aan de consuls Gaius Marius en Lucius Valerius overgedragen: toch niet hebben daarna de dood en de straf van de staat volkstribuun Lucius Saturninus en praetor Gaius Servilius één dag laten wachten? Wij daarentegen staan reeds de twintigste dag toe dat de scherpte van het gezag van de mensen hier bot wordt. Wij hèbben namelijk een dergelijk senaatsbesluit, maar een dat in de lade is weggestopt, alsof het in de schede is opgeborgen, op grond van welk senaatsbesluit u, Catilina, ter plekke had moeten worden gedood. U leeft nog en dat niet om uw brutaliteit af te leggen, maar om die te verstevigen. Ik wil, heren senatoren, genadig zijn, ik wil in zulke grote gevaren voor de staat niet nonchalant overkomen, maar ik zelf veroordeel mij nu wegens mijn laksheid en onvermogen.

[5] Er is een legerkamp tegen het volk van Rome ingericht in een bergpas naar Etrurië, met de dag groeit het aantal staatsvijanden. Maar de commandant van dat legerkamp en de aanvoerder van de staatsvijanden ziet u binnen de stadsmuren, ja zelfs in de senaat iedere dag een sluipend gevaar beramen tegen de staat. Als ik zal bevelen u, Catilina, nu te arresteren, te doden, zal ik, denk ik, eerder niet moeten vrezen dat alle patriotten zeggen dat er door mij te laat is opgetreden, dan wel dat iemand zegt dat er door mij te wreed is opgetreden. Ik word er echter om een bepaalde reden nog niet toe gebracht om dit te doen, wat reeds eerder gedaan had moeten zijn. U zult pas dan gedood worden, wanneer er niemand zo slecht, zo verdorven, zo gelijk aan u kan worden gevonden die niet erkent dat dit terecht gedaan is.

[11] We moeten de onsterfelijke goden bijzonder dankbaar zijn en vooral Iuppiter Stator hier , de ousdte bewaker van deze stad, omdat wij al zo vaak ontkomen zijn aan deze zo afzichtelijke, zo huiveringwekkende en zo gevaarlijke plaag voor de staat. De absolute veiligheid van de staat mag niet te vaak afhangen van één enkele man. Zo vaak als u, Catilina, mij, toen ik tot consul was gekozen, hebt belaagd, heb ik mij niet met staatsprotectie, maar persoonlijke oplettendheid verweerd. Toen u bij de meest recente consulsverkiezingen op het Marsveld mij als consul en uw mededingers hebt willen vermoorden, heb ik uw misdadige pogingen met de hulp van vrienden en ordetroepen in de kiem gesmoord zonder enig onrust in de staat op te roepen. Kort gezegd, zo vaak als u het op mij had gemunt, heb ik uit mij zelve weerstand geboden, hoewel ik zag dat mijn ondergang verbonden was met een grote ramp voor de staat.

[12] Nu is het zover gekomen, dat u openlijk de gehele staat belaagt; over de tempels van de onsterfelijke goden, over de huizen van de stad, over het leven van alle medeburgers, over heel Italië roept u ondergang en verderf. Dáárom, omdat ik nog niet durf te doen wat op de eerste plaats komt en wat hoort bij deze volmacht en de principes van onze voorouders, zal ik doen wat tamelijk mild is als het op strengheid aankomt, vrij zinvol als het op het algemeen veiligheidsbelang aankomt. Als ik u namelijk zal laten doden, zal in de staat een groep complotteurs achterblijven. Maar als u zult zijn vertrokken, iets waartoe ik u al lang aanspoor te doen, zal een grote hoeveelheid staatsgevaarlijk rioolwater dat uit uw trawanten bestaat, de stad uitgeloosd worden. Wat heeft u, Catilina? U aarzelt toch niet dit te doen wat u al uit eigener beweging aan het doen was, omdat ík het beveel? U vraagt me, of u in ballingschap moet gaan? Ik beveel het u niet, maar als u mijn raad wilt: ik beveel het u aan.

[13] Wat is het dan, Catilina, dat u in deze stad nog kan boeien? Hier is niemand, buiten die samenzwering van verdorven lieden, die niet bang voor u is, niemand die geen haat voelt. Welk teken dat getuigt van familieschande is niet in uw leven ingebrand? Welke smet in uw privé leven kleeft niet aan uw reputatie? Welke wellustige begeerte is uit uw ogen gebleven, welke wandaad ooit uit uw handen, welke misdaad uit heel uw lichaam? Welke jongeman, die u in uw net van verlokkingen tot immoreel gedrag hebt verstrikt, heeft u niet ofwel het zwaard tot brutaliteit ofwel de fakkel tot wellust voorgehouden?

[14] En verder? Toen u kort geleden door de dood van uw vorige vrouw plaats had ingeruimd voor een nieuw huwelijk, hebt u toch zeker deze misdaad nog boven een andere ongelooflijke misdaad gestapeld? Maar ik laat dit onvermeld en kan er gemakkelijk mee leven dat dit verzwegen wordt, om in deze samenleving niet de indruk te laten bestaan dat de gruwelijkheid van een zo zware misdaad is voorgekomen of onbestraft is gebleven. Ik laat onvermeld de chaos in uw financiële situatie, die u op de eerstvolgende Iden volledig op u zult voelen drukken. Ik kom te spreken over die zaken die betrekking hebben, niet op de persoonlijke kritiek op uw karakterfouten, huiselijke problemen en schande, maar op het hoogste staatsbelang en leven en veiligheid van ons allen.

[15] Kan het licht hier of de lucht onder deze hemel u, Catilina, aangenaam zijn, wanneer u weet dat van de mensen hier niemand is die niet weet dat u op 31 december tijdens het consulaat van Lepidus en Tullus op het vergaderplein heeft gestaan met een wapen in uw hand, dat u een bende op de been heeft gebracht om de consuls en de leiders van de samenleving te doden, dat niet een of andere vlaag van bezinning of angst van uw kant een waanzinnige misdaad in de weg heeft gestaan, maar het gelukkig gesternte van het volk van Rome? Ook dit laat ik onvermeld (het zijn zaken die niet onbekend en in latere tijd ook niet zelden begaan zijn), hoe vaak u hebt geprobeerd mij te doden toen ik tot consul was gekozen, hoe vaak toen ik echt in functie was. Aan hoe vele aanvallen van uw zijde die zo gericht waren, dat ze leken niet te kunnen worden vermeden, ben ik door een stap opzij te doen en, zoals men dat zegt, met het vege lijf ontkomen! U richt niets uit, u bereikt niets en toch geeft u uw pogingen en bedoelingen niet op. Hoe vaak is u die dolk uit uw handen geslagen, hoevaak is hij door een of ander toeval op de grond gevallen en weggegleden! Met welke rituele handelingen hij echter door u is ingewijd en gezegend, weet ik niet, omdat u vindt dat u hem in het lichaam van de consul moet steken.

[16] Maar waaruit bestaat nu uw leven? Ik zal namelijk zó met u spreken dat ik de indruk wek niet dat ik door haat gedreven ben, zoals ik dat moet zijn, maar door medelijden, dat u helemaal niet verdient. U bent daarstraks naar de senaat gekomen. Wie uit deze zo grote schare, uit zo vele vrienden en bekenden van u heeft u begroet? Als dit sinds ’s mensen heugenis niemand is overkomen, verwacht u dan een kritisch stemgeluid, wanneer u bent gevloerd door de zwaarste veroordeling: het zwijgen? Hoe komt het dat de banken daar bij uw binnenkomst ontruimd zijn, dat alle oud-consuls die door u voor de dood waren bestempeld, zodra u plaats had genomen, dat gedeelte van de banken onbezet en leeg hebben gelaten; met welke geesteshouding moet u dit uiteindelijk verwerken, vindt u?

[17] Het is me wat! Als míjn slaven mij op die manier zouden vrezen, zoals al uw medeburgers u vrezen, zou ik denken dat ik mijn huis uit moest. Vindt u niet dat u de stad uit moet? En als ik zou constateren dat ik bij mijn medeburgers ten onrechte zo verdacht en gehaat was, zou ik liever hun aanblik willen missen dan door allen met vijandige blikken te worden bekeken. Hoewel u door uw medeplichtigheid aan uw misdaden inziet dat de haat van allen terecht en reeds geruime tijd verdiend is, aarzelt u de aanblik en aanwezigheid te mijden van hen wie harten en gevoelens u verwondt? Als uw ouders u zouden vrezen en haten en u hen op geen enkele wijze zou kunnen gunstig stemmen, zou u volgens mij zich waarheen ook maar terugtrekken weg van hun blikken.

[18] Nu haat het vaderland, dat de gemeenschappelijke ouder is van ons allen, u en het vreest u en reeds geruime tijd is het van oordeel dat u enkel en alleen maar op oudermoord zint. Zult u niet zijn gezag respecteren, zijn oordeel volgen en hard optreden buitengewoon vrezen? Maar het pakt u, Catilina, als volgt aan en spreekt op een bepaalde wijze in stilte:
“Al heel veel jaren heeft er geen misdaad bestaan tenzij door uw toedoen, geen wandaad zonder u. Voor u alleen zijn de moordpartijen onder vele medeburgers, afpersing en beroving van bondgenoten onbestraft en zonder gevolgen gebleven. U hebt uw mannetje gestaan niet alleen in het negeren van wetten en gerechtelijke onderzoeken, maar ook in het overhoop gooien en sabotteren daarvan. Die feiten uit een vroeger verleden heb ik, ook al waren zij niet te verteren, toch naar vermogen geslikt. Nu echter mag niet worden verdragen, dat ik door uw toedoen alleen volledig in paniek verkeer, dat bij het minste gerucht men bang is voor Catilina, dat er schijnbaar tegen mij geen plan kan worden opgevat dat los staat van uw misdadigheid. Ga daarom weg en ruk deze angst uit mij: om niet gevloerd te worden, als die gegrond is, maar om eindelijk eens ervan bevrijd te worden, als die ongegrond is.

[19] Als het vaderland deze woorden, zoals ik ze heb gesproken, tot u spreekt, zal het toch wel gehoor moeten vinden, zelfs als het geen geweld kan aanwenden? Wat te zeggen van het feit dat u zich onder toezicht hebt gesteld, dat u hebt gezegd om verdenking te vermijden te willen intrekken bij Manius Lepidus? Toen u door hem niet werd opgenomen, hebt u het zelfs gewaagd naar mij te komen en hebt u mij erom gevraagd u in mijn huis onder toezicht te houden. Omdat u van mij ook dit antwoord hebt gekregen, namelijk dat ik mij met u binnen dezelfde muren op geen enkele wijze veilig kan voelen, omdat ik in groot gevaar zou verkeren als wij ons binnen dezelfde stadsmuren zouden bevinden, bent u bij praetor Quintus Metellus terechtgekomen. Door hem afgewezen verhuisde u naar uw maatje, een “perfecte” kerel, Marcus Metellus, van wie u naturlijk hebt gedacht dat hij èn het meest toegewijd zou zijn om u te bewaken èn het scherpzinnigst om argwaan te koesteren èn het krachtdadigst om straffen uit te delen. Maar hoe ver schijnt een man van de kerker en de boeien verwijderd te moeten zijn, dat hij nu van zichzelf heeft gevonden dat hij toezicht verdiende?

[20] Hoewel de zaken er zo voor staan, Catilina, aarzelt u, als u niet gelaten kunt sterven, naar een ander land te vertrekken en dat leven van u, dat aan straffen die terecht en verdiend zijn is ontrukt, toe te vertrouwen aan eenzame ballingschap? “Leg het voor”, zegt u, “aan de senaat.” Want dit eist u en u zegt dat, als dit orgaan besloten zal hebben er voor te zijn dat u in ballingschap gaat, u daaraan gehoor zult geven. Ik zal het de senaat niet voorleggen, iets wat ver staat van mijn principes, en toch zal ik u laten begrijpen wat ze van u vinden. Verlaat de stad, Catilina, bevrijd de staat van angst, vertrek en ga in ballingschap, als u dit woord verwacht. Wat is er? U let toch wel op? U bemerkt toch wel de zwijgzaamheid van de mensen hier? Zij staan het toe, zij zwijgen. Waartoe wachten op het gezaghebbend woord van sprekers, wier wens u doorziet zelfs als zij zwijgen?

[21] Als ik nu ook dit had gezegd tegen deze voortreffelijke jongeman Publius Sestius, tegen de bijzondere dappere held Marcus Marcellus, had de senaat met het volste recht meteen in deze tempel mij, de consul, uitdrukkelijk een halt toegeroepen. In uw geval echter, Catilina: juist door zich rustig te houden onderzoeken zij u, juist door lijdelijk toe te zien nemen zij een beslissing, juist door te zwijgen schreeuwen zij. En dat doen niet alleen de mensen hier wier gezag zonder twijfel u dierbaar, wier leven geen zier waard is, maar ook de ridders van Rome, zeer oprechte en voortreffelijke lieden, en de overige, zeer dappere burgers die om de senaat heen staan, wier grote opkomst u kort hiervoor hebt kunnen zien, wier steunbetuigingen u bet kunnen bemerken en wier stemmen u duidelijk hebt kunnen horen. Dezelfde mensen, wier handen en wapens ik al lange tijd met moeite van u weet af te houden, zal ik met gemak ertoe brengen om u, wanneer u dat wat u reeds lang van plan bent te vernietigen verlaat, tot aan de stadspoorten uitgeleide te doen.

[32] Laten daarom de slechten zich terugtrekken, zich afscheiden van de patriotten, zich verzamelen op één plek, laten zij, kortom, een mening die ik al vaker heb uitgesproken, door een muur van ons afgescheiden worden. Laten zij ophouden de consul in zijn eigen huis te belagen, het spreekgestoelte van de stadspraetor omsingelen, het senaatsgebouw met zwaarden in hun hand belegeren, brandpijlen en fakkels in prepareren om de stad in de as te leggen. Laat, kortom, op het voorhoofd van een ieder te lezen zijn wat hij van de staat denkt. Dit beloof ik u, heren senatoren: de oplettendheid bij ons, consuls, het gezag van uw kant, de dapperheid bij de ridders van Rome, de eensgezindheid onder alle patriotten zal zo groot zijn, dat u ziet dat na het vertrek van Catilina alles is openbaard, aan het licht gebracht, overwonnen, bestraft. Catilina, onder deze voortekenen, ter absolute redding van de staat, tot uw eigen rampspoed en verderf en tot de ondergang van hen die zich met u verplicht hebben tot iedere misdaad en oudermoord, moet u naar uw goddeloze en misdadige oorlog vertrekken.
U, Juppiter, die met dezelfde ceremonie door Romulus bent opgericht als deze stad gesticht is, u, die wij in de ware zin des woords Beschermer van deze staat en van dit rijk noemen, zult deze man en zijn bondgenoten ver van uw tempels en die van anderen, van de huizen en muren van de stad, van het leven en bezittingen van alle burgers weren en de mensen die vijanden zijn van de patriotten, vijanden van het vaderland, plunderaars van Italië, die zich aan elkaar verplicht hebben door een pact van misdadigheid en een gruwelijk bondgenootschap, bestraffen.

Cicero, Cat. II 17-23

[17] Maar waarom habben we het al die tijd over één staatsvijand en wel zo een, die al toegeeft dat hij er een is, en die ik niet vrees, omdat een muur, iets wat ik altijd heb gewild, hem van ons scheidt? Over hen die er niet voor uitkomen, die in Rome achterblijven, die onder ons zijn, zeggen wij niets? Deze mensen echter wil ik, als dit op enige wijze kan gebeuren, niet zozeer straffen als wel voor hun eigen bestwil genezen, met de staat verzoenen, maar ik begrijp niet, waarom dit niet zou kunnen gebeuren, als zij nu naar mij zullen willen luisteren. Ik zal u, Quirieten, namelijk uit de doeken doen, uit welke geledingen van mensen men die groepen werft. Vervolgens zal ik hen, de een na de ander, zo goed en zo kwaad als ik kan, een geneesmiddel aanreiken: het advies dat in mijn redevoering besloten ligt.

[18] Eén geleding bestaat uit die mensen die ondanks een schuld nog tamelijk grote bezittingen hebben; uit verknochtheid daarmee kunnen zij zich op geen enkele wijze daarvan losmaken. Dit soort mensen staat in zeer hoog aanzien – het zijn immers de puissant rijken -, hun intenties en hun doel echter zijn schaamteloos. Rijkelijk voorzien als u bent van landerijen, van gebouwen, van geld, van personeel, ja, van alles, aarzelt u dan nog uw vermogen te verminderen, goodwill te winnen? Waar wacht u dan op? Een oorlog? En dan? Denkt u dat bij totale vernietiging uw bezittingen onschendbaar zullen zijn? Verwacht u soms nieuwe kasboeken? Zij die deze verwachten van Catilina, vergissen zich. Dankzij mijn ingrijpen worden er nieuwe kasboeken tevoorschijn gehaald, maar dan wel voor de openbare veiling! Zij immers die bezittingen hebben, kunnen op geen enkele andere manier financieel gezond zijn. Maar als zij dit eerder hadden willen doen en niet, wat het stomste is, met de opbrengsten van hun landgoederen de rente bestrijden, zouden wij in hen welvarender en betere medeburgers hebben. Ik denk echter dat wij het minst bang hoeven te zijn voor deze mensen, omdat zij tot andere gedachten kunnen worden gebracht of, als zij blijven volharden, mijns inziens tegen de staat eerder verwensingen uit zullen spreken dan de wapens opnemen.

[19] Een tweede geleding bestaat uit hen die, hoewel zij onder schulden gebukt gaan, toch de heerschappij verwachten, de macht willen grijpen, van mening zijn dat zij hoge posities, waarop zij geen hoop hebben als er rust heerst in de staat, wèl kunnen bereiken als er chaos is. Het schijnt dat men hen dit moet voorhouden (natuurlijk precies hetzelfde als aan alle anderen), opdat zij de hoop laten varen te kunnen bereiken wat zij nastreven. Op de eerste plaats ben ik zelf op mijn hoede, sta ik paraat, zorg ik voor de staat. Ten tweede is de mentaliteit bij de patriotten goed, de eensgezindheid onder de standen groot, de menigte zeer groot, de troepen soldaten daarenboven omvangrijk. Op de laatste plaats zullen de onsterfelijke goden dit onoverwinnelijke volk, ons voortreffelijk rijk, onze oogstrelende stad hoogstpersoonlijk tegen zo groot geweld van misdadigheid hulp bieden. Maar als zij reeds verkregen hebben wat zij in hun opperste waanzin begeren, verwachten zij toch niet consuls of dictators of zelfs koningen te worden in de ruïnes van hun stad en in het bloed van hun medeburgers, zaken die zij in hun misdadige en goddeloze geest hebben nagestreefd? Zien zij niet in dat zij, als zij het hebben verkregen, dát verlangen, wat men aan een weggelopen slaaf of zwaardvechter moet afstaan?

[20] De derde geleding is al getekend door de jaren, niettemin door geoefendheid sterk. Tot die geleding behoort Manlius, die nu door Catilina wordt opgevolgd. Het zijn mensen uit de provinciesteden die Sulla heeft gesticht. Ik ben van mening dat zij in hun geheel bestaan uit voortreffelijke burgers en zeer dappere mannen, maar toch zijn het stedelingen die verkwistender en buitensporiger gepronkt hebben met hun onverwacht en plotseling verkregen rijkdom. Doordat zij aan het bouwen slaan als ware rijken, genieten van hun prachtige landgoederen, van hun groot personeel en spetterende feesten, zijn zij zo tot over hun oren in de schulden geraakt, dat zij, als zij financieel gezond willen zijn, Sulla uit het rijk der doden moeten opwekken. Maar zij hebben zelfs een niet gering aantal kleine en behoeftige boeren aangezet tot diezelfde hoop op plundertochten als weleer. Elk van beide groepen plaats ik in dezelfde soort van plunderaars en stropers, maar geef hen deze raad: laten zij ophouden gek te doen en aan zwarte lijsten en dictaturen te denken. Het leed uit die tijden namelijk dat de samenleving is ingebrand is zo groot, dat in mijn ogen nu niet alleen mensen, maar zelfs dieren die zaken niet zullen dulden.

[21] De vierde geleding is helemaal een bont, gevarieerd en chaotisch gezelschap. Deze mensen worden al lange tijd neergedrukt, krijgen nooit hun hoofd boven water, kunnen deels door laksheid, deels door slechte bedrijfsvoering, deels ook door hun uitgaven zich niet staande houden in hun oude schulden, mensen die volgens zeggen in groten getale, omdat zij de dagvaardigingen, processen, verbeurdverklaring van hun goederen zat zijn, zowel uit de stad als ook van het platteland zich naar dat legerkamp begeven. Ik zie deze mensen niet zozeer als fanatieke soldaten, maar eerder als eeuwige wanbetalers. Mogen deze mensen, als zij zich niet staande kunnen houden, zo snel mogelijk geruïneerd worden, maar wel zó, dat niet alleen de samenleving, maar zelfs hun naaste buren dit niet merken. Want dit begrijp ik niet: waarom willen zij, als zij op eervolle wijze niet kunnen leven, op schandelijke wijze omkomen of waarom denken zij samen met vele anderen minder pijnlijk te zullen omkomen dan in hun eentje?

[22] De vijfde geleding is die van de moordenaars, terroristen, kortom alle misdadigers. Die nu roep ik niet weg van Catilina. Zij kunnen namelijk niet van hem losgerukt worden en moeten toch maar vooral in hun boevenstreken omkomen, omdat er al zó veel van hen zijn, dat de gevangenis hen niet kan bergen.

[23] Op de laatste plaats echter is er de geleding die niet alleen in omvang, maar ook in het soort levenswandel zelf typisch hoort bij Catilina, mensen van zijn eigen keuze, beter gezegd: zijn ‘inner circle’. U herkent ze aan hun elegant gekapte haren, jongens zonder of juist met baard, gekleed in tunica’s die lange mouwen hebben en tot aan de enkels reiken; gordijnen zijn het, geen toga’s. Al hun vitaliteit en werkzaaamheid overdag demonstreren ze in feestmalen tot in de kleine uurtjes. In deze groepen bewegen zich alle gokkers, echtbrekers, viezerikken, immorelen. Deze charmante, lieve jongens hebben niet alleen geleerd te beminnen en bemind te worden, te dansen en te zingen, maar ook de stiletto’s te laten flitsen en met gif om te gaan.
U moet weten dat, als zij niet verdwijnen, als zij niet omkomen, zelfs als Catilina zal zijn omgekomen, zij in de staat een broeinest van nieuwe Catilina’s zullen zijn. Maar wat willen die arme drommels toch bereiken? Zij zijn toch niet van plan hun eigen hoertjes naar het legerkamp mee te nemen? Hoe anders kunnen zij zonder hen, vooral nu in deze nachten? Hoe zullen zij dan de Apenijnen, de rijp en de sneeuw daar doorstaan? Misschien denken zij juist daarom de winterse kou gemakkelijker te zullen doorstaan, omdat zij geleerd hebben op hun feesten naakt te dansen.

Sallustius, Cat. 43-45

[43] In Rome daarentegen had Lentulus, samen met andere mensen die de leiders van de samenzwering waren, naar het scheen grote troepen in gereedheid gebracht en besloten dat, wanneer Catilina met zijn leger het gebied van Aefulae had bereikt, volkstribuun Lucius Bestia tegen de acties van Cicero zou protesteren, als een volksvergadering werd belegd, en deze ‘geweldige’ consul de schuld zou geven van een zeer ernstige oorlog. Op een teken van hem moesten de volgende nacht de rest van de samenzweerders, ieder voor zich, haar eigen taak uitvoeren. De verdeling van die taken werd echter op de volgende wijze bekend gemaakt: Statilius en Gabinius moesten in één keer met een grote groep twaalf strategische plekken in de stad in brand steken, als gevolg waarvan men in de verwarring zich gemakkelijker toegang kon verschaffen tot de consul en de anderen tegen wie een aanslag werd voorbereid. Cethegus moest de voordeur van Cicero’s huis belegeren en met geweld tot hem doordringen. Iedereen moest echter zijn eigen man doden, maar de zonen, van wie het grootste gedeelte tot de nobiles behoorden, de huisvaders. Wanneer alles door moord en brand tot chaos was gebracht, moesten zij zich uit de voeten maken naar Catilina. Onder deze voorbereidingen en beslissingen bleef Cethegus klagen over de lafheid van zijn handlangers. Zij lieten door te weifelen en door dagen te traineren prachtige kansen aan zich voorbijgaan. Bij zo’n gevaarlijke onderneming was actie geboden, geen overleg en hij zou, door enkelen ondersteund, als de rest te sloom was, een aanval op het senaatsgebouw doen. Hij was een van nature impulsief, wild en daadkrachtig man. Met snelheid won je het meest in zijn ogen.

[44] Maar de Allobrogen hadden volgens de instructies van Cicero door toedoen van Gabinius een ontmoeting met de anderen. Zij eisten van Lentulus, Cethegus, Statilius en ook Cassius een verzekering die zij verzegeld en wel naar hun burgers moesten overbrengen: op geen andere wijze konden zij vlot tot een dergelijke zaak worden verleid. De anderen gaven die niets vermoedend. Cassius beloofde dat hij binnenkort ernaartoe zou gaan en verliet vlak vóór de gezanten de stad. Lentulus stuurde samen met hen een zekere Titus Volturcius uit Croton om ervoor te zorgen dat de Allobrogen na een wederzijdse belofte van trouw het bondgenootschap met Catilina zouden bezegelen, voordat zij hun weg naar huis zouden vervolgen. Zelf gaf hij Volturcius een brief bestemd voor Catilina, een kopie waarvan hieronder geschreven staat:
Wie ik ben, zult u van hem vernemen die ik naar u stuur. Bedenk goed in hoe groot gevaar u zich bevindt en bedenk dat u een man bent. Neem in overweging wat uw belangen van u eisen: zoek hulp bij iedereen, zelfs bij lieden van de laagste orde.
Hieraan voegde hij een mondelinge boodschap toe: waarom zou hij geen slaven inzetten, als hij door de senaat tot staatsvijand was uitgeroepen? In Rome was alles, waartoe hij had bevolen, in gereedheid gebracht. Hij hoefde niet te aarzelen om naderbij te komen.

[45] Toen dit was geregeld en de nacht waarin zij zouden vertrekken, was afgesproken, beval Cicero, die door gezanten van alles op de hoogte was gebracht, de praetoren Lucius Valerius Flaccus en Gaius Pomptinus het gezelschap van de Allobrogen op de Milvische brug bij hinderlaag te arresteren. Hij maakte de volledige toedracht bekend waarom zij gezonden werden. Hij liet aan hen over het overige te doen, zoals de omstandigheden vereisten. Na als goede soldaten zonder ophef wachtposten te hebben opgesteld, namen zij heimelijk de brug in hun bezit. Nadat de gezanten samen met Volturcius op die plek waren gearriveerd en er tegelijkertijd aan beide zijden geschreeuw was opgestegen, doorzagen de Galliërs snel de opzet en gaven zich onmiddellijk aan de praetoren over. Aanvankelijk verweerde Volturcius zich na een oproep aan de anderen met zijn zwaard tegen de overmacht; daarop, zodra hij door de gezanten in de steek was gelaten, smeekte hij eerst Pomptinus, omdat hij hem kende, dringend om zijn leven te sparen, later gaf hij zich, angstig en zijn leven niet zeker, over aan de praetoren, als waren zij vijanden.

Cicero, Cat. III 5-6, 12

[5] Daarom heb ik gisteren de praetoren Lucius Flaccus en Gaius Pomponius, zeer dappere en de staat zeer toegewijde mannen, bij mij geroepen, hen de situatie uitgelegd, laten zien wat er gedaan moest worden. Zij nu hebben, omdat hun instelling jegens de staat in alle opzichten buitengewoon voortreffelijk is, zonder te weigeren en zonder enig uitstel de taak op zich genomen en zijn, toen het avond werd, heimelijk naar de Pons Mulvius gekomen, hebben zich daar in de dichtstbijzijnde landhuizen zo aan twee zijden opgesteld, dat de brug over de Tiber tussen hen in lag. Maar ook zij zelf hadden zonder iemands argwaan op te wekken vele dappere lieden naar dezelfde plek gebracht; ik had uit de gemeente Reate een tamelijk grote selectie dappere mannen bewapend met zwaarden gestuurd, op wier steun ik voortdurend een beroep pleeg te doen bij de bescherming van de staat.

[6] Toen de derde nachtwake bijna voorbij was , kwam ondertussen, toen de Allobrogische gezanten en samen met hen Volturcius met een groot gezelschap de Mulvische brug reeds begon te betreden, op hen de aanval. Zowel door hen als door onze mensen werden de zwaarden getrokken. Waar het om ging, was alleen aan de praetoren bekend, de anderen wisten er niets van. Daarop werd door tussenkomst van Pomptinus en Flaccus het gevecht, waaraan men was begonnen, gestaakt. Alle brieven die zich in het gezelschap bevonden, werden zonder de zegels te verbreken aan de praetoren overhandigd. Na hun arrestatie, werden de mensen zelf, toen het reeds licht begon te worden, aan mij voorgeleid. En ik heb de meest ongure aanstichter van al deze misdaden, de Cimbriër Gabinius, meteen tot mij geroepen, terwijl hij nog niets vermoedde. Daarna werd ook Lucius Statilius ontboden en na hem Cethegus. Lentulus kwam echter heel laat, ik geloof omdat hij bij het opstellen van een brief tegen zijn gewoonte in de vorige nacht niet had geslapen.

[12] Volturcius liet echter plotseling de brief tevoorschijn halen en openen die naar zijn zeggen hem door Lentulus voor Catilina was gegeven. En daar heeft Lentulus, in opperste verwarring, niettemin erkend dat zowel zegel als handschrift van hem was. De brief was echter niet op naam gesteld, maar ging als volgt: “Wie ik ben zult u van hem vernemen die ik tot u zend. Wees een echte kerel en denk eraan hoever u gekomen bent. Zie erop toe wat u nu nog nodig hebt, en zorg ervoor dat u de hulp van allen aan u verplicht, ook van die uit de laagste stand.” Toen Gabinius, die daarna was binnengeleid, eerst zo onverstandig was om te beginnen te praten, heeft hij tenslotte niets ontkend van de dingen die de Galliërs als beschuldiging naar voren brachten.

Cicero, Cat. IV 7-12

[7] Ik zie dat er nog twee voorstellen liggen, één van Decimus Silanus die van oordeel is dat zij die geprobeerd hebben dit hier te vernietigen, ter dood moeten worden gebracht, een ander van Gaius Caesar die de doodstraf afwijst, maar alle verschrikkingen die overige straffen inhouden toejuicht.
Elk van beiden treedt overeenkomstig zowel de eigen waardigheid als het belang van de kwestie met grootste strengheid op. De een meent dat zij die geprobeerd hebben ons allen, het volk van Rome, van het leven te beroven, het rijk te vernietigen, alles wat de naam van het Romeinse volk draagt uit te roeien, geen seconde van het leven en de lucht die wij hier delen mogen genieten en brengt in herinnering dat dit soort straf in deze staat vaak is toegepast op misdadige medeburgers.
De ander is ervan overtuigd dat de dood door de onsterfelijke goden niet is ingesteld bij wijze van straf, maar óf een door de natuur gegeven noodzaak óf de bevrijding van hard werken en ellende is. Daarom hebben filosofen haar soms uit vrije wil, helden dikwijls zelfs met graagte gezocht. Detentie echter, en wel de levenslange vorm ervan, is beslist uitgevonden als bijzondere straf voor een goddeloze misdaad. Hij wil hen verdelen over de provinciesteden. Dit lijkt onrechtvaardigheid in te houden, als u het wil opleggen, een probleem, als u het voorstellen. Laat men er niettemin voor kiezen, als men er vóór is.

[8] Ik nu zal het op mij nemen en, naar ik hoop, mensen vinden die van mening zijn dat het niet past bij hun waardigheid datgene te weigeren, waartoe u besloten hebt omwille van aller belang. Hij koppelt hieraan een zware straf voor de provinciesteden, mocht iemand van hen uit de boeien breken. Hij omgeeft ze met afschrikwekkende surveillances en zulke die passen bij de misdadigheid van verdorven lieden. Hij bepaalt dat niemand van hen die hij veroordeelt, noch door de senaat noch door het volk zijn straf kan laten verzachten. Hij ontneemt hen zelfs de enige hoop die een mens in nood kan troosten. Hij laat verder hun goederen verbeurd verklaren. Voor goddeloze wezens laat hij alleen het leven over. Als hij dit hen zou hebben ontnomen, had hij in één klap vele psychische en lichamelijke ellende en alle straffen die op misdaden staan weggenomen. Opdat derhalve tijdens het leven een bepaalde angst de slechterikken zou zijn ingegeven, hebben vorige generaties gewild dat in de onderwereld zulke straffen zijn vastgesteld voor goddeloze mensen, omdat zij natuurlijk inzagen dat men voor de dood zelf geen diepe angst hoefde te koesteren, als deze waren opgeheven.

[9] Ik zie nu, heren senatoren, wat in míjn belang is. Als u het voorstel van Gaius Caesar zult aannemen, omdat hij deze politieke richting is ingeslagen die men ‘links’ vindt, hoef ik misschien minder angst te hebben voor de aanvallen van links, als híj de indiener en verdediger is van dit voorstel. Maar als u het andere voorstel zult aannemen, werk ik mij - wie weet - nog meer in de nesten. Toch moet het belang van de staat het winnen van de afwegingen van mijn risico’s. Wij hebben nu een voorstel van Caesar, zoals zijn eigen positie en het aanzien van zijn voorouders het wilde, als staat het borg voor zijn niet aflatende goede wil jegens de samenleving. Men heeft kunnen opmaken, wat het verschil is tussen de nietszeggendheid van demagogen en de ware volksgeest die om het heil van het volk geeft.

[10] Ik zie dat van hen die zich graag als volksvertegenwoordigers zien, er menigeen afwezig is, klaarblijkelijk omdat hij bang is om uit hoofde van de burgers van Rome zijn stem uit te brengen. Zij hebben eergisteren nog burgers van Rome onder bewaking laten stellen en ter ere van mij tot een biddag besloten en gisteren aangevers de grootste beloningen toegekend. Voor een ieder staat nu vast wat hij die de hechtenis voor de aangeklaagde, de felicitatie voor de onderzoeker, de beloning voor de aangever heeft vastgesteld, ten aanzien van de gehele kwestie en aangelegenheid heeft besloten. Gaius Caesar daarentegen interpreteert de wet Sempronius als een die is ingesteld over Romeinse burgers: hij die een staatsvijand is, kan op geen enkele wijze staatsburger zijn; met andere woorden, de initiatiefnemer van de wet Sempronius is op bevel van het volk gestraft door de staatswet. Evenzo is hij van mening dat Lentulus zelf, die spilzieke verkwister, geen volksheld kan worden genoemd, omdat hij zulke scherpe, zulke wrede plannen heeft gehad met het verderf van het volk van Rome, met de ondergang van deze stad. Daarom aarzelt de meest milde en zachtmoedige man niet om Publius Lentulus uit te leveren aan gevangenschap in eeuwige duisternis en bepaalt hij voor de toekomst dat niemand zich erop kan beroemen dat hij hem van straf heeft ontheven en hierna een volksheld kan zijn waar het gaat om de vernietiging van het volk van Rome. Zelfs koppelt hij hieraan een verbeurdverklaring van bezittingen, opdat op alle lichamelijke en psychische kwellingen nog armoede en de bedelstaf volgen.

[11] Als u daarom hiertoe zult besluiten, als u mij als partner voor de volksvergadering een aan het volk geliefd en sympathiek persoon zult toewijzen, of als u liever met het voorstel van Silanus instemt, zal het volk van Rome u en mij moeiteloos vrijspreken van blaam door wreedheid. Ik zal zelfs begrip ervoor weten te krijgen dat dit voorstel minder vergaand is. Trouwens, heren senatoren, kunnen we wreedheid nog bestraffen, als het om zo’n groot vergrijp gaat? Mijn oordeel is gebaseerd op mijn eigen waarneming. Laat mij namelijk samen met u van een samenleving in ongeschonden toestand genieten, zó dat ik mij niet door mijn wrede aard laat leiden, omdat ik in deze kwestie tamelijk fel ben (wie is immers milder dan ik?), maar door een bijzondere vorm van menselijkheid en medelijden. Het lijkt wel alsof ik deze stad, lichtend voorbeeld voor de wereld en vesting van alle volkeren, plotseling zie ineenstorten in één vuurzee. Ik zie in gedachten in het graf dat ons vaderland is, stapels arme en onbegraven burgers; voor mijn ogen zweeft de waanzinnige blik van Cethegus die zich te buiten gaat aan een moordpartij onder u.

[12] Wanneer ik nu mij Lentulus als alleenheerser heb voorgesteld, zoals hij op grond van voorspellingen, naar zijn eigen verklaring, had gehoopt, dat Gabinius zich voor hem in het purper had gehuld, dat Catilina met zijn leger was gekomen, ja!, dan huiver ik diep bij het geweeklaag van de huismoeders, bij de uittocht van jongens en meisjes en bij de mishandeling van de Vestaalse Maagden, en omdat ik deze dingen uiterst misselijk makend en meelijwekkend vind, zal ik dáárom streng en fel optreden tegen hen die die dingen willen uitvoeren. Want ik vraag u: als een huisvader, wanneer zijn kinderen door een slaaf zijn gedood, zijn vrouw vermoord, zijn huis in brand gestoken, niet een zo zwaar mogelijke straf heeft opglegd aan zijn slaven, zou u hem genadig en barmhartig vinden of zeer onmenselijk en wreed? Ik van mijn kant zou hem, die de eigen pijn en kwelling niet zal verzachten met de pijn en kwelling van de schuldige, gestoord en van steen vinden. Daarom zullen wij, als het om deze mensen gaat, die ons, onze echtgenotes, onze kinderen hebben willen vermoorden, die de huizen van een ieder van ons stuk voor stuk en dit volledige onderkomen van de staat hebben geprobeerd te vernietigen, die slechts erop uit zijn geweest om het volk van de Allobrogen op de puinhopen van deze stad en in de as van het afgebrande rijk te vestigen, barmhartig gevonden worden, als wij zeer fel zijn geweest. Maar als wij milder wilden zijn, moeten wij ons de naam laten welgevallen van de grootste wreedheid wat betreft de ondergang van vaderland en burgers.

Sallustius, Cat. 52 (1-36)

[1] Nadat Caesar zijn redevoering had beëindigd, stemden de anderen met een enkel woord, verdeeld als zij waren, deels met het ene, deels met het andere voorstel in. Marcus Porcius Cato echter, gevraagd naar zijn mening, hield ongeveer de volgende redevoering: [2] Ik ben een volstrekt andere mening toegedaan, heren senatoren, wanneer ik de situatie en de gevaren voor ons in overweging neem en mij de uitspraken van sommigen realiseer. [3] Het komt mij voor dat zij over de straf hebben gesproken van hen die een oorlog zijn begonnen tegen de ouders van het vaderland en tegen hun eigen altaren en haardvuren. De situatie echter gebiedt ons méér voor de sprekers op onze hoede te zijn dan te bedenken wat wij tegen hen moeten beslissen. [4] Je moet immers dán andere wandaden vervolgen, wanneer zij begaan zijn. Als je geen maatregelen neemt om op het moment zelf te voorkomen dat het gebeurt, zul je wel vergeefs een beroep doen op de rechtbank. Na inneming van de stad blijft er niets over voor de verliezers. [5] Ik doe echter, bij de onsterfelijke goden, op u die altijd uw huizen en landgoederen, uw beelden en wandschilderingen belangrijker hebt gevonden dan de staat, een beroep: als u die zaken, die u koestert, van welke aard ook, wilt behouden, als u uw pleziertjes rust wil gunnen, word dan een keer wakker en neem het bestuur over de staat in handen. [6] Het gaat niet om belastingen noch om onrecht uw bondgenoten aangedaan. De democratie en ons leven staan op het spel. Ik heb vaak, heren senatoren, in deze vergadering vele beschouwingen gehouden.

[7] Vaak heb ik mijn beklag gedaan over de weeldezucht en inhaligheid onder onze medeburgers en om die reden heb ik vele mensen mij tegen het harnas ingejaagd. [8] Omdat ik nooit mijzelf en mijn karakter enige tekortkoming heb goedgepraat, was ik niet gewoon een ander zomaar zijn wellust te vergeven. [9] Maar ook al vond u dat onbelangrijk, de staat stond niettemin sterk. De welvaart verdroeg nalatigheid. [10] Nu doet het er echter niet toe of wij volgens goede of slechte normen leven, evenmin hoe groot of hoe geweldig het rijk van het Romeinse volk is, maar of dit, welke waarde het ook mag hebben, van ons zal blijven of, met ons erbij, van onze vijanden zal zijn. [11] Spreekt me daar iemand van zachtzinnigheid en medelijden? Wij nu zijn al lang de juiste benamingen voor de dingen kwijtgeraakt. Omdat het weggeven van andermans bezittingen ‘vrijgevigheid’ heet te zijn en onbesuisd handelen in kwalijke praktijken ‘dapperheid’, verkeerd de staat daardoor in uiterste nood. [12] Laten zij, omdat de normen zo zijn, dan maar vrijgevig zijn met de bezittingen van hun bondgenoten, medelijden hebben met de dieven van de schatkist, als zij maar ons bloed niet verspillen en niet alle goedgezinde burgers in het verderf storten door een handvol misdadigers het leven te sparen.

[13] Zojuist heeft Gaius Caesar in deze vergadering goed en in fraaie stijl gesproken over leven en dood, waarbij hij volgens mij die zaken die men over de onderwereld pleegt te noemen onjuist acht, als zouden slechte mensen langs een weg, afgescheiden van goede mensen, walgelijke, verwilderde, afschuwelijke en angstwekkende verblijfplaatsen hebben. [14] Daarom heeft hij voorgesteld om hun fortuin verbeurd te verklaren, henzelf verspreid over de gemeenten onder bewaking te houden, zeker omdat hij bang is dat, als zij in Rome zijn, zij of door hun handlangers in het complot of door een ingehuurde menigte met geweld worden ontzet. [15] Alsof, dunkt me, slechte en misdadige mensen alleen in Rome en niet in heel Italië te vinden zijn of dáár niet meer stoutmoedigheid is, waar de mogelijkheden om je te verdedigen minder zijn. Daarom is dit voorstel echt onzinnig, als hij gevaar vreesde van hun kant. [16] Als hij in een voor ons zo bedreigende situatie de enige is die geen angst kent, is het voor mij van nog groter belang om om u en mij bezorgd te zijn. [17] Wanneer u een besluit zult nemen over Publius Lentulus en de anderen, moet u daarom ervan uitgaan dat u een beslissing neemt over het leger van Catilina en over alle samenzweerders. [18] Hoe overtuigender u dat zult doen, des te zwakker zal hun zelfvertrouwen zijn. Als zij u maar een beetje zien verslappen, zullen zij allen onmiddellijk fanatiek komen opzetten.

[19] U moet niet denken dat onze voorouders met wapengeweld de staat groot hebben gemaakt. [20] Als dat zo was, zou de staat die wij hebben, verreweg de mooiste zijn. Immers, ons bezit aan bondgenoten en medeburgers, wapens en paarden is groter dan dat van hen. [21] Maar het zijn andere dingen geweest die hen groot hebben gemaakt, die wij niet hebben: toewijding in het binnenland, rechtvaardig gezag in het buitenland, democratische instelling bij overleg, niet afhankelijk van misdrijf en wellust. [22] In plaats hiervan kennen wij weeldezucht en inhaligheid, armoede voor de staat, voor ons persoonlijk overvloed. Rijkdom staat bij ons hoog in het vaandel, slapheid streven wij na. Tussen goede en slechte mensen is geen onderscheid, carrièreplanning bepaalt volledig of je voor moed wordt beloond. [23] Het is ook niet verwonderlijk. Omdat elk van u zonder ruggespraak beslissingen neemt, omdat u thuis slaaf bent van uw pleziertjes, hier van geld en politieke macht, komt het zover dat er een aanval wordt gedaan op een staat zonder bestuur.

[24] Deze punten laat ik echter verder onvermeld. Burgers van het hoogste aanzien hebben een complot gesmeed om het vaderland in vuur en vlam te zetten. Zij hebben een Gallische stam, de meest vijandig aan alles wat Romeins heet, opgeroepen tot een oorlog. De aanvoerder van de vijanden bedreigt ons met zijn leger. [25] Aarzelt u zelfs nu en weet u niet goed wat u met de vijanden moet doen die binnen de stadsmuren zijn gearresteerd? [26] Ik vind dat u medelijden met hen moet hebben (het zijn opgeschoten jongelui die uit eerzucht een misstap hebben begaan) en hen desnoods gewapend naar huis moet sturen, [27] als uw zachtzinnigheid en medelijden maar niet op ellende uitdraait, wanneer zij de wapens zullen hebben opgenomen. [28] Natuurlijk is de kwestie zelf ernstig, maar u bent er niet bang voor. Nee, veeleer het tegendeel! In afwachting van wat de ander doet, aarzelt u uit laksheid en door een slappe instelling, ongetwijfeld omdat u op de onsterfelijke goden vertrouwt die deze staat onder de grootste gevaren hebben gered. [29] De hulp van de goden wordt niet verkregen door beloftes en smeekbeden die bij vrouwen passen. Door waakzaam te zijn, door te handelen, door goed overleg verloopt alles voorspoedig. Wanneer u zich overgeeft aan zorgeloosheid en inertie, heeft uw smeekbede tot de goden geen succes: zij zijn vertoornd en u vijandig. [30] Onder onze voorouders heeft Aulus Manlius Torquatus in de oorlog tegen de Galliërs zijn eigen zoon laten ombrengen, omdat deze tegen het bevel in tegen de vijand had gevochten: deze voortreffelijke jongeman heeft voor zijn teugelloze dapperheid de doodstraf gekregen. U twijfelt erover welk besluit te nemen over de meest wrede moordenaars? De rest van hun leven steekt zeker gunstig af bij deze misdaad. [32] Goed, spaar Lentulus om zijn hoge positie, als hij zelf ooit zijn keurige levensstijl, zijn reputatie, goden of mensen heeft gespaard. [33] Vergeef Cethegus zijn jeugdigheid, als hij niet een tweede maal de wapens tegen het vaderland heeft opgenomen. [34] Waarom nog spreken over Gabinio Statilius Caeparius? Als zij nog voor iets eerbied hadden gehad, zouden zij die plannen met de staat niet hebben gehad. [35] Kortom, heren senatoren, als er écht ruimte voor een vergissing was, zou ik er geen moeite mee hebben dat u door de realiteit zelf tot de orde wordt geroepen, aangezien u uw neus ophaalt voor woorden. Wij zijn echter van alle kanten ingesloten. Catilina houdt ons met zijn leger in de wurggreep. Andere vijanden zijn binnen de stadsmuren en in het hart van de stad. Niets kan worden voorbereid noch bedacht zonder opgemerkt te worden. Des te meer moeten we haast maken.

[36] Daarom doe ik het volgende voorstel:

Gezien het feit dat de staat door een goddeloos plan van misdadige medeburgers in het grootste gevaar is terechtgekomen en zij op aanwijzing van Titus Volturcius en de Allobrogische gezanten schuldig zijn verklaard en hebben bekend dat zij moordaanslagen, brandstichtingen en andere afzichtelijke en wrede misdaden tegen de burgers en het vaderland hebben beraamd, moet volgens de gewoonte van onze voorouders de doodstraf worden voltrokken aan hen die een bekentenis hebben afgelegd, zoals aan hen die op heterdaad betrapt zijn bij halsmisdaden.

Cicero, Pro Cael. 12-14

[12] Inderdaad was Caelius, toen hij al een aantal jaren in de politiek actief was, een aanhanger van Catilina. En velen uit iedere geleding en van elke leeftijdscategorie hebben hetzelfde gedaan. Hij droeg namelijk, zoals u zich volgens mij herinnert, zeer talrijke weliswaar niet uitgesproken, dan toch vage karakteristieken van buitengewone kwaliteiten. Hij maakte gebruik van vele slechte lieden. Toch gaf hij voor toegewijd te zijn aan de beste mensen. In hem staken vele eigenschappen die leidden tot uitspattingen, maar ook de prikkels tot serieuze activiteit en inzet. In hem leefden de tekortkomingen hem ingegeven door wellust. Zelfs aandacht voor de krijgsdienst gloeide in hem. Ik ben van mening dat er op aarde nooit zo’n monster heeft bestaan, dat zo in elkaar is gezet uit tegengestelde en verschillende en met elkaar strijdige, natuurlijke hartstochten en verlangens. Wie was ooit sympathieker aan beroemdere lieden, wie hechter verbonden aan onfatsoenlijkere? [13] Welke burger was ooit lid van een betere partij, wie een afzichtelijkere vijand van deze samenleving? Wie inhaliger in zijn roofzucht, wie royaler in zijn vrijgevigheid?
Deze zaken echter, heren rechters, getuigden in die man van een wonderlijke combinatie: velen aan zich binden door vriendschap, velen beschermen door toewijding, met allen delen wat hij bezat, de behoeften van allen dienen met geld, politieke macht, fysieke inspanning, zelfs misdaad, waar nodig ook met bravoure, van tijd tot tijd zijn aard aanpassen en intomen en die in allerlei bochten wringen, met ernstige mensen serieus om gaan, met vrolijke mensen vriendelijk, met ouderen voorkomend, met jongeren losjes, met misdadigers roekeloos, met buitensporige lieden decadent. [14] Niet alleen had hij met dit zo veelzijdige en ingewikkelde karakter alle slechte en overmoedige mensen uit alle landen om zich heen verzameld, maar ook had hij vele dappere en oprechte lieden aan zich gebonden onder het mom van gespeelde deugd. Nooit zou er in hem de zo misdadige drift om dit rijk te vernietigen zijn ontstaan, als niet zo’n gruwelijk grote omvang van tekortkomingen zou steunen op bepaalde wortels van sociaal vaardig en geduldig zijn. Laat men daarom, heren rechters, die overweging verwerpen en laat niet de beschuldiging van nauwe omgang met Catilina aan hem kleven. Die deelt hij namelijk met vele mensen, onder wie enkele correcte burgers. Mij zelf, zeg ik u, mij heeft hij eens bijna misleid, toen hij mij zowel een goed burger toescheen als ook een die verlangde naar juist het beste, een betrouwbare vriend door dik en dun. Zijn misdaden echter heb ik eerder met mijn ogen dan in gedachte, eerder door mijn handen dan door een vermoeden opgemerkt. Als ook Caelius zich in de grote vriendenscharen van hem heeft bevonden, is het beter te begrijpen dat hij het moeilijk kan verdragen dat hij zich heeft vergist, (zoals het ook mij spijt ooit in dezelfde man mij te hebben vergist) dan dat hij vreest beschuldigd te worden van vriendschap met hem.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.