ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis
Inhoudsopgave

Hoofdstuk Blz.
Voorblad 1
Voorwoord 2
Inhoudsopgave 3
Inleiding 4
Begrafenisrituelen 5 – 7
Onderwereld 8 – 16
Filosofie 17 – 22
Conclusie 23 – 24
Bibliografie 25

Inleiding
De oude Grieken en Romeinen beheersen na lange tijd nog steeds het leven van velen. Op de vraag waarom dit het geval is, is bijzonder lastig een eenduidig antwoord te formulen. Het enige waar ik iets nuttigs over kan zeggen is mijn eigen interesse in deze tijd en met name in de omgang met de dood. In deze scripte behandel ik, hoewel het maar een nietig deel is van al wat te vertellen valt, de omgang met de dood in de klassieke oudheid. Sommige aspecten waren in zowel de Griekse als de Romeinse tijd vrijwel gelijk, waardoor ik soms spreek van de klassieke oudheid in het algemeen en soms van de Griekse óf de Romeinse tijd. In deze scriptie probeer ik het antwoord te vinden op de onderzoeksvraag:
Hoe werd in de klassieke oudheid gedacht over de dood en wat waren de gebruiken die hierbij hoorden?
De scriptie is onderverdeeld in drie hoofdstukken, elk weer bestaande uit meerdere paragrafen. De deelvragen die bij de drie hoofdstukken horen zijn:
1) Wat waren de gebruiken rondom de behandeling van het lichaam van een overledene in de klassieke oudheid?
2) Hoe zag de onderwereld er volgens zowel de Grieken als de Romeinen uit?
3) Hoe dachten de verschillende (Griekse) filosofen over de dood en hoe stak de relatie tussen ziel en lichaam in elkaar?
Achterin zult u de conclusie en de Bibliografie aantreffen. In de conclusie probeer ik een antwoord te formuleren op zowel de hoofdvraag als de deelvragen. Alle gebruikte bronnen staan aangegeven in de Bibliografie.
Begrafenisrituelen
Wat waren de gebruiken rondom de behandeling van het lichaam van een overledene in de klassieke oudheid?
§ 1. Inleiding
Wanneer in de klassieke oudheid iemand overleed, was het heel belangrijk dat diegene op de goede manier verzorgd en begraven zou worden. Dit was noodzakelijk om de gang naar de onderwereld, waarover u later nog veel meer kunt lezen, zonder problemen mogelijk te maken. Een juiste begrafenis moest aan een paar voorwaarden voldoen. In dit hoofdstuk zal ik de gang vanaf het sterven tot aan het werkelijk begraven of cremeren stap voor stap proberen te beschrijven. De hieronder genoemde feiten zijn vooral van toepassing op de Griekse gebruiken. De Romeinse begrafenis was in grote lijnen goed te vergelijken met de Griekse. Daarom behandel ik hem niet apart om herhaling te voorkomen.
§ 2. De behandeling van lichamen na de dood, voor de begrafenis
Wat er met het lichaam van een overleden persoon gebeurde lijkt veel op de wijze dat wij dat nu ook in het Westen doen. De volgorde opbaren – uitvaart – crematie/begrafenis werd ook bij de oude Grieken toegepast. Ze begonnen met het verzorgen van het lichaam door het te bewerken met oliën nadat ze het gewassen hadden. Vervolgens werd het lichaam in zijn beste zondagskleren gehesen, want hij of zij moest er zo goed mogelijk uitzien bij de opbaring. Deze speelde zich normaal gesproken af in het huis van de overledene, waar het lichaam op een baar kwam te liggen met de voeten in de richting van de deur gekeerd. Deze baar (klinè) werd verder aangekleed met bladeren en bloemen. De overledene kreeg op dit moment al een Obool, de munt waar later de tocht over de Styx van betaald zou moeten worden, onder de tong geplaatst.
Op de tweede dag namen de vrouwen uit de naaste familie hun plaats rondom de baar in, om de dood van de overledene te beklagen (prothesis). Hierbij schreeuwden, of zongen zo u wilt, ze allerlei klaagliederen terwijl ze zichzelf pijnigden door zich het haar uit het hoofd te trekken, zichzelf op de borst te slaan of over de grond door het stof te rollen. Al met al een alles behalve prettig gezicht. Mede doordat het beklagen van de overledene zo verschrikkelijk onaangename taak was, was het niet ongebruikelijk dat de rijke families hiervoor speciale klaagvrouwen inhuurden. Dit waren vrouwen die proffesioneel (dus als kostwinning) verschillende families hielpen bij het beklagen van de dood van een familielid. De mannenlijke familieleden daarentegen, kwamen er bijzonder gemakkelijk vanaf. Veel meer dan een vriendelijke afscheidsgroet werd van niet van hen verwacht. Na deze twee dagen van voorbereidingen was de werkelijke begrafenis aan de beurt.
§ 3. De uitvaart en de begrafenis of crematie
Op de derde dag vond de uitvaart (ekphora) en de begrafenis (taphos), voor zongopkomst, plaats. De overledene werd door vrienden of familie tot buiten de stad gedragen onder begeleiding van fluitmuziek of zang. Voor de begrafenis werd er een klein offer gebracht en werd de grond bij het graf ingezaaid met koren. De overledene werd begraven in een stenen kist (goed vergelijkbaar met de Sarcofaag uit het oude Egypte) of –dit was normaal gesproken alleen het geval wanneer de overledene een pasgeboren baby was- in een kruik of kan. Bij crematie was de ceremonie grotendeels hetzelfde, behalve dan dat het lichaam eerst verbrand werd. Dit gebeurde meestal op een brandstapel, waarna de as en de overblijfselen werden verzameld in een koperen ketel. Deze werd hierna in het graf geplaatst en zodoende begraven. Later bedachten de Grieken hele ingenieuze oplossingen waardoor het mogelijk werd om de crematie binnen het graf te volbrengen. Deze graven zijn te herkennen aan de lichtelijk verbrande wanden en de sleuven die moesten zorgen voor de luchttoevoer.
Na deze plechtigheid keerden de vrienden en familieleden terug naar het huis, waar ze het begrafenismaal (perideidnon) nuttigden. Hierna werden het huis, de familieleden, vrienden en medebewoners gereinigd met (zee)water. De totale periode van rouw besloeg zo’n 30 dagen waarna het normale leven weer moest worden opgepakt.
§4. Het graf
Overeenkomstig met onze huidige graven, maakten ze in de klassieke oudheid ook gebruik van grafstenen. Ook wat hier opstond is vergelijkbaar met onze grafstenen . Afbeeldingen van de overledene, korte (deels informatieve) teksten en wensen voor een vredig rusten, waren de hoofdzakelijke vulling van de grafstenen. De overledene werd vaak zo ideaal mogelijk weergegeven (in de kracht van zijn leven). Veel grafstenen waren niet eens speciaal voor de overledene gemaakt, maar gewoon uitgezocht uit een voorraad.
Boven op het graf stond vaak een grote (bodemloze) vaas of kruik waarin nabestaanden een offer van olie, honing en water konden gieten. Dit werd gedaan uit de overtuiging dat ook de doden gevoed moesten worden.


De onderwereld
Hoe zag de onderwereld er volgens zowel de Grieken als de Romeinen uit?
§1. De onderwereld bij de Grieken
De Grieken geloofden dat men na zijn of haar dood, en hoe deze ook plaatsgevonden mocht hebben laten we hierbij even buiten beschouwing, af zou reizen naar de onderwereld. De onderwereld bevond zich, zoals het woord natuurlijk al voor een uitzonderlijk groot deel verklapt, ergens onder de wereld. De onderwereld had verscheidene toegangen waarvan de belangrijkste de toegang waarbij de rivier de Styx overgestoken moest worden, was. Deze toegang lag ver weg verstopt in een groot donker bos vol met zwarte populieren. Dit woud was te vinden bij de Oceaan, aan de rand van de aarde. Althans dit woud was normaliter niet zomaar door iedere verloren ziel te vinden . De overledenen moesten hiertoe normaal gesproken begeleid worden door Hermes, de Goddelijke boodschapper in het bezit van gevleugelde schoenen. Nadat de schimmen (de Grieken noemden de ziel van een overledene de ‘schim’ van de persoon in questie), dus onder de begeleiding van Hermes, deze toegang gevonden hadden moesten ze, om tot te eigenlijke ingang te geraken, de rivier de Styx oversteken. Dit kon niet, hoewel wij met onze Nederlandse voorliefde voor water dit maar wat graag geprobeerd zouden hebben, niet zwemmend gedaan worden. De inventieve lezers onder u zullen nu waarschijnlijk tal van mogelijkheden proberen op te hoesten, maar de literatuur leert ons dat er maar één reële mogelijk voor deze oversteek was, namelijk: de veerpont. Deze veerpont, bemand door de immer sombere Charon, bracht betalende zielen richting de ingang van de Onderwereld. Deze betaling geschiedde met de munt (een Obolus) die nabestaanden onder de tong van de overledene geplaats hadden. Wanneer dit niet gebeurd was, en hiervoor zijn natuurlijk tal van redenen te bedenken zoals sterven op het slagveld (zonder een degelijke begrafenis), bleef de ziel voor een letterlijke eeuwigheid rondzwerven behalve als hij of zij ondernemend genoeg was om op zoek te gaan naar een bruikbare achteringang. Slagen in het laatse was maar aan een bijzonder kleine hoeveelheid dolende schimmen besteed, de meeste bleven rondzwerven totdat ze langzaam zouden vergaan.
Zij die wel gezegend waren met liefhebbende en zorgdragende familieleden of vrienden en een goede begrafenis danwel crematie hadden genoten en zodoende de overkant van de Styx haalden, waren nog lang niet klaar met de voorbereiding op de te volgen eeuwigheid. Het eerste wat je te wachten stond was de letterlijke waakhond van de onderwereld, Cerberus genaamd. (bron -) Dit gedrocht had een slang als staart en drie koppen die omstebeurt sliepen wat ervoor zorgde dat het beest altijd waakzaam was. Leuk om te vertellen is dat er stukken zijn waarin de hond wel vijftig of honderd koppen toegeschreven krijgt. De taak van deze viervoeter was het binnenhouden van de al toegelaten zielen en het buitenhouden van ongewenste gasten. Er zijn enkele mythen waarin indringers er toch in slagen langs Cerberus te komen, op bijzonder vernuftige manieren, de één nog slimmer dan de andere. Voorbeelden hiervan zijn Hermes die Cerberus in slaap kreeg met water uit de Lethe en Orpheus die zijn aangeboren muzikale talent gebruikte om Cerberus in dromenland te krijgen.
Wanneer de schim ook Cerberus gepasseerd was, brak het meest kritieke moment aan. De schimmen werden door drie rechters ingedeeld in drie categorieën. Over deze verschillende categorieën later meer. De drie meest genoemde namen van de drie rechters zijn Minos, Rhadamanthus en Aeacus, alle drie zoon van Zeus en tijdens hun leven koning van verschillende landen. Aeacus’ moeder was Aegina, daar waar de moeder van zowel Minos als Rhadamanthus Europa was. Ze betraden de positie van rechter na hun dood. Deze rechters beslisten dus over de toegelaten zielen. Zij moesten uitmaken of de persoon (althans de schim van de persoon) in questie goed, slecht of matig geleefd had. (Er zijn veel bronnen te vinden die enkel spreken over een keus tussen goed en slecht. Hierbij wordt dus de gehele groep van schimmen die niet uitzonderlijk goed of slecht geleefd had buiten beschouwing gelaten. Ik hou in het volgende stuk de keuze uit drie mogelijkheden aan waardoor er dus sprake is van een spreekwoordelijk trilemma en niet van een dilemma.) De drie delen van de onderwereld die hierbij horen zijn: Het Elysium (=goed), de Tartarus (=slecht) en de Vlakten (Engels: Asphodel Meadows) (= niet goed of slecht). Hieronder zal ik alle drie de onderdelen van de onderwereld uitgebreid proberen te verklaren aan de hand van enkele voorbeelden en beschrijvingen.
Het Elysium: Het Elysium, ook wel de Elyseïsche velden genoemd, is te vergelijken met de Christelijk hemel. Een ideaalbeeld voor een wereld waarin alleen genot bestaat en pijn en verdriet niet ter sprake zijn. Elke dag onafgebroken volop zon, nooit de misère van een druilerige dag of een jaar met slechte oogst, gebrek aan voedsel was niet voor te stellen. Het leven bestond uit een grote opeenvolging van spelen, liefde, voedsel en al wat men maar als genot kon omschrijven. Het voorrecht om hier een eeuwigheid te vertoeven was alleen maar weggelegt voor zij die uitzonderlijk goed geleefd hadden, en de verschillende Mythische helden. Een groot deel van de klassiek Griekse bevolking daarentegen, kon niet rekenen op een plaatsje in dit paradijs. Zij moesten over het algemeen genoegen nemen met de saaie weiden en vlakten (Asphodel Meadows, vernoemd naar meest voorkomende bloem op deze vlakten) waar zij de rest van hun (eeuwige) bestaan fladderend als vleermuizen moesten doormaken. Op deze vlakten leefde de schimmen vooral van de Asphodelbloemen die rijkelijk voorkwamen. Deze weiden worden veelal vergeleken met de alles behalve perfecte wereld van de levenden. Even saai en even grijs en dus geen verbetering van het bestaan. De vlakten tonen enige overeenkomsten met het christelijke vagevuur. Hoewel het bestaan op deze vlakten dus niet iets was om over naar huis te schrijven, was het toch vele malen beter dan de Tartarus, de plek waar de échte misdadigers naartoe gingen. De Tartarus is goed te omschrijven als de negatieve tegenhanger van de Elyseïsche velden. Daar waar in het Elysium het bestaan een opeenvolging van genot is, bestaat het ‘leven’ in de Tartarus uit oneindige kwellingen en straffen. De Tartarus is het best te vergelijken met de christelijke hel. De bewakers van deze toch al afschuwelijke plek waren de afzichtelijke Furiën (ook wel bekend als Enrinyen), die vaak beschreven worden als vrouwen met vleermuizenvleugels, duivels vurige ogen en slangen als haar. De van weerhaken voorziene zwepen en de brandende fakkels maakte hun uiterlijk niet veel vriendelijker. Buiten het bewaken van de Tartarus hadden zij nog een tweede taak, namelijk het straffen van personen die een familiemoord of het wreed behandelen van oude of juist jonge mensen op hun geweten hadden.
De kwellingen waar de ongelukkigen in de Tartarus mee te maken kregen bestonden niet alleen uit pijnigingen, maar waren veel diverser. Zo was er bijvoorbeeld Sisyphos, de stichter en koning van Korinthe berucht om zijn hebzucht, die, na Zeus tegen zich in het harnas gejaagd te hebben, werd veroordeeld tot een eeuwigheid in de Tartarus. Van het verhaal over de tocht van Sisyphos tot aan de veroordeling, zijn vele versies in omloop. Ik heb een van de gemakkelijkste uitgekozen, mede omdat deze, in mijn ogen althans, ook de leukste is.
_________________________________________________________________
“Sisyphos woonde op de landengte van Korinthe en had daar een kudde. Hij was getrouwd met de dochter van Atlas, Merope de Pleiade. Ze kregen drie kinderen: Glaukos, Ornythion en Sinon. Zijn buurman, een zekere Autolykos, naar eigen zeggen een zoon van Hermes, was een meesterdief. Hij had van zijn vader de eigenschap geërfd om in elk dier dat hij stal van gedaante te veranderen. Sisyphos wist hiervan, maar kon niets bewijzen. Daarom bedacht hij een list. Hij merkte de hoeven van zijn koeien en kon zo de voetsporen volgen. Hij haalde er wat buren bij als getuige en klaar. Maar in plaats van nu naar huis te gaan en zijn koeien mee te nemen verleidde hij de dochter van Autolykos, Antikleia, de vrouw van Laertes, die ook in het huis was en zij kreeg van hem een zoon: Odysseus.
Sisyphos stichtte de stad Ephya, die naderhand Korinthe genoemd werd, en de bewoners maakte hij uit paddestoelen. Hoewel iedereen het erover eens was dat hij de grootste schurk van zijn tijd was, vond men het toch wel leuk dat hij de stad zo veel welvaart bezorgde.
Toen Zeus de dochter van riviergod Asopos, Aigina, had ontvoerd, ging Asopos haar meteen zoeken. Hij kwam in Korinthe en vroeg Sisyphos om raad. Deze wist alles van de zaak af, maar wilde niets vertellen, tenzij Asopos een eeuwig stromende beek door de stad legde. Toen hij dit gedaan had vertelde hij alles aan Asopos en Zeus ontsnapte nog maar net aan diens wraak door zich in een rotsblok te veranderen.
Zeus was hier best pissig om. Hij beval zijn broer Hades Sisyphos meteen naar de onderwereld te brengen. Toen Hades aankwam bij Sisyphos in Korinthe, vroeg Sisyphos Hades of hij even de werking van de handboeien te demonstreren. Hades deed dit, en prompt deed Sisyphos ze op slot. Nu was Hades een gevangene van Sisyphos, en dit had verregaande consequenties: er kon immers niemand meer sterven, al was zijn hoofd afgehakt! Hades werd na enige dagen bevrijd door Ares, en Sisyphos moest mee naar de onderwereld. Daar aangekomen liet Hades Sisyphos even achter bij zijn vrouw Persefone. Hij zei haar dat hij terug naar boven moest om zich te laten begraven (hij had zijn vrouw opdracht gegeven dit niet te doen) en hij zou binnen drie dagen terug zijn. Eenmaal boven trok hij zich hier niets van aan en leefde vrolijk verder. Hermes moest hem na een tijdje terugslepen.”
(Uit: ‘Site over Sisyphos’, door: Bram Borgman)
_________________________________________________________________
Toegegeven, de schrijfstijl van de vertaling/bewerking van Sisyphos’ verhaal is hier en daar lichtelijk knullig, maar toch blijft het een bijzonder pakkend verhaal. Op het moment dat Sisyphos uiteindelijk toch de onderwereld ingesleept is door Hades, wordt hij veroordeeld tot een alles behalve vriendelijke straf. Het volgende citaat omschrijft deze kwelling met gepaste schoonheid. Daarom heb ik het verhaal van Sisyphos in twee losse stukken (dus uit twee verschillende bronnen) geciteerd. _________________________________________________________________
“Een vreselijke straf had Zeus de misdadiger toebedacht. Hij kreeg de taak een geweldig brok marmer een heuvel op te wentelen. Met onbeschrijfelijke moeite ging de veroordeelde aan het werk, zette zich met alle kracht schrap met handen en voeten en slaagde er werkelijk in de onbehouwen steen de hoogte op te torsen. Hij meende reeds dat hij de top ermee bereikt had, toen - op het allerlaatste ogenblik - het verraderlijke rotsblok aan zijn handen ontsnapte en in de diepte rolde. Opnieuw moest de ellendige aan het werk gaan, opnieuw torste hij de steen omhoog, en weer verloor hij het marmerblok juist op het ogenblik dat de geplaagde Sisyphus meende, opnieuw de top bereikt te hebben.
Steeds weer - eeuw uit, eeuw in - moet Sisyphus de steen omhoog brengen, doch niet één keer zal het hem lukken zijn taak te volbrengen.”
(uit: ‘Griekse mythen en sagen’, door: Gustav Schwab)
De term Sisyphos-arbeid is, zoals elke ook maar lichtelijk intulectuele lezer, inderdaad afgeleid van deze mythe (Sisyphos-arbeid betekent makkelijk gezegd: zinloze arbeid) . Deze verschrikkelijke straf was maar één van de velen die werden uitgedeeld aan verscheidene misdadigers. Zo was er Ixion die nadat hij Hera, de vrouw van Zeus, had proberen te bespringen werd veroordeeld tot een eeuwigheid rondjes draaien op een brandend wiel. Nog inventiever was de straf voor Tantalus, die zijn eigen zoon als maaltijd voor de goden had opgediend en daarmee de goden woest had gemaakt. Hij werd voor eeuwig vastgezet in een vijver met golvend water tot kinhoogte en onder een boom vol rijpe vijgen. Echter elke keer als Tantalus probeerde te drinken zakte het water weg en wanneer hij een vijg probeerde te pakken kwam er een wind opzetten die de de vijgen net buiten zijn bereik blies. Zo leed hij een bestaan van onafgebroken dorst en honger. Daarbij hing er boven zijn hoofd een rotsblok dat elk moment naar beneden kon denderen en hem zodoende kon verpletteren.
De boodschap is duidelijk. Het bestaan in de Tartarus, bedoeld voor ernstige misdadigers, is goed te omschrijven als een ware marteling.
§2. De onderwereld bij de Romeinen
Nu de Griekse onderwereld uitvoerig is behandeld rest ons nog de vraag hoe de Romeinse onderwereld in elkaar stak. Om dit te verklaren zou ik het voorgaande stuk in zijn geheel opnieuw kunnen gaan vertellen met hier en daar een kleine aanpassing, maar zover zou ik liever niet willen gaan. In het volgende stuk zal ik proberen alleen de verschillen tussen de Griekse en de Romeinse onderwereld aan te geven en zodoende niet teveel in herhaling te vallen.
Het eerste wat opvalt wanneer je leest over de Romeinse onderwereld (met de al opgedane kennis van de Griekse onderwereld in het achterhoofd) is dat er gesproken wordt over perioden van duizend jaar. Dit in plaats van de eeuwigheden die steeds ter sprake komen bij de Griekse onderwereld. Het verblijf in de Elyseïsche velden speelt zich af in een tijdsbestek van duizend jaar, waarna de schimmen opgenomen zullen worden in het Etherisch vuur. Dit Etherisch vuur ligt boven het hemelgewelf en is vanaf de aarde zichtbaar door miljoenen kleine gaatjes waar licht doorheen valt (in de volksmond wordt hierbij gesproken over sterren). Het Etherisch vuur regelt en bestuurt alles op aarde.
Ook het verblijf in de Tartarus wordt vastgesteld op een periode van duizend jaar, waarna de schimmen een tijdlang door een snikhete woestijn gedreven worden. Achter deze woestijn ligt de rivier de Lèthè waaruit de schimmen kunnen drinken na deze barre tocht. Zij die zich tegoed doen aan onnoemlijke hoeveelheden water ‘verdrinken’ hun herinneringen aan al het slechte wat hun de afgelopen duizend jaar is aangedaan en zullen na hun terugkeer op aarde weer terugvallen in hetzelfde ritme van slechte daden. Zij die gematigd drinken van het water zullen zich de narigheid blijven herinneren en zodoende een beter leven gaan lijden op aarde. Zij maken zo zelfs dus kans om in de Elyseïsche velden te komen nadat ze opnieuw gestorven zijn. Het nieuwe lot voor deze schimmen wordt bepaald door de Schikgodinnen (ook wel Moiren), drie zusters die luisteren naar de namen Klotho, Lachesis en Antropos. De eerste taak wordt volbracht door Klotho, die een nieuwe levensdraad voor de schim spint. Vervolgens hangt Lachesis het nieuwe lot van de schim hieraan op. Antropos knipt de levensdraden op het door het lot daarbij vastgestelde moment door.
Er lijkt geen sprake te zijn van een middenweg in de Romeinse onderwereld. Een mens heeft een goed of een slecht leven geleid en wordt zodoende naar de Elyseïsche velden of de Tartarus gezonden.
De toegang tot de onderwereld lag voor de Romeinen in een grot bij het Avernusmeer (ten noorden van het huidige Napels).
Als heerser over de onderwereld wordt bij de Romeinen meestal Pluto genoemd. Vaak wordt hij voorgesteld als een vrijwel exacte kopie van Hades met een Latijnse naam, maar er waren aardig wat verschillen tussen beide mythische figuren.
Hoewel Pluto vaak wordt gezien als een slechte god, daar hij veelal wordt vergeleken met de christelijke Satan, werd hij door de Romeinen zeker niet zo gezien. Hij was oorspronkelijk niet de god van de onderwereld. Onder zijn oorspronkelijke naam Plutus stond hij bekend als de god van zilver, goud en andere ondergrondse stoffen. Omdat deze kostbare stoffen onder de grond of zelfs in mijnen lagen ´verstopt´, veranderde zijn godendomein langzaam in dat van de tastbare (fysieke) ‘onderwereld’ (dat wat onder de grond zat). Dit zorgde ervoor dat hij in de loop der tijd steeds meer in verband werd gebracht met de spirituele onderwereld.
Verschillende bronnen hebben niet overeenkomende meningen over de vraag wie bepaalde waar de schimmen werden ingedeeld. De één zegt dat er nog steeds drie rechters hiervoor waren (en dan worden over het algemeen ook dezelfde namen als bij de Grieken genoemd), terwijl de ander meent dat het Pluto was die deze afweging maakte.
Filosofie over de dood (en het Dualisme)
Hoe dachten de verschillende (Griekse) filosofen over de dood en hoe stak de relatie tussen ziel en lichaam in elkaar?
§1. Inleiding
Vele bekende en minder bekende klassieke filosofen hebben zich jarenlang gebogen over tal van bijzonder moeilijke en abstracte vragen omtrent de dood. Deze vragen zijn goed onder te brengen in verschillende categorieën, de een meer besproken dan de ander. Het grootste deel van deze filosofische vraagstukken gaan over de aanwezigheid van een fase na de dood en wanneer dit het geval zou zijn, wat deze in zou houden. Hoe een persoon daadwerkelijk overleed en wat daar mogelijke oorzaken voor zouden kunnen zijn geweest, werd veel minder behandeld door de wijze heren in questie. Het voorgaande hoofdstuk over de onderwereld zou, wanneer we sommige filosofen zouden geloven, als volledig zinloos betiteld kunnen worden. Dit omdat de eerste voorwaarde voor een begrijpelijk geloof in de onderwereld, het geloof in een leven na de dood, is. Veel filosofen geloofden dat wanneer een persoon overleed het zijn simpelweg ophield, wat het bestaan van een onderwereld dus overbodig maakte. Filosofen als Epicures (en met hem zijn volgelingen, de Epicuristen) en Aristoteles meenden dat deze opvatting de juiste was. Over wat zij nu precies geloofden en waar zij dit op baseerden vertel ik later meer.
De andere grote stroming van filosofische denkbeelden over de dood ging wél uit van een leven na de dood. Zoveel verschillende filosofen, zoveel verschillende opvattingen over wat er precies gebeurde na de dood en wat voor rol de ziel daarin speelde. De grote overeenkomst die deze filosofen toch tot een groep laat behoren is het bestaan van een scheiding tussen lichaam en geest (stoffelijk en niet stoffelijk, sterfelijk en niet sterfelijk). Het geloof in deze scheiding, wat er dan ook met de ziel mocht gebeuren na de dood, wordt het dualisme genoemd. Bekende aanhangers van deze theorie zijn Pythagoras en Plato. Dat deze filosofen geloofden in dit dualisme betekent niet meteen dat ze ook geloofden in een onderwereld zoals deze in het vorige hoofdstuk beschreven staat. Er waren veel verschillende opvattingen over wat er zou gebeuren met de ziel na de dood, waarvan de tocht naar de onderwereld er slechts één was. In dit hoofdstuk zal ik zo goed mogelijk deze twee stromingen (wel/geen leven na de dood) te verklaren, onder andere aan de hand van enkele voorbeelden en aanhangers.
§ 2. Het lichaam en de ziel volgens Epicurus en Aristoteles
De eerste voorwaarde voor de opvatting die als waar wordt beschouwd door onder andere de Stoa, Epicurus en Aristoteles, is dat de ziel het begin van al het leven is. De heerlijke zin die dit het mooist omschrijft is: “Alles met een ziel, leeft en alles wat leeft, heeft een ziel”. De ziel geld voor deze filosofen als de motor van het lichaam. De ziel laat ons bewegen, stuurt ons aan en zodoende zou het lichaam dus niets kunnen zonder de ziel. Deze filosofen verschillen van mening over de vraag of het lichaam en de ziel één zijn of twee onafscheidelijke delen. Epicurus (341-271 v. Christus) schreef (natuurlijk niet in het Engels, maar zo vond ik de zin op z’n mooist): “Death is nothing to us; for that which is dissolved, is without sensation, and that which lacks sensation is nothing to us." (Zo goed mogelijk vertaald: “De dood is niets belangrijks voor ons; dat wat uiteengevallen is, heeft geen gewaarwording, en dat wat geen gewaarwording kent betekent niets voor ons.”) Epicurus geloofde enkel in materialisme, wat betekende dat ook de ziel uit (fijne) atomen. De ziel hield het lichaam bij elkaar. Wanneer men overleed viel zowel het lichaam als de ziel uiteen, wat betekende dat beide geen enkele eeuwigheidswaarde hadden. Hiermee bedoelde Epicurus dat ook de ziel sterfelijk was en niet voortleefde na het overlijden van een persoon, want losse atomen konden niet meer waarnemen wat als de belangrijkste voorwaarde van menselijk gezien werd. Epicurus zag, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Aristoteles, het lichaam en de ziel als één samenhangend geheel dat niet te scheiden was. Hij verklaarde het gehele functioneren van de aarde, de mensheid en het heelal, met een theorie over bewegende atomen. Hij geloofde dus geenszins in een goddelijke macht die de wereld zou besturen en zou hebben gemaakt, hoewel hij er wel van overtuigd was dat er goden bestonden. De goden die volgens hem bestonden hadden een menselijke gedaante en waren onsterfelijk, maar hadden geen invloed op het leven op aarde. De daden van de mens kwamen voort uit bewegende atomen en leegte (volledig door toeval) en de wereld was ontstaan door een toevallige botsing tussen verschillende atomen.
Mede doordat Epicurus niet geloofde in een bestaan na de dood was het belangrijkste goed in zijn leer (het Epicurisme) om zoveel mogelijk te genieten van het leven. Hij werd in zijn tijd vaak beschreven als een heuze levensgenieter, die buiten proportionele hoeveelheden at en dronk om maar zoveel mogelijk genot te vinden. Dit beeld blijkt volgens veel overleveringen gelukkig best mee te vallen.
In tegenstelling tot Epicurus was Aristoteles (384-322 v. Christus) in de veronderstelling dat er na de dood toch een deel van de mens voortleeft. Hij omschrijft de ziel wel als een onafscheidelijk, onstoffelijk onderdeel van de mens, maar, hoe tegenstrijdig dit ook mag klinken, hij zegt dat er toch een deel van de ziel doorleeft. Hiermee doelt hij niet op een ziel in menselijke vorm die een eigen leven zou kunnen lijden, maar meer de kennis die een mens heeft vergaard. Volgens deze stelling ligt het dus aan het voortleven van dat deel van de ziel dat wij nu in staat zijn de kennis van Aristoteles tot ons te nemen. Aristoteles beschreef de ziel als een lege, met was beschreven plank waarop je je waarnemingen als het ware tekende. Volgens Aristoteles was de kennis die wij in ons op kunnen nemen enkel verbanden tussen verschillende waargenomen vormen. Daaruit vloeit voort dat de ziel wel iets spiritueels moest zijn, daar je bijvoorbeeld niet een concrete stoel in je opneemt, maar enkel een beeld ervan. Hij onderscheidde drie soorten zielen namelijk de vegetatieve ziel (voortplanting, groei, voeding; geldend voor alle levende wezens), de sensitieve ziel (beweging, begeerte en zintuigen; geldend voor zowel mensen als dieren) en de cognitieve ziel [gedachtes en (zelf)reflectie; geldend voor mensen]. Leuk om te weten is dat Aristoteles de plaatsing van de menselijke rationaliteit bij het hart zocht en niet in het hoofd. Dit komt overeen met de denkbeelden van de oude Egyptenaren, maar is in strijd met de meeste Griekse filosofen die voor hem leefden. Kort gezegd zag Aristoteles de dood als het einde van het bewustzijn en dus het leven, maar was ervan overtuigd dat er iets van de ziel zou blijven bestaan (kennis).
§ 3. Het dualisme
Om te beginnen is het handig om een duidelijke definitie van het dualisme te kennen, waarna we hierop kunnen voortborduren. Simpel gezegd is het dualisme, in deze context althans, de veronderstelling dat de ziel en het lichaam twee op zichzelfstaande en onafhankelijke delen zijn. Vaak wordt in een adem ook het onsterfelijke karakter van de ziel hierbij genoemd.
Hoewel men vaak Plato noemt als de bedenker van het dualisme, lijkt het Pythagoras (569 - ca. 507 v. Christus) te zijn geweest die als een van de eersten bezig was met deze theorie. Daarentegen was het Plato (427 – 347 v. Christus) die deze opvatting degelijk en uitgebreid uitwerkte. Pythagoras en Plato zaten met hun opvattingen over het dualisme grotendeels op een lijn, daarom zal ik ze verder niet apart bespreken. De volgende informatie is datgene wat Plato bedacht en schreef over het dualisme.
Plato stelde dat wanneer iemand stierf, zijn ziel loskwam en voor een bepaalde tijd, deze wordt nergens precies genoemd, zou vertoeven tussen de aarde en de hemel. Wanneer deze ziel dan weer terugkeert naar de aarde wordt zij weer opgesloten in een nieuw lichaam. Dit kan zowel een menselijk als een dierlijk lichaam zijn. In de tijd dat de ziel tussen de hemel en aarde leeft wordt een hoop kennis vergaard over de goddelijke wereld, die bij terugkeer op aarde nog volledig kan worden herinnerd. Dit verschijnsel wordt de anamnese genoemd. Aan de benaming van Plato voor het lichaam ‘kerker voor de ziel’, is vrij gemakkelijk af te leiden dat Plato niet erg te spreken was over het tastbare lichaam. In zijn grotvergelijking komt naar voren dat hij de zintuigen (het lichaam) ondergeschikt vind aan de ziel. De mens ziet alleen ‘schaduwen’ van de eigenlijke goddelijke vormen (de ware werkelijkheid). Een korte samenvatting van een deel van Plato’s grotvergelijking: De mensen op aarde lijken op gevangenen in een onderaardse grot, vastgeketend met hun rug naar het licht van een vuur. Ze kunnen alleen voor zich uit kijken naar een muur waarop bewegende schaduwen te zien zijn. Deze beelden zijn schaduwen van bewegende objecten achter hun en daar er bijpassende geluiden ten gehore worden gebracht wordt dit als de werkelijkheid gezien door de gevangenen. De vergelijking gaat nog door over hoe de overige gevangenen zouden reageren als er één los zou breken en ze zou proberen te overtuigen van het bestaan van een échte wereld buiten de grot. Dit deel van de vergelijking is in deze context even niet belangrijk. Duidelijk is wat Plato uiteen wil zetten, namelijk dat het leven op aarde slechts een schijnwereld is met beelden van de echte wereld. Deze echte wereld is pas te betreden wanneer er uit het lichaam (de grot in de vergelijking) wordt ‘losgebroken’.
Plato beschouwde de ziel als onsterfelijk en dus een goddelijk gegeven. Elke keer dat de ziel weer wordt ‘opgesloten’ in een lichaam is dit een straf, want hier is zij niet voor bedoeld (daar ze goddelijk is). De reïncarnatiecyclus (geboren worden-sterven-opnieuw geboren worden) herhaalt zich net zo lang het nodig is voor de ziel om genoeg kennis te vergaren van de goddelijke wereld. Wanneer zij wijs genoeg is zal ze eindelijk tot rust kunnen komen in een bovenaards bestaan.

Conclusie
In deze conclusie wil op een zo goed mogelijke wijze proberen een antwoord te vinden op de hoofd- en deelvragen, in de volgorde: deelvraag 1 t/m 3, hoofdvraag.
Deelvraag 1:
Wat waren de gebruiken rondom de behandeling van het lichaam van een overledene in de klassieke oudheid?
In de klassieke oudheid was men gewend om het lichaam van een overledene eerst te verzorgen (wassen en oliën) om deze vervolgens op te baren. Klaagvrouwen (vrouwen in de naaste familie of speciaal ingehuurde vrouwen) beklaagde daarna de dood van de overledene. Op de derde dag na de dood werd het lichaam begraven of gecremeerd. Dit gebeurde buiten de stad.
Deelvraag 2:
Hoe zag de onderwereld er volgens zowel de Grieken als de Romeinen uit?
De onderwereld was de plek waar de zielen van overleden personen heen zouden gaan. Voordat zij naar binnen mochten moesten ze de rivier de Styx over, waarvoor ze een muntje moesten betalen. In de onderwereld werd vervolgens de beslissing gemaakt naar welk deel van de onderwereld deze ziel moest. De mogelijkheden waren de Tartaros (slecht geleefd, bestaan vol kwellingen), het Elysium (goed geleefd, bestaan vol van genot en plezier) en de weiden (niet bijzonder goed of slecht geleefd, saai bestaan als fladderende schepsel).
Bij de Romeinen was er sprake van een tijdslimiet voor het verblijf in de onderwereld. Dit besloeg een periode van 1000 jaar, tegenover een eeuwigheid bij de Grieken. Na de duizendjarige periode kan een terugkeer naar de aarde mogelijk zijn (reïncarnatie), of de ziel wordt opgenomen in het Etherisch vuur (te zien door de gaatjes die sterren vormen).
Deelvraag 3:
Hoe dachten de verschillende (Griekse) filosofen over de dood en hoe stak de relatie tussen ziel en lichaam in elkaar?
De grote tweedeling tussen de verschillende filosofische opvattingen ligt bij de vraag of ziel en lichaam één zijn of twee losse delen. Wanneer wordt aangenomen dat de ziel een los element is en dus niet aan het lichaam vast zit, spreken we van het dualisme. Verschillende filosofen dachten over dit vraagstuk na en kwamen zodoende met verschillende ideeën en stellingen. Er waren maar weinig filosofen die geloofden in de onderwereld zoals deze werd gezien door het gewone volk.
Hoofdvraag:
Hoe werd in de klassieke oudheid gedacht over de dood en wat waren de gebruiken die hierbij hoorden?
Het volk en de grote filosofen dachten op veel fronten anders over de dood. Het volk geloofde in een onderwereld die zich onder de aarde bevond en waarvan Hades de bestuurder was. Bij de Grieken was het bestaan in de onderwereld eeuwig, terwijl dat bij de Romeinen een periode van 1000 jaar besloeg. Om de tocht naar de onderwereld soepel te laten verlopen, was het belangrijk dat een overledene op de juiste manier begraven werd. Het was hierbij van belang dat hij een munt onder zijn tong kreeg en dat zijn dood lang genoeg beklaagd was. Volgens velen was de dood een bevrijding, sommigen dachten dat het simpelweg een einde was.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

1.

1.

goed zo good job

2 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

L.

L.

Heb je misschien ook een bronnenlijst hierbij? Dat zou heel handig zijn namelijk!

3 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast