Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

De evolutietheorie

Beoordeling 7.6
Foto van een scholier
  • Uiteenzetting door een scholier
  • 6e klas vwo | 2354 woorden
  • 3 februari 2009
  • 22 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.6
  • 22 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
De oorsprong van het leven op aarde
En God zeide: De aarde brenge levende zielen voort, naar haar aard, vee, en kruipend, en wild gedierte der aarde, naar zijn aard! En het was alzo. De Bijbel, Genesis 24. Toen de aarde af was, met zeen en land, schiep god de planten en bomen. Daarna schiep hij de zeedieren, de landdieren en de mensen naar zijn beeld, om over de dieren te heersen. Dit is kort samengevat wat er in de bijbel staat in het verhaal Genesis.
Op een nog onherbergzame aarde ontstaat een vreemd molecuul, het DNA Molecuul. Het zorgt voor de productie van andere eiwitten, en kon zichzelf reproduceren. Langzaam ontstonden hieruit de eerste eencelligen. Zij konden voedsel opnemen en verbranden. Zij produceerden ook Zuurstof. De volgende stap was het ontstaan van organismen van meer cellen met een aparte taak. Eerst verzadigde de het water en de aarde met zuurstof, daarna kwam er zuurstof in de lucht. Nadat de aarde was verzadigd kwam de zuurstof in de lucht. De uv-straling van de zon veranderde een deel van de zuurstof in het heel belangrijke ozon die een laag om de aarde vormde. Dit maakte het ontwikkelen van nieuwe levensvormen mogelijk. De oceanen zijn de bakermat van het leven op de aarde. Er ontstonden organismen die uit meerdere cellen bestonden, zoals kwallen. Later ontwikkelden zich steeds complexere organismen, zoals krabben en de eerste vissen. Een enorme variatie van vissen, geleedpotigen en andere dieren ontstond. Een deel van de geleedpotigen kroop aan land, ook ontstonden er vissoorten die op land konden lopen en ademen en hieruit ontstonden de gewervelde landdieren. In de loop der tijd ontstaan er steeds diersoorten, waaruit weer andere soorten ontstaan, ook sterven er soorten uit. Dit is het kort samengevat het verhaal van veel wetenschappers van hoe het leven op aarde zich heeft ontwikkeld. Maar hoe komt het dat er verschillende soorten ontstonden uit andere soorten, dat komt door Evolutie.

De grondlegger van de Evolutietheorie is Charles Darwin, die in 1859 een boek over zijn theorie publiceerde. Hij baseerde zijn theorie op waarnemingen die hij heeft gedaan op een reis, waarbij hij onder andere de galapagos eilanden bezocht. Hier zag hij op de verschillende eilanden veertien verschillende vinkensoorten die sterk verwant waren. Zij verschilden vrijwel enkel in de grootte en vorm van hun snavel. Hieruit ontwikkelde Darwin de evolutietheorie. Hij stelde dat deze soorten zijn ontstaan, uit een groep vinken van één soort, die eeuwen daarvoor door de wind naar de eilanden gevoerd zijn. Afhankelijk van het beschikbare voedsel ontstonden er verschillende soorten die een snavel hadden, die het best aangepast was aan het soort voedsel dat zij aten. Dit gebeurde door natuurlijke selectie, ook wel survival of the fittest genoemd. Dit houdt in dat binnen een populatie, er verschillen zijn, bijvoorbeeld een exemplaar in de soort dat een iets grotere snavel heeft zal gemakkelijker noten kunnen eten, en zal dus op een eiland waar veel noten te vinden zijn, een grotere overlevingskans hebben en sterker zijn. Hierdoor zal dit exemplaar meer nakomelingen krijgen dan exemplaren met een kleinere snavel, hierdoor zullen er steeds meer exemplaren met een grotere snavel komen. Ook zal de snavel ook steeds groter worden, omdat het proces zich elke generatie herhaalt. Uiteindelijk is er een soort ontstaan met een snavelvorm die ideaal is voor het eten van noten. De snavel zal dan niet steeds groter meer worden, omdat exemplaren met een te grote snavel, hier eerder last van hebben dan een voordeel, en dus minder nakomelingen zullen krijgen. Dit is een voorbeeld van survival of the fittest. Bij evolutie krijgt dus het individu dat het best is aangepast aan de omgeving, de meeste nakomelingen, waardoor de kenmerken van dit individu steeds talrijker worden in de populatie dieren, na een groot aantal generaties zal een soort zijn ontstaan de perfect is aangepast aan de omstandigheden van de leefomgeving.

Voor het ontwikkelen van de evolutietheorie waren ontdekkingen van geoloog Chardles Lyell van groot belang. Charles Lyell is de grondlegger van de moderne geologie. Hij stelde dat de natuurwetten nooit veranderen, dat deze dus gelijk zijn aan vroeger en ook in de toekomst niet zullen veranderen. Daarnaast stelt hij dat processen die vormgeven aan de aarde zoals erosie en sedimentatie, ook nooit zijn veranderd, zij verlopen tegenwoordig zoals zij in het verleden ook verliepen. Lyell ontdekte dat de aardkorst trage geleidelijke veranderingen ondergaat. Dankzij deze visie kon Darwin zijn theorie ontwikkelen, want met de veranderende aardkorst, verandert ook de levende natuur.
Darwin kreeg in de tijd dat hij zijn theorie publiceerde veel kritiek, er werden onder andere spotprenten gemaakt, van zijn hoofd op het lijf van een aap, omdat hij gezegd had dat de mens van apen afstamde. Maar tegenwoordig word de theorie vrij algemeen geaccepteerd, hoewel er door de mensen die geloven in het creationisme veel, pogingen worden gedaan om de evolutietheorie te weerleggen.
Het is nu duidelijk hoe het komt dat er verschillende soorten ontstaan uit de exemplaren van de soort die de beste eigenschappen hebben om zich te kunnen handhaven in de leefomgeving. Maar hoe deze verschillen ontstaan, daarop kon Darwin nog geen antwoord geven. Zijn tijdgenoot Jean Baptiste de Lamarck dacht dat dieren eigenschappen die zij verworven tijdens hun leven doorgaven, bijvoorbeeld de voorouder van de giraffe die zich tijdens zijn leven steedst uitrekt om hoge bladeren te kunnen komen, zal hierdoor langer worden. Als dit elke generatie gebeurt zal de soort steeds langer worden, en zo zou de giraffe zijn ontstaan. Darwin had veel respect voor Lamarck, maar wees diens theorie af. Wel waren beide het dus eens dat milieufactoren van belang waren voor het ontstaan van soorten. Tegenwoordig weten we dat eigenschappen die gedurende het leven verworven worden niet erfelijk zijn. Als je bijvoorbeeld denkt aan mensen, als iemand zijn of haar haar verft, of een lidteken heeft, zullen de kinderen, niet de geverfde haarkleur of het lidteken erven. Dit komt doordat alleen de genetische eigenschappen worden doorgegeven, dit zijn de eigenschappen die in het DNA in je cellen zijn vastgelegd. DNA moleculen zijn een soort handleiding voor de bouw en het laten functioneren van een lichaam. Deze informatie bepaalt hoe je lichaam zich zal ontwikkelen en hoe het zal functioneren. In dit DNA kunnen mutaties optreden, als dit gebeurt in een lichaamscel zal dit meestal weinig gevolgen hebben meestal zal het worden gerepareerd, soms wanneer een mutatie ervoor zorgt dat een cel zich oneindig blijft delen ontstaat een kankergezwel. Voor evolutie zijn mutaties in het DNA echter van belang. Want als er een mutatie in het DNA van een geslachtscel plaatsvindt dan kan dit gevolgen hebben voor de ontwikkeling van de nakomeling die hier uit groeit.
Om het proces van mutaties die worden doorgegeven beter te begrijpen, moet duidelijk zijn hoe erfelijke eigenschapen normaal worden doorgegeven. De cellen in je lichaam bevatten chromosomen, dit zijn een soort stukjes die bestaan uit lange strengen DNA die heel klein zijn opgerold. Elk chromosoom bevat genen met informatie die bepalen hoe je er uit zal zien. Van elk chromosoom bestaan er per cel twee exemplaren. Het ene exemplaar komt van de moeder, het andere exemplaar van de vader. Deze stukjes kunnen echter verschillen, als de moeder blauwe ogen heeft, dan zal op een van deze stukjes het gen voor blauwe ogen aanwezig zijn, en als de vader bruine ogen heeft dan zal op het andere chromosoom het gen voor bruine ogen aanwezig zijn. Omdat het gen voor bruine ogen als het ware sterker is dan het gen voor blauwe ogen zal, het kind bruine ogen hebben. De blauwe oogkleur komt alleen tot uiting in het uiterlijk als zowel de vader als de moeder het chromosoom met het gen hiervoor doorgeeft. Het kind heeft dus twee verschillende genen voor oogkleur een voor blauwe oogkleur en een voor bruine oogkleur. Het kind zal later dus een chromosoom met daarop het gen voor blauwe ogen of het gen voor bruine ogen kunnen doorgeven. In geslachtscellen komt namelijk per cel maar één chromosoom voor, later wanneer de geslachtscellen van de man en de vrouw versmelten ontstaat er weer een cel die chromosomen in paren heeft, een van de moeder en een van de vader. Uit deze cel groeit een nieuw individu.
Als er dus per ongeluk een verandering optreed in het DNA in een van de chromosomen van een geslachtscel van een van de ouders, dan zal deze mutatie door worden gegeven aan het kind, en zal deze mutatie voorkomen in al de cellen van het lichaam van het kind. Stel dat deze mutatie de informatie in een gen heeft gewijzigd, waardoor er nu bijvoorbeeld een verandering in het gen voor de ontwikkeling zou ontstaan voor langere benen. Dan kan het kind lange benen ontwikkelen. Het kind kan deze eigenschap ook doorgeven aan de volgende generatie. Voor het gemuteerde gen geld echter wel dat het alleen te zien zal zijn aan het uiterlijk, als het sterker is dan het gen op het andere chromosoom, net zoals bij de genen voor oogkleur. Als het niet sterker is, dan moet het gen voorkomen op beide chromosomen, dit gebeurt alleen als beide ouders het chromosoom met het gen dragen. De kans op mutaties is niet groot, daarnaast hebben veel mutaties negatieve gevolgen, zoals verschillende erfelijke ziektes die in bepaalde families voorkomen. In de natuur overleven alleen de sterksten, dus zullen negatieve mutaties snel verdwijnen, omdat de individuen een kleinere overlevingskans hebben en dus minder kans hebben om de leeftijd te bereiken waarop zij nakomelingen krijgen. Dus variatie binnen een soort ontstaat door mutaties in de het DNA van de Chromosomen van de geslachtscellen van de ouders. Die worden doorgegeven aan de nakomelingen.

Het meest duidelijke bewijs voor evolutie zijn de fossielen. In de aardlagen van de oudste laag naar de nieuwste laag is evolutie te zien. In de oudste aardlagen vind men de simpelste dieren, zoals kwallen, in jonger lagen worden dieren ingewikkelder en ontaat er een enorme varatie aan soorten, er ontstaan geleedpotigen en dieren met een inwendig skelet, de pantservissen(de voorloper van alle vissen en andere dieren met een inwendig skelet). In nog jongere aardlagen worden de dieren steeds complexer, vormen. Er ontstaan vele soorten vissen, en geleedpotigen. In de lagen uit de tijd daarna vind men geleedpotigen die op het land leefden. In aardlagen uit de tijd daarna worden gewervelde landieren als reptielen gevonden. Dan komen er lagen met enorme reptielen en dinosaurussen. En de ontwikkeling van de verschillende vissoorten staat natuurlijk niet stil. Er zijn lagen met dinosaurussen die veren hebben, soorten die gebruik maken van veren om te zweven, en lagen met primitieve vogels. Ook vind je voorlopers van de zoogdieren, en de eerste kleine zoogdieren. Vanaf bepaalde aardlagen worden geen dinosaurusen meer gevonden, ze zijn plotseling uitgestorven. In de nieuwere lagen daar boven worden verschillende soorten zoogdieren gevonden, die steeds gespecialiseerder en meer verschillend worden naarmate je in nieuwere lagen kijkt. Je moet dan wel concluderen dat dieren uit elkaar ontstaan zijn en elkaar hebben opgevolgt. Er zijn ook fossielen van verschillende tussenvormen gevonden, bijvoorbeeld een tussenvorm tussen water en landwezen. Een voorbeeld hiervan is de tiktaalik, Duidelijk een vis vanwege de aanwezige visschubben en vinnen. De ledematen zijn precies zoals die van viervoeters met het enige verschil de afwezigheid van tenen. Eigenlijk was het dus een vis met poten, maar zonder tenen. Zijn schouders zijn niet verbonden met de schedel zoals in vissen, waardoor het een nek heeft gekregen. En het heeft ribben precies zoals tetrapoden die gebruikt konden worden om het lichaam te dragen en te helpen met ademhalen. www.daaromevolutie.nl/ Fedor A. Steeman drs. Biologie, Tim Spaan/ 4/3/2006
Ook zijn er tussenvormen gevonden tussen Dinosaurussen en vogels. Een voorbeeld hiervan is de Archaeopteryx: Een dinosauriër met symetrische veren en achterpoten die geschikt waren om het dier op een tak te laten zitten. Aan de andere kant vertoond het skelet ruim 20 reptielachtige kenmerken zoals de aanwezigheid van gastralia, tanden, een benige staart, een fibula en vleugelklauwen, en de afwezigheid van een tarsometatarsus, een carpometacarpus, een pygostyle, een borstbeen en vergroeide rugwervels. www.daaromevolutie.nl/ Fedor A. Steeman drs. Biologie, Tim Spaan/ 4/3/2006
Andere tussenvormen zijn ook gevonden, zoals tussen reptiel en zoogdier, en van het ontstaan van de walvis uit landzoogdieren. Ook zijn er vele vormen gevonden van mensachtigen, dit bevestigen dat de huidige mens geevolueerd is uit een aap die ook de voorouder is van de huidige chimpansee.
In moderne diersoorten zijn soms ook organen aanwezig die niet meer gebruikt worden, zogeheten rudimentaire organen, zo zijn in het skelet van walvissen en slangen nog steeds overblijfselen van een heupbeen en een dijbeen aanwezig. Die overblijfselen zijn, van poten die de voorouders van deze dieren hadden.
Het is nu duidelijk wat evolutie is, maar is het ook recent waargenomen?
Ja, het is relatief kort geleden daadwerkelijk waargenomen in Engeland tussen 1850 en 1900 bij een nachtvlinder met de naam berkenspanner. Van deze soort bestonden twee varianten, een zwarte en een grijze variant. De vlinders worden gegeten door vogels. Op een boomstam bedekt met grijze kortstmossen valt de grijze variant bijna niet op, de zwarte is duidelijk te zien en zal dus vaak ten prooi vallen aan vogels. De zwarte variant was dan ook erg zeldzaam in 1850, slechts 1% van de populatie was zwart. De industrialisatie in Engeland leidde tot luchtvervuiling, hierdoor verdwenen de grijze korstmossen en werden de bomen bedekt met een laag roet, waardoor ze zwart kleurden. In 1900 bleken in Engeland ongeveer 99% donkere berkenspanners voor te komen en slechts 1% grijze berkenspanners. Biologie voor jou vwo b2 deel 1/ Gerard Smits en Ben Waas/Malmberg Den Bosch/2000
Maar evolutie komt ook nog dichter bij huis voor, denk bijvoorbeeld aan het resistent worden van plagen tegen een bepaald gif. Bijvoobeeld hoofdluizen. Als er één kleine groep luizen door mutatie een gen heeft gekregen, dat er voor zorgt dat ze tegen de luizenshampoo kunnen, dan zal dit er voor zorgen dat de volgende generatie volledig bestaat uit dieren die tegen de shampoo kunnen. De soort heeft zich dan aangepast aan leven op een hoofd waar luizenshampoo op gebruikt wordt. En dan moeten de fabrikanten weer een nieuw middel uitvinden.
Ik hoop dat het nu duidelijk is wat evolutie is en hoe het plaatsvind.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.