ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis
Caesar, De Bello Gallico
I, 1
Gallie is is zijn geheel verdeeld in drie delen, waarvan er een bewoond wordt door de Belgen, een ander door de Aquitaniers, en het derde door diegenen die in hun eigen taal de Kelten genoemd worden, en in de onzen de Galliers. Dezen verschillen onderling in taal, instellingen en wetten. De Galliers worden door de rivier de Garonne afgescheiden van de Aquitaniers en van de Belgen door de Matrona en de Sequana. Van al dezen zijn de Belgen de sterksten, bovendien omdat ze ver verwijderd zijn van de cultuur en de beschaving van de Provincie, en omdat handelaars zeer zelden naar hen reizen en die dingen binnenbrengen die aanleiding geven tot het vervrouwelijken van de harten, en omdat ze het dichtst wonen bij de Germanen die aan de overkant van de Rijn wonen, met wie zij voortduren oorlog voeren. En om die redenen overtreffen ook de Helvetiers de overige Galliers in moed, omdat zij in bijna dagelijkse gevechten strijd leveren met de Germanen, door ofwel hen uit hun gebieden te verdrijven, ofwel in hun eigen gebieden oorlog te voeren.
VI, 13
In heel Gallie zijn er twee standen van die mensen die van enig belang of aanzien zijn: want het volk wordt bijna beschouwd als slaven, omdat het niets uit zichzelf durft, en bij geen enkele beslissing wordt toegelaten. Wanneer de meesten, hetzij door schulden, hetzij door de grootte van de belastingen, hetzij door het onrecht van de machtigeren verdrukt worden, roepen ze zichzelf uit tot de slavernij, in het voordeel van de edelen, die tegenover dezen al dezelfde macht hebben als meesters over hun slaven. Welnu, van deze twee standen is de ene die van de druiden en de andere die van de ridders.
Dezen staan in voor de religieuze zaken, verzorgen de publieke en privé-offers, en verklaren de religieuze tekens; naar hen komt een grote groep jongelui omwille van de leer samen, en ze staan bij hen in groot aanzien. Want ze beslissen in bijna alle stammentwisten of privé-geschillen en als er een misdaad gepleegd is, of een moord gepleegd is, of als er een geschil is over een ergernis of over grenzen, beslissen weer dezelfden en leggen ze de boeten en vergoedingen vast. En als of een individu of een volk zich niet heeft gehouden aan hun besluit, sluiten ze hen uit van de offers. Deze straf is bij hen heel zwaar. Wie zo is uitgesloten wordt bij tot de goddelozen en misdadigers gerekend, hen gaat iedereen uit de weg, ze vermijden hun toenadering en gesprekken, opdat ze geen nadeel zouden ondervinden van besmetting, en er wordt hen geen recht gedaan, al vragen ze erom, noch wordt hen een enkel ambt toegekend.
Aan het hoofd van al deze druiden staat er een, die onder hen het hoogste gezag heeft. Na deze zijn dood, volgt ofwel diegene hem op die boven de anderen uitsteekt in waardigheid, of, als er meerdere gelijk zijn, strijden ze om het leiderschap door stemming onder de druiden of soms zelfs met de wapens.
Dezen vergaderen op een vastgelegd ogenblik in het jaar, op een heilige plaats, in het gebied van de Carnuten, welk wordt beschouwd als het middelpunt van heel Gallie. Hier komen allen van alle kanten samen die een meningsverschil hebben, en gehoorzamen aan hun beslissingen en adviezen. Ze menen dat de leer in Brittanie is ontstaan en vandaar naar Gallie overgedragen is, en nu gaan allen die de leer beter willen leren kennen, meestal daarheen om in de leer te gaan.
VI, 14
De druiden hebben de gewoonte niet deel te nemen aan de oorlog, en ze betalen ook geen belastingen zoals de overigen, ze genieten een vrijstelling van deelname aan de oorlog en vrijheid van deelname aan alle zaken. Aangelokt door zo’n grote voordelen, komen velen uit zichzelf naar de leer als ze worden gestuurd door hun ouders of naasten. Men zegt dat ze daar een groot aantal versregels uit het hoofd leren. En zo blijven enkelen wel 20 jaren in de leer. Ze menen dat het niet geheiligd is die dingen aan het schrift toe te vertrouwen, hoewel ze in de overige zaken, publieke en privé-aangelegenheden, het Griekse schrift gebruiken. Ze schijnen mij dat ingesteld te hebben om 2 redenen, nl. omdat ze niet willen dat de leer naar het volk wordt uitgedragen, en omdat ze niet willen dat diegenen die in de leer zijn zich minder gaan toeleggen op de geheugentraining, door te vertrouwen op de lettertekens; hetgeen bij de meesten gebeurt, wanneer zij met behulp van de lettertekens de nauwgezetheid bij het grondig studeren en de geheugentraining laten verzwakken.
In de eerste plaats willen ze de volgende leer verkondigen; nl. dat de zielen nier vergaan maar na de dood overgaan van bij de enen naar de anderen, en ze menen dat ze zo tot dapperheid worden aangespoord, door hun vrees voor de dood neer te leggen. Bovendien bespreken ze vele dingen over de sterren en hun beweging, over de grootte van de aarde en van de landen, over natuurzaken en over de kracht en de macht van de onsterfelijke goden, en dit geven ze door aan de jeugd.
VI, 15
De tweede stand is die van de ridders. Wanneer er noodzaak is, nl. wanneer er een of andere oorlog uitbreekt (wat voor de komst van Caesar gewoonlijk bijna jaarlijks gebeurde,nl. dat ze ofwel zelf in de aanval gingen of een aanval afweerden), zijn dezen alleen in de staat van oorlog, en naarmate ieder van hen belangrijker is in afkomst en vermogen, des te meer horigen en slaven hij rond zich heeft. Dit kennen zij als enige vorm van invloed en macht.
VI, 16
De natie van de Galliers is in haar geheel sterk in de ban van de religieuze praktijken, en om die reden offeren zij die getroffen zijn door nogal serieuze ziekten en zij die in oorlogen of gevaren verkeren, ofwel mensen als slachtoffers, ofwel zweren zij er te zullen offeren, en ze gebruiken de druiden als helpers bij deze offers, omdat ze menen dat de wil van de goden niet kan bedaard worden indien er geen mensenleven in ruil voor een mensenleven wordt gegeven, en ze hebben offers van dezelfde aard van officieel ingesteld. Anderen hebben immens grote afbeeldingen, waarvan zij de met wissetakken ineengevlochten ledematen vullen met levende mensen, en nadat dezen in brand gestoken zijn worden de mensen omringd door de vlammen en de adem ontnomen. De terechtstelling van diegenen die gegrepen zijn bij een diefstal, bij struikroverij of een of ander misgrijp, zijn meer geliefd bij de onsterfelijke goden; maar wanneer van die soort de voorraad ontbreekt, gaat men zelfs over tot de terechtstellingen van onschuldigen.
VI, 17
Van alle goden vereren ze Mercurius het meest; van hem zijn er vele afbeeldingen, hem beschouwen ze als uitvinder van alle vaardigheden, als gids van wegen en reizen en ze menen dat hij de grootste macht heeft voor het verwerven van geld en voor alle soorten van handelszaken. Na hem vereren ze Apollo, Mars, Jupiter en Minerva. Over dezen hebben ze bijna dezelfde mening als de overige stammen: Apollo verdrijft de ziektes, Minerva levert de beginselen over van handwerken en ambachten, Jupiter heerst over het hemelrijk,en Mars stuurt de oorlogen. Wanneer ze beslist hebben om met een oorlog te kampen, wijden ze meestal hetgeen ze in de oorlog zullen buitmaken, volledig aan deze laatste; wanneer ze overwonnen hebben offeren ze de buitgemaakte levende wezen en brengen ze de overigen zaken in een plaats samen. In vele stammen kan men opgehoopte stapels van deze zaken bemerken op gewijde plaatsten; en het gebeurt niet van dat iemand, door de religieuze wet naast zich neer te legge, of durfde de buit te verbergen of de opgehoopte buit te stelen, en daarvoor is een zeer zware foltering samen met de terechtstelling vastgelegd.
VI, 18
De Galliers verklaren plechtig dat zij allen afstammelingen zijn van Dispater, en ze zeggen dat dit naar voren gebracht is door de druiden. Om diezelfde reden bakenen zij alle tijdsruimtes niet af met het aantal van de dagen, maar met het aantal van de nachten; ze berekenen geboortedagen en de beginpunten van maanden en jaren zo, dat de dag volgt op de nacht. In de overige instellingen van het leven, verschillen ze ongeveer van de rest op het volgende punt: nl. dat zij niet duldden dat hun kinderen in het openbaar naar zich toekomen, tenzij wanneer zij de volwassen leeftijd bereikt hebben, zodat ze de taak van de legerdienst op zich kunnen nemen. Ze beschouwen het als iets schandelijks wanneer een zoon met een kinderlijke leeftijd zich in het openbaar vertoont in het gezichtsveld van zijn vader.
VI, 19
Nadat een schatting gemaakt is, voegen de mannen evenveel uit hun eigen vermogen toe aan de bruidsschatten als zij gekregen hebben van hun echtgenotes bij wijze van bruidsschat. Het beheer van al dit geld wordt gezamenlijk gehouden en de opbrengsten worden gespaard: wie van beiden de andere overleefd, aan hem komt het deel van elk van beiden toe en de opbrengsten van de overige jaren. Mannen hebben over hun vrouwen de macht over leven en dood als over hun kinderen; en wanneer een familievader van een nogal aanzienlijke stand gestorven is, komen zijn naasten samen, en wanneer de doodsoorzaak is verdenking komt, wordt er een verhoor gehouden van de echtgenotes op een slaafse manier, en als het bewijs van schuld geleverd is, folteren en doden ze hen met vuur en alle soorten van folteringen. De begrafenissen zijn in verhouding tot de Gallische beschaving en cultuur groots en indrukwekkend; alles waarvan ze menen dat het hen in hun leven ter harte ging gooiden ze in het vuur, zelfs levende wezens, en niet zo lang geleden werden slaven en dienaren waarvan het vaststond dat ze door hen bemind waren, mee verbrand, indien de rituelen juist werden uitgevoerd.
II, 1
Toen Caesar in zijn winterkwartier in Zuid-Gallie was, zoals wij hierboven hebben aangetoond, werden hem herhaaldelijke berichten gebracht, en hij werd eveneens op de hoofte gebracht door de brieven van Labiemus dat alle Belgen, waarvan wij hadden gezegd dat ze een derde deel van Gallie uitmaken, tegen het Romeinse volk samenzweren en onderling gijzelaars uitwisselen. De redenen voor hun samenzweren waren de volgende: vooreerstvreesden ze dat ons leger, na de onderwerping van heel Gallie, tegen hen zou oprukken; vervolgens werden ze aangestookt door enkele Galliers, deels door diegenen die maar moeilijk verdroegen dat de Germanen langere tijd in Gallie verbleven, zo ook nu maar moeilijk verdragen dat het leger van het Romeinse volk in Gallie overwinterd en zich vastnesteld, en deels door diegenen die door de wispelturigheid en de lichtzinnigheid van hun geest uit waren op een nieuw bewind, en ook door enkelen, omdat in Gallie de koningstronen in het algemeen bezet worden door nogal machtigeren en door diegenen die de mogelijkheden hadden om andere mensen in te huren, maar die deze zaak minder gemakkelijk konden bereiken door onze heerschappij.
II, 2
Omdat Caesar door deze berichten en brieven verontrust was, lichtte hij twee nieuwe legioenen in Zuid Gallie en zond in het begin van de zomer de generaal Q.P. naar Transalpijns Gallie om ze hierheen te brengen. Zelf kwam hij naar zijn leger wanneer de voedselvoorraad er begon te zijn. Hij gaf de opdracht aan de Senonen en aan de overige Galliers, die buren waren van de Belgen, om te weten te komen hetgeen er bij hen uitgevoerd werd en hem hiervan op de hoogte te brengen. Dezen meldden ellen eenparig dat bendes verzameld werden, en het leger is een plaats werd samengebracht. Toen mocht er echter niet aan getwijfeld worden dat er tegen hen opgerukt zou worden. Nadat de graanbevoorrading was geregeld, brak hij zijn kamp op en in ongeveer 15 dagen bereikte hij het grondgebied van de Belgen.
II, 15
De Nerviers grensden aan hun grondgebied. Wanneer Caesar navraag deed over hun aard en gewoonten vernam hij het volgende: handelaars hadden tot hen geen enkele toegans, ze duldden niet dat een druppel wijn of andere zaken die strekken tot weelde werden ingevoerd, omdat ze menen dat door deze zaken hun geesten verslapten en hun moed verzwakt werd; ze waren wilde en zeer dappere mensen; ze scholden de overige Belgen uit en beschuldigden hen omdat ze zich aan het Romeinse volk hadden overgegeven en hun voorvaderlijke moed haddel laten varen; en ze bevestigden dat ze noch gezanten zouden zenden, noch enig vredesvoorstel zouden aanvaarden.
II, 16
Wanneer hij gedurende drie dagen een doortoch door hun gebied gemaakt had, vernam hij uit de mond van gevangenen dat de rivier de Selle niet verder dan 10 mijl van zijn legerkamp verwijderd was; aan de overkant van die rivier hadden alle Nerviers postgevat en wachtten daar op de aankomst van de Romeinen samen met hun buren de Atrebaten en de Viromanduers – want ze hadden dezen elk van beiden overtuigd om hetzelfde oorlogsgeluk te beproeven – de troepen van de Atrebaten werden ook door hen verwacht, ze waren zelfs al onderweg; de vrouwen en die mannen die door hun leeftijd nutteloos schenen voor de strijd hadden ze naar die plaats samengebracht waar er geen toegang was voor een leger omwille van de moerassen.
II, 17
Nadat hij deze zaken vernomen had, zond hij verkenners en honderdmannen vooruit om een geschikte kampplaats uit te kiezen. Omdat er verscheidene van de onderworpen Belgen en de overige Galliers, die Caesar volgde, meereisden, bereikte enkelen onder hen ’s nachts de Nerviers, zoals later uit de mond van gevangenen is vernomen. Nadat ze de gewoonlijke marsorde van ons leger in die dagen hadden doorzien en toonden ze hen aan dat er tussen elk legioen afzonderlijk een groot pak tros tussenkwam, en het was dus geen enkele moeite om wanneer het eerste legioen in het kamp was aangekomen en de overige legioenen nog een heel eind verwijderd waren, dit legioen nog licht bepakt aan te vallen; en nadat dit verslagen was en de tros geplunderd was , zouden de overige legioenen geen weerstand meer durven bieden.
Omdat door deze zaken de mars van ons leger gehinderd werd, meenden de Nerviers deze goede raad niet in de wind te mogen slaan.
II, 19
Nadat Caesar zijn ruiterij had vooruitgestuurd volgde hij met al zijn troepen; maar de inrichting en de marsorde waren anders dan de Belgen aan de Nerviers hadden verraden. Want omdat de vijanden naderden, liet Caesar volgens zijn gewoonte zes slagvaardige legioenen vooraan marcheren; na hen had hij de tros van heel het leger verzameld; daarachter sloten de twee legioenen die het laatst gelicht waren het hele leger af, en waren tot hulp voor de bagage. Nadat onze ruiterij samen met de slingeraars en de boogschutters de rivier waren overgestoken, bonden zij de strijd aan met de ruiterij van de vijand. Wanneer dezen zich telkens weer in de bossen naar de hunnen terugtrokken en steeds opnieuw vanuit de bossen een aanval maakten op de onzen,n en de onzen de wijkenden niet verder durfden achtervolgen dan tot waar de kale strook reike, bakenden de zes legioenen die het eerst waren aangekomen het terrein af en begonnen het versterkt kamp op te slaan. Wanneer het eerste stuk van de tros van ons legergezien was door diegenen die zich verborgen in de bossen, schuilhielden, welk ogenblik zij onderling hadden afgesproken om de strijd aan te binden, vlogen zij plots met al hun troepen vooruit, zoals zij in de bossen hun rij en gelederen hadden opgesteld en hunzelf moed in hadden gesproken en maakten een aanval op onze ruiterij. Nadat dezen makkelijk verslagen waren en voor zich uit gejaagd, liepen zij met een ongelooflijke snelheid naar beneden naar de rivier, zodat de vijanden in bijna een ogenblik, zowel in de bossen als in de rivier als zelfs binnen ons handbereik gezien werden. En met dezelfde snelheid rukten zij de andere heuvel op naar ons kamp en naar diegenen die met hun werk bezig waren.
II, 20
Caesar moest alles tegelijkertijd doen: De rode vlag moest gehesen worden, wat het teken was wanneer er naar de wapens moest gelopen worden, de soldaten moesten worden teruggeroepen van hun werk, zij die een beetje verder weggegaan waren om materiaal te zoeken voor de dan moesten worden teruggehaald, de slaglinies moesten worden opgesteld, de soldaten moesten worden aangespoord, en het teken moest gegeven worden met de bazuin. Van deze zaken belette de korte tijd en de aanstormende vijanden een groot deel. Twee zaken waren tot hulp voor deze moeilijkheden, namelijk, de kundigheid en de ervaring van de soldaten, omdat zij, getraind door vorige gevechten, niet minder goed zichzelf konden voorschrijven wat er moest gebeurd worden dan bevelen te krijgen van een ander, en omdat Caesar zijn legaten één voor één had verboden om van hun werk en hun respectievelijke legioen weg te gaan. Wegens de nabijheid en de snelheid van de vijanden verwachtten zij in geen enkel opzicht meer een bevel van caesar, maar regelden op zich, hetgeen goed scheen.
II, 21
Nadat Caesar de strikt noodzakelijke dingen had geregeld, liep hij naar beneden, naar dat deel dat het lot hem aanbood, om de soldaten aan te sporen, en hij kwam terecht bij het tiende legioen. Nadat hij de soldaten had aangespoord met een redevoering die niet langer was dan dat ze de herinnering aan hun aloude moed moesten bijhouden, en dat hun geesten niet in verwarring mocht gebracht worden en dat ze hevig moesten weerstand bieden aan de aanval van de vijanden, gaf hij het teken tot de strijd omdat de vijanden niet verder verwijderd waren dan tot waar een speer kon gegooid worden. En nadat hij naar de andere kant vertrokken was om eveneens aan te sporen, kwam hij hen tegen het lijf, terwijl ze al aan het vechten waren. De tijd was zo beperkt en de geesten van de vijanden zo klaar om te vechten dat de tijd niet alleen ontbrak om de slaglinies op te stellen, maar ook om de helmen op te zetten en de hoezen van de schilden te trekken. Iedereen stelde zich op in dat deel waar hij van het werk toevallig terechtkwam en bij het veldteken dat hij als eerste bemerkte, om geen tijd te verliezen om te vechten bij het zoeken naar de eigen veldtekens.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

C.

C.

bedankt, het hielp er :D

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast