Reacties op de examens, het laatste examennieuws, je voorlopige cijfer berekenen en de antwoorden.

 


Alles over de eindexamens Alles over het CSE


1. Inleiding
Ik wil mijn stageverslag houden over ISDN omdat dit een onderwerp is waar erg veel over te vertellen is, en nog steeds veel gebruikt wordt, ondanks dat het vele malen snellere ADSL sterk in de opkomst is. Bij ISDN is de snelheid namelijk gegarandeerd, terwijl ADSL nog steeds geen gegarandeerde verbinding heeft. Is dan connectie op sommige momenten noodzakelijk moet men op de verbinding kunnen vertrouwen. Bij ISDN is dit te vertrouwen. Dit vind ik dus toch een reden om ISDN als onderwerp te behandelen. Verder in het verslag kom ik niet meer op ADSL terug, omdat dit eenvoudigweg een snelle manier van het internet betreden is, en verder niet de vele diensten bied die ISDN wel biedt.
Eerst vertel ik wat over het ontstaan van ISDN om vervolgens de eenvoudigste toepassingen te behandelen. Als we de kanalen gaan koppelen komen we al in een veel leuker vlak: dan gaan we de snelheid verdubbelen! Nou, daar gaan we…
2. ISDN
2.1 Wat is ISDN?
ISDN is eenvoudigweg een soort telefoonlijn, en staat voor Integrated Services Digital Network die de analoge telefoonlijn kan vervangen. ISDN is een digitale telefoonlijn, dat gewoon werkt over het bestaande koperen netwerk. Er zijn verschillende ISDN services maar de meest gebruikte is Basic Rate Interface (BRI) of Basic Rate Acces (BRA) of ook wel ISDN 2 genoemd.De communicatiekanalen kun je voor veel toepassingen gebruiken: zo kun je er spraak overheen sturen maar ook data, tekst, beeld. ( Bij ISDN wordt echter alles digitaal verstuurd, dus in principe is alles data!!)
3. Soorten ISDN
3.1.1 Basic Rate ISDN
De Basic Rate ISDN deelt de telefoonlijn op in 3 digitale kanalen, namelijk 2 “B” kanalen en een “D” kanaal. De twee B kanalen zijn ervoor om data te zenden en te ontvangen op een snelheid van 64k of 56k. De D kanaal doet het administratief werk op een snelheid van 16k, zoals het opbouwen en het afbouwen van een gesprek. Met de 2 B kanalen is het dus mogelijk om twee gesprekken tegelijk te voeren. Het is ook mogelijk om met een ISDN modem het internet op te gaan, en tegelijk een gesprek te voeren via een ISDN telefoontoestel. Het is voor ons als CIT’ers wel interessant dat ISDN ook met het OSI-Model werkt. Deze wordt later in dit verslag ook nog uitgebreid behandelt.

3.1.2 De ISDN-2 fysieke verbinding
Het ISDN netwerk van KPN Telecom maakt voor een deel gebruik van glasvezelkabel. Het stukje tot de gebruiker gaat over 2 aders zoals dat ook bij analoge communicatie het geval was. Dat is dan ook de reden waarom er geen nieuwe bedrading aangelegd hoefde te worden. Toch is ISDN full duplex, dat wil zeggen, er wordt tegelijk verzonden en ontvangen. Je zou dus even denken dat er 4 aders nodig zijn, maar door de echo cancellation techniek. Dat wil zeggen dat als toestel A signaal 111000 zendt, en toestel B zendt tegelijk 110011, dan krijgen beide toestellen hun eigen signaal en het signaal van elkaar. Aan beide zendzijden wordt het eigen signaal intern door een inverter geleid. Dit wordt ook weer intern bij het echosignaal van zichzelf gevoegd en de som van eigen zendsignaal en inverted signaal is dan nul. Het te ontvangen signaal van de tegenpartij blijft nu over. Dit verhaal is wel erg zwart wit, maar nadere uitleg is minstens weer een heel verslag. (HBO niveau). Het KPN netwerk gaat dus tot de NT1 (het kastje wat de gebruiker in huis heeft, vaak in de meterkast) over 2 aders. Daarna gaat het over 4 aders, 2x RX en 2x TX resp. Receive en Transmit.
3.1.3 Mogelijke configuraties
Hieronder staat een afbeelding van wat er met ISDN 2 mogelijk is, het is dus ook duidelijk te zien dat de analoge apparatuur gewoon kan blijven, als er daarvoor maar een soort Digitaal Analoog Converter voor staat (bij KPN een quattrovox). Dit kastje verdraait het ISDN-signaal naar een analoog signaal, zodat je met ISDN in principe 2 analoge lijnen kunt creëren.

Verder heb je nog ISDN 2a dat is verder hetzelfde als ISDN 2 maar dan met een analoog poort op de NT1. Hier is het zelfs mogelijk om 3 gesprekken in een keer te voeren. (zie afbeelding) Want je hebt weer 2 B kanalen en een extra analoge lijn. Er is ook een NT2 beschikbaar, maar die levert geen extra mogelijkheden op voor de normale gebruiker. Het biedt ondersteuning voor de PBX centrales, interne centrales bij kleinere bedrijven. Ook zonder NT2 is een PBX centrale zonder te veel moeite te creeren. De bescrijving van deze centrales is zo merk gebonden dat men voor informatie daarover beter de handleiding van de centrale kan volgen.
3.2.1 Primary Rate Interface
ISDN Primary Rate Interface service geeft een digitale toegang via een T1 lijn. Voor grote bedrijven is het ISDN-30 (PRA) interessant, maar erg duur en niet veel toegepast. Hierbij heb je 30 B kanalen van 64kbps en een D kanaal ook van 64 kbps. Hierbij is het dus mogelijk om alle 30 kanalen te koppelen, en dan heb je 2MBps! Deze vorm van ISDN wordt ook wel PRA (Primary Rate Acces) genoemd.

3.2.2 De ISDN-30 fysieke verbinding
Een ISDN-30 verbinding gaat meestal over 2 koperparen en zelden over glasvezelkabel. Bij het gebruik van koperkabel bij ISDN-30 kan er gebruik gemaakt worden van PDL of van HDSL. Deze begrippen zullen kort hieronder worden toegelicht.
PDL:
PDL staat voor Primaire Digitale Lijnsystemen. Er worden 2 koperparen gebruikt, één koperpaar voor de heenweg en een koperpaar voor de terugweg. Ieder aderpaar heeft dus een eigen, enkelgericht signaal. Bij PDL moet je dus eigenlijk spreken voer een 2x2 Mbit/sec verbinding omdat er altijd een full-duplexverbinding is met verkeer in beide richtingen. Een nadeel van PDL is dat om de ± 1,5 Km zogenaamde regeneratoren zitten die erg kostbaar zijn, en het ingraven ook een dure aangelegenheid is. Deze regeneratoren zijn nodig om het signaal zuiver te houden; door de lange afstand die de signalen moeten afleggen verzwakken en / of vervormen de signalen als ze niet “refreshed” worden`. Voor de communicatie met de regenerator is vaak een derde koperpaar aangelegd zodat de beheerder van het netwerk (KPN) problemen kan uitlezen / signaleren.
HDSL:
HDSL-modems zijn een nieuwere ontwikkeling; hierbij gaat het 2Mbit/sec-signaal over 3 dubbeladers. Het signaal wordt gemuxt c.q. gedemuxt en dus verdeeld over de 3 dubbeladers. De precieze techniek hierachter was voor mij een beetje onvindtbaar, maar ik denk dat je het mag vergelijken met de SIPO (serieel in _ parallel out) en de PISO (parallel in _ serieel out). De informatie komt serieel van de NT1 / NT2’s, wordt geconverteerd naar een parallel signaal, over 3 dubbeladers gestuurd en aan het eind met de PISO weer naar serieel geconverteerd. Er hoeft nu minder geregenereerd te worden. Over dezelfde 3 dubbeladers gaan de signalen zowel heen als terug (Door elkaar heen als het ware) dus aan beide zeiden moeten SIPO’s en PISO’s. Deze techniek van het door elkaar heen zenden heet echocancellation (echo-onderdrukking). Het voordeel van HDSL is dat er minder regeneratoren hoeven ingezet.
4. protocollen
4.1 X.25
X.25 is een data protocol waarbij de overdracht van data wordt bewaakt. X.25 kan synchroon of a-synchroon werken. Dit protocol wordt toegepast bij datanet-1. Het x.25 protocol maakt datanet-1 zeer toegankelijk. Het heeft een wereldwijd bereik, maar het zorgt er ook voor dat verschillende systemen zonder problemen met elkaar kunnen communiceren.
4.2 X.75
Het X.75 protocol is een veelgebruikt “data link layer protocol”en is de standaard voor het inbellen op een BBS (Bulletin Board System). Het protocol ondersteunt maar één snelheid, namelijk 64kbps. Bij het X.75 protocol worden gegevens in pakketjes verstuurd. Het is oorspronkelijk ontwikkeld om X.25 netwerken aan elkaar te hangen.
4.3 V.110
V.110 is een “rate adaption protocol”. Het staat toe dat de datasnelheid wordt gereduceerd naar snelheden die door veel standaard terminals (DTE, Data Terminal Equipment) worden gebruikt. Zo zijn snelheden van bijvoorbeeld 9600, 19200 en 38400 bps mogelijk. Helaas is 38400 bps ook de maximale snelheid. Sommige oudere BBS’en gebruiken nog snelheden onder 64 kbps. Zij worden dan vaak verbonden met het ISDN Netwerk via het V.110 protocol
4.4 PPP en Multilink-PPP
Het Point-to-Point Protocol (PPP) heft twee vormen: asynchrone PPP en synchrone PPP. Asynchrone PPP wordt gebruikt om twee machines via een modem te verbinden. Synchrone PPP wordt gebruikt bij ISDN verbindingen tussen twee computers. Als een internetapplicatie met asynchrone PPP werkt dan is een asynchroon naar synchroon protocol conversie nodig om Point-to-Point over ISDN mogelijk te maken. Bij de Point-to-Point aansluiting verschillen alleen de laatste 2 cijfers van de telefoonnummers en per NT1 zijn er 10 telefoonnummers. Er wordt gebruik gemaakt van direct dialing (DDI) om een verbinding op te bouwen. Bij een Point-to-Point configuratie is de maximale afstand tussen de NT1 en de TE (terminal equipment) 1000 meter.
Het multilink protocol wordt gebruikt voor gebundelde verbindingen. Twee B-kanalen worden gebundeld tot 128kbps. Dit gebruiken ze bij BigBrother veel om in te bellen op de systeemkasten die bij de stations staan. Hierbij nemen ze het beeldscherm over om de computer op afstand te beheren. Maar hierbij moet het beeldscherm het liefst zo real-time- mogelijk reageren. Omdat ADSL niet (of bij lang niet alle stations) beschikbaar was en ISDN wel, gebruikt men nu 2 B kanalen tegelijk en dus 128kbps. Beeldschermen kunnen nu vrij realtime overgenomen, de kleuren worden wel naar 16 kleuren gezet. Deze techniek klinkt echter heel simpel, maar aangezien de signalen die over de isdn-lijn verzonden worden via 2 aparte datalijnen die”los van elkaar staan” moet de ontvanger de signalen wel synchroniseren, en dat is een erg complexe techniek maar nu zover geautomatiseerd is dat het veel wordt toegepast. Uiteraard moet de tegenpartij ook de twee signalen gaan koppelen, en herkennen dat hij de informatie voor communicatiepartner X over beide signalen kan verzenden. De tijdvertraging is geen te verwaarlozen factor, aangezien het helemaal niet zeker is dat beide datasignalen de zelfde afstand af moeten leggen, en al zeker niet als het internet met 128 kbps wordt betreden.
4.5 ISDN-protocollen voor Autorisatie
Autorisatie protocollen worden gebruikt voor beveiliging en identificatie bij toegang tot servers via telefoonlijnen. Bij het inbellen met ISDN is er sprake van een verbinding tussen twee punten, de PC thuis en het inbelpunt. Het inbelpunt kan een andere ISDN adapter zijn of een poort van een ISDN router. Om dataverkeer mogelijk te maken met het IP-protocol (internet protocol) moet gebruik gemaakt worden van bijvoorbeeld SLIP of PPP. Met SLIP zijn er geen voorzieningen voor bijvoorbeeld fout detectie en fout correctie er wordt dan ook weinig gebruik gemaakt van deze methode. Door gebruik te maken van PPP zijn deze extra voorzieningen wel mogelijk en is er tevens autorisatie mogelijk. Autorisatie is mogelijk op basis van PAP of CHAP. Dankzij CHAP en PAP is het mogelijk om direct een verbinding met een Internet provider te krijgen zonder dat je eerst een terminal scherm krijgt waar je gevraagd wordt om in te loggen met een gebruikersnaam en wachtwoord. Je naam en wachtwoord worden direct na het inloggen over de openstaande internetverbinding gestuurd.
PAP
PAP staat voor Password Authentication Protocol. Je gebruikersnaam en wachtwoord worden tijdens het inbellen over de internetverbinding gestuurd. Deze gegevens worden aan de netwerkzijde gecontroleerd, als de gegevens niet correct zijn wordt de verbinding verbroken. Als de gegevens correct zijn word je aangemeld op het netwerk. Je gebruikersnaam en wachtwoord worden niet gecodeerd, hierdoor is PAP niet echt een veilig methode. Veel internetproviders willen daarom dat je ISDN adapter ondersteuning voor CHAP heeft. Bij PAP kan alleen tijdens het tot stand komen van de verbinding om autorisatie worden gevraagd.
CHAP
CHAP staat voor Challenge Handshake Authentication Protocol. Het wachtwoord wordt met CHAP niet over de internet verbinding gestuurd. Er wordt in plaats van het wachtwoord een sleutelcode verstuurd. Aan beide zijden van de verbinding wordt het wachtwoord versleuteld. Het resultaat van die versleuteling wordt onderling daarna vergeleken. Dit versleutelings-algoritme kan niet omgekeerd worden. Het is dus onmogelijk om van het versleutelingsresultaat weer terug te rekenen naar het wachtwoord. Bij CHAP kan tijdens de verbinding opnieuw om autorisatie worden gevraagd. In tegenstelling tot PAP. Dit dient als extra controle.
CLIP
CLIP staat voor Calling Line Identification Presentation. Het mag niet echt een protocol genoemd worden, het kan echter wel ter autorisatie dienen bij ISDN verbindingen. Het nummer van de beller wordt hiermee zichtbaar aan de netwerkzijde nog voordat het gesprek wordt beantwoord. Op basis van dat nummer kan wel of geen toegang worden verleend. Dit nummer wordt verstuurd via het D-Kanaal. Met CLIP is een waterdichte beveiliging mogelijk, het is immers alleen een beperking voor de locatie waarvandaan gebeld wordt. Deze methode wordt vaak gebruikt voor een terugbelfaciliteit. Hier kunnen werknemers op het bedrijfsnetwerk inbellen. Ze maken zichzelf bekend met CLIP en worden daarna direct teruggebeld door de ISDN router. In de router wordt hiervoor een configuratietabel opgesteld waarin wordt aangegeven of iemand moet worden teruggebeld of niet. De router pakt het eerste record uit de tabel waarvoor de gebruikersnaam overeenstemt met de door de inbeller opgegeven gebruikersnaam. Naast CLIP wordt PAP of CHAP ook vaak gebruikt voor deze terugbelfaciliteit, het voordeel van CHAP en PAP is dat je vanaf ieder locatie kunt inbellen, zowel met je PC thuis als bijvoorbeeld met je laptop onderweg.
5. AO/DI
Always On / Dynamic ISDN (AO/DI) is een techniek waarbij de capaciteit van de twee B kanalen en het D-kanaal op een andere en betere manier wordt benut.
5.1 Circuit geschakeld
Datatransport over het B-kanaal is circuit geschakeld (circuit switched). Dit betekent dat er een fysieke verbinding wordt gemaakt tussen twee punten waarvan de capaciteit (64kbps) geheel beschikbaar is voor deze verbinding er kan alleen informatie tussen deze twee punten worden uitgewisseld. Als je de beschikbare capaciteit tijdelijk niet in zijn geheel nodig hebt, bijvoorbeeld tijdens het lezen van een pagina op internet, ben je feitelijk verkwistend bezig. Je betaalt voor een capaciteit die je nauwelijks benut. Voorbeelden van een circuit geschakelde verbinding zijn een telefoongesprek en een inbelverbinding met de internetprovider. Er wordt zo lang als nodig is een verbinding met een vaste capaciteit opgezet waarbij er maar twee deelnemers zijn. Dit is een toegewijde (dedicated) verbinding. Dit is dus geen AO/DI verbinding.
5.2 Pakket geschakeld
Pakket geschakeld (packet-switched) verschilt van circuit geschakeld. De informatie wordt verpakt in kleine pakketjes waarbij ieder pakketje behalve de informatie zelf en header bevat met daarin gegevens over bron en bestemming. Het pakket wordt doorgegeven totdat het de gewenste bestemming bereikt. Er is dus een vaste verbinding nodig, alle deelnemers moeten immers bereikbaar zijn als een pakketje voor hen bestemd is. Het internet is een groot pakket geschakeld netwerk. Iedere op het internet aangesloten computer heeft een eigen IP-adres, een adres waarmee de locatie van de zender of ontvanger wordt bepaald. Het IP-adres is een reeks cijfers welke uiteraard logisch is opgebouwd, zodat het bericht zonder al te veel omzwervingen de bedoelde bestemming bereikt. Het signaleringskanaal (D-kanaal) van een ISDN aansluiting werkt ook pakket geschakeld. Via het D-kanaal staan de ISDN-apparaten in verbinding met de ISDN centrale van KPN. Ieder ISDN apparaat heeft ook een adres, we spreken van de TEI-waarde (Terminal Endpoint Indentifier). Daarmee kunnen de apparaten op de S-Bus herkend worden en kan een toegewijde verbinding met een andere bestemming worden opgezet. We kunnen hier dus niet spreken van een echt pakket geschakeld netwerk, maar in rust is het een pakket geschakeld netwerk; er wordt af en toe een kleine hoeveelheid verzonden over de D‑lijn die altijd ingeschakeld is, staat er in deze pakketjes dat er meer bandbreedte nodig is of vraagt de hoeveelheid pakketjes er om dan wordt er een toegewijde verbinding opgebouwd. Met deze techniek wordt er dus op de volgende wijze gewerkt:
Een inkomende oproep wordt gesignaleerd via het D-kanaal. Een ISDN-apparaat kan het gesprek aannemen en vervolgens een B-kanaal inschakelen om een verbinding van 64 kbps op te zetten. Ook bij AO/DI wordt uiteraard eerst een verbinding opgezet via het D-kanaal. Echter, er wordt niet direct een B-kanaal ingeschakeld, een stukje van het D-kanaal wordt bij AO/DI namelijk gebruikt voor datatransport met een snelheid van 9600 bps. Deze capaciteit is voldoende voor het controleren op of binnenhalen van bijvoorbeeld e-mail. Is de capaciteit van het D-kanaal te klein en is meer bandbreedte nodig dan wordt dankzij BACP (Bandwidth Allocation Control Protocol) de verbinding overgenomen op het eerste B-kanaal. De capaciteit wordt dan vergroot van 9600bps naar 64kbps (1 B kanaal). Als nog meer capaciteit nodig is wordt ook het 2e B-kanaal ingeschakeld, waardoor de bandbreedte wordt verhoogd tot 128kbps. Is die bandbreedte op een gegeven moment niet meer nodig, wordt de capaciteit weer net zo gemakkelijk teruggebracht. AO/DI gebruikt dus een combinatie van circuit-geschakeld en pakket-geschakeld. En combineert deze tot een nieuw geheel waarbij aan de enen kant de kosten beperkt blijven en aan de andere kant de capaciteit van een ISDN met AO/DI permanent is terwijl je niet de kosten betaalt die voor een permanente verbinding nodig zijn.
6. Diensten
Op het ISDN netwerk zijn verschillende functie’s beschikbaar. deze functies worden ook wel diensten genoemd. Ik omschrijf alleen de belangrijkste functies.
6.1 DDI (Direct Dialing In)
Met DDI kan er direct naar een randapparaat gebeld worden. Hiermee kan de gebruiker via een openbaar ISDN netwerk zonder tussenkomst van een operator direct een gebruiker van een privé-ISDN-netwerk (ISPBX) oproepen. Dit wordt ook wel doorkiezen genoemd. Een DDI aansluiting is een ISDN aansluiting van het type P-P. Maximaal 1 randapparaat welke een eigen voeding heeft kan worden aangesloten. Bijvoorbeeld een ISDN telefooncentrale met NT2-functionaliteit. De diensten hoven niet apart te worden aanvraagt, alleen de gesprekskostenindicatie. Vanwege het grote aantal verschillende telefoonnummers is een DDI aansluiting vooral geschikt voor bedrijven die verwachten snel door te zullen groeien waardoor een uitbreiding van het aantal telefoonnummers wenselijk is. Bij DDI is zowel telefoonnummerpresentatie van het hoofdtelefoonnummer mogelijk, als van de onderliggende telefoonnummers, in de praktijk wordt vaak alleen het hoofdtelefoonnummer gepresenteerd.
6.2 MSN (Multiple Subscriber Number)
Deze dienst maakt het mogelijk dat naast het ISDN hoofdnummer maximaal zeven extra ISDN nummers aan een ISDN aansluiting kunnen worden toegekend. Er kan een ISDN telefooncentrale NT2 worden toegepast. Dit is niet noodzakelijk maar het voorkomt dat interne gesprekken op de telefoonrekening komen. MSN is vooral geschikt voor thuisgebruik en kleiner bedrijven die niet verwachten snel door te zullen groeien. Bij een ISDN aansluiting kunnen maximaal acht randapparaten gebruikt worden. Hierbij is het praktisch dat er met MSN geregeld kan worden dat binnenkomende oproepen door bijvoorbeeld apparaat 1 en niet door apparaat 2 worden beantwoord. Elk apparaat krijgt dan zijn eigen MSN-nummer.
6.3 SUB (Subadressing)
Dit is een mogelijkheid om de informatiefunctie die door ISDN mogelijk wordt gemaakt uit te redien met maximaal 23 postities . bijvoorbeeld:
020-1234567: alle terminals reageren
020-1234567#2: alleen terminal 2 reageert.
6.4 CLIP (Calling Line Identification Presentation)
Hier is al eerder over gesproken bij de autorisatie protocollen. Het telefoonnummer van degene die oproept wordt weergegeven bij de gebelde persoon.
6.5 CLIR (Calling Line Identification Restriction)
Hiermee kan de bellende partij de CLIP-dienst uitschakelen. (Anoniem communiceren);
6.6 COLP (Connected Line Identification Presentation)
Hiermee kan de gebelde partij het telefoonnummer (dus ook het subtelefoonnummer) van zijn telefoon aan de bellende partij tonen via het display van de bellende partij
6.7 MCID (Malicious Call Identification)
Registratie van het telefoonnummer van een binnenkomende oproep. Nummers worden 24 uur bewaard bij KPN.
6.8 CT (Call Transfer)
Doorverbinden
6.9 Digi Access
6.9.1 Wat is Digi Acces
Digi-Access maakt het mogelijk om via het D-kanaal van de ISDN aansluiting te pinnen en alarmverbindingen te realiseren. Dit is alleen mogelijk op een Point-to-Multipoint met een ISDN-2 aansluiting en elk apparaat moet een afzonderlijk MSN nummer hebben.
6.9.2 De verschillen tussen AL1 en AL2
AL1 is een verbinding die moet inbellen als daar om gevraagd wordt. Dus als u pas mag pinnen als de kassier(e) dat toestaat weet u dat het om een AL1 verbinding gaat en dus eerst verbinding gemaakt moet worden. Ook bij alarmcentrales. Hier detecteert het apparaat onraad, zoekt het nummer op in zijn database en gaat proberen contact te maken, als de lijn niet bezet is. Uit veiligheid wordt eens in de 24 uur verbinding gemaakt om te melden dat er geen storingen zijn. Een AL2 verbinding echter heeft een continu openstaande verbinding over het D-kanaal. Zodra de Particuliere Alarm Centrale registreert dat de verbinding wegvalt wordt er alarm geslagen met alle gevolgen van dien. Ook met pinnen in de supermarkt kunt u de AL2 verbinding herkennen. Want het “U kunt meteen beginnen met pinnen” slogan verovert snel heel Nederland!! Er hoeft geen verbinding meer gemaakt te worden, die is er. U kunt meteen de pas er door halen en uw code intoetsen, boodschappen inladen en straks, als de kassier(e) klaar is nog even op ja toetsen. Wachten tot de verbinding tot stand is gekomen zal hier nooit meer gebeuren! Natuurlik nog wel de verifiëring van de pas en de code, die interpay bij uw bank moet ophalen, en dat kost natuurlijk ook de nodige tijd.
6.9.3 De abbonnementen en hun mogelijkheden
Er zijn 3 Digi-Access abonnementen mogelijk.
. Digi-Access Pin
. Digi-Access Alarm
. Digi-Access Standaard
Bij Digi-Access Pin kunnen er maximaal 8 pin betaalautomaten op het D-kanaal aangesloten worden.KPN beperkt uw communicatie tot alleen een aansluiting in de Closed User Group met Interpay. De maximale snelheid is 2400 bps.
Bij Digi-Access Alarm wordt de verbinding met de Private Alarm Control constant gecontroleerd, waardoor eventuele sabotage direct wordt gesignaleerd. Deze verbinding wordt veel toegepast door bedrijven met een hoge risico klasse (Dit is een voorbeeld van een AL2 verbinding). Er is alleen communicatie mogelijk in de CUG van de meldkamer. De maximale snelheid is 300bps.
Digi-Access Standaard is in principe bedoeld voor het frequent verzenden van kleine hoeveelheden data. Dit kan o.a. gebruikt worden voor Electronic Data Interchange (EDI = verzenden elektronische formulieren).
De maximale snelheid is 9600 bps en er zijn 1 t/m 8 Virtual Circuits mogelijk.
Om apparatuur aan te sluiten op Digi-Access (pin of standaard) kan de Digivox Unidata van KPN gebruikt worden. Voor Digi-Access Alarm is er speciale apparatuur te koop bij beveiligingsbedrijven. Bij Digi-Access Standaard is een onbeperkt aantal Closed User Groups (CUG) mogelijk.

Omdat er acht Virtual Circuits mogelijk zijn kunnen ook winkels met veel PIN verkeer gebruik maken van Digi-Access. In de meeste gevallen is drie VC's voldoende.
6.9.4 Closed User Group (CUG)
Bij de aanvraag van Digi-Access moet opgegeven worden met welke CUG een verbinding gemaakt moet worden. Deze verbinding wordt weergegeven met een CUG-index in combinatie met een DTE-adres. Het DTE-adres is meestal het ISDN-hoofdnummer (31 + 9 cijfers) waar de Digi-Access op aangevraagd is. Alleen gebruikers die daar toestemming voor hebben gekregen kunnen verbinding krijgen met een Closed User Group (CUG). Die toestemming moet gevraagd worden bij de eigenaar van de Closed User Group bijvoorbeeld een meldkamer of Interpay. Het aantal gebruikers van een CUG is onbeperkt. De CUG wordt weergegeven door een 4 cijferig nummer. Voor een AL2 verbinding of pinnen is aansluiting nodig op de CUG van de AL2 ontvanger van Interpay.
6.9.5 X.25 AANSLUITING
Behalve met Digi-Access is er ook verbinding met Datanet-1 mogelijk met een vaste X.25-aansluiting of via de inbeldiensten van Access Services On-line. Bij een vaste X.25 aansluiting is de snelheid maximaal 64kbps en bij Access Service On-line is de maximaal 9600bps.
Bij meer dan 2500 PIN-transacties PIN transacties per maand kan een vaste X.25-aansluiting interessant zijn.
6.10 Vele anderen ISDN diensten…
Er zijn nog vele andere functies zoals: gesprekken in de wacht zetten, wisselgesprek, conference call; vergadering met meer dan 2 mensen via de telefoon. En diverse soorten van kostenberekening van verbindingen, tijdens of na het gesprek. Een bijzondere is wel het FPH, het FreePHone. De kosten komen hiermee gedeeltelijk of geheel voor de opgeroepen partij. De opgeroepen partij moet natuurlijk wel toestemming geven.

7. OSI-Model
Het OSI-Model is de afkorting van Open Systems Interconnection Reference Model. Het OSI-model is dus een standaard op het gebied van communicatie tussen apparaten. Het geeft de hiërarchie weer van hoe data wordt verzonden / ontvangen bij een netwerk. ISDN maakt van hetzelfde OSI-model gebruik. We gaan de aparte lagen even langs:
7.1 Applicatielaag (laag 7)
De applicatielaag maakt het netwerk geschikt voor het gebruik, ondanks dat de toepassingen verschillend kunnen zijn (databases, tekstverwerkers, tekenprogramma’s enz.). Dus eigenlijk doet de applicatielaag niets anders dan het verzorgen van diensten die nodig zijn om programma’s in een netwerk te laten draaien.
7.2 Presentatielaag (laag 6)
De presentatielaag verzorgt de presentatie van de gegevens bij de zender en de ontvanger op een manier die voor beide duidelijk is. Verschillen in taal worden door codeconversie opgelost.
7.3 Sessielaag (laag 5)
De sessielaag is verantwoordelijk voor allle middelen die noodzakelijk zijn voor de sessie. Denk hierbij aan het verdelen van de transportcapaciteit over de gebruikers en de toegang tot programma’s. Deze laag valt te vergelijken met een verkeersagent, die er op toeziet dat een gesprek tussen twee applicaties ordelijk en volgens gemaakte afspraken verloopt en dat de toegang verkregen wordt tot het netwerk.
7.4 Transportlaag (laag 4)
De transportlaag zorgt ervoor dat alle informatie-eenheden in de juiste volgorde door het netwerk worden gestuurd. Daarnaast vindt controle plaats of alle eenheden ook daadwerkelijk worden doorgestuurd. De data-eenheid in deze laag heet een segment.
7.5 Netwerklaag (laag 3)
De netwerklaag zorgt ervoor dat de data op een zo optimaal mogelijke manier dor het netwerk wordt getransporteerd. Hier wordt niet alleen rekening gehouden met de kortste route, maar ook met de snelste. De data-eenheid in deze laag heet een pakket.
7.6 Datalinklaag (laag 2)
De datalinklaag zorgt voor een betrouwbaar transport van de data voer een verbinding (link), bijvoorbeeld tussen een gebruiker en het netwerk. Er wordt veel aandacht besteed aan het controleren van de informatie op fouten. De data-eenheid in deze laag heet een frame
7.7 Fysieke laag (laag 1)
De fysieke laag zorgt voor het transport van bits over de transmissieweg. De data-eenheid van deze laag is een bit. Dit is dus de kabel zelf, of bij draadloze verbindingen de “lucht”.
8. Bekabeling & Voeding
8.1 Voeding

De voeding van ISDN telefoons gaat via de datakabels. KPN levert echter maar weinig energie; de NT1, het kastje dat het signaal verdeelt van 2 naar 4 aders en vice versa heeft spanning nodig, en zet een spanningsverschil over de TX en de RX, zodat ISDN apparaten daar hun voeding van af kunnen halen. Levert de NT1 om de een of andere reden geen voeding, wordt de spanning toch van het KPN net afgehaald maar omdat er dan maar één toestel op aangesloten mag worden, wordt de polariteit van de spanning omgedraaid, zodat alle toestellen dan uitschakelen, behalve het toestel dat als noodtoestel geschakeld is, dat functioneert nog. Het noodtoestel moet hier echter wel geschikt voor zijn, vaak moet je een schakelaar omzetten, zodat hij reageert op polariteitwisseling. Als het toestel is uitgerust met handsfree mogelijkheden zullen dergelijke functies niet meer werken, want de NT1 mag niet meer dan 420mW leveren, en het toestel mag niet meer dan 380mW opnemen. Hetgeen wat overblijft is marge i.v.m. met koperverliezen e.d.
8.2 Bekabeling & pin-configuratie
De kabel die meestal voor ISDN word gebruikt is meestal UTP, Unshielded Twisted Pair. Soms wordt STP gebruikt, Shielded Twisted Pair met extra afscherming. Een afscherming heeft alleen nut als ddeze aan massa wordt gelegd, en met ISDN RJ45 connectoren ligt dat wat moeilijk. Wordt de afscheiding niet aan aarde gelegd werkt de afscherming alleen maar nadelig, als capacitieve belasting. In plaats van UTP kan wel FTP gebruikt worden (Foiled Twisted Pair). Deze bekabeling (CAT-5) behaald hoge snelheden tot 155 MBps en is afgeschermd. Dit voorkomt invloed van magnetische velden of straling van buitenaf van andere bedrading of apparatuur. De connector is zoals eerder genoemd de bekende RJ45 connector.

Bij ISDN zijn 2 aderparen nodig voor de communicatie. 1 aderpaar voor de RX (Receive) en 1 aderpaar voor de TX (Transmit). De overige worden soms voor de voeding gebruikt.

Polariteit Polariteit ISDN apparaat
Pin Omschrijving Data Voeding (TE)
1 Voeding vanaf TE +
2 Voeding vanaf TE -
3 TX +* + Rx
4 RX +* - Tx
5 RX -* - Tx
6 TX -* + Rx
7 Voeding vanaf NT1 -
8 Voeding vanaf NT1 +
* In de noodstroom situatie keert deze polariteit om

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.