De Politie

Beoordeling 6
Foto van een scholier
  • Sectorwerkstuk door een scholier
  • 4e klas vmbo | 8707 woorden
  • 28 september 2003
  • 187 keer beoordeeld
  • Cijfer 6
  • 187 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
Inleiding:

Sectorwerkstuk over de politie.
Waar komt het woord politie vandaan?

Het woord politie is oorspronkelijk afkomstig uit het Grieks. Het is afgeleid van het woord ‘politeia’ (polis = stad / staat) en duidde in de oudheid de gehele staatszorg aan. In de 15e eeuw werd onder de politie nog de gehele overheidszorg verstaan. Maar langzamerhand werd de betekenis beperkt en dekte het nog slechts een deel van het staatsbestuur, namelijk het “inwendig bestuur”, de binnenlandse zaken met uitzondering van de rechtspleging en defensie. Door de burgers word onder het begrip politie zowel de organisatie (dat is een taak voor de politie) als een of meerdere medewerkers daarvan (daar komt de politie) begrepen. Tot het werk van de politie behoren taken als surveilleren of patrouilleren, verkeersregeling, bepaalde taken van de jeugd- en zedenpolitie en de preventieafdelingen.

Wij doen dit werkstuk samen omdat we goed met elkaar kunnen werken en omdat wij dicht bij elkaar wonen, het is makkelijk om dan af te spreken. We hebben voor dit onderwerp gekozen, omdat we het interessant vonden om de geschiedenis te onderzoeken van iets wat iedereen kent maar eigenlijk weinig vanaf weet. Dat er veel over te vertellen was speelde ook mee, het is zelfs meer dan we dachten.


We hebben dit onderwerp ook gekozen omdat zijn vader bij de politie werkt en we dachten op die manier ook aan extra informatie te komen. We zijn voor informatie bij hem te raden gegaan en met hem naar het museum in het politiebureau geweest. Daar hebben we niet veel informatie (die we in ons werkstuk konden verwerken) gevonden. Daarom zijn we naar het Nederlands Politiemuseum in Apeldoorn geweest. Daar hebben we wel de nodige informatie gevonden.

We hebben de Deelonderwerpen en Deelvragen iets aangepast omdat ons eerste idee om de politie van 1900 te vergelijken met de politie van tegenwoordig niet te doen bleek. Daarom zijn we ons gaan concentreren op de politie vanaf 1900 tot de Tweede Wereldoorlog, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, de politie tot de reorganisatie en na de reorganisatie van 1993.

Als je de politieorganisatie zo door de eeuwen, jaren en de 2e Wereldoorlog bekijkt was, is en blijft deze organisatie altijd in beweging.

We hopen dat we er voor de lezer een informatief en boeiend werkstuk van hebben kunnen maken en wensen u veel lees plezier.

Deelonderwerp 1: De politie voor de oorlog (1900-1940).

Deelvraag 1.1: Hoe was de politie georganiseerd, wie was de baas en wat waren de rangen en standen bij de politie?

Nederland kende voor de Duitse bezetting 5 verschillende “soorten”politie, die onder 3 verschillende ministers en ministeries vielen.
· De marechaussee - Defensie en Justitie
· De gemeentepolitie - Binnenlandse zaken/Burgemeester
· De rijksveldwacht - Justitie

· De politietroepen - Defensie
· De gemeente veldwacht - Burgemeester

Van deze 5 “soorten” politie was de gemeentepolitie voor de Duitse bezetting veruit de sterkste, ca 11.000 man. Daarnaast ruim 1.200 marechaussees, een kleine 1.400 Rijksveldwachters en ca 1.600 man politietroepen.
De toezicht op deze politieformaties, behalve die van de Politietroepen (zij hadden een militaire taak), hadden 5 Procureurs-generaal bij de gerechtshoven en zij waren tevens “fungerend Directeur van politie”. Aan de 5 directeuren waren Rijksrechercheurs toegevoegd.
De commissarissen van de koningin hadden een soort gelijke toezichthoudende taak voor zover het de openbare orde betrof.

In de grote steden/gemeente opereerde de gemeentepolitie. De burgemeester benoemde de (hoofd)inspecteurs en de overigen politie ambtenaren. In de kleinere gemeenten werd de gemeente veldwachter benoemd door de commissaris der koningin. In de kleinste gemeente en het platteland opereerde de korps rijksveldwacht. Het korps marechaussee opereerde langs de grenzen.

De rangen en standen bij de politie waren in deze tijd nog niet landelijke geregeld. De directe chef van een politieman maakte de rang uit en tevens het loon wat betaald werd een de politieagenten. Hierdoor was er dus een groot verschil in rangen en standen en van het loon dat de politieagenten verdienden. Er zijn een aantal uniformen uit deze tijd bewaard gebleven maar de rangonderscheidingstekens, die op de uniformen gedragen werden, zijn niet bekend. Een hoofdagent is in de jaren ’20 en ’30 hoger in rang dan een brigadier.

Deelvraag 1.2: Welke uitrusting had een agent en wat waren de vervoermiddelen bij de politie?

Er is weinig bekend over de uitrusting en bewapening van de Nederlandse politie vanaf 1900. Dit komt omdat de politie landelijk gezien slecht georganiseerd was en er verschillende bewapening en uitrusting verstrekt werd door bijvoorbeeld gemeente- en provinciebestuur.
Van de uitrusting van de politie vanaf 1900 is alleen bekend dat de politieagent op straat een sabel, een signaalfluitje en een knevelketting bij zich had.
Om toch een opsomming te kunnen geven over de bewapening en uitrusting van de politie, beperken wij ons tot de informatie die bekend is bij de Leidse politie.
Vanaf 1938 is het volgende bekend van de bewapening en uitrusting van de agenten, bij het indiensttreden werd door de gemeente Leiden verstrekt:
· Een karabijn
· Een revolver met tas
· Sabel met koppel en drager
· Gummistok
· Boeiketting
· Assistentie- of signaalfluit
· Legitimatiekaart
· Verzameling Gemeentelijke Verordeningen

Tevens wordt er tijdens de nachtdienst een zaklantaarn verstrekt, evenals een dreg. De dreg zit in een foedraal voorzien van nummer en wordt gebruikt om (dronken) drenkelingen uit het grachtenwater te halen.
Als er ijs op het water ligt kan iedereen, ook de wielrijders bij de politie, worden opgedragen een dreg bij zich te dragen.
De karabijn wordt alleen uitgegeven in bijzondere omstandigheden, terwijl de revolver behoort bij de dagelijkse uitrusting. De revolver wordt door het uniformpersoneel gedragen aan de rechterzijde in een lederen tas onder de jas en is bevestigd aan de sabelkoppel. De gummistok wordt gedragen in een daarvoor bestemde zak van de uniformbroek. In de instructie over gebruik van de wapens wordt aangegeven, dat gebruik van de gummistok voorkeur geniet boven dat van de sabel.
Het dragen van de assistentiefluit is tijdens de nachtdienst verplicht.
De politiefluiten waren aan twee zijden te gebruiken. De fluitzijde om het publiek te attenderen of aanwijzingen te geven en de signaalzijde (zwaardere toon) om assistentie te verzoeken. Andere verbindingsmiddelen waren er niet.

Voor 1913 werd al het surveillancewerk te voet gedaan door de politie. Na 1913 kan als belangrijkste vervoermiddel de fiets aangemerkt worden. In dit jaar werd de rijwielbrigade in het leven geroepen. Er werden 6 fietsen door de dienst aangeschaft en ter beschikking gesteld van aangewezen agenten. De fietsen werden gedeeld door twee agenten, die zelf voor het onderhoud moesten zorgen. Ze moesten de fiets na gebruik vet vrij en schoon maken.
In 1924 kwam er de eerste rijwielbrancard, dit was een bakfiets met overkapping. In die bak vervoerde de politie lijken en mensen waar ze zeker van wisten dat die besmettelijke ziektes hadden.

De Leidse politie rond 1913 met de eerste rijwielbrigade
In 1927 kwamen de eerste motorvoertuigen bij de politie. Het waren motoren met zijspan. Later dat jaar kwamen de eerste personenauto’s als surveillance auto, deze waren van het type T-Ford. In 1932 volgden transport wagens, deze werden gebruikt voor het transporteren van arrestanten naar de gevangenis.

Deelvraag 1.3: Wat waren de werkzaamheden en wat was het aanzien van de politie?

De werkzaamheden van de politie waren nogal gevarieerd. De politie had eveneens tot taak branden te bestrijden. Er waren ook vrijwillige brandwachten maar van de politie werd direct handelen verwacht bij een brand. Aanvankelijk werd de brandbestrijding op primitieve wijze uitgevoerd met emmers waarmee men grachtwater putte. Begin 1900 werd het materieel gemoderniseerd en waren er 8 brandspuiten aanwezig.
Het eigenlijke werk van de politieagent bestond voornamelijk uit voetsurveillance. De agent moest zoveel mogelijk op straat zijn om de orde te kunnen handhaven. Er waren nog geen verbindingsmiddelen en maar weinig mensen hadden een telefoon. Hierdoor kon de agent op straat dus niet bereikt worden en kon de politie niet gebeld worden bij orde verstoringen. Door veel posten uit te zetten wisten de agenten op straat waar een collega zich bevond en kon een agent in nood op zijn signaalfluitje blazen om een collega te waarschuwen. Posten zijn vaste straten of een gebied waar een politieagent op bepaalde tijden aanwezig moest zijn. De politieagent werd gecontroleerd door een meerdere in rang of hij wel op tijd op zijn post aanwezig was.
De politie ondervond in de begin jaren van1900 veel agressiviteit van dronken personen op straat die het vaak met de politie aan de stok kregen.
Veel invloed en overwicht had de politie niet in die tijd. Bij vechtpartijen tussen de bevolking en de politie werd vaak de sabel van de agent afgenomen en werd de agent hiermee verwond. Ook door ander geweld tegen agenten op straat en de toenemende agressie door groepen personen werd er vaak een agent verwond of zelfs vermoord op straat.
Tijdens de 1e Wereldoorlog van 1914 tot 1918 werden politieagenten in dienst van het leger geroepen. Hierdoor moest de politie met minder mensen meer werk verrichten.
Rond 1927 wordt de politie mobieler. Er worden dienstfietsen aangeschaft en er wordt een fietsbrigade opgericht. Hierdoor kan de politie zich sneller verplaatsen en meer posten voor de surveillance oprichten.
Er worden naast de surveillancedienst ook andere afdelingen opgericht zoals:
· Recherche = voor opsporen van strafbare feiten en kinderzaken (Kinderpolitie)
· Bijzonder wetten = voor controle op wapens, stroperij, vergunningen, enzovoort
· Motorbrigade = voor verkeershandhaving het verkeer nam erg toe in deze tijd
De jaren ’30 breken aan en die staan in het teken van de economische crisis. Er heerst een grote werkeloosheid en de bevolking komt tegen het gezag in opstand. Er zijn erg veel problemen met dronkenlui en schooiers.
Vanaf 1935 heeft de politie ook toezicht op de weekmarkten. Op maandag is er de veemarkt, op dinsdag, donderdag en zaterdag is er fruitmarkt en ook op zaterdag is er de kaasmarkt. De taak van de politie is toezien dat er geen illegale standplaatsen in genomen worden door bijvoorbeeld handelaren zonder vergunning, ijscowagens, fruitkarren enzovoort.
Naast de werkzaamheden bij de bijzondere afdelingen en de surveillance door de politie, worden er ook vaste posten aangesteld voor toezicht zoals bij de Lakenhal als er getrouwd wordt; een post huwelijken bij het stadhuis; een post Brokkenhuis, om toe te zien dat de werkelozen die een briefje in moeten leveren netjes in de rij blijven staan.
Door de toenemende agressie op straat tegen de politie, neemt de gemeenteraad een besluit, dat de surveillance te voet in het vervolg door twee politieagenten gedaan wordt. Ze mogen niet bij elkaar lopen maar wel bij elkaar in de buurt blijven.
De tijden voor de politie veranderen als de 2e Wereldoorlog uitbreekt.

Deelonderwerp 2: De politie tijdens de oorlog (1940-1945).

Deelvraag 2.1: Hoe was de politie georganiseerd, wie was de baas en wat waren de rangen en standen bij de politie?
Aan het begin van de oorlog kwam een "Reichskommissar fur die Niederlande", die geholpen werd door een aantal commissarissen-generaal. Een van deze commissarissen-generaal was Hanss Rauter. Deze kreeg het bevel over de Waffen-SS en de Duitse politie en het toezicht over de Nederlandse Rijks-en gemeentepolitie. Rauter begon meteen al in 1940 met de reorganisatie van de Nederlandse politie.
De politietroepen werden verdeeld over de Marechaussee, de Rijksveldwacht en de Gemeentepolitie. De Marechaussee ging van 1200 naar 4500 man en in plaats van het ministerie van Defensie bij het Ministerie van Justitie ondergebracht. De naam "Koninklijke" raakte men meteen ook kwijt. Bij het ministerie van Justitie kwam een nieuwe functie: directeur-generaal van politie.. De eerste was directeur-generaal was mr. Brants, voormalig procureur-generaal van het Haagse gerechtshof. In Schalkhaar werd een militaire kazerne omgebouwd tot een speciaal nationaal-socialistische opleidingsschool om de Nederlandse politie de ideeën van de SS bij te brengen.
In 1942 werd de hele Nederlandse politie onder de directeur-generaal van Politie geplaatst. De Gemeentelijke politiekorpsen werden per 1 maart 1943 "Staatspolitie". De scheiding tussen rijks-en gemeentelijke politiezorg verdween, alles viel onder de directeur-generaal. In dezelfde maand werd directeur-generaal Brants vervangen door mr. J.J. Schrieke, een NSB-er. Hij voerde het bewind over vijf "gewestelijke politiepresidenten.
Schrieke kreeg nooit volledig grip op de politie. Er waren in veel korpsen wel "foute" politiemensen, oftewel NSB-ers. Ook ging de Nederlandse politie nogal laks om met de burgers. De Duitse bevelen werden vrijwel klakkeloos uitgevoerd. Daardoor kwam de politie bij de burgers in een slecht daglicht te staan. Dit duurde tot begin 1943. De Nederlandse politie begon veel minder stipt de bevelen uit te voeren en stelde vragen over het waarom. De volledige politiemacht bestond eind 1943 uit ongeveer 20.000 personen en omdat de bevelen wat laks werden uitgevoerd werden per maand tussen de 300 en 500 politiemensen ontslagen en vervangen door NSB-ers.

Deelvraag 2.2: Welke uitrusting had een agent en wat waren de vervoermiddelen bij de politie?

Aan de uitrusting van de politie veranderde niet veel tijdens de 2e Wereldoorlog. Er kwam in deze tijd geen bewapening of uitrusting bij. Wel moest de agent desgevraagd zijn dienstwapen inleveren aan de Duitsers. De Duitsers vorderde veelal de revolver en of sabel van een politieagent.
Ook de vervoermiddelen kwamen ten prooi aan de Duitsers. Zowel de fietsen als de auto’s werden door de Duitsers gevorderd. Het politiebureau aan de Zonneveldstraat te Leiden werd omgebouwd tot bunker en in gebruik genomen door de Duitsers. Ook werd er een Duitse officier van het leger commandant van de Leidse politie.

Door de Duitsers werden nieuwe dienstfietsen aangeschaft voor de politie, maar die waren van een zo slechte kwaliteit dat deze fietsen maar 3 maanden meegingen.
Er werden dienstfietsen gestolen en door de slechte kwaliteit hield de Leidse politie aan het einde van de oorlog nog maar 23 fietsen over.
Er werd een proef genomen met houten loopvlak op de achterbanden van de fiets om het schaarste van de rubberen buitenband op te kunnen vangen. Deze proef liep op niets uit en werd gestaakt.

Deelvraag 2.3: Wat waren de werkzaamheden en wat het aanzien van de politie?

Vlak voor de tweede wereldoorlog was er een reorganisatie op touw gezet, dat de Gemeentepolitie in de steden te werk zou gaan en de Marechaussee en het Corps Rijkspolitie samen op het platteland hun politietaken zouden gaan uitvoeren. Alle 3 de politie organisaties zouden zich met burgerzaken gaan bemoeien.
Echter voor deze reorganisatie was geen tijd meer, want het ‘Duitschland erwache’ uitgeroepen door een Oostenrijkse schilderszoon, Adolf Hitler, op 30 januari 1933 in de kerk van Potsdam, verstomde pas nadat hij en zijn volgelingen met bruut geweld het neutrale Nederland in 1940 onder de voet hadden gelopen.
Vóór alles moest de weg vrij worden gemaakt. Ruim baan voor het transport van de Duitse Wehrmacht, dat ongehinderd en met voorrang moest doorgaan. Het gebruik van auto’s door Nederlanders was in 1941 al tot een kwart geslonken, doordat de benzine niet meer vrij te koop was. Er gebeurde dus minder (dodelijke) verkeersongevallen. Tegelijkertijd steeg het aantal fietsen fors. De politie schakelde dus over van autocontroles naar fietscontroles. Dat was niet helemaal vrijwillig, want de Duitsers ergerde zich dood aan dat ongedisciplineerde fietsende volk.
De “gewone” criminaliteit ging ook gewoon door. Misdrijven als diefstal, inbraak, mishandeling, moord enz. Voor de politie in de buitendienst die daar meestal als eerst mee te maken had, kreeg daar steeds meer problemen mee naarmate de bezetting langer duurde en het georganiseerde verzet zich steeds meer begon te roeren. Bij moord bijv. was de eerste en belangrijkste vraag: Gaat dit om een “gewone” moord, of is het een liquidatie van een gevaarlijke nasi? De “gewone” criminele profiteerde daarvan. Handige jongens met een ruim geweten deden veel in de zwarte handel. Dat was strafbaar, maar voor de opsporing van de zwarte handel waren speciale opsporingsambtenaren aangesteld.

In de loop van 1941 krijgt het “gewone” politiewerk een steeds grimmiger karakter. Ook politieagenten beginnen in te zien dat ze medeplichtig worden aan zaken (bijv. Jodenvervolging) die ze persoonlijk sterk afkeuren. Maar een politieagent had weinig keus. De gewone politieagent had voorlopig meer problemen met zijn eigen financiële toestand. In duizenden politiegezinnen was de grens van armoede overschreden. Voor sommige politieagenten was dit de druppel voor een overstap naar de NSB die een betere toekomst beloofde.

Het jaar 1942 was voor de politie een jaar van crisis. De problemen zijn niet meer te ontlopen, iedere politieagent werd geconfronteerd met sabotage, overvallen, transport van (vaak joodse) arrestanten, acties van het verzet enz. De Duitsers en een groot aantal politiechefs die ook legerofficier waren vonden het tijd worden dat de ouderwetse politieagent eens wat meer militair werd. Om de politie ook die uitstraling te geven werd er een nieuw uniform ontworpen. Ook het groeten moest anders, van de vriendelijke lach naar de strakke blikken. Het uniform moest ‘correct’ zijn, het moest dus altijd goed zitten. Je haalde Joden van huis, maar je uniform zit als gegoten. Je schopte ze in overvalwagens , maar met glimmende laarzen.

Als in 1943 Stalingrad valt komt de kentering. Duitsland was de oorlog aan het verliezen en als politieagent kon je alleen nog maar voor of tegen zijn. De twijfelende politieagent moest nu kiezen: ondergedoken mensen arresteren of zelf onderduiken, het verzet bestrijden of zelf deelnemen aan het verzet. Terwijl tientallen politieagenten onderdoken, meldde honderden nieuwe zich aan. Sommige van hen zal na de oorlog zelfs hogere functies krijgen.
Het verzet werd feller, net als het politie optreden. Het gewone politiewerk is niet meer los te maken van het politieke geweld. Het bestrijden van sabotage was het werk van de aparte organisatie “sicherheitspolitzie” maar de gewone politie moest behulpzaam zijn. Vanaf het voorjaar van 1943 staat op sabotage of poging daartoe de doodstraf. Wie iets tegen de bezettende macht ondernam of in bezit was van een wapen kreeg ook de doodstraf. Arrestaties, bewaking en transport van gevangen is nu dagelijks werk. De politie agent werd zelf verantwoordelijk gesteld. Iedereen poging van ontsnapping moest onmiddellijk met de vuurwapens opgelost worden. Geen waarschuwingsschoten, maar direct gericht en raak. Wie een gevangen liet ontsnappen werd gestraft of ontslagen.

Tijden de oorlog gingen er veel mensen bij de politie om zichzelf te beschermen. Ze kregen een vuurwapen en een legitimatiebewijs. Er werden speciale spoedcursussen gegeven om snel aan nieuwe politie agenten te komen. Veel politieagenten waren aan gesloten bij de NSB ( vooral hoog geplaatste politieagenten). Er waren ook politie agente die stiekem in het verzet zaten en dus ook corrupt (met gevaar voor eigen leven) waren. Al met al probeerde de Duitsers de politie op hun hand te zetten en er een soort leger afdeling van te maken, maar het politiewezen bleef een (corrupt) zooitje.

Deelonderwerp 3: De politie na de oorlog (1945-1993)

Deelvraag 3.1: Hoe was de politie georganiseerd, wie was de baas en wat waren de rangen en standen bij de politie?

Na de bevrijding wilde het nieuwe Nederlandse bestuur dat de politie en niet het verzet de orde ging handhaven. De politie moest dus zo snel mogelijk gezuiverd worden. Dat was de taak van de korps zelf. Duidelijk foute politie agenten werden ontslagen en berecht. Talrijke anderen kregen lichte straffen als:
· schriftelijke berisping
· overplaatsing
· degradatie
De politieorganisatie in Nederland was geheel versplinterd over een veelheid van korpsen, van diverse geheel verschillende principes, organisaties en beheers- en gezags- autoriteiten. Tevens was er geen eenheid in taakuitvoering en coördinatie. Hierdoor was onvoldoende waardering voor de politie ontstaan bij overheid en bevolking In 1945, direct na de 2e Wereldoorlog, was het een behoorlijke chaos in Nederland. Veel huizen waren gebombardeerd en de politie bestond eigenlijk niet meer, want in de ogen van de bevolking waren bijna alle politiemensen fout geweest in de oorlog. Het land moest weer op orde gemaakt worden en er moest een dienst komen, die de openbare orde weer ging herstellen en controleren.
Op 8 november 1945 werd het Staatsbesluit genomen, dat de Gemeentepolitie in aangewezen gemeenten werkte en dat in het overige deel van het land een Corps Rijkspolitie moest worden opgericht. Zo werd de Nederlandse politie van na de oorlog geboren. Deze bestond dus uit de gemeentepolitie en het Corps Rijkspolitie.
In eerste instantie werden 65 gemeenten aangewezen voor de gemeentepolitie, in de loop der jaren kwamen er nog eens 62 gemeenten bij. De gemeentepolitie vond je in gemeenten met meer dan 25.000 inwoners, de rijkspolitie vond je meer in de kleinere steden en dorpen. De bestuurlijke leiding van het Corps Rijkspolitie lag bij de Minister van Justitie, de leiding van de Gemeentepolitie lag bij de Minister van Binnenlandse zaken.
Er ontstond een grote run op een baan bij het Corps Rijkspolitie. Na de oorlog had iedereen wel zin in een vaste baan wat ook nog eens leuk werk was. Binnen zeer korte tijd bestond er een Corps Rijkspolitie van duizenden mensen. Daarmee kwamen ook de problemen, want die mensen moesten natuurlijk wel herkenbaar aangekleed worden met een uniform en wapenuitrusting. Aan alles was een tekort en het duurde tot de jaren zestig, dat een en ander bij de politie weer goed begon te lopen. Rond de jaren 70 ontstond een groot tekort aan politiemensen. Al die mensen, die direct na de oorlog in grote getale waren aangenomen, gingen met pensioen. De opleidingsscholen kwamen weer tjokvol te zitten en het korps verjongde weer behoorlijk. Dit ging door tot 1993.

Deelvraag 3.2: Welke uitrusting had een agent en wat waren de vervoermiddelen bij de politie?

De uitrusting van een agent bestond uit een Belgisch pistool de FN. Begin jaren tachtig werd de FN vervangen door de Walther P5. Tevens werd de gummiknuppel en de knevelketting ook nog door de agenten gebruikt. Eind jaren ’70 werd de knevelketting door de handboeien vervangen. De handboeien werden op de persoon uitgereikt. Bij de invoering van het nieuwe dienstpistool Walther P5 kreeg de politie ook een extra patroonhouder met 8 patronen.

Rond 1960 werd de politieagent ook uitgerust met een portofoon waarmee hij contact had met de meldkamer of de wachtcommandant aan het politiebureau. Ook konden de politieagenten op straat onderling met elkaar communiceren.

In 1985 werden Rijks- en Gemeentepolitie hetzelfde gekleed. Blauwe broeken en donkerblauwe blazers met twee maal twee knopen. Alleen de kleur van het overhemd bleef hetzelfde namelijk een wit hemd bij de Rijkspolitie en een blauw hemd voor de Gemeentepolitie.

Na 1960 werd de politie uitgerust met een notitie boekje om op straat gegevens te kunnen noteren die op het politiebureau werden uitgewerkt in een proces-verbaal of een aangifte. Ook werden aanrijdingen op deze manier op straat opgenomen en aan het bureau uitgewerkt.

In 1970 kreeg de politie de mogelijkheid om door middel van bekeuringen op straat direct een geldboete te innen. Dit scheelde een hoop schriftelijk werk voor een politieagent op het bureau. Nu werd immers de overtreding op straat afgehandeld en door de afdeling administratie verwerkt. Het bonnenboekje met de bijbehorende processen-verbaal behoren vanaf die tijd ook tot de uitrusting van een agent.

De vervoermiddelen bij de politie na de tweede Wereld Oorlog.
Na de oorlog komt het autotijdperk pas echt goed opzetten. Er waren nog auto’s van tijdens de oorlog, maar die waren kwalitatief onvoldoende. In 1953 komt de Fiat 1400 Stationwagen en een Sedan 1100 als politieauto op de markt. De voertuigen zijn donkerblauw van kleur.

In 1960 worden alle auto’s voorzien van een mobilofoon installatie. Na 1960 word ook de Fiat 600 aangeschaft voor de verkeersdienst. In 1961 stapt de politie over van Harley Davidson motoren naar BMW motoren. Fiat blijft jarenlang het automerk van de politie, die vooral in de Fiat 127 rijden.
Rond 1970 komt de Fiat 124 Station op de politie markt.
In 1970 wordt ook een BMW personenauto geïntroduceerd.

Eind jaren ’60 wordt er begonnen met snelheidscontroles, daar wordt een speciaal omgebouwd Volkswagen busje voor gebruikt. Ook Toyota busjes werden voor hetzelfde doeleinde omgebouwd.

In de jaren ’80 gaat de politie over op het automerk Opel, de eerste type Kadett doet zijn intrede en de politie rijdt vervolgens in alle opvolgende typen Kadett van Opel. De motoren bleven wel van het merk BMW.

Naast het motorvoertuigen park van de politie bleef de fiets ook een veel gebruikt vervoermiddel. Ook kon de politie gebruik maken van de Politie Luchtvaart Dienst die de beschikking had over helikopters. Tevens was de politie op het water te vinden, hiervoor was de afdeling Waterpolitie in het leven geroepen.

Deelvraag 3.3: Wat waren de werkzaamheden en wat het aanzien van de politie?

De politie bestond nog maar uit twee groepen (Rijks-en Gemeentepolitie). We laten de marechaussee buiten beschouwing, omdat zij meer de kant van het leger opging. Zij hield zich alleen nog bezig met werkzaamheden als de grens “bewaken” en controles op Schiphol. Ook begeleid de marechaussee belangrijke mensen zoals bijv de koningin.

De Rijks-en Gemeentepolitie deden eigenlijk hetzelfde werk, alleen in een ander gebied. De taken van de politie zijn zeer uitgebreid. Naast handhaving van de openbare orde moest de politie bedelarij en landloperij tegen gaan, vreemdelingen controleren, toezicht uitoefenen op de prostitutie en de vele wetten en plaatselijke vorderingen controleren op naleving. Toezicht werd verwacht op (vee)markten, kermissen en andere grote evenementen. Controle op tapperijen, kroegen, slijters en herbergiers behoorde ook tot de dagelijks terug kerende taken. Rondtrekkende artiesten als muzikanten, zangers, goochelaars enz. waren slechts welkom als de burgemeester daar een vergunning voor had afgegeven. Het publiek moest zich ook aan de regels houden. Deden ze dat niet dan kregen ze (als ze geluk hadden) een waarschuwing of (als ze pech hadden) een boete.

Kleden uitkloppen mocht allen op bepaalde tijden en op bepaalde tijden. Kleden, schapen vachten e.d. te luchten hangen over brugleuningen was alleen toegestaan op plaatsen waar paarden van koetsen en van de paardentram niet konden schrikken. De agent moest daar op toezien.

Talloos zijn de meldingen dat een politieagent iemand (bijna altijd mannen) beschonken aan het politiebureau heeft gebracht. Regelmatig leverde verzet of zelfs een vechtpartij op. Drinken was niet alleen een probleem van de gewone burger. Ook politieagenten zochten voor hun problemen een toevlucht in de alcohol en schroomde er niet voor terug hun dienst bezopen in te gaan.

De politieagenten werden tijdens hun dienst gecontroleerd door de inspecteurs van dienst. Dat gebeurde tijdens de ronde die de agenten liepen ter surveillance. Een agent moest zich dan op een bepaald controlepunt melden. Als een agent zich niet melden werd daar een rapport van opgemaakt voor de commissaris van politie. Als de agent een goede verklaring kon geven voor het feit dat hij zich niet gemeld had kreeg hij een waarschuwing, maar als hij geen goede reden had werd hij beboet. De politie had ook de taak om branden te bestrijden. Er was wel een vrijwillige brandweer, maar omdat de politieagent altijd op straat te vinden was werd van hem altijd direct handelen verwacht.

De hulpverlenende taak van de politie, pas sinds de invoering van de politiewet van 1957 bij de wet vastgesteld, is minder bekend. Ze is niet afgebakend en varieert daarom nogal. Bovendien is de invulling van deze taak afhankelijk van de individuele politieagent. Ook voordat deze wet bestond gaf de politie die hulp al aan mensen die het nodig hadden. Vaak was een luisterend oor al voldoende.
In de jaren ’70 breekt de hulpverlenende rol van de politie pas echt door. De samenleving ontwikkeld zich als een verzorgingsstaat en de politie wordt daarop afgestemd. De maatschappelijke hulpverlening wordt uit de sfeer van liefdadigheid gehaald en geprofessionaliseerd. Ook het inzetten van wijkagenten bracht de politie dichter bij de mensen. Deze agent kon de tijd nemen om hulp te verlenen en mensen weer op weg te helpen. De taak van de brandbestrijding wordt ook uit de handen van de politie gegeven en word voortaan door de brandweer gedaan.
Halverwege de jaren ’80 komt er meer aandacht voor het slachtoffer. De ontwikkeling is langzaam gegaan. Daar waar de verdachte omringd werd door zorg en aandacht van deskundigen moesten slachtoffers van misdrijven het vaak zelf maar uitzoeken. Hoewel de politie door contacten met slachtoffers er soms nog meer op gebrand waren om een dader achter slot en grendel te krijgen, was er van professionele hulp geen sprake. De politie moest middels een aantal regeringsplannen meer aandacht schenken aan de slachtoffers en de hulpverlening van hen. De hulpverlening werd uitgebreid met een drietal punten te weten:
· Bejegening van slachtoffers door bijvoorbeeld geweld.
· Informatie verschaffen aan slachtoffers van een misdrijf.
· Schadebemiddeling tot stand brengen tussen verdachte en slachtoffer.
Daarnaast werden in hoog tempo overal in Nederland bureaus slachtofferhulp opgericht. Deze bureaus werden in samen werking met Algemeen Maatschappelijk werk opgezet. De politie kreeg hierin als taak slachtoffers door te verwijzen en een schadebemiddeling tot stand te brengen.

Doordat de politie meer werk kreeg door de nazorg van slachtoffers en de bemiddeling bij schade, ging dit ten koste van meer “blauw op straat”. Ook door het afhandelen van aangiften en de verwerking van de processen-verbaal, die normaal gesproken door de recherche werden afgehandeld, nu door de politieagenten afgehandeld gingen worden werd de surveillancedienst meer een administratieve dienst dan dat er op straat gesurveilleerd werd. Er werd minder economisch gewerkt en de politie mocht meer personeel aannemen van de regering. Door het uitbreiden van zowel de Gemeentepolitie als het Korps Rijkspolitie kwamen de politieagenten niet vaker op straat maar werd de werkdruk nog hoger. Dit kwam doordat er meer zaken afgehandeld werden en er meer aangiften verwerkt konden worden door de politieagenten. Met een reorganisatie van de politie wilde de regering een efficiënter werkende politie krijgen.

Deelonderwerp 4: De politie na de reorganisatie van 1993 (1993-2003).

Deelvraag 4.1: Hoe is de politie georganiseerd, wie is de baas en wat zijn de rangen en standen bij de politie?

De Politie is na de reorganisatie, samenvoeging Korps Rijks- en Gemeentepolitie, als volgt georganiseerd.
De twee verantwoordelijke ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie blijven ook na de reorganisatie verantwoordelijk voor de Nederlandse Politie.
De minister van Binnenlandse Zaken is verantwoordelijk voor de toezicht op de Openbare Orde, terwijl de minister van Justitie verantwoordelijk is voor de toezicht op de opsporing van strafbare feiten.
Schematisch kun je dit als volgt weergeven:

De Korpschef, hoofdcommissaris van politie, is de hoogste baas van de regionale politie. Daarnaast zijn er districtschefs, commissaris van politie, die het hoofd zijn van een district van de regio. In het district zijn hoofd- en inspecteurs aangesteld als hoofd van een afdeling, zoals recherche, politiezaken, facilitaire dienst en van een team. Elk district van een regio is weer onderverdeeld in teams.
Nederland is verdeelt in 26 politieregio’s, zie onderstaand overzicht, en 1 ondersteunende korps het Korps Landelijke Politie Diensten (K.L.P.D.). De KLPD heeft dus een ondersteunende functie voor alle politieregio’s in Nederland. Zoals Verkeersdienst, Levende Haven (Paarden en Honden), Divisie Logistiek (Kleding), enz.

De rangen
Je ziet politieagenten wel rondrijden in de auto, fietsen op bijvoorbeeld een mountain-bike of lopen. Zij hebben allemaal een teken op de schouders, die aangeeft welke rang de man of vrouw binnen het politiebestel heeft. Maar wat is nu wat? Daar waar over 'hij' wordt gesproken, kan uiteraard ook 'zij' worden gelezen. Iedere politieagent beschikt over een aantal bevoegdheden. Hoe hoger men in rang komt, hoe meer bevoegdheden de persoon tot zijn beschikking heeft. Vanaf de rang van inspecteur kan de persoon optreden als hulpofficier van justitie. Hij treedt dan op in plaats van de Officier van Justitie en kan daarbij (beperkt) gebruik maken van de bevoegdheden van de Officier van Justitie. Bij de dames geldt, dat de gouden tekens, die op de herenpetten staan ook op de dameshoedjes terug te vinden zijn. Dus hoe meer goud op het hoedje, hoe hoger de rang. Maar wat voor werk doet een persoon met een bepaalde rang nu precies?
Aspirant: De aspirant zit nog in opleiding. In de tijd dat hij op school zit heeft hij geen enkele bevoegdheid. Maar tijdens de opleiding loopt de aspirant ook stage en gedurende die tijd heeft hij dezelfde bevoegdheden als de agent.
Surveillant: De surveillant zie je vaak lopen in het centrum van de stad. Hij heeft er voor te zorgen, dat kleine overtredingen, zoals fietsen in het wandelgebied niet voorkomt. Mocht dat wel gebeuren kan hij daar een bekeuring voor uitschrijven. De surveillant doet weinig tot geen bureaudienst en draagt alleen een wapenstok als wapen.
Agent: Wat mag die agent dan wel allemaal doen. Eigenlijk mag de agent alles doen wat de politie via de wet aan bevoegdheden heeft gekregen. Daar zit weinig tot geen beperking aan. Ben je agent, dan ben je op en top politieman en kun je de straat op om te bekeuren, aanrijdingen op te knappen of ruzies te bespreken. Een agent/hoofdagent kan ook wijkagent worden en heeft dan de politieverantwoording voor een bepaalde wijk/team. Uiteraard heeft een agent ook bureaudienst. In die tijd neemt hij aangiftes op, zet deze in de computer, neemt verklaringen op van verdachten, maakt proces-verbaal op, verwerkt de aanrijdingen die hij de dag daarvoor heeft behandeld en spreekt met de mensen, die om wat voor reden dan ook aan het bureau komen. De agent draagt alle bewapening, die de politie in huis heeft, dus het vuurwapen, de handboeien, de wapenstok en de peperspray.
Hoofdagent: De hoofdagent heeft precies dezelfde bevoegdheden als de agent. Deze agent loopt alleen al minimaal 3 jaar mee in de praktijk en wordt vanwege goed presteren automatisch tot hoofdagent bevorderd.
Brigadier: De brigadier heeft bijna altijd een coördinerende taak over een onderdeel van het politiewerk. Op ieder bureau zijn een paar brigadiers met coördinerende taken, zoals verkeer, criminaliteit, veldwetten, openbare orde, milieu. De brigadier kan ook wijkagent zijn, hij is dan verantwoordelijk voor een bepaald gebied van de stad of wijk van het team. De brigadier maakt voor zijn taakgebied plannen die dan worden uitgevoerd door de (hoofd)agenten. Daarnaast doet de brigadier ook de werkzaamheden die de agent doet.
Inspecteur: De inspecteur heeft de algehele leiding over een politiebureau. Hij regelt dat alles binnen het bureau goed verloopt. Hij regelt de planning van de diensten, bezoekt veel vergaderingen, heeft wekelijks een praatje met de burgemeester, maakt nieuwe plannen bekend en houdt functioneringsgesprekken met alle medewerkers in het bureau. Daarnaast zorgt hij ervoor dat het bureau is en blijft voorzien van goed materiaal.
Hoofdinspecteur: Deze rang kan twee functies hebben. De ene is dat hij de algehele leiding heeft van een groot bureau, de ander is dat hij beleidsmedewerker is op het districtsbureau en daar dus het beleid uitstippelt voor het hele district. Een district bestaat uit meerdere politiebureaus (teams).
Commissaris: De commissaris is de leider van een district. Hij doet in feite hetzelfde werk als de inspecteur, maar dan op districtsniveau. Hij is bijv. degene, die functioneringsgesprekken houdt met de inspecteur om diens functioneren te beoordelen.Een commissaris kan ook een beleidsmedewerker zijn, maar dan op regioniveau. Een regio is een verzameling van meerdere districten bij elkaar.
Hoofdcommissaris: Nederland heeft 26 politieregio's en daarom zijn er ook 26 hoofdcommissarissen, die regiochef zijn. De regiochef is uiteraard de baas van de regio en zorgt er voor dat alle zaken binnen de regio op rolletjes lopen en blijven lopen.

Deelvraag 4.2: Welke uitrusting heeft een agent en wat zijn de vervoermiddelen bij de politie?

een agent heeft tegenwoordig heel veel spullen bij zich. De broekriem is nagenoeg vol als de agent alle spullen meeneemt en aan de riem hangt. Allemaal spullen, die de agent voor zijn dagelijkse werk nodig heeft of nodig kan hebben. Een agent heeft de volgende dingen bij zich:

Uitrusting van de agent.
Het pistool: Dit is een Walther P-5 en weegt 1,5 kilo gaat. Er wordt 4 keer per jaar mee geoefend op een schietbaan. de agent moet dan een percentage van de schoten raak schieten om te slagen.
De gummiknuppel: Deze zit in een speciale zak in de broek. De gummiknuppel is heel hard en gemaakt van een houten stok met rubber erom heen.
Handboeien: Deze zijn van ijzer. Ze worden gebruikt om mensen zonder al teveel moeite naar het politiebureau te brengen.
Een reservehouder met patronen voor het pistool: In het pistool zit al een houder met 7 patronen en 1 patroon in de kamer van het pistool. In de reservehouder zitten nog eens 8 patronen.
Een portofoon: Dit is een heel belangrijk apparaat. Deze zorgt er namelijk voor dat je altijd contact kunt hebben met de meldkamer. Als de politieman/vrouw in de problemen komt, kan hij/zij altijd de meldkamer oproepen en kan hulp worden gestuurd.
Een bonnenboekje: Een van de werkzaamheden van de politie is controleren en daar waar nodig bonnen schrijven. Hiervoor heeft hij een bonnenboekje bij zich. Daarin zitten eigenlijk twee boekjes. In een boekje staat precies welke boete staat op welke overtreding en in het andere boekje schrijft de agent de bekeuring.
Een opschrijfboekje voor andere zaken dan een bon: Naast het bonnenboekje heeft de agent ook een opschrijfboekje bij zich. Dingen, die mensen vertellen en wat opgeschreven moet worden wordt in dit boekje geschreven.
Peperspray: De peperspray wordt in een aantal regio's al gebruikt op proef. Met dit spuitbusje kan de agent bij heel lastige personen een goedje in de ogen spuiten, waardoor die lastige persoon meteen niet meer lastig is. In 2003 in heel Nederland in gebruik.
Een ring om de handlamp in te kunnen hangen: In de politieauto zitten twee handlampen. Als de agenten uit de auto gaan om bijvoorbeeld 's nachts over het industrieterrein te lopen pakken ze altijd de lamp mee. Omdat de lamp steeds vasthouden wel wat lastig is, hangt aan de broekriem een ring, waar de zaklamp precies in past.
Een GSM-telefoon: Tegenwoordig heeft de agent die "op dienst" gaat altijd een GSM-telefoon bij zich. Soms zijn er meldingen, die men niet via de portofoon of mobilofoon wil geven. De agent wordt dan gewoon opgebeld.

Uitrusting in/op de politieauto
Soms rijdt een agent in de politieauto. Daarin zitten ook veel spullen, die hij voor het werk nodig kan hebben. In een politieauto liggen de volgende dingen:
De mobilofoon: Hiermee kan de agent contact krijgen met andere politieauto's en met de meldkamer.
Zwaailicht en sirene: Voor de spoedgevallen om de mensen te waarschuwen dat hij haast heeft. De andere weggebruikers moeten dan plaats maken voor de politieauto.
GPS navigatiesysteem: Met GPS kan de meldkamer van de politie altijd zien waar de politieauto op dat moment is. Zo kan de meldkamer zien welke auto het dichtst bij de plaats zit, waar bijvoorbeeld een aanrijding is gebeurd en kan hij deze auto de opdracht geven om deze aanrijding te behandelen.
Een in plastic verpakte achterbank: Iedere politieauto heeft een in plastic verpakte achterbank. het komt nogal vaak voor dat de mensen, die worden gearresteerd behoorlijk dronken zijn en in de auto moeten overgeven.
Stopborden voor en achter: Op dit stopbord staat aan de voor- en achterkant de woorden: "STOP-POLITIE". Deze worden om de beurt aangezet, dus eerst STOP en dan POLITIE.
Het stopbord aan de achterkant kan ook de tekst "VOLGEN" laten zien. De auto achter de politieauto moet de politieauto dan volgen naar een plek waar veilig gestopt kan worden.
Extra schijnwerpers aan de voorkant en zijkant van de zwaailichtbalk: In de zwaailichtbak op de politieauto zitten aan de zijkanten en aan de voorkant extra schijnwerpers. De schijnwerpers aan de zijkant zitten er in omdat de politie 's nachts nog wel eens een huisnummer moet zoeken. Lang niet alle huisnummers zijn 's nachts goed zichtbaar. De lampen aan de voorkant zitten er op om bijvoorbeeld bij een aanrijding extra licht te hebben.
Veiligheidsvesten: Dit zijn de oranje vesten, die bijvoorbeeld ook de verkeersbrigadiers aan hebben. Bij de politie staat het woord "Politie" op de voorzijde en op de rug.
Rode kegels: Deze rode kegels worden gebruikt om de plaats van een aanrijding af te kunnen zetten.
Reddingstouw: In iedere politieauto zit een klosje met ongeveer 50 meter touw. Deze wordt gebruikt om mensen, die in het water liggen er uit te kunnen trekken.
Gordelsnijder: Voor bij een aanrijding, als de mensen vast in de gordel zitten. Deze hoort eigenlijk in iedere auto te liggen, want het kan je leven redden.
Een teddybeer: Veel politieregio's hebben een paar teddyberen in de auto liggen. Als een kind wat ergs is overkomen, zoals bijvoorbeeld een aanrijding, krijgt deze een beertje van de politie. Die beer is op dat moment vaak het beste vriendje van dat kind.
Brandblusser: Zou ook in iedere auto moeten liggen. Om een kleine brand te blussen.
EHBO-kist: Je weet maar nooit wanneer je die nodig hebt. Gelukkig is de ambulance ook altijd heel snel op de plaats van de aanrijding, dus hoeft de politie bijna nooit eerste hulp toe te passen.
Extra kist met gereedschappen: Hamer, tang, schroevendraaier en dat soort gereedschap.
Krijt: De politie gebruikt krijt om een aanrijding op straat af te kunnen tekenen.
Kogelwerende vesten: Soms is het politiewerk heel gevaarlijk. het kan gebeuren, dat de agenten worden geroepen bij een bankoverval. Dan worden altijd de kogelwerende vesten aangetrokken. Deze vesten beschermen de borst, buik en rug tegen schoten van de verdachten. De klap van zo'n schot is wel heel hard en de politieman/vrouw kan er bewusteloos van raken, maar zo'n schot is niet dodelijk.
Bandengroefmeter: Bij een verkeerscontrole worden ook de banden van de auto's bekeken. De banden moeten minimale groeven (profiel) hebben van 1,6 millimeter. De bandengroefmeter meet hoe diep de groeven van de banden zijn.
Computer: In sommige regio's zitten complete computers in de auto. De melding van de meldkamer komt dan op het scherm te staan en kan zo worden gelezen. Dit systeem is niet af te luisteren.
Hondenband: Soms wordt de politie gebeld voor een agressieve hond. Als deze hond dan gepakt is, moet deze toch aangelijnd worden. daarom ligt er altijd een hondenband met lijn in de auto. Vaak ligt er ook een stok om de hond te vangen in de auto. Dit is een lange holle stok, waarin een dubbele snoer loopt. Aan het einde van de stok vormen die twee snoeren een lus, die om de nek van de hond kan worden gelegd. Daarna wordt de snoer vast getrokken en kan de hond nergens meer heen.
Doktershandschoenen: Soms krijgt de politie te maken met bloedende mensen. Omdat er tegenwoordig heel veel te doen is over AIDS, heeft de politie altijd doktershandschoenen in de auto liggen. Hiermee wordt besmetting door het bloed voorkomen.
Papieren en plastic zakken: Deze worden gebruikt om eventuele sporen, die worden aangetroffen bij een inbraak of aanrijding veilig op te kunnen bergen. Op die zakken kan met een viltstift worden geschreven waar de spullen bij horen. Ook in beslag genomen spullen worden in plastic zakken bewaard. Deze zakken zijn altijd afsluitbaar.
Een veiligheidshelm: In een aantal regio's is verplicht gesteld, dat men bij een bezoek aan een bouwplaats een veiligheidshelm op moet zetten.
Digitale camera: Voor het vastleggen van gevonden sporen op foto of bij aanrijdingen waarbij de schade opgenomen moet worden.
Dekens: Bij een aanrijding heeft degene, die de aanrijding heeft gehad het vaak heel koud. Dit komt van de schrik. Daarom krijgt deze persoon een deken aangeboden voor de warmte.
Alcoholcontroleapparaat: Een bestuurder kan gevraagd worden om hier in te blazen. Met dit apparaat kan de politie op straat al zien of iemand te veel gedronken heeft. Als hij veel te veel heeft gedronken moet hij mee naar het politiebureau. Daar staat een apparaat die precies kan aangeven hoeveel de bestuurder heeft gedronken.

Enkele andere vervoermiddelen
De politie heeft nog veel meer voertuigen, de bekendste daarvan zijn:
· Motoren
· Fietsen (ook mountainbikes)
· Paarden
· Skeelers (vooral Amsterdam)
· Scooters
· Helikopters
· Boten
Politie te paard op het strand

Deelvraag 4.3: Wat waren de werkzaamheden en wat was het aanzien van de politie?

Na de reorganisatie die ingezet is in 1989 en voltooid in 1994, moest de samen gevoegde Rijks- en Gemeentepolitie één politie uit gaan stralen die voor iedereen herkenbaar is. Dus één uniform, dezelfde soort voertuigen met eensluidende striping (= reflecterende rode en blauwe strepen op de voertuigen) en dezelfde werkzaamheden voor de politie Nederland. Het streven was een duidelijke eenheid voor de politie. De politieagenten van de surveillancedienst kregen meer schriftelijk werk doordat de processen verbaal door de politieagenten zelf opgemaakt moesten worden. Voorheen werden de processen verbaal door bijvoorbeeld de afdeling recherche afgehandeld bij een strafbaar feit, misdrijf. Hierdoor zit een politieagent veel op het bureau om zijn schriftelijkwerk af te handelen. Dit gaat ten koste van het “Blauw” op straat, waar de regering met de reorganisatie op meer agenten op straat had gerekend. De afdelingen Recherche, Jeugd- en Zedenpolitie, Milieu en Financiële afdelingen, werden in het regiokorps samengevoegd. De afdeling recherche ging zich alleen nog bezig houden met grote recherche onderzoeken zoals moord, zware mishandelingen, grote fraude zaken enz.
Door het bovenstaande kwam er dus minder “Blauw” op straat en voelden de meeste burgers zich onveilig op straat. Dit kwam ook door het toenemen van het zinloos geweld en het afnemen van de normen en waarden van burgers ten opzichte van de overheid, met name de politie. De regiopolitie Hollands Midden heeft hierop een nieuwe weg ingeslagen en de hoofdcommissaris, Korpschef heeft voor 2003 aangekondigd dat de politie op straat onder het volgende motto gaat werken:
“Aardig als het kan, Streng als het moet”
hiermee wil de korpschef bereiken dat er daadkrachtig wordt opgetreden tegen raddraaiers die bijvoorbeeld geweldsdelicten plegen of zinloosgeweld, maar ook tegen de kleine criminaliteit zoals vernielingen van straatmeubilair. Daar en tegen kan de burger vriendelijkheid en een luisterend oor vinden bij de politie die de aangiften netjes opnemen en afhandelen.
In de politiek ligt het onderwerp Politie erg gevoelig als het gaat om de inhoud van de werkzaamheden van de politieagent op straat in het algemeen en de handhaving van de openbare orde in het bijzonder. De vraag die regelmatig gesteld wordt is: “Moeten er meer agenten aangesteld worden?”, of “Moeten agenten niet anders of efficiënter gaan werken?”. Voor de verkiezingen gebruiken de politieke partijen de politie altijd in hun partij campagne om stemmen te winnen. Meestal hebben de politieke partijen een heldere mening over de inzet en veranderingen bij de politie.
Na de reorganisatie is het Bedrijfs Opvang Team (BOT) opgericht. Dit team wordt opgeroepen bij ernstige voorvallen waarbij een politieagent betrokken is geweest. Bijvoorbeeld een ernstig verkeersongeval, reanimatie, zelfdoding, voorvallen waarbij kinderen betrokken zijn, enz. In het BOT zitten politieagenten die collega’s ondersteunen. Dit wordt gedaan omdat het makkelijker is tegen een bekend persoon te praten dan tegen een vreemde. Het BOT gesprek is er om even stoom af te kunnen blazen en het voorval op een rijtje te zetten.

In de grote steden in Nederland mag de politie in probleemwijken preventief fouilleren. Dat wil zeggen dat de politie controles mag houden op het dragen van wapens en/of het in het bezit hebben van drugs. Hiervoor kan de politie elke burger in die wijk een onderzoek aan en in de kleding doen. Ook komt er steeds meer videobewaking.

Economische ontwikkeling
Voor de reorganisatie (vanaf 1900)

Vanaf 1900 was de economische toestand bij de politie erg wisselend. Dit kwam doordat de politie landelijk gezien niet georganiseerd was. De politie organisatie ging met het Nederlands economisch pijl mee. In de jaren dertig, de tijd dat de economie in Nederland erg slecht was en er veel honger geleden werd, veel werkeloosheid was en het ontzag voor gezag was ver te zoeken, hadden politiemensen het ook slecht te verduren. Er werden in die tijd veel politiemensen bij de politie geworven maar veelal bleken deze mensen niet betrouwbaar of communist. Het waren dus de roerige jaren ’30 vlak voor de 2e Wereldoorlog. Tot na de reorganisatie van de politie in 1993 is er niet veel bekend over de economische ontwikkeling bij de politie.

Na de reorganisatie van 1993
Na de reorganisatie van de Gemeentepolitie met het Korps Rijkspolitie tot De Politie in 1993 veranderde er op economisch gebied erg veel bij de politie.
Door verandering van de werkzaamheden van de politiemensen in de surveillancedienst werd het werk in en achter het bureau steeds meer en moeilijker. Doordat er geen specialisme meer mocht bestaan bij de politie moest elke politieman of –vrouw een zogenaamde allrounder worden. De afdelingen Recherche en Jeugd en Zedenpolitie worden drastisch ingekort. De aangiften aan het bureau van politie werden opgemaakt door politiemensen die ook het onderzoek zelf moesten gaan doen en daarna het proces-verbaal opmaken. Dit was nogal arbeidsintensief en hierdoor kwam de politieagent steeds meer achter een bureau te zitten in het politiebureau. De processen-verbaal moesten ook veel uitvoeriger en uitgebreider opgemaakt worden doordat de verdachten en hun advocaten steeds mondiger werden en het politieoptreden steeds meer in twijfel trokken. Ook kwamen door een hardere en uitvoerige rechtszitting veel zaken bij de rechter voor. De burgers pikten niet zomaar dat ze bekeurd en bestraft werden. Veelal werd door een rechtszitting getracht onder de straf uit te komen. Dit bezorgde een politieagent ook meer werk met processen-verbaal die nagestuurd moesten worden.
De bureaucratie die door de nieuwe werkwijze bij de politie is gecreëerd gaat ten koste van het “blauw” op straat. Dit verhoogt het onveiligheidsgevoel bij de burgers en worden de tijden tussen de melding van een voorval en het arriveren van de politie ook steeds langer.
Zelfs de politiek gaat zich bemoeien met de inzet en de werkzaamheden in z’n totaliteit van de politie. Er moeten specialisten komen om de grote en grove criminaliteit te bestrijden zoals: zinloosgeweld; computercrimi; drugs etc.
Ook moet de politie meer in wijken gaan werken en zodoende meer op straat aanwezig zijn. Door de invoering van wijkteams en het werken in kleine teams is het politiewerk erg toegenomen doordat de burger meer aangifte ging doen, door deze laagdrempelige werkwijze kreeg de politie meer processen-verbaal te verwerken. De discussie die nu door de ministers en de politietop wordt gevoerd gaat over de vraag of er meer politieagenten bij moeten komen om al het werk aan te kunnen. Men spreekt dan over 7.000 politieagenten erbij in Nederland of De politie moet efficiënter gaan werken dus de bureaucratie moet ingedamd worden. De processen-verbaal eenvoudiger gemaakt worden en er moet een “Lik op stuk beleid” komen. D.w.z. na een overtreding volgt er direct een straf.

Algemene informatie over het sectorwerkstuk:

Informatiebronnen internet:
· www.politiemuseum.nl
· www.digizoek.nl
· www.ilse.nl
· www.scoot.nl
· www.politie.nl

informatiebronnen boeken:
· de Leidse agent, een monument (A.N. Stuifbergen en W. Rozendaal)
· de zwarte politie 1940-1945 (Bert Huizing en Koen Aartsma)
· behoorlijk blauw (Jeanne Doomen)
· politietaal (Leo van Heijningen)
· politiewerk (E.J. van der Torre)
· leiden in WOII –van dag tot dag- (Buck Goudriaan)
· korps rijkspolitie 1945-1994 (J.A. de Jonge)
· leiden zoals het was (Gemeentearchief Leiden)
· ook in Leiden –verzet in en om de stad- (M. Schwegman en I. Schöffer)
· wetboeken Nederlands recht algemeen (Stapel & Koning en Vermande)
· Leiden vroeger en nu (uitgave van het Leidsch Dagblad)

informatiebronnen tijdschriften:
· de organisatie van de politie in Nederland (Ministerie van Binnenlandse Zaken)
· algemeen politie blad (APB) (Ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken)
· Algemene Nederlandse Politie Vereniging (Vakblad Politiebond ANPV)
· Verkeersknooppunt (Politie instituut Verkeer en Milieu)
· Politie FLITS (Regiopolitie Hollands Midden)

bezochte informatiebronnen:
· politiemuseum te Apeldoorn
· politiemuseum politiebureau

Conclusie en logboek:

We hebben met veel plezier aan het werkstuk gewerkt, vooral omdat het beetje bij beetje mooier en interessanter werd. Het leukste van het werkstuk vonden we allebei het bezoek aan het politiemuseum te Apeldoorn. Wat ons wel is tegen gevallen is de hoeveelheid werk die we er aan hebben gehad. We hadden gedacht dat we het in één zondag wel af zouden krijgen, maar we zijn er in totaal drie zondagen en drie dinsdagen mee bezig geweest om alles uit te werken. We hebben ook ca 5 uur (per persoon) informatie gezocht. Mitch heeft meer typewerk gedaan en Matthijs meer zoekwerk. Dat hebben we gedaan omdat we zo allebei onze kwaliteiten goed konden benutten. Het was makkelijk om informatie te vinden over de politie van tegenwoordig, maar daarentegen was de informatie van voor de oorlog moeilijk te vinden. We hebben het meeste informatie van vroeger uit het boek van “De Leidse agent, een monument”, waar we ook bijna alle plaatjes uit hebben gehaald. Het boek “Rijkspolitie 1945-1994” hebben we gebruikt voor deelvraag 3.3 de werkzaamheden van de politie na de tweede wereldoorlog. Voor deelonderwerp 2 de politie tijdens de oorlog hebben we ook gebruik gemaakt van het boek “De zwarte politie 1940-1945”. Voor het laatste deelonderwerp van de politie van na de reorganisatie hebben we Matthijs zijn vader als informatiebron gebruikt. Voor we begonnen met het werkstuk wilde we de politie van 1900 en 2000 met elkaar vergelijken, maar toen we in het politiemuseum te Apeldoorn waren bleek dat er bijna geen informatie van die tijd te vinden was. Daarom besloten we om de tijd iets te verplaatsen. Omdat we veel informatie hadden gevonden van tijdens en na de tweede wereldoorlog besloten we het werkstuk in vieren te delen. De schrijver van het boek “De Leidse agent, een monument” (collega van René Feenstra) heeft ons nog meer informatie gegeven, zoals tijdschriften van de politie enz. we hadden niet gedacht dat de politie zo veranderd was in 100 jaar tijd, maar zoals we al in de inleiding voorspeld hadden:

Als je de politieorganisatie zo door de eeuwen, jaren en de 2e Wereldoorlog bekijkt was, is en blijft deze organisatie altijd in beweging.

We hopen dat we dit met ons werkstuk hebben bevestigd en dat het werkstuk u veel lees plezier heeft geboden.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

P.

P.

hey een erg goed werkstuk en heb er veel aan gehad

met dank

pascal

18 jaar geleden