VERGILIUS



1ste periode



De Aeneïs, Boek I

1. De aanhef (v. 1-11)



Ik bezing de wapenfeiten van de man, die als eerste van de kusten van Troje, gedreven door het Fatum, in Italië aankomt, meer bepaald op de kust van Lavinium. Hij werd hevig heen en weer geslingerd zowel op het land als op de zee door de kracht van de goden, wegens de onverzoenlijke woede van Juno. Hij heeft zelfs ook in oorlog veel geleden, totdat hij een stad zou stichten; en huisgoden in Latium zou binnenbrengen; van waaruit het Latijnse volk, de voorvaderen van de Albani en het hoge Rome ontstaan zijn.

Muzen, vertel mij de oorzaken, door welke krenking van haar goddelijke wil of door welke wrok heeft de koningin van de goden een man, opmerkelijk wat betreft plichtsbesef, gedwongen zovele gebeurtenissen te doorworstelen en zovele beproevingen te trotseren. Is er dan zoveel woede bij de goden?





2. De wrok van Juno (v. 12-33)



Tegenover de delta van de Tiber en Italië, weliswaar op grote afstand, ligt een oude stad Carthago, bewoond door Tyrische kolonisten. Deze stad was rijk aan middelen en grillig door haar oorlogshonger. Men zegt dat Juno Carthago in het bijzonder boven alle steden aanbad, zelfs boven Samos. Hier lagen haar wapens en stond haar strijdwagen. Reeds toen streefde de godin ernaar en verlangde zij vurig dat die stad zou regeren over de volkeren, als het fatum het enigszins zou toelaten. Maar ze had gehoord dat er een nageslacht zou ontstaan uit Trojaans bloed, die ooit de Tyrische burcht zou verwoesten en dat er een volk zou ontstaan, die zou regeren over de hele wereld en trots was in de oorlog, om Carthago te verwoesten: zo beschikten de Parken. De dochter van Saturnus vreesde dit en dacht aan de voorbije oorlog, die ze bij Troje in de eerste gelederen had bevochten voor haar geliefde Grieken. Zij was de oorzaken van haar woede en haar hartstochtelijke pijn nog niet vergeten. Het oordeel van Paris, het onrecht van haar misprezen schoonheid, het gehate volk, de roof van het beroep van Ganymedis, bleef opgekropt in het diepste van haar hart. Ze was vertoornd door al die zaken en deed de Trojanen, wat de Grieken en de ongenadige Achilles ervan hadden overgelaten, zwalpen op zee en weerde ze ver af van Latio. Gedreven door het lot zwierven ze vele jaren rond op alle zeeën. Zoveel moeite heeft het gekost om het Romeinse volk te stichten.









3. De woede van Juno (v. 34-49)



Nauwelijks waren ze uit het zicht van Sicilië verdwenen en voeren zij met volle zeilen opgewekt naar volle zeeën en woelden met de bronzen boeg de schuimende zee om, totdat Juno, die voor altijd die wonde koesterde, het volgende bij zichzelf zei: "Moet ik dan als overwonnene afzien van mijn plan en kan ik dan de koning van de Trojanen niet afweren van Italië? Geen wonder, ik word gehinderd door het lot. Pallas kon toch de Griekse vloot door brand vernielen en de bemanning doen verdrinken, wegens de door waanzin ingegeven misdaad van één iemand, nl. Aiax, zoon van Oileus. Zijzelf, nadat ze het vernietigende vuur van Juppiter uit de wolken had geslingerd, woelde de zee met winden om en sloeg de schepen uit hun koers. Ze greep hem vast, terwijl hij vlammen uitbraakt uit zijn doorboorde borst, met een windhoos en spiesde hem op een scherpe rots. Maar ik, als koningin van de goden, zus en echtgenoot van Juppiter, voer al zovele jaren oorlog tegen één volk. En zal er voortaan nog iemand de goddelijke macht van Juno vereren, of als smekeling offers op mijn altaren leggen."



4. Bezoek aan Aeolus (v. 50-80)



Dergelijke dingen overwegend in haar ontvlamd hart, kwam ze aan in het vaderland van de stormwinden, Aeolië, een plaats volgepropt met razende zuidenwinden. Hier in een reusachtige grot onderdrukt koning Aeolus worstelende winden en gierende stormen en beteugelt hen met ketens en kerker. Deze gieren geërgerd rond in de binnenkant met een luid gedruis van de berg. Aeolus zit in zijn hooggelegen burcht met de scepter in de hand en sust en bedwingt de woede in de gemoederen. Als hij dat niet zou doen, dan zouden ze in hun snelheid de zeeën, het land en het onmetelijk luchtruim met zich meevoeren en meesleuren in de lucht. Uit vrees voor dit, verborg Juppiter ze in een donkere spelonk en heeft daarop het zware gewicht van de bergen geplaatst en heeft hen een koning gegeven, die in staat zou zijn op bevel van Juppiter, volgens een vaste overeenkomst, de teugels nu eens strak te houden en dan eens los te laten. De volgende woorden wendde Juno, als smekeling, toen tot hem: "Aeolus, ik richt me tot u, want de vader van de goden en de koning van de mensen heeft jou de toestemming gegeven om zowel de golven te strelen en op te zwepen door de wind. Een mij vijandig volk bevaart de Tyrrheense zee, terwijl het Troje en zijn overwonnen huisgoden meevoert naar Italië; zet de winden kracht bij en begraaf de gezonken schepen of drijf hen uiteen in verschillende richtingen en verstrooi hun lijken over de zee. Ik heb veertien nimfen in mijn bezit met een wonderbaarlijk lichaam. Eén van hen, de mooiste, nl. Deïopa, zal ik met jou in een duurzaam huwelijk verbinden. Ik zal haar als blijvend bezit aan jou toewijzen, opdat ze al haar levensjaren bij jou zou doorbrengen en je vader zou maken van een mooi gezin, in ruil voor zulke verdiensten."

Aeolus antwoordde haar: "Beste koningin, het ligt in jouw handen om te beslissen wat je wil; aan mij is het toegestaan jouw bevelen uit te voeren. Jij geeft me dit rijk, hoe groot of hoe klein het ook is, en jij geeft me de scepter en stelt me gunstig bij Juppiter. Jij gunt het mij aan te liggen bij het feestmaal van de goden en jij maakt mij machtig over wervelwinden en onweren.



5. De stormpassage (v. 81-123)



Nadat hij dit gezegd had, stootte hij hard met de omgekeerde scepter in de flank van de holle berg. En de winden, a.h.w. in slagorde, stormden naar buiten daar waar de poort geopend is en raasden als wervelwinden over de aarde. Ze stortten zich neer op de zee en woelden haar op vanuit de diepte. Eurus, Notus en Africus, die vol is van orkanen, samen, rolden enorme golven op de kusten. Daarop volgde het geschreeuw van de zeelui en het gekraak van de scheepstouwen. De donderwolken onttrokken plots het daglicht en de hemel aan het oog van de Trojanen; de donkere nacht viel over de zee. De hemel dreunde en de lucht flikkerde door het herhaaldelijk vuur. Alles bedreigde de bemanning met een ogenblikkelijke dood. Een koude rilling deed de ledematen van Aeneas verlammen. Hij zuchtte en zijn handen uitstrekkend naar de hemel, sprak hij als volgt: "Duizendmaal gelukkig zijn zij die het geluk hebben te sneuvelen voor de kusten van de voorvaderen en aan de voet van de hoge Trojaanse muren! Oh, Diomedes, dapperste der Grieken. Kon ik dan niet sterven op de Trojaanse vlakten en mijn leven uitstorten, getroffen door jouw rechterhand. Daar waar de wilde Hector ligt, getroffen door de speer van Achilles, waar de reus Sarpedon ligt en waar de Simoïs zoveel schilden en helmen van mannen en hun dappere lijken meesleurt in haar stroming."

Terwijl hij dit zei, beukte een stormvlaag, die kwam aanrazen uit het noorden, vanvoren op het zeil en zweepte de golven op tot aan de sterren. Toen draaide de voorsteven zich en gaf de flank bloot aan de golven, onmiddellijk gevolgd door een steile waterberg, als een toren. De ene hangen in de top van de golf en de opensplijtende zee toonde tussen de golven door de bodem (van de zee) aan de anderen. De vloed woelde het zand omhoog (of: de branding raasde in het zand).



6. Neptunus grijpt in (v. 124-156)



Ondertussen werd Neptunus gewaar dat de zee door een enorm gedruis in chaos veranderde en dat er een storm was ontketend en dat het altijd rustige water van de zeebodem weggestroomd was. Zwaar geschokt tuurde hij over de zee en stak zijn eerbiedwaardig hoofd boven de woelige golven. Hij zag over het ganse zeeoppervlak de uiteengedreven vloot van Aeneas. Hij zag de Trojanen, overweldigd door de golven en de enorme stortregen. De listen en de wrok van Juno ontgingen haar broer niet.

Hij riep de Eurus en de Zephyrus bij zich en zei het volgende: "Vertrouwen jullie zo sterk in jullie afkomst. Durven jullie al, winden, aarde en hemel om te woelen zonder mijn goedkeuring en zo'n grote massa te verheffen. Ik zal jullie...! Maar het is beter eerst de woeste golven tot rust te brengen, later zullen jullie voor mij die begane misdaden uitboeten met een straf, die zijn gelijke niet kent. Scheer jullie weg en zeg het volgende tegen jullie koning: 'Niet aan hem, maar aan mij is het gezag over de zee en de woeste drietand door het lot gegeven.' Hij bewoont een immense rots, jullie thuis, Eurus. Dat Aeolus maar de baas speelt in dat 'paleis' en dat hij maar koninkje speelt over de winden, maar wel met gesloten kerker."

Zo sprak hij en sneller dan het woord bedaarde hij de gezwollen zee, deed het wolkendek verdrijven en bracht de zon terug. Cymothoë en Triton duwden samen tegen de schepen en hielden ze weg van de scherpe klippen. Hijzelf maakte de schepen met zijn drietand vlot, maakte een vaargeul tussen de uitgestrekte zandbanken, kalmeerde de zee en gleed met lichte wielen over de toppen van de zee. En zoals het vaak gebeurt bij een grote massa, wanneer een opstand is uitgebroken, en het onwaardige gepeupel woest tekeergaat en fakkels en stenen al door de lucht vliegen. Woede reikt tot wapens. Als ze op dat moment een man, invloedrijk door zijn plichtsbesef en zijn verdiensten, toevallig hebben opgemerkt, zwijgen ze en staan ze stil met gespitste oren. Hij bespeelt hun gemoederen met woorden en bedaart hun hart. Zo ook viel het geraas van de zee stil, vanaf het ogenblik dat vader Neptunus, uitkijkend over de zee, zijn paarden mende in de open hemel en in de vlucht de teugels van zijn snelle wagen liet vieren.



7. De voorspelling van Juppiter (v. 254-304)



De vader van de goden en de mensen glimlachte haar toe met een gezicht dat een stormachtige hemel opklaart, kuste zijn dochter zachtjes en zei het volgende: "Wees niet bang Venus, het lot van uw volk ligt al vast. Jij zal een stad en de beloofde muren van Lavinium zien en jij zal de fiere Aeneas hoog verheffen tot aan de hemel. Mijn besluit staat vast. Ik zal het nu maar zeggen aangezien deze zorg jou kwelt en nu terwijl ik mijn verhaal verder ontrol, zal ik de geheimen van hun lot onthullen. Weet je, hij zal een enorme oorlog in Italië voeren en hij zal woeste volkeren vernietigen. Hij zal voor de mensen wetten instellen en stadsmuren opbouwen, totdat een derde zomer hem als koning van Latio zal gezien hebben en totdat drie winters voorbij gegaan zijn, na de onderwerping van de Rutuliërs. En zijn zoon Ascanius, die de bijnaam Iulus heeft (hij heette Ilus, zolang als de Trojaanse staat machtig was), zal dertig kringlopen, terwijl de maan zich wentelt, regeren als koning en zal zijn heerschappij van Lavinium overbrengen en zal met veel machtsvertoon het lange Alba versterken. Vanaf nu zal hier driehonderd jaar geregeerd worden door het Trojaanse volk, totdat een koninklijke priesteres, Ilia, zwanger van Mars, zal bevallen van een tweeling. Daarna zal Romulus, getooid met de rosse vacht van een wolvin, zijn voedster, het volk verderzetten en zal de aan Mars gewijde muren bouwen en zal de Romeinen noemen naar zijn eigen naam. Ik zal voor de Romeinen noch een tijdstip, noch een grens in hun heerschappij vastleggen; ik heb hen een rijk gegeven zonder einde. Meer nog, de hardvochtige Juno, die nu aarde, hemel en zee teistert uit angst, zal haar plannen herzien en zal met mij de Romeinen, de meesters van de wereld, het volk met de toga, koesteren. Zo is het besloten. In de loop der jaren zal er een tijdstip komen waarop het volk van Assaracus Phtia en de beroemde Mycene in de slavernij zal werpen en het overwonnen Argos zal overheersen. Er zal uit een beroemd geslacht een Trojaanse Caesar geboren worden, zijn rijk zal grenzen aan de oceaan en zijn roem zal reiken tot aan de sterren, Iulius, afgeleid van de naam van de grote Iulo.

Zorgeloos zal jij hem ooit opnemen in de hemel, beladen met de Oosterse buit, hij zal ook aanroepen worden in gebeden. Daarna, nadat de oorlogen tot rust zijn gebracht, zullen die harde eeuwen menselijker worden. De oude Fides en Vesta, Quirinus met zijn broer Remus, zullen de wetten instellen. De poort van de gruwelijke Belli wordt gesloten met ijzeren grendels gesloten. Binnenin zit de goddeloze Furor op haar woeste wapens, vastgeketend op haar rug met honderd bronzen knopen, schreeuwt ze huiveringwekkend met bebloede mond."

Zo sprak hij en hij zond de zoon van Maia (= Mercurius) naar beneden opdat het land en de burcht van het nieuwe Carthago de Trojanen gastvrij zou ontvangen en opdat Dido, die niet op de hoogte is van het lot, hen niet van haar gebied zou afweren.



De Aeneïs, Boek II

1. Inleiding (v. 1-13)



Ze werden allemaal stil en wachtten gespannen af. Toen begon de achtbare Aeneas vanaf zijn hooggelegen aanligbed te spreken: "Beste koningin, jij vraagt me om die onuitsprekelijke pijnen opnieuw te beleven, hoe de Grieken de Trojaanse machten en het beklagenswaardige rijk vernietigden, over alle leed dat ik zelf heb gezien en waarvan ikzelf een groot deel uitmaakte. Wie van de Myrmidonen en de Dolopiërs en welke soldaat van de hardvochtige Ulixes zou zijn tranen kunnen bedwingen, bij het vertellen van zulke dingen? En reeds stort een vochtige nacht zich uit de hemel en het vallen van de sterren nodigt uit tot het slapen. Als jij zo'n groot verlangen hebt om onze lotgevallen te leren kennen en om in het kort te luisteren naar de laatste strijd van Troje, dan zal ik beginnen, alhoewel mijn hart huivert bij het herinneren en probeert het te vergeten.



2. Het paard van Troje (v. 13-20)



"Terneergeslagen door de oorlog en teruggedreven door het lot, reeds in het verloop van zovele jaren, bouwden de leiders van de Grieken, met de goddelijke vaardigheid van Pallas, een reusachtig paard en bekleedden het houten geraamte met dennehout. Ze deden alsof dat een offer was voor een goede terugkeer, dat gerucht deed de ronde. Nadat ze geloot hebben, sloten ze uitgekozen mannen hierin heimelijk op, in de blinde romp. Tot in de diepste uithoeken vulden ze de immense holle ruimte met gewapende soldaten.



3. Het paard zorgt voor verdeeldheid (v. 31-39)



Een groot deel keek met verbluffing naar het verderfelijke geschenk voor de maagdelijke Minerva en bewonderden het reusachtige paard. Als eerste spoorde Thymoetos aan het paard binnenin de muren te leiden en op de muur van de burcht te plaatsen, ofwel uit arglist, ofwel eiste het lot het van Troje zo. Maar Capys en de anderen die een verstandigere zienswijze hadden, vragen om die hinderlaag van de Grieken, nl. dat verderfelijke geschenk, met aangewakkerde vlammen in brand te steken of in zee te werpen ofwel de holle schuilplaats van die buik te doorboren en te doorzoeken. Het onzeker volk verdeelde zich in twee tegengestelde partijen.





4. Het optreden van Laocoon (v. 40-56)



Vergezeld van een grote groep, kwam Laocoon toen van de burcht afgelopen en riep al van ver: "Ellendige burgers, wat voor 'n grote waanzin! Geloven jullie echt dat de vijand is weggevaren of denken jullie dat om het even welk geschenk van de Grieken vrij zijn van listen. Is Ulixes dan zo slecht gekend? Ofwel zitten er hier Grieken verborgen in dat houten paard ofwel is dat vervaardigd als een belegeringstoren tegen onze muren om onze huizen te bekijken en om vanuit de hoogte in onze stad te komen ofwel is er een andere misleiding verborgen: vertrouw dat paard niet, Trojanen! Wat het ook is, ik vrees de Grieken, zelfs wanneer ze geschenken brengen."



























































2de periode



5. Het bedrog van Sinon (v. 57-121)



Kijk, Trojaanse herders sleepten ondertussen met veel geroep een jongeman, zijn handen geboeid op zijn rug, naar de koning. Hij had zich als een onbekende vrijwillig getoond bij hun komst, omdat hij precies het volgende voor mekaar wilde krijgen, nl. het openstellen van de Trojanen aan de Grieken. Vol zelfvertrouwen was hij bereid tot elk van beide zaken: hetzij het hanteren van listen, hetzij een zekere dood sterven. Van overal kwam de Trojaanse jeugd tehoop gelopen, uit verlangen om hem te zien en ze wedijverden om te lachen met de gevangene.

Verneem nu de hinderlagen van de Grieken en leer door de misdaad van één man ze allemaal kennen.

Toen hij daar in het midden van de belangstelling stond; verward, ongewapend en met zijn ogen de Trojanen bespiedend, zei hij: “Ach, welke aarde, welke zee kunnen me nu ontvangen en wat rest mij, ellendeling, tenslotte, voor wie bij de Grieken nergens plaats is en van wie daarenboven de Trojanen zelf bloederige straffen eisen?” De stemming sloeg om door dit geklaag en alle bitterheid werd onderdrukt. We spoorden hem aan te zeggen waar hij geboren was en wat hij te vertellen had en dat hij zou vertellen welke reden tot vertrouwen hij, een gevangen, kon hebben.

Hij zei: “Ik zal alles naar waarheid bekennen aan jou, koning, wat het ook zal zijn en ik zal niet ontkennen dat ik van het Griekse volk afkomstig ben. Dat zeg ik eerst, want indien het lot Sinon al tot een ellendeling heeft gemaakt, dan zal het gemene lot hem tevens niet een onbetrouwbare leugenaar maken. Misschien heb je ooit wel eens in een gesprek gehoord van een zekere Palamedis, zoon van Belos, net zoals zijn wijd verspreide roem u door geruchten ter ore is gekomen. Hem hebben de Grieken onder de valse beschuldiging van hoogverraad onschuldig ter dood gebracht, omdat hij probeerde de oorlogen te verbieden. Nu rouwen ze om hem die beroofd is van het leven. Mijn arme vader heeft me als een verwant bij het begin van de oorlog meegenomen in zijn gevolg naar de strijd. Zolang hij ongedeerd aan de macht stond en invloed had in vergaderingen van koningen, genoot ik van zijn goede naam en eer. Nadat hij van de bovenwereld verdwenen was, door de nijd van de bitsige Odysseus, ik vertel hier niets ongekend, sleepte ik mijn leven terneergeslagen verder in duistere rouw en was ik bij mijzelf verontwaardigd over het lot van een onschuldige vriend. En ik heb, dwaas dat ik was, niet gezwegen en ik heb beloofd dat ik hem zou wreken, als het lot het enigszins zou toelaten en als ik ooit als overwinnaar zal kunnen terugkeren naar mijn vaderland Griekenland en met die woorden heb ik bittere haat uitgelokt. Hierdoor ontstond voor mij de eerste val in mijn ongeluk. Daardoor maakte Odysseus mij steeds opnieuw bang met nieuwe aanklachten, hierdoor verspreidde Odysseus dubbelzinnige woorden onder het volk en zocht hij bewust naar wapens. Hij bleef zelfs niet bij de pakken zitten, totdat hij met de hulp van Calchas…

Maar waarom zou ik dit tevergeefs aan jullie opnieuw vertellen, als het jullie toch niet interesseert? Waarom houd ik jullie nog op? Als jullie alle Grieken over dezelfde kam scheren en als het voor jullie toch volstaat om dat te horen, geef mij dan mijn welverdiende straf; dat zou die man van Ithaca wel willen en daarvoor zouden de Atriden wel veel geld over hebben.”

Maar toen verlangden wij er hevig naar de oorzaken te weten te komen en te zoeken, want we waren niet op de hoogte van zoveel misdaden en Griekse sluwheid. Bevend ging hij verder met een veinzend gemoed: “De Grieken verlangden dikwijls om Troje te verlaten en zo een aftocht te ondernemen en om vermoeid door die langdurige oorlog weg te trekken. Hadden ze dat maar gedaan! Dikwijls versperde een winterstorm hen de weg naar zee en de stormwind verschrikte zij die probeerden te vluchten. Toen dit paard hier reeds stond, ineengetimmerd met houten planken, weergalmden vooral onweerswolken door het gehele luchtruim. Vol spanning stuurden we Eurypylus om het orakel van Apollo te bevragen en hij bracht dit droevige nieuws mee uit het heiligdom: ‘Jullie hebben de winden met bloed bedaard, door de dood van een jong meisje, toen jullie, Grieken, indertijd naar Trojaanse kusten kwamen. Met bloed ook moet de terugkeer gezocht worden. De goden moeten gunstig gestemd worden met Grieks leven.’ Toen die woorden het volk ter ore kwamen, verstarden hun geesten en liep een koude rilling door merg en been. Voor wie zouden de goden een dood voorbereiden? Wie zou Apollo opeisen?



6. De ontering van Pallas Athena (v. 162-170)



Alle hoop van de Grieken en hun vertrouwen op de begonnen oorlog heeft altijd stand gehouden met de hulp van Pallas. Maar voorwaar sinds de goddeloze Diomedes en Odysseus, de uitvinder van misdaden, het aangedurfd hebben om het heilige Palladium uit de gewijde tempel weg te rukken, nadat ze de wachters van de hoge burcht hadden gedood en sinds ze zich vergrepen aan het heilige beeld en ze het aangedurfd hebben de maagdelijke hoofdbanden te bezoedelen met bebloede handen. Wel sedertdien vloeide de hoop van de Grieken weg en stroomde wegzinkend weg. Hun lichaamskracht was gebroken en de goddelijke macht keerde zich.”



7. De dood van Laocoon (v. 195-227)



Door zo’n hinderlaag en de sluwheid van de valse Sinon werd dat verhaal geloofd, en wij zijn erin gelopen door de listen en de gedwongen tranen. Wij die noch door Diomedes, noch door Achilles van Larissa werden klein gekregen, niet in tien jaar, noch door talloze schepen. Er deed zich iets veel erger voor, wat veel vreeswekkender was, onder onze ogen, en bracht onze argeloze harten in beroering. Laocoon, door het lot aangewezen als priester van Neptunus, was een immense stier bij het plechtig altaar aan het slachten. Maar kijk, ik huiver nog als ik het vertel, twee slangen gleden vanuit de richting van Tenedos door het kalme water met enorme kringen over de zee en schoven in hetzelfde tempo naar de kust. Hun borst, omhooggebracht tussen de golven, en hun bebloede kammen staken uit boven de zee. De rest van hun lijf streek daarachter over de zee en deed hun reusachtige ruggen kronkelen. Terwijl de zee begint te schuimen, ontstaat er een gebruis. Reeds hadden ze het strand bereikt en hun vurige ogen waren doordrongen met bloed en vuur en met hun trillende tong, likten ze hun sissende muil. Toen we dat zagen, stoven we doodsbleek uiteen. Ze stevenden recht op Laocoon af. Eerst slingeren de twee slangen zich om de broze lichamen van zijn zonen en wikkelen ze volledig in en verscheuren met hun beten hun ongelukkige ledematen. Daarna grijpen ze hemzelf vast, toen hij gewapend ter hulp kwam en omsnoerden hem met vreselijke lussen. Nadat ze zich steeds tweemaal rond zijn middel hadden geslingerd en hun geschubde ruggen tweemaal rond zijn nek hadden gelegd, staken ze met hun lange nekken en met hun koppen boven hem uit. Tegelijk probeerde hij de knopen met zijn handen los te trekken, zijn hoofdband bevuild met zwart zwadder en vergif, en tegelijk schreeuwde hij huiverend naar de hemel, net zoals het geloei van een gewonde stier, die van het altaar vlucht en probeert de slecht gemikte bijl uit zijn hals te schudden. Al glijdend vluchtten de slangen weg en scholen aan de voet van Pallas Athena en in de holte van haar rond schild.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

T.

T.

Hallo,
bedankt voor de goede vertaling maar er ontrbreekt een klein stukje vers 21-30 :s zou je die alsjeblieft kunnen doormailen ? dat zou zeer vriendelijk zijn bedankt alvast
Liefs Tine

17 jaar geleden

A.

A.

dank voor uw goeie vertaling... heb er veel aan gehad!

16 jaar geleden

M.

M.

super handig ! dankuu ! x

8 jaar geleden

C.

C.

Bedankt! Dit had ik juist nodig om m'n eigen vertaling te verbeteren :D

8 jaar geleden

C.

C.

Er ontbreekt een stuk van v.81-123.

8 jaar geleden