Nederlandse teksten
Oriënterend lezen: Snel vaststellen of een tekst bruikbaar is (bv inhoudsopgave)
Globaal lezen: De hoofdzaken van een tekst vinden (eerste alinea bv)
Intensief lezen: de tekst helemaal goed begrijpen
Kritisch lezen: de betrouwbaarheid van een tekst beoordelen
Studerend lezen: de inhoud van een tekst onthouden
Zoekend lezen: Bruikbare informatie vinden
Publiek vinden door te kijken naar:
- De inhoud (voor leken of deskundigen; bij deskundigen hoeft men niet met onzin aan te komen)
- De publicatieplaats
- Het taalgebruik
- De toon
- De lay-out
Inleiding: belangstelling van de lezer pakken; onderwerp inleiden; soms uitleg hoe de tekst is opgebouwd. Bij een beschouwing wordt vaak een vraag of probleemstelling gebruikt als inleiding. Bij ene betoog vooral een stelling.
Middenstuk: onderwerp behandelen; antwoorden geven op de inleidende vraag, voor- en nadelen, argumenten voor of tegen de stelling; hij behandelt verschillende aspecten van het onderwerp = DEELONDERWERP (herkenbaar door bv: “enkele oplossingen zijn” of “een andere oorzaak is”
KERNZIN: de belangrijkste zin van een alinea (meestal de eerste of laatste zin)
Slot: hoofdgedachte; samenvatting, conclusie, bij activerende teksten een aansporing of een advies; een toekomstverwachting
Verbanden:
Opsomming: en, ook, tevens, bovendien, daarnaast
Tegenstelling: maar, echter, niettemin, toch, desondanks
Tijd: eerst, dan, daarna, toen, vroeger, voordat
Oorzaak-gevolg: door(dat), daardoor, … had tot gevolg, wegens
Toelichting/voorbeeld: zo, bijvoorbeeld, zoals, neem nou, ter illustratie
Voorwaarde: als, indien, wanneer, in het geval dat, mits
Vergelijking: zoals, net (zo) als, evenals, vergeleken met, (meer/beter)… dan
Reden/verklaring/argument: daarom, derhalve, dus want, immers, dat blijkt uit, namelijk
Doel-middel: om te…, door te, opdat, door middel van, daarmee, daartoe, met de bedoeling.. teneinde
Samenvatting: kortom, samengevat, met andere woorden, al met al
Conclusie: dus, daarom, dat houdt in, concluderend, ik kom tot de slotsom dat..
Betoog: Standpunt wordt ondersteund door argumenten
Nevenschikking: 2 afzonderlijke argumenten die niets met elkaar te maken hebben
Onderschikking: een argument die nog door ene extra argument ondersteund wordt
Meerdere onderschikkingen: meervoudig onderschikkend
Schrijfdoel betoog: overtuigen
Hoofdgedachte is ene mening; in de tekst ondersteund hij zn mening
Inleiding betoog: 2deling: deel1; aandacht van de lezer trekken
Deel2; overstap naar het middenstuk in deze alinea formuleert de schrijver zijn standpunt of vraag die aan het eind wordt beantwoord.
Middenstuk: argumenten voor het standpunt; weerleggen van tegen argumenten; ingaan op mogelijke kritiek
Slot betoog: hoofdgedachte (is mening/standpunt schrijver) herhaling stelling; definitieve antwoord op de vraag als de tekst met een vraag is beantwoord
Uiteenzetting: doel is informeren; iets uitleggen over het onderwerp (gecompliceerd dus het wordt ‘uiteen gezet’) verschillende aspecten op een logische volgorde; voorbeelden en verbindt ze met elkaar
Inleiding uiteenzetting: noemen van het onderwerp en de vraag (vragen die over het onderwerp beantwoord zullen worden) de inleiding bestaat uit een motiverend en een informatief gedeelte.
Het motiverende deel bestaat uit ene anekdote of voorbeelden en in het 2e staan de vragen op een rij die beantwoord zullen worden
Middenstuk van een uiteenzetting: onderwerp uiteenzetten. Overzichtelijk mogelijk behandelen; antwoord op vragen uit de inleiding; laat zien hoe het verleden, heden en toekomst eruit (kunnen) zien; hij definieert; geeft oorzaken; gevolgen; oplossing; uitzonderingen; aspecten van het onderwerp in chronologische volgorde.
Structuur van middenstukken veel duidelijker dan betogen en beschouwingen; tussenkoppen, cursief/vet etc.
Slot van een Uiteenzetting: SAMENVATTING; om alles duidelijk nog is op een rijtje te zetten (belangrijkste zaken) afsluiting met bv toekomstige ontwikkelingen; bij eenvoudige uiteenzetting ontbreekt het slot vaak
Beschouwingen: tussenvorm van uiteenzetting en betoog
Het doel is ene lezer zélf een mening te laten vormen; opiniërende tekst
In de tekst geeft de schrijver uitleg maar dan met meningen van anderen, maar het is niet als doel ene lezer te overtuigen!!!
De schrijver verduidelijkt ene probleem; maatschappelijke verandering of een maatregel en geeft meerdere meningen daarover.
Inleiding van een beschouwing: onderwerp noemen; kwestie waar verschillende visies op bestaan; eerst een motiverend gedeelte dan vragen gesteld; vragen naar voor- en nadelen, oorzaken, verklaringen of oplossingen
Middenstuk van een beschouwing:
1. Voor- en nadelen structuur
2. Verklaringsstructuur (inleiding; verschijnsel en in het middenstuk zet hij de mogelijke oorzaken en effecten van het probleem op ene rij de tekst eindigt met een samenvatting en/of toekomst voorspelling
3. Vraag-antwoord-structuur; in de inleiding vraag gesteld en die wordt beantwoord; conclusie, samenvatting
4. probleem-oplossings-structuur
Slot van een beschouwing: soms zijn eigen mening maar niet opdringen
1.: afweging voor- en nadelen
2.: samenvatting in combinatie met eigen mening van de schrijver
4.: conclusie: wat is de beste oplossing

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

T.

T.

Heel erg bedankt, het heeft mij heel erg geholpen bij het leren!

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast