Relatie achterstand zwemmen en Allochtonen

Beoordeling 6.5
Foto van een scholier
  • Stageverslag door een scholier
  • 4e klas vwo | 5425 woorden
  • 18 november 2014
  • 28 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.5
  • 28 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
De Galaxy Chromebook maakt je (school)leven makkelijker!

Met de Galaxy Chromebook Go kun je de hele dag huiswerk maken, series bingen en online shoppen zonder dat 'ie leeg raakt. Ook kan deze laptop wel tegen een stootje. Dus geen paniek als jij je drinken omstoot, want deze laptop heeft een morsbestendig toetsenbord!

Ontdek de Chromebook!

Voorwoord





Voor onze stage willen we Miriam Eggermont, Danielle Pronk (H.Z. ZIAN) en Irene van der Gaag -van der Kooij (HWV), bedanken voor het begeleiden van ons tijdens onze stage. Het was een zeer leerzame en ook zeker erg leuke stage.





Inleiding





Dit verslag wordt geschreven naar aanleiding van de MaS (Maatschappelijke Stage) die wij moeten lopen in de vierde klas. Volgens de organisatie Maatschappelijk Stage (onderdeel van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is houdt een MaS het volgende in:





De afgelopen jaren zijn jongeren steeds individueler gaan leven. In hun privéleven komen ze nauwelijks meer in aanraking met vrijwilligerswerk. En dat terwijl de Nederlandse samenleving behoefte heeft aan maatschappelijke betrokkenheid. Het onderwijs bereidt jongeren voor op hun toekomstige rol in die samenleving. Maatschappelijke stage biedt jongeren tijdens hun schooltijd een eerste kennismaking met het onbetaald een bijdrage leveren aan de samenleving. Deze kennismaking versterkt een belangrijke taak van het onderwijs, namelijk het voorbereiden van leerlingen op hun latere rol in de maatschappij.[1]





Wij beiden hebben stage gelopen bij een zwemvereniging. Hier hebben wij zwemlessen gegeven aan kinderen en volwassenen. Het maatschappelijke belang van zwemmen is heel groot: De kans op overstromingen is in Nederland, met name aan de kuststreken, aanzienlijk hoger dan in andere gebieden. Bovendien zijn er in Nederland veel gebieden waar rivieren, sloten en meren zijn. Het is daarom erg belangrijk dat er zwemlessen gegeven worden en kinderen bekwaam worden om zichzelf te redden in het water vanaf jonge leeftijd.





Na het succesvol afronden van deze stage bij twee verschillende zwemverenigingen is ons het volgende opgevallen: Er zijn meer allochtone zwemmers bij zwemverenigingen dan autochtone zwemmers. Na onderzoek gedaan te hebben wordt echter het tegenovergestelde verwacht.[2]Naar aanleiding van deze waarneming hebben wij besloten hier ons verslag over te doen en te onderzoeken of er inderdaad meer allochtone zwemmers bij zwemverenigingen zitten dan autochtone.





Deel 1:





De organisatie





Er zijn drie verschillende soorten aanbieders van zwemlessen. Zwembaden, zwemverenigingen en zwemscholen.





Onder zwembaden vallen de organisaties die lesgeven in naam van de gemeente en zijn dus overheidsinstellingen. Deze organisaties zijn altijd maar werkzaam in een of meerdere zwembaden binnen de gemeente. Omdat de aanbieder van zwemles de gemeente zelf is krijgen veel mensen het idee dat het daardoor kwalitatief erg goed is hoewel dit meestal niet het geval is. Door deze verwachtingen willen veel ouders hun kinderen inschrijven bij de gemeente en zijn er zeer lange wachtlijsten.





Zwemverenigingen zijn zwemclubs, organisaties die in een bepaald gebied actief zijn (of meerdere gebieden bij grotere verenigingen), meestal in meerdere zwembaden. Hoewel de kwaliteit vaak laag ingeschat wordt zijn zwemverenigingen meestal kwalitatief goed tot erg goed. Dit komt doordat er alleen vrijwilligers werken die veel overhebben voor hun vereniging. Doordat zwemverenigingen geen loonkosten hebben, kunnen ze meer besteden aan bijvoorbeeld bijscholing van de vrijwilligers. Zo worden er bij de zwemvereniging De Haagse Watervrienden ieder jaar opleidingen gegeven tot lesgever op MBO-3 niveau: Lesgever Zwem-ABC. Zwemverenigingen hebben ook minder kosten doordat ze een deel van de gemaakte kosten kunnen declareren.





Zwemscholen/commerciële aanbieders die willen dat hun leerlingen zo snel mogelijk afzwemmen en dat gebeurt vrijwel altijd ook. De kwaliteit van zwemscholen is meestal vrij hoog, maar helaas wordt tegenwoordig maar al te vaak gezien dat, om de ouders tevreden te stellen, kinderen ten onrechte een bad verder gaan of afzwemmen, waardoor de kwaliteit van het zwemmen aanzienlijk lager word. Zwemscholen zijn meestal aan de prijzige kant, in vergelijking met zwemverenigingen en de gemeente. Dit komt doordat zwemscholen veel kosten hebben: de huur van het bad (wat de gemeente niet heeft), het loon van de werknemers (wat een zwemvereniging niet heeft) en de training van personeel voor de veiligheid en bijscholingen voor het zwemmen zelf.



De verantwoordelijkheden binnen deze drie vormen van zwemaanbieders is vrijwel hetzelfde. In de onderstaande afbeelding wordt duidelijk gemaakt hoe de hiërarchische structuur loopt.



Wet en regelgeving





Voor het kiezen van zwembaden wordt voornamelijk gekeken naar Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (Whbvz). Hierin staan aspecten waaraan baden moeten voldoen. Zo staan in artikel 3 en 4 soorten maatregelen waaraan een zwembad moeten voldoen, zoals:



De hoedanigheid en de behandeling van het zwem- en badwater; het aantal en de inrichting van douches en toiletten; de voorziening met drink- en waswater en de afvoer van afvalwater; de te bezigen materialen; het treffen van voorzieningen ten behoeve van de reinheid; de gelegenheid tot het bergen van kleding; het aantal gelijktijdig toe te laten bezoekers; het toezicht; preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid; het treffen van technische voorzieningen; de voorzieningen met betrekking tot het zich te water begeven; het in het zwem- en badwater aanbrengen van een aanduiding der waterdiepten; de te bezigen materialen; het treffen van voorzieningen ten behoeve van eerste hulp bij ongelukken; het aantal gelijktijdig toe te laten bezoekers;het toezicht.[3]





Verenigingen mogen veel kosten declareren bij de overheid. Dit gaat volgens Regeling financiering en verantwoording IOAW, IOAZ en Bbz 2004.[4] Hierin staan regels die grenzen stellen aan bijvoorbeeld het maximaal te declareren bedrag of waarop er gedeclareerd kan worden.



Doel en doelgroep[5]





Het doel van de zwemverenigingen waar wij onze stage hebben gelopen is het leren zwemmen van kinderen. Onze verenigingen willen zo goed mogelijk en zo snel mogelijk kinderen leren zwemmen en af laten zwemmen. De druk op de kinderen om zo snel mogelijk af te zwemmen is overigens veel lager dan bij bijvoorbeeld een zwemschool.





De zwemverenigingen bieden heel veel verschillende soorten zwemmen aan. Naast het leszwemmen voor kinderen is er ook leszwemmen voor volwassen, een waterpolo afdeling, een schoonspring afdeling en een wedstrijdzwem-afdeling. Hierdoor is de doelgroep ook heel groot.





Onder leszwemmen vallen alle zwemdiploma’s van watergewenning tot stickerzwemmen.





Onder watergewenning vallen badje een, twee en drie. In badje een maken kinderen voor het eerst kennis met het water. Hier bouwen we op van hoofd in het water doen tot drijven op de buik en rug. Ook wordt hier de eerste stap naar een spetterbeen-beweging gemaakt en schoolslagbeen-beweging. In badje twee wordt verder ingegaan op het begin van de slag en wordt dit verbeterd. In badje drie wordt begonnen met de combinatie van schoolslag (schoolslag armen en benen) en enkelvoudige rugslag (op de rug zwemmen met schoolslag benen). Ook wordt er een begin gemaakt aan de borstcrawl.





Hierna krijg je het zwem-ABC van het Nationaal Platform Zwembaden -NRZ. Bij A wordt ook het survival zwemmen geïntroduceerd, het zwemmen met kleren. Bij beginnen de leerlingen met een korte broek, schoenen en een T-shirt. Dit wordt bij B uitgebreid tot een lange broek, lange mouwen shirt en schoenen en bij C moet men ook nog een regenjas aan naast de kleren van B.



Vanaf A worden schoolslag, rugslag, borstcrawl en rugcrawl geoefend en verbeterd tot een technisch goede slag bij C. Ook wordt er vanaf A door het gat gedoken. Bij A 3 meter daarna bij B 6 meter en bij C uiteindelijk 9 meter. Ook wordt er watertrappen geoefend en verschillende oefeningen om de watervrijheid te verbeteren waaronder een hele draai om de lengteas en het drijven in de HELP-houding. Na het succesvol afgerond hebben van het zwem-ABC krijgt de leerling het predicaat Zwemveilig.





Na het zwem-ABC ben je instaat jezelf goed in het water te redden. Na het zwem-ABC te hebben afgerond kun je doorgaan met zwemvaardigheid een, twee en drie.  Zeker voor jonge leerlingen is het slim om door te gaan met de zwemvaardigheid diploma’s omdat ook na het afronden van het zwem-ABC regelmatig moeten zwemmen om hun geoefendheid op peil te houden, iets wat goed kan via de zwemvaardigheid diploma’s. Bij zwemvaardigheid worden je slagen nog meer verbeterd en wordt je conditie verder opgebouwd. Ook worden er verschillende nieuwe slagen geïntroduceerd namelijk vlinderslag, samengestelde rugslag en polocrawl.





Hierna kun je als leerling nog doorgaan met sticker-zwemmen of zwemvaardigheid diploma’s. Hieronder vallen; snorkelen, survival, plankspringen, wereldzwemslagen, synchroonzwemmen en waterpolo. Per net genoemd onderdeel kun je drie diploma’s halen.





Bij snorkelen leren leerlingen omgaan met flippers en snorkel en ontwikkel je bekwaamheid op het gebied van snorkelen. Bij de survival diploma’s ga je als leerling met kleding (regenjas, regenbroek, laarzen, lange mouwen shirt, lange broek) verschillende onderdelen doen en leer je je kleding te gebruiken om te overleven (zo gebruik je bijvoorbeeld je laarzen en regenbroek als drijfmiddel te gebruiken.





Bij plankspringen krijg je veel verschillende sprongen van de duikplank en de kant. Zo leer je onder andere spreidsprongen, salto’s en zweefduiken.





Bij wereldzwemslagen leer je heel veel verschillende slagen en een nieuwe beenslag, de schaarslag. Dit diploma is leuk omdat het laat zien dat er naast de al geleerde en steeds herhaalde slagen nog veel andere slagen zijn. Deze slagen komen uit de hele wereld, voorbeelden van slagen zijn de Japanse Hitoe, de Engelse Rugslag en de Duitse crawl. Bij synchroonzwemmen leer je onder andere als een team zwemmen en synchroon bepaalde kunstjes te doen zoals koprollen.



Bij waterpolo leer je beter om te gaan met een bal in het water, over te gooien en ermee te zwemmen. Ook leer je nieuwe slagen waaronder ongelijkzijdig watertrappen en de polo-rugcrawl.





De doelgroep is heel wisselend en afhankelijk welk onderdeel je bekijkt. Watergewenning en het zwem-ABC is zowel voor volwassen (van elke leeftijd) als voor kinderen (beginnend bij watergewenning vanaf 4 jaar tot een jaar of 7 bij diploma C.



De zwemvaardigheid diploma’s zijn voor een doelgroep van kinderen van meestal 7 tot kinderen van een jaar of 16. De zwemvaardigheid diploma’s worden ook voor volwassenen aangeboden.



Waterpolo is voor mensen van alle leeftijden van kinderen tot volwassenen van recreatief waterpoloërs tot wedstrijd waterpoloërs. Wedstrijd zwemmen en schoonspringen is eveneens als waterpolo voor mensen van alle leeftijden.











Eisen medewerkers

 



Als grondslag wordt van medewerkers verwacht dat ze goed en respectvol met de betrokkenen om zullen gaan. Afhangend van de ingezette posities van een medewerker worden andere eisen gesteld. Wie les geeft wordt geacht te weten hoe hij/zij zwemslagen en andere vaardigheden kan aanleren aan anderen. Wie toezicht houdt, moet altijd in het bezit zijn van het diploma Zwemmend Redden voor Zwembaden (ZRZ). Van alle medewerkers, ongeacht de ingezette positie, wordt verwacht dat zij zich bewust zijn van hun voorbeeldfunctie. Daarnaast wordt er verwacht dat de medewerkers zich houden aan de Gedragscode Zwembranche[6] zoals opgesteld door het Nationaal Platform Zwembaden (NPZ). Hierin staan alle regels waaraan een zwemmedewerker zich moet houden van omgang met leerlingen tot ouders en bezoekers. De medewerkers (ook wel kader genoemd), is op te delen in vijf verschillende hoofdgroepen:





●uitvoerend kader, bijvoorbeeld in de functie van zwembadmedewerker of zwemonderwijzer



●facilitair kader, bijvoorbeeld in de functie van kantinemedewerker



●leidinggevend kader



●bestuurlijk kader



●administratief kader





Behalve voor het uitvoerende kader geldt een minimum leeftijd van 18 jaar. Dit komt door de aard van de functies en de verantwoordelijkheden die dit met zich mee brengt. Wel hebben jongeren de optie om voor langere tijd mee te draaien met bijvoorbeeld het bestuur om zo de taak makkelijker over te kunnen nemen, mocht dit nodig zijn. Alle medewerkers zwemmen zelf vaak ook of zijn ouders van kinderen die zwemmen.





Hieronder een uitgebreide tabel (tabel 1.1) van de verschillende posities met betrekking het zwemmen zelf en de organisatie ervan.





Tabel 1.1











































Naam positie:



Gestelde eisen



Zwemonderwijzer



EHBO met AED, ZRZ en Lesgever Zwem-ABC



Assistent



Moet minimaal in het bezit zijn van de A-, B-, C- en de zwemvaardigheidsdiploma’s



Kantinemedewerker



Goede communicatieve vaardigheden



Uurleider



EHBO met AED, ZRZ en Lesgever Zwem-ABC+



Penningmeester



Moet ervaring hebben met financieel beleid van (non-)profitorganisaties en heeft kennis en inzicht in financiële processen, weet de overige bestuurders te adviseren over jaarrekening, begroting, ed. Ook moet een penningmeester weten welke informatie nodig is om financieel beleid te volgen, te controleren.[7]



Secretaris



Moet in staat zijn om op afstand de verschillende procedures binnen het bestuur en de vereniging te controleren. Ook heeft hij een actieve rol bij de diverse processen in het bestuur en het ontwikkelen van bestuursbeleid.[8]





Voorzitter



Moet verstand hebben van het beleid binnen een vereniging en moet een discussie kunnen leiden. Hij moet de visie van de vereniging uit te dragen en is in staat om mensen te motiveren en de teamgeest binnen het bestuur (en de organisatie) te bevorderen.[9]



Administratief medewerker



Moet verstand hebben van boekhouden en heeft goede communicatieve vaardigheden.




Ontstaansgeschiedenis





Omdat we beide bij een andere organisatie stage hebben gelopen hebben we van beide organisaties de ontstaansgeschiedenis gedaan.





HWV - NCS - Avinash Gowricharn





Geschiedenis van de Nederlandse Culturele Sportbond(NCS) en de Haagse Watervrienden (HWV)



In 1926 werd de Nederlandse Arbeiders Sportbond (N.A.S.B.) opgericht met als doel, het ook voor minder daadkrachtigen mogelijk maken sport te beoefenen. Een zo groot mogelijke deelname was daarbij belangrijker dan topprestaties. Voor zover van wedstrijdsport sprake was, werd dit internationaal georganiseerd binnen de Socialistische Arbeiders Sport Internationale (S.A.S.I.).



Het grootste aandeel binnen de N.A.S.B. leverden de Watervriendenverenigingen, waarbij vooral elementair zwemmen en het figuurdrijven en in een wat groter verband recreatieve zwemfeesten, de belangrijkste activiteiten waren. Voor 1940 onderhielden de N.A.S.B.-verenigingen nauwe contacten met de socialistische arbeiderspartij en vakbeweging. Tijdens de oorlog werden “ondergrondse” contacten onderhouden, welke na de oorlog resulteerde in de oprichting van de NCS, de Nederlandse Culturele Sportbond, als opvolgers van de N.A.S.B. Daar inmiddels de wedstrijdsport, ook binnen de Watervriendenverenigingen, meer aandacht had gekregen, werd ook samenwerking gezocht met de “technische bonden”. Alle Watervriendenverenigingen waren tot 1958 mede lid van de KNZB. In 1958 evenwel besloot de KNZB tot een zodanige contributieverhoging, uitsluitend ten behoeve van de topsport, dat de Watervrienden, nagenoeg unaniem, de KNZB verlieten. Het naoorlogse internationale sportcontact is belichaamd in de C.S.I.T. (Confédération Sportive Internationale du Travail), als opvolger van de S.A.S.I.





H.Z.ZIAN  - Job Dirkmaat





Geschiedenis van Haagse Zwem- en Poloclub Zwemmen is altijd nuttig (H.Z.ZIAN)





H.Z.ZIAN is een Haagse Zwem- en Poloclub met zwembaden in de regio Den Haag. H.Z.ZIAN bied zwemlessen aan in Forum2 in Voorburg, Zuiderpark, De Houtzagerij, De Waterthor en Escamphof, Overbosch in Den Haag.



H.Z.ZIAN is voortgekomen uit een fusie tussen HZ&PZ en Zian/Vitesse. De Haagsche Zwem- en Poloclub (HZ&PC) was opgericht op 29 november 1911. Zian/Vitesse was opgericht op 4 oktober 1922. Bij de fusie heeft H.Z.ZIAN de oprichtingsdatum van HZ&PZ aangehouden en H.Z.ZIAN vierde zijn 100-jarig jubileum in het 2011.





H.Z.ZIAN is in de loop van de jaren heel groot geworden in regionale, nationale en zelfs in internationale zwemcompetities. Over de jaren heeft H.Z.ZIAN een groot aantal topprestaties neer weten te zetten op het gebied van zwemsport van het winnen van vele nationale waterpolokampioenschappen tot het voortbrengen van Olympische topzwemmers waaronder Erica Terpstra en schoonspringer Joop Stotijn.



Ondanks deze prestaties is H.Z.ZIAN financieel grotendeels afhankelijk van de inkomsten van het elementair zwemmen of simpel gezegd leszwemmen. Daarnaast is de vereniging H.Z.ZIAN is voor een groot deel afhankelijk van vrijwilligers. Vrijwilligers als instructeur, trainer, badassistent, uurleider, (bad/leden)administrateurs en bestuurs- of commissieleden. Dankzij deze mensen blijft de vereniging draaiende. Ook is H.Z.ZIAN afhankelijk van donateurs, de zogeheten ‘club van 50’. Mensen die elk jaar een bedrag van 50 euro doneren aan de zwemvereniging.



H.Z.ZIAN is een vereniging met een Dagelijks Bestuur en een Algemeen Bestuur. Het dagelijks bestuur bestaat uit een voorzitter, vicevoorzitter, secretaris en penningmeester.



H.Z.ZIAN word ook erkend als officieel opleidings- en exameninstituut door de Nationale Raad Zwemdiploma’s. Hiervoor worden ze ook ieder jaar opnieuw op getoetst en gecertificeerd.



Deel 2:





Inleiding





Zwemvaardigheid is een belangrijk aspect van de bewegingsopvoeding van kinderen. In het



waterrijke Nederland wordt veelvuldig op, in en rondom water gespeeld, gesport en gerecreëerd.



Het gevaar van verdrinking ligt echter altijd op de loer. Leren zwemmen is daarom erg



belangrijk, maar is niet voor iedereen even vanzelfsprekend. Tijdens onze stage viel het ons op dat er veel meer allochtone zwemmers bij onze zwemverenigingen zaten dan autochtone jongeren. Na wat onderzoek kwamen wij erachter dat er echter het tegenovergestelde werd verwacht. Als een van de mogelijke redenen dachten wij dat het zou kunnen liggen aan hun zwemvaardigheid waardoor ze langer doen over de diploma’s. Hieruit hebben wij de volgende hoofdvraag voor de analyse van onze stage opgesteld:





Welke structurele en culturele factoren zorgen ervoor dat allochtone kinderen en



kinderen uit lagere SES[10]-posities minder zwemvaardig zijn?





Daarna hebben we de volgende deelvragen voor deze vraag gemaakt:





●In hoeverre hangen vormen van culturele en structurele integratie van niet-Nederlandse ouders samen met de zwemvaardigheid van hun kinderen?



●Hoe zwemvaardig zijn kinderen en welke verschillen bestaan er naar etniciteit, inkomen en stedelijkheid?



Hoofdstuk 1: In hoeverre hangt de culturele en structurele integratie van allochtone ouders samen met de zwemvaardigheid van hun kinderen?





Om deze vraag te kunnen beantwoorden moet er eerst duidelijk worden gemaakt wat voor verschillen er zijn tussen de zwemcultuur in Nederland en het land van herkomst van de allochtoon. Hieronder geef ik een kort profiel van verschillende landen waaruit veel in Nederland wonende allochtonen uit afkomstig zijn.





Turkije





In Turkije is het veel minder gewoon dan in Nederland om te kunnen zwemmen. Wel heerst er een lange traditie van badhuizen. Volwassenen die aangeven te kunnen zwemmen hebben het zichzelf meestal aangeleerd en het kunnen zwemmen is meestal heel erg regio gebonden. De laatste tijd komt het leszwemmen echter wel meer op in Turkije.



Naast dat er geen aanbod was en nog steeds weinig aanbod is in Turkije wordt het leren zwemmen nog bemoeilijkt door het feit dat een groot deel van de bevolking in Turkije moslim is en dit is dan ook de reden dat vooral de mannen kunnen zwemmen. De Turkse vrouwen die kunnen zwemmen geven aan gekleed of in een zogenaamd ‘burqini’ te zwemmen. Turkse ouders zien het kunnen zwemmen als een niet erg bijzondere vaardigheid.





Marokko





Net als in Turkije is het kunnen zwemmen heel erg regio gebonden. Hoewel zwemles niet overal voorkomt bieden sommige scholen het wel aan.  Marokkaanse ouders zien het kunnen zwemmen wel als een belangrijke vaardigheid.





Suriname





In Suriname kunnen veel meer mensen zwemmen dat bijvoorbeeld Turkije of Marokko. Dit komt voornamelijk omdat er veel water in Suriname maar ook omdat Suriname banden heeft met Nederland waardoor er een stukje van de Nederlandse zwemcultuur ook in Suriname voorkomt. Veel scholen geven zwemles en er zij zelfs particuliere zwemlessen. Surinaamse ouders zien het kunnen zwemmen wel als een belangrijke vaardigheid.





Afrikaanse landen





Hierbij hebben we het dan over mensen afkomstig uit Somalië, Siërra Leonne, Togo, Eritrea



en Tunesië. Hier wordt nauwelijks gezwommen en wie kan zwemmen heeft het zichzelf geleerd. Dit met uitzondering van Tunesië waar er wel veel wordt gezwommen. De ouders uit Afrikaanse landen zien zwemmen niet als een belangrijke vaardigheid.





Deze verschillen in zwemcultuur van het land van herkomst van of de leerling zelf of de ouders van een leerling heeft uiteraard effect op de participatie in zwemlessen. Ondanks de grote verschillen in zwemcultuur geven alle ouders aan nu ze in Nederland wonen het belangrijk te vinden dat hun kinderen kunnen zwemmen in het waterrijke Nederland.





Ondanks dat de ouders hun kinderen wel op zwemles willen doen is het vaak voor allochtone ouders moeilijk om zwemlessen te betalen. Wel zijn er verschillende subsidies voor dit soort ouders zoals de Ooievaarspas. Hiermee kunnen ouders met korting of zelfs gratis hun kinderen op zwemles doen.





Ook heeft de deelname van de ouders in de cultuur effect op de zwemvaardigheid. In de volgende bron (tabel 2.1)wordt het verband van het A-diploma bezit van kinderen tussen de 6 tot 15 jaar (in procenten) en de deelname van de ouders in de Nederlandse cultuur geïllustreerd.[11] Hieraan kun je duidelijk zien dat bij allochtonen het bezit van het A-diploma heel erg afhankelijk is aan of de ouders integreren in de Nederlandse samenleving.





Tabel 2.1







































Totaal



Allochtoon



Autochtoon



Vader geen deelname



82



49



89



Vader veel    deelname



90



89



91



Moeder geen deelname



76



44



85



Moeder veel deelname



90



91



91






Onder culturele deelname vallen het bezoeken van toneelvoorstellingen, cabaret, concerten, opera, musicals, dance/houseparty’s, balletvoorstellingen, filmhuizen, kunstgalerieën en musea.





Gemiddeld is het bezit van het A-diploma dus 43,5 % hoger als een of beide van de allochtone ouders deelneemt aan de Nederlandse cultuur.





Ook is er een verband tussen de werkzaamheid van de ouders en de zwemvaardigheid van hun kinderen. In de volgende bron (tabel 2.2) wordt het verband van het A-diploma bezit van kinderen tussen de 6 tot 15 jaar en de werkzaamheid van de ouders geïllustreerd. [12]





In tabel 2.2 twee wordt gerekend met gemiddelde cijfers. Hierin is een 0 geen zwemles, een 1 zwemles maar geen diploma, een 2 het bezit van het A-diploma, een 3 het bezit van het B-diploma en een 4 het bezit van het C-diploma.



Tabel 2.2







































Totaal



Allochtoon



Autochtoon



Vader werkloos



2,4



1,3



2,7



Vader werkzaam



2,9



2,1



2,9



Moeder werkloos



2,4



2,4



2,3



Moeder werkzaam



2,9



2,3



2,9






Gemiddeld hebben kinderen dus meer diploma's als hun ouders werkzaam zijn. Wat ook opvallend is, is dat voornamelijk de werkzaamheid van de vader effect heeft op het diploma bezit. Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat de vader een hoger inkomen heeft dan als de moeder werkt waardoor het gezin meer geld heeft en het financieel dus beter te doen is.





Conclusie





Als deelvraag voor dit hoofdstuk was de vraag: ‘In hoeverre hangt de culturele en structurele integratie van allochtone ouders samen met de zwemvaardigheid van hun kinderen?’





In dit hoofdstuk is gebleken dat de culturele integratie tot zekere hoogte effect heeft op de zwemvaardigheid. Zo bleek uit tabel 2.1 dat als een of beide van de allochtone ouders van het kind deelt neemt aan culturele gebeurtenissen gemiddeld 43,5% meer van de kinderen het A-diploma bezit.





Daarnaast is er gebleken dat de werkzaamheid van de ouders ook effect heeft op de zwemvaardigheid van kinderen. Zo bleek uit tabel 2.2. dat als de allochtone ouders werkzaam zijn het diploma bezit omhoog gaat met 0,35. Van 1,85 naar 2,2, wat wil zeggen dat meer mensen het A-diploma bezitten en zelfs doorgaan en hun B-diploma halen.





Hieruit kunnen we dus concluderen dat de culturele en structurele integratie van allochtone ouders inderdaad effect heeft op de zwemvaardigheid van hun kinderen en wel in vrij hoge mate.



Hoofdstuk 2: Hoe zwemvaardig zijn kinderen en welke verschillen bestaan er naar etniciteit, inkomen en stedelijkheid?





Zoals in het voorgaande hoofdstuk beschreven staat, zijn er veel verschillen naar etniciteit. Naast etniciteit zijn het huishoudinkomen en de mate van stedelijkheid ook belangrijke



indicatoren voor de zwemvaardigheid. Zowel in autochtone als allochtone gezinnen met een gemiddeld laag inkomen (minder dan € 1.415,49[13] per maand), zijn kinderen minder vaak zwemvaardig. Ook zijn het vooral de niet-westerse allochtonen in sterk stedelijke gebieden die minder zwemvaardig zijn. Het wonen in grootstedelijke omgevingen heeft slechts een geringe invloed op de zwemvaardigheid van autochtonen.





Verondersteld wordt dat het zwemmen ingeburgerd is in de Nederlandse cultuur en dat dit is overgenomen door allochtonen. Allochtone ouders zijn zich steeds vaker bewust van het overstromingsgevaar in het waterrijke Nederland. Jammer genoeg zijn er nog steeds veel ouders die zwemmen als een plezierige bezigheid beschouwen en hier het belang van inzien. Over het algemeen behoren de ouders in stedelijk gebied tot de groep de het belang inziet.





De beperkende factor is het inkomen. De meeste ouders kunnen het zwemmen voor hun kinderen niet betalen. Overigens heeft meer dan 63%[14] van de  ouders meer dan één kind. Dit betekent dat er veel meer kosten bij komen. Bovendien wonen er meer allochtonen met een laag inkomen in dicht stedelijk gebied, dan er in de rest van het land wonen. Hieruit kan de conclusie getrokken worden dat tussen de etnische verschillen, de inkomensverschillen en de stedelijke verschillen (zoals geografische leefomstandigheden) een verband bestaat en dat dit de oorzaken vormen die de zwemvaardigheid onder allochtonen verlaagt.





Doordat het voor veel ouders niet mogelijk is hun kinderen op zwemles te zetten, acht tien procent van de autochtonen en zeventien procent van de allochtonen  de gemeente verantwoordelijk voor het regelen van zwemles voor hun kinderen. Van deze ouders zijn het voornamelijk ouders met een laag inkomen die de verantwoordelijkheid meer



bij de school/gemeenten leggen. Zo geven zij aan dat de ouders zelf de verantwoordelijkheid er niet voor kunnen en ondersteund willen worden. Dit geeft nogmaals aan dat de ouders het belang van het zwemmen wel inzien.



Er zijn echter vaak meerdere belemmeringen zegt het rapport van de heren Smit, Driessen en Doesborgh[15] na interviews met ouders:





“Uit de interviews komt naar voren dat de grotere afhankelijkheid van het schoolzwemmen van (niet-westerse) allochtone kinderen veelal ontstaat als een samenspel van meerdere structurele en culturele belemmeringen. Veel niet-westerse allochtone ouders hebben te maken met één of meer van de volgende drempels bij het aanmelden van hun kinderen voor particuliere



zwemlessen: een gering huishoudinkomen, hoger kindertal, weinig vervoersmogelijkheden



(beperkt autobezit, moeders die soms niet kunnen fietsen), minder goed op de hoogte zijn van



de juiste informatie(kanalen), een geringe eigen zwemvaardigheid, een geringe



zwemsocialisatie vanuit het land van herkomst, religieuze voorschriften (niet gemengd) en



weinig sociale druk vanuit de omgeving.“





Uit de onderzoeken blijkt vaak ook dat er meer voorlichting nodig is ter ondersteuning van de ouder, bij voorkeur mondeling en via bekende kanalen (school, moskee) en



overzichtelijke praktische informatie over alle zwemlesaanbieders, prijzen en tijden. Zo weten veel allochtone ouders met ooievaarspas niet dat hun kinderen bij veel verenigingen gratis kunnen zwemmen. Ook blijken veel ouders, doordat ze maar weinig zwemverenigingen kennen, hun kinderen niet te willen laten zwemmen, omdat zij vaak lange wachtlijsten hebben.





Maatschappelijk geïntegreerde allochtonen zijn vaker zwemvaardig



Naast de onderlinge verschillen tussen allochtonen en hun zwemcultuur (zoals beschreven in hoofdstuk 1), is vooral de participatie aan de Nederlandse samenleving een effect op de zwemvaardigheid. Zo is gebleken dat als de ouders van allochtone leerlingen beter geïntegreerd zijn, de zwemvaardigheid hoger is. Onder “beter geïntegreerd zijn” zien wij betaald werk verrichten, vrijwilligerswerk en cultuurparticipatie. Net zoals in hoofdstuk 1 al bleek is er, na het uitvoeren van interviews, geen verband tussen de aspecten van culturele integratie en zwemvaardigheid. Dat wil zeggen, allochtone gezinnen waarin weinig contact is met autochtonen en de Nederlandse taal slecht beheerst wordt, wordt even veel waarde aan zwemvaardigheid en veiligheid gehecht.





Conclusie





Voor dit onderzoek hadden als hoofdvraag:





Welke structurele en culturele factoren zorgen ervoor dat allochtone kinderen en



kinderen uit lagere SES[16]-posities minder zwemvaardig zijn?





Daarna hadden wij de volgende deelvragen uit deze vraag gemaakt:





●In hoeverre hangen vormen van culturele en structurele integratie van niet-Nederlandse ouders samen met de zwemvaardigheid van hun kinderen?



●Hoe zwemvaardig zijn kinderen en welke verschillen bestaan er naar etniciteit, inkomen en stedelijkheid?





Deelvraag 1:





In hoeverre hangen vormen van culturele en structurele integratie van niet-Nederlandse ouders samen met de zwemvaardigheid van hun kinderen?





Uit hoofdstuk 1 bleek dat de culturele integratie van de ouders van het kind veel effect heeft op de zwemvaardigheid van het kind. Zo bleek dat als een of beide van de ouders van het kind deel neemt aan culturele gebeurtenissen het bezit van het A-diploma met 43,5 % stijgt.





Daarnaast bleek er dat de werkzaamheid van de ouders van het kind ook effect heeft op de zwemvaardigheid van het kind. Zo bleek dat het diploma bezit met gemiddeld 0,35 omhoog gaat. Wat wil zeggen dat kinderen vaker in het bezit zijn va



Daarnaast is er gebleken dat de werkzaamheid van de ouders ook effect heeft op de zwemvaardigheid van kinderen. Zo bleek uit tabel 2.2. dat als de allochtone ouders werkzaam zijn het diploma bezit omhoog gaat met 0,35. Van 1,85 naar 2,2, wat wil zeggen dat meer mensen het A-diploma bezitten en zelfs doorgaan en hun B-diploma halen.





Hieruit kunnen we dus concluderen dat de culturele en structurele integratie van allochtone ouders inderdaad effect heeft op de zwemvaardigheid van hun kinderen en wel in vrij hoge mate.





Deelvraag 2:





Hoe zwemvaardig zijn kinderen en welke verschillen bestaan er naar etniciteit, inkomen en stedelijkheid?





Uit hoofdstuk twee is gebleken dat er een verband is tussen de etnische verschillen, de inkomensverschillen en de stedelijke verschillen (zoals geografische leefomstandigheden). Als de etniciteit niet-westers is, is er vaak sprake van een lager inkomen dan bij westerse mensen. Bovendien woont het overgrote deel van deze mensen in een dicht bevolkt gebied. Door deze factoren zullen de kinderen minder zwemvaardig zijn. Met andere woorden, kinderen uit een lage SES-positie zullen over een minder grote zwemvaardigheid beschikken. Wel is door de geografische ligging van de plek waar deze mensen wonen, het besef aanwezig dat het belangrijk is om over een grote zwemvaardigheid te beschikken.







Slotconclusie:





De hoofdvraag van dit onderzoek luidde:





Welke structurele en culturele factoren zorgen ervoor dat allochtone kinderen en kinderen uit lagere SES-posities minder zwemvaardig zijn?





Na onderzoek te hebben gedaan kwamen we erachter dat er verschillende factoren meespelen in de zwemvaardigheid met betrekking tot de SES-posities en allochtone kinderen. Hoe lager de SES-positie hoe lager de zwemvaardigheid. Dit brengt ons meteen bij de eerste factor, namelijk  financiële factor. Kinderen met ouders in een lage SES-posities hebben vaak een laag inkomen of leven op een uitkering. Hierdoor heeft het gezin minder geld te besteden waardoor zwemles op een lagere prioriteit komt te staan.



Daarnaast is er bij veel allochtonen een gebrek aan kennis over het leren zwemmen. Zo weten veel ouders bijvoorbeeld niet dat ze een ooievaarspas kunnen aanvragen waarmee ze hun kinderen met hoge korting tot gratis kunnen laten leszwemmen.



Ook heeft de culturele participatie van de ouders effect op de zwemvaardigheid van hun kinderen. Zo bleek dat de kinderen van ouders die veel deelnemen aan culturele gebeurtenissen zwemvaardiger zijn.



Uit ons onderzoek is ook gebleken dat de zwemcultuur van het land van herkomst van de allochtone ouders geen effect heeft op de zwemvaardigheid. Allochtonen menen het belang van zwemvaardigheid in te zien.





Bronnenlijst





Websites:





http://beheer.nisb.nl/cogito/modules/uploads/docs/74191377079270.pdf





http://www.maatschappelijkestage.nl/over-maatschappelijke-stage/achtergrond/





http://www.expertisecentrumzwemonderwijs.nl/wp-content/uploads/2013/11/ZwemrapportMI.pdf





http://wetten.overheid.nl/BWBR0002660/geldigheidsdatum_06-05-2014#





http://wetten.overheid.nl/BWBR0011934/tekst_bevat_declaratie/geldigheidsdatum_06-05-2014





http://www.npz-nrz.nl/index.php?sid=4&l=ned





http://www.npz-nrz.nl/download.php?fp=De%20Gedragscode%20Zwembranche%20korte%20versie%20v2.pdf





https://www.milieudefensie.nl/overons/organisatie/bestuur/profielen-bestuursleden#algemeen-profiel





http://www.overbetuwe.nl/Werken_onderwijs_en_zorg/Werk_en_inkomen/Regelingen_voor_mensen_met_een_bijstandsuitkering_of_een_laag_inkomen/Wat_is_een_laag_inkomen





http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?VW=T&DM=SLNL&PA=37296ned&D1=a&D2=0,10,20,30,40,50,60,(l-1),l&HD=130605-0924&HDR=G1&STB=T



Boeken en verslagen:



Smit, F, Driessen, G., Doesborgh, J. (2005). Opvattingen van allochtone ouders over onderwijs:



tussen wens en realiteit: Een inventarisatie van de verwachtingen en wensen van ouders



ten aanzien van de basisschool en educatieve activiteiten in Rotterdam. Nijmegen: ITS.



NCS, Lesgever Zwem-ABC cursusboek (2013)



SCP (AVO 2003)



 



[1] http://www.maatschappelijkestage.nl/over-maatschappelijke-stage/achtergrond/





[2] http://www.expertisecentrumzwemonderwijs.nl/wp-content/uploads/2013/11/ZwemrapportMI.pdf





[3] http://wetten.overheid.nl/BWBR0002660/geldigheidsdatum_06-05-2014#





[4] http://wetten.overheid.nl/BWBR0011934/tekst_bevat_declaratie/geldigheidsdatum_06-05-2014





[5] http://www.npz-nrz.nl/index.php?sid=4&l=ned





[6]http://www.npz-nrz.nl/download.php?fp=De%20Gedragscode%20Zwembranche%20korte%20versie%20v2.pdf





[7] https://www.milieudefensie.nl/overons/organisatie/bestuur/profielen-bestuursleden#algemeen-profiel





[8] idem





[9] idem





[10] SES: Sociaal-economische situatie





[11] SCP (AVO 2003)





[12] SCP (AVO 2003)





[13]http://www.overbetuwe.nl/Werken_onderwijs_en_zorg/Werk_en_inkomen/Regelingen_voor_mensen_met_een_bijstandsuitkering_of_een_laag_inkomen/Wat_is_een_laag_inkomen





[14]http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?VW=T&DM=SLNL&PA=37296ned&D1=a&D2=0,10,20,30,40,50,60,(l-1),l&HD=130605-0924&HDR=G1&STB=T





[15] Smit, F, Driessen, G., Doesborgh, J. (2005). Opvattingen van allochtone ouders over onderwijs:



tussen wens en realiteit: Een inventarisatie van de verwachtingen en wensen van ouders



ten aanzien van de basisschool en educatieve activiteiten in Rotterdam. Nijmegen: ITS.





[16] SES: Sociaal-economische situatie




REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.