PIF LijstUnit 1, 2 en 3

Beoordeling 6.3
Foto van een scholier
  • Vertaling door een scholier
  • 4e klas havo/vwo | 1873 woorden
  • 6 juni 2003
  • 42 keer beoordeeld
Cijfer 6.3
42 keer beoordeeld

PIF lijst Engels UNIT 1, UNIT 2 en UNIT 3 (648 PIF woorden) A Abdominal = abdominaal, pijn in de onderbuik
Ability = bekwaamheid
Absence = afwezigheid, gebrek
accelerating = versnellen
Accidental = toevallig
Accompanying = begeleiden
Accumulate = op(een) stapelen
Acronym = acroniem
Addict’s = verslaafden
Addiction = verslaving
Addition = behalve, naast
Additive = toevoeging

Adjust = aanpassen
admits = toegeven
Adolescent = opgroeiend, (puber)achtig
Adopting = adopteren
Ads = advertenties
affection = aandacht
agree = overeenkomen
Aid = hulp, steun
Akimbo = in de zij
Alcohol-spiked = met alcohol eraan toegevoegd
altough = hoewel
Amount = hoeveelheid
Anatomical = anatomisch
anniversary = verjaardag
Announcement = aankondiging
Annually = jaarlijks
Anxiet = bezorgdheid, angst
Appalling = verschrikkelijk
Apparently = blijkbaar
Appeal = ia aantrekkelijk
Approach = (be)naderen
Approaching = (be)naderen

Arcade = (winkel)galerij
Argues = argumenten
Armchair = leunstoel
Arousal = opwinding, opwekken, prikkling
Arranged = regelen, afspreken
artificial = kunstmatig
Artificially = kunstmatig
Aspiration = aspiratie
Assembly = montage
Assertiveness = zelf verzekerheid
Assignments = taken, toewijzingen
Association = vereniging, samenwerking, omgang
Atop = boven op
Atrium = binnenplaats
Attached to = bevestigd aan
attachment = bijlage
Attempt = proberen
attentionseeking behaviour= attentie zoekend gedrag
Attribute to = toeschrijven aan
Audience = publiek, toeschouwers

authority =autoriteiten / diegene met de macht
Authors = auteurs
Avoiding = vermijden, ontwijken B Backbenchers = gewoon Lagerhuislid
Barely = nauwelijks
bargain = koopje
Barley = gerst
bearing = draag
beaten = verslagen
belongings = spullen die van hem zijn
Belting = pak slaag (met een riem  SM!!!) Billboard = aanplakbord, reclamebord
blackmail = chantage
Blight = aantasten, vergallen
Borrow = lenen, pikken
Brake = rem
braver = dapperder
Bulge = bobbel, buik, opzwellen, bol staan
Bulletin = dienstmededeling
Burden = (be)lasten, tonnage

Busiest = drukst
Butcher = slager, slachten, afslachten
butter = boter
butterflies = vlinders
Buzz = kick, opwinding
Buzzing = zoemen, brommen C Carbohydrate = koolhydraat
Careerists = carrièrejagers
Carriags = lichaamshouding
Cashier = oneervol ontslaan
Casual = nonchalant
Casualty = eerste hulp (afdeling) Caution = waarschuwing
Cautious = voorzichtig
Ceilling = plafond, bovengrens
Celebrity = beroemdheid
Cenrtifugal = middelpuntvliedend
Censured = afgekeurd
century = eeuw
Chairman = voorzitter, hoofd, presentator

Challenge = uitdaging
challenging = uitdagend
Chap = splijten, scheuren, kloof, spleet
choices = beslissingen
Civil = burger
Cloakroom = garderobe, vestiaire
Clung = kleefde (ww=kleven) Collapse = instorten
collectors = verzamelaars
Commit oneself = zich toevertrouwen
Commitments = verplichtingen, verwijzingen
Common = gemeenschappelijk
companies = bedrijven
Companion = metgezel
compared = in vergelijking tot
Compensate = composeren
Complaints = klachten
Conclusive = afdoende
Confectionery = banketbakkerij
confonted = geconfronteerd

Congestion = verstopping, opvlieging
Conscientious = gewetensvol, nauwgezet
Conscious = bij bewustzijn
Consider = overwegen
Conspiracy = samenzwering
Consultant = adviseur, deskundige
Consumer = verbruiker, koper
Contribute = bijdragen, versterken
Contribution = bijdrage
Controversial = aanvechtbaar, omstreden
Conventional = gewoon
Convict = veroordelen
Convinced = overtuigd
Cope = het aankunnen
corner = hoek
Couch potato = iemand die lusteloos op de bank zit
Council = vergadering, bespreking
Counterparts = bijbehorend deel
Course = koers, cursus

Courtroom = rechtszaal
Cram = schrokken, volproppen
Crumbling = ten ondergaan
Culprit = schuldige, boosdoener
Current = op dat moment D dappy = een stom en bedroefd persoon
Dare = uitdaging
Daring = gewaagd, brutaal
Decade = decennium (10 jaar) Decent = fatsoenlijk, behoorlijk, geschikt
Defined = gedefinieerd, afgebakend
Deformed = misvormd, mismaakt
Defy = trotseren
Degrading = vernederend
Degree = enigszins
Deliver = opleveren
Demand = vraag
Demanding = veeleisend
Denominated = (eenheids)klasse, munteenheid, noemer
Dent = deuk

Deny = ontkennen
Dependent = afhankelijk
Depicting = beschilderen, beschrijven, afbeelden
Deposit = storten, afzetten, aanbetaling Design = ontwerp
desperately = hoognodig
Despite = ondanks
Detached from = los van
Detached = afstandelijk
Detachment = losraking
Deter = afschrikken
Determination = vastberadenheid
Determined = vastgesteld, bepaald
Devastating = zeer ernstig
Devilish =duivels, duivelsachtig
Devoted = toegewijd (aan) Diaper = luier Diehard = taai
Directorate = directeurschap, raad van commissarissen
Disaster = ramp
disease = ziekte
Dislike = afkeer, niet houden van

Dispatch = erop uitsturen
Disrespectful = oneerbieding, onbeleefd
Dissatisfaction = ontevredenheid
divorced = gescheiden
DIY =do it yourself
Dodgy = hachelijk, onbetrouwbaar
Dody kebab = onbetrouwbaar broodje kabab
Doubt = betwijfelen
Dozens = dozijn(en) dragged = gesleept
Drain away = wegvloeien
Dreadful = vreselijk
Dripping = het druipen, druppelen, braadvet
Due to = te wijten/danken aan
Dull jobs = klusjes
Dye = verf, kleur, zich laten verven/kleuren E Eager = vurig, verlangend naar
easily = gemakkelijk
Ecstatic = verrukt, in vervoering

Editorial = commentaar
Emanate = afkomstig zijn van
Embarrassed = in verlegenheid brengen
Embodied = ingelijfd, vorm gegeven
Emitting = uitstralen, uitzenden
Emphasis = accent, nadruk
Encourage = bemoedigd, aanmoedigend
Engineering = techniek
Ensure = verzekeren
Enterprise = onderneming
Entirely = compleet, geheel
Entiteld = betiteld
Environment = omgeving
Envy = benijden
equivalent = vergelijkbaar iets
Eradicate = uitbannen
Escalator = roltrap
Escapism = escapisme
especially = met name met
Establish = vaststellen
Estimate = schatten
Ethically = ethisch

Evidence = aanduiding, bewijs
Examining = examen doen, onderzoek doen
Executive = leidinggevend persoon, uitvoerend orgaan
Exertion = inspanning
Exhilirating = opwekkend
exist = bestaan
Expand = (zich) uitbreiden
Expanded = uitgezette
Expansive = uitgebreid
expectations = verwachtingen
experience = ervaring
Extroverts = extravert F Failure = storing
farm = boerderij
Fashion = manier
fatherhood = vaderschap
Favor = genegenheid, gunst
Federal = nationaal
Fences = hekken, hindernissen
Fertile = vruchtbaar
Fertility = vruchtbaarheid, productiviteit
figure = uitvogelen

Fine = boete
Firsts = eerste
Fit = vlaag, aanval, geschikt, gezond, passend zijn, fit in
flapping = flapperend
Flattering = vleiend, flatterend
Flesh = (vrucht)vlees
Flicking = tikken, even aanraken
Floral = bloemachtig
Flourishing = florerend, tierend
Fluid = vocht
flunked = geflopt
Focused = geconcentreerd
Forbidding = afschrikwekkend
Forceful = krachtig, sterk
Forearms = onderarm, vooraf bewapenen
Found = oprichten, tot stand brengen
Freight = vracht
Frivolous = onbelangrijk
Fuelling = (bij)tanken
fundamentalist = fundamentalist
Furnishing = meubilering
G Gain access = toegang verschaffen
Gap = (tussen)ruimte
Gender = geslacht
Generates = opwekken, generen
Generating = doen ontstaan, voortbrengen
generations = generaties
Genuiely = oprecht, eerlijk
gifted = begaafd
giggles = giechelen
Global = wereld- Glossy = duur(der), glanzend
Gorgeous = prachtig
Gorgeous = schitterend, prachtig
Gossip = roddelen, kletsen
Governor = landvoogd, president, bestuurder
Grabbed = graaien, grijpen
Gradual = geleidelijk
Gradually = langzamerhand, trapsgewijs
Grafting = hard werken

Grossly = zeer, ernstig
Grotesque = grotesk, zondeling
Grounded = gegrond H Hail = begroeten, verwelkomen
Harass = kwellen
Hard-backed = samengebonden
Hauled = opgehaald, versleept, vervoerd
Hazy = vaag
Hazy = wazig
Header = kopbal, duik(eling) Heaps = hopen, volladen
Heart disease = hartkwaal
Herbal = kruiden
Hoarding = (tijdelijke) schutting, reclamebord
Holy grail = heilige graal
Honest = eerlijk, braaf
Honker = schreeuwer, toeteren
hoped = gehoopt
hospitals = ziekenhuizen
Howl = huilen, jammeren, krijsen

Hurtle = slingeren, smakken
Hypocrisy = schijnheiligheid
Hypothermia = onderkoeling I Ice slide = ijshelling
Identified = geïdentificeerd, herkenbaar gemaakt
Ie = dat wil zeggen
Imitator = imitator
Immature = onvolwassen
Impair = schaden, benadelen
Impress = indruk maken
Imprisonment = gevangenschap
Inappropriate = ongepast, onbehoorlijk, misplaatst
Increase = vermeerderen, toenemen
Incredible = ongelooflijk
indoors = binnen
Industry = industrie, ijver
Infinite = oneindig, onbegrensd

Inflicting = (straf) opleggen, toedienen
influence = invloed
Injured = gewond
Innate = aangeboren, rationeel
Innocuous = onschadelijk
Insist = (erop) aandringen, volhouden
Insurance = verzekering
Integrity = ongeschonden toestand, rechtschapenheid
Internal = inwendig, binnenlands
Interval = tussentijd, pauze
Intrusive = opdringerig
Inversions = omkeringen
Investigate = onderzoeken
Involve = betrekking hebben op
Invulnerable = onkwetsbaar
Irresistible = onweerstaanbaar
isolated = geïsoleerd
Issue = uitgave, aflevering

Issue = verstrekken
issues = onderwerpen J joined = vergezeld
joked = grapjes over maken
Jowl = kaak(sbeen) junk = afval
Justifiable = gerechtvaardigd
justified = gerechtvaardigd K Kettle = ketel
Knot = knoop L Lack = gebrek hebben aan
laid = neergelegd
language = taal
Lark = lolletje, geintje
Lasses = meisjes, vriendinnetjes
Laundrette = wasserette
Lawyers = advocaten
Lead (led) = lood
League = (ver)bond, klasse, (zich) verbinden
Leap = springen
Lecture = lezing, preek

legendary = legendarische
Leisure = vrije tijd
Leisurely = ontspannen
Lethal = dodelijk
lifeline = levensloop
Limp = slap
Livelihood = levensonderhoud
Location = plaats
Log flume = vervoer voor boomstammen
Lorryload = lading van een vrachtwagen, lading, vracht
Loss = verlies M Mag = magazine, tijdschrift
Mainstream = gangbaar, normaal
Mainstream = hoofdrichting
Mangled = verminkt
Manicure = manicure
Manor = territorium, gebied
Mansion = herenhuis
Manufactures = fabrikaten, vervaardigingen
Masculinity = manlijkheid

Masochism = masochisme
Mayor = burgemeester
Measure = maatbeker, -stok, -staf, -regel, -streep, ritme
Measurements = metingen
mention = noemen
Mess around = gein trappen, kattenkwaad uithalen
microwave = magnetron
Minority = minderheid, minderjarigheid
Miscellaneous = gemengd, veelzijdig
Moisture = vocht
Mold = muf, beschimmeld
Momentum = vaart
Mood = stemming
Morality = moraliteit, het moraal
Mower = graaimaaimachine
Muck around = geintje uithalen
mud = modder
Multiply = zich vermenigvuldigen
My jaw dropped = ik was stomverbaasd
N Narcotics = verdovend, slaapmiddel
Narrow = beperken
Naturalised = genaturaliseerd
nephew = neefje
Newsstand = kiosk
Nick = jatten, stelen
Non-destructive = niet-afbrekend
notices = opgevallen
Notoriety = beruchtheid
Novelists = romanschrijver
Nudey = naakt, naaktheid O Oblique = schuin, indirect
obsession = obsessie / bezeten zijn van
Obvious = duidelijk
occurs = voorkomen
Offence = overtreding
On his behalf = uit zijn naam
open-minded = rationeel / vrij van gedachtes
Opportunity = Gelegenheid, mogelijkheid

Outdo = overtreffen
Outstretched = uitgestrekt, uitgespreid P Panting = hijgen, snakken naar adem
papers = kranten
Paranoia = vervolgingswaanzin
parents = ouders
Participants = deelnemers
partly = gedeeltelijk
Patch = stuk grond
Pattern = patroon, model
Peer = leeftijdgenoot
pension = pensioen
Perceive = merken, gewaarworden
Perceived = waarnemen
Perplexed = onthutst, verbijsterd
Phantom = denkbeeldig
Physics = natuurkunde
Physiological = fysiologisch
Plumage = gevederte, opsmuk
Plumment = neerstorten

Plump = mollig
Poisoning = vergiftigen
Political = politiek, staatkundig
Pondering = nadenken, overwegen, piekeren
Possessed = bezitten, hebben
Potency = vermogen, kracht
Potentail = potentieel
Pout = het tuiten, (de lippen) tuiten
practise = oefenen
Praise = glorie, (lof)spraak
precise = precieze
Precision = nauwkeurigheid, precisie, juistheid
Prediction = voorspelling
prefer = liever hebben / prefereren
pressurised = onder druk gezet
Pretzel = zoute krakeling
Prevent = verhinderen, voorkómen
Previous = voorafgaand, eerder
priorities = prioriteiten

Probabilty = waarschijnlijkheid
Prominent = uitstekend, opvallend
promises = beloftes
Promptly = onmiddellijk, vlug, opeens
Pronounced = uitgesproken
Properly = totaal, voorkomen
Proportion = aanpassen
Prosecute = gerechtelijk vervolgen
Provide = opleveren, verschaffen
Provoke = veroorzaken, prikkelen, uitdagen
Pulley = katrol
Purposely = opzettelijk, doelbewust Q qualify = kwalificeren
Quarterly = driemaandelijks tijdschrift/blad R Ranging = opbellen
Rapidly = versnellen
Rare = ongewoon
rash = uitslag
Ratched system = ratelsysteem

Ratchet = ratel
Rationing = rantsoenering (proviand) Raunchy = vies, rauw,geil
Rave = wild feest
Raving mad = stapelgek
Reach = bereik, reiken
Reacted = gereageerd
Rebound = terugwerking, terugkaatsing
Receipt = ontvangst, het ontvangen
Reckoned = rekenen op, rekening houden met
recognise = herkennen
Recognition = (h)erkenning, waardering
Recovery = herstel
Redundant = overbodig
Refer to = verwijzen/doorsturen naar
Reference = verwijzing, getuigenschrift, raadpleging
referred = verwees
Regardless of = ongeacht
Rehabilitation = herstelling
Relatively = betrekkelijkheid, toepasselijkheid

Reliability = betrouwbaarheid
Relief = opluchting
relive = leef opnieuw
Remainder = rest
repetition = oefening
Reputed = befaamd, vermeend
Required = vereist
responsibilities = verantwoordelijkheden
Restricted = beperkt
Revamp = opknappen
Reveneus = opbrengst, inkomen
Rhythm = ritme, maat
Ring = klank
Ripple effect = domino-effect
Roar = brullen, schreeuwen, schateren
Rough = ruw, wild
Rugged = ruig
rush = snel tot iets komen S samples = monsters / voorbeelden
Satisfied = voldaan, tevreden, nagekomen
Sawtooth = zaagtand

Scale = (be)klimmen
Scandalous = schandelijk, schandalig
scheme = plan
Schizophrenia = gespleten persoonlijkheid
Scholarships = (studie)beurs, wetenschap, geleerdheid
screwdriver =schroevendraaier
Scum = tuig
Sedentary = (stil)zittend
Self confident = zelfverzekerd, met zelfvertrouwen
Self-awareness = zelfbewustzijn
Self-evident = vanzelfsprekend, duidelijk
Seminar = werkgroep, cursus, congres
separates = splitsen
seriously = serieus
Sever = afhakken, afsnijden
Several = enkele, een aantal, verscheidene
Severe = streng, zwaar, sober
Severed = afgehakt, afgesneden

Shallow = ondiep, oppervlakkig, licht
Sharp = scherp, abrupt, bijtend, geslepen, knap, stevig
Shatter = verbrijzelen
Shatterd = helemaal kapot
siblings =verwanten (broers/zussen) sick = ziek
Sighting = waarneming
Significant = belangrijk, veel betekenend
Similar = gelijk
Similarly = soortgelijke
Simplified/simplifying = vereenvoudigen, vereenvoudigd
Simultaneously = gelijktijdig(heid) Situp = opkijken, rechtop zitten
Slam = scherp bekritiseren
Slightly = onzorgvuldig, onstevig
Smooth = gedaren, kalmeren, glad maken
Smuggled = gesmokkeld
Snaps = kiekjes (foto’s) Snort = snuiven
Snorts = gesnuif, minachtend snuiven

Soccer = voetbal
social maturity = sociale volwassenheid
Softdrinks = frisdranken
Solicitor = advocaat
Sophisticated = geavanceerd
Space = over een afstand verdelen
Specimen = monster, staaltje
speechless = sprakeloos
Sphere = bol
Spinal = ruggengraat, ruggenmerg
spoil = verwen
spontaneous = spontaan
Spree = uitspatting
Stained = bevlekt, ge-/bekleurd
Startling = verrassend
Starvation = verhongeren
State-of-the-art = ultramodern
Stationery = kantoorbenodigdheden
Stayer = blijver, volhouder
Steamy = stomig, dampig, heet

Steepest = steilst
sterilised = gesteriliseerd
Stomach-turning = buikdraaiingen, misselijk
Stoutly = moedig, gezet, solide
Strenuous = inspannend, vermoeiend
Stretch = zich uitstrekken
Stringent = streng
struggeling = worstelen
Stunning = verbluffend
Stuporous = verdovend, bedwelmend
Subconscious = onderbewust
Subjected = ondergaan
Sufficient = genoeg, voldoende
suggested = voorgesteld
Superior = overste
Supposedly = vermoedelijk, naar alle waarschijnlijkheid
Surging = hevig
Surrounding = om….heen
Susceptible = ontvankelijk
Sustain = ondergaan, lijden

Swank = duur elegant
Swastika = hakenkruis
swear = vloeken
Switch = schakelaar
Swollen = gezwollen T Tailor = kleermaker, maken, aanpassen
Tailored = getailleerd Teacakes = theekoekjes temper = humeur
Temporary = tijdelijk
Temptation = verleiding
Term = semester
Thus = (al)dus, zo, bijgevolg
Tights = panty
Till = bewerken, tot aan, tot dat
Tissue = (papieren)(zak)doekje, web, celweefsel
to boss around =de baas uithangen
to get on like a house on fire = heel erg goed met elkaar op kunnen schieten
Touch = raken, aanraking

traffic jams = files
Trait = karaktertrek
Treatment = behandeling
Trigger = trekker, teweegbrengen
Trough = laagte(punt) Trundle = rollen, rijden
Tubular steel = stalen buizen
Tunics = wapenrok, tuniek U Ultimate = onovertrefbaar
Unaccustomed = ongebruikelijk
Uncertainty = onzekerheid, onduidelijkheid
Unchallenged = ongewraakt, onbetwist
Unconciousness = onbewustzijn
Underlying = onderstrepen
Undesirable = ongewenst
Unfit = ongeschikt
unimaginative = ongelooflijk
Unpredictability = onvoorspelbaarheid
Unquantified = ongeschikt
Urban = stads- Urge = aansporen, drang

Urinate = urineren, wateren V Vaguely = vaag, onduidelijk Vain = ijdel, zinloos, triviaal
Variety = verscheidenheid
Velvet = fluweel, bast
Venture = zich wagen
Vicious = wreed, gevaarlijk, gemeen
Vital = essentieel, vitaal, fataal W Wane = afnemen
Wardrobe = kleerkast, garderobe
Waste ground = braakliggend/verlaten terrein
Weakness = zwakte, zwakheid
Weird = vreemd, eigenaardig
Whilst = -terwijl
Whispered = (op)vegen, afvegen
Wobbly = wankel, onvast, wiebelig
Woollen = wollen (van wol schaap) Worship = verering, eredienst
Wrinkles = gerimpeld

Writ = dagvaarding

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.