Examenkandidaten gezocht!
We zoeken nog een aantal examenkandidaten die (voor moneys) hun frustraties, verdriet, of blijdschap willen uiten na afloop van de examens. Solliciteer voor 3 maart als eindexamenvlogger!

Meedoen

Moslimfundamentalisme

Beoordeling 7.2
Foto van een scholier
  • Scriptie door een scholier
  • Klas onbekend | 13693 woorden
  • 20 maart 1999
  • 129 keer beoordeeld
Cijfer 7.2
129 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
"Hij was echt die meester die iedereen voor de klas wil hebben"

Pabo-student Melle wil graag leraar worden. Wij spreken hem over zijn rolmodel en hoe het is om stage te lopen. Wil je meer weten over hoe het is om voor de klas te staan en hoe je zelf leraar kunt worden? Check onze pagina over ‘leraar worden’! 

Naar de pagina
Inhoud Hoofdstuk 1. FUNDAMENTALISME 1. Inleiding
2. Definities
3. Fundamentalisme : een algemene tendens Hoofdstuk 2. IRAN 1. De islamitische revolutie
2. De Shari'a : basis voor alle wetten
3. Moeizame relaties met het westen
4. Langzame versoepeling
5. Parlementsverkiezingen Hoofdstuk 3. ALGERIJE 1. Extremistisch geweld
2. Verkiezingen veroorzaken hoogspanning
3. Onderhandelingen? 4. Een nieuwe golf van geweld
5. De journalisten belaagd
Hoofdstuk 4. EGYPTE 1. Een fundamentalistisch Egypte
2. Over de moslimbroeders en andere fundamentalisten
3. Samenwerking tussen de islamitische groepen? 4. Toeristen zijn slachtoffer van de fundamentalisten
5. Vergeefse pogingen van de regering om het terrorisme in te dijken
6. Chaotische parlementsverkiezingen
7. Egyptische artiesten voeren een kultuurstrijd Hoofdstuk 5. SUDAN 1. Islamisering onder financiële druk
2. Een fundamentalistische basis
3. De oorlog tegen het niet-islamitische zuiden
4. Martelaars van de heilige oorlog Hoofdstuk 6. TURKIJE 1. Atatürks seculiere, op het westen gerichte natiestaat
2. De islamisten op de retour
3. Modernisering is niet noodzakelijk verwesterlijking. Hoofdstuk 7. AFGHANISTAN 1. De koude oorlog in Afghanistan
2. De Taleban: een heilige oorlog
3. Islamitische dictatuur

4. Schaarse reacties van het westen Hoofdstuk 8. PAKISTAN 1. Een lange islamitische voorgeschiedenis
2. Op de fundamentalistische toer
3. Nationalisme niet langer godsdienstig maar wel etnisch gegrondk Hoofdstuk 9. HET ARABISCH SCHIEREILAND 1. Sponsor van fundamentalisten van alle slag Hoofdstuk 10. DE POSITIE VAN DE VROUW 1. Kalief Hadhrat Ahmaday aan het woord
2. De vrouw in Pakistan Hoofdstuk 11. ISLAMITISCH FUNDAMENTALISME EN DE ARBEIDERSPARTIJEN

FUNDAMENTALISME

1. Inleiding Islamitisch fundamentalisme is een verschijnsel dat regelmatig de krantenkoppen haalt en door velen spontaan geassocieerd wordt met blind geweld en fanatisme. Denk maar aan de oorlogen in Algerije en Egypte, bloedige bomaanslagen in Israël, moorddadige rebellen in Pakistan, de islamitische revolutie in Iran en de verspreiding in andere landen, waaronder India. De laatste jaren heeft het geweld zich naar de westerse wereld verspreid. In '93 was er de aanslag op het World Trade Centre in New York. Vorig jaar waren verscheidene bomaanslagen in Frankrijk en ons land stond in rep en roer door het GIA-proces. Moslimfundamentalisme is zeker geen nieuw verschijnsel. Saoedi-Arabië, bijvoorbeeld is nooit anders dan fundamentalistisch geweest. Fundamentalisme kan evenmin uitsluitend met de islam geassocieerd worden. Het kent ook opnieuw succes in het protestantisme , in de katholieke kerk, in het jodendom en in het hindoeïsme. Het heeft ook niet noodzakelijk met geweld te maken. De meeste fundamentalisten, ook in andere godsdiensten dan de islam, zijn vreedzame lui die zich van de andere onderscheiden door hun voorkeur voor en hun blind geloof in de letter van de wet (koran, bijbel of andere heilige boeken). Sommigen vinden dat voldoende voor zichzelf, anderen willen dat die letter wet wordt voor iedereen. Volgens sommigen moet dit via een legale weg gebeuren, voor anderen desnoods met geweld. Voor de islam wordt fundamentalisme in het politieke jargon momenteel zeer breed geïnterpreteerd. Men verstaat er de hele heroplevingsbeweging onder, in al haar vormen, die zich sedert begin jaren '70 aftekent. Toch wordt de benaming fundamentalistisch eigenlijk alleen toegekend aan bepaalde sectoren. Het is mijn bedoeling hier het islamitisch fundamentalisme in zijn brede betekenis te bespreken en het te plaatsen in het geheel van de islamitische samenleving. Ik zal de verschillende oorzaken ervan omschrijven in hun internationaal kader en in historisch perspectief en een overzicht geven van wat hieromtrent de laatste 6 maanden verscheen in de actualiteit. Hierbij beperk ik mij tot enkele landen, waarover voldoende informatie beschikbaar is en waar men een zekere evolutie kan waarnemen. 2. Definities Fundamentalisme heeft een zeer brede betekenis. Het wordt gebruikt voor iedereen die zich vastbijt in de letter van de bijbel, de koran of een ander religieus boek, iemand die alles verwerpt wat daar niet mee in overeenstemming is en die desnoods geweld gebruikt om zijn mening op te dringen. De betekenis kan tenslotte worden uitgebreid tot iedereen die zich blind staart op gelijk welke leer, doctrine of overtuiging en daar een absolute betekenis aan toekent, ook buiten het religieuze. In deze optiek is fundamentalisme niets vreemd, het is van alle tijden en alle kulturen. Ook in de islam zijn er altijd fundamentalistische strekkingen geweest, vreedzame maar ook geweldige. De sjiitische sekte der assijnen in Syrië en Iran (11de-13de eeuw) ,zo genoemd omdat de leden hasjiesj rookten vooraleer tot actie over te gaan, gebruikte al terrorisme en politieke moorden als wapen, ondermeer tegen de kruisvaarders in Palestina. Islamitische fundamentalisten wijzen erop dat zij zonder geweld proberen de wereld naar hun beeld te herscheppen. Dat ze gewoon trachten hun ideeën door de staat te laten sanctioneren. Voor groepen die geweld niet schuwen gebruiken zij liever de termen islamisme of integrisme. Vooral in de Maghreb en in Frankrijk wordt van integrisme gesproken, daar dit een Franse term is. In het politieke jargon heeft integrisme de bijklank van groter fanatisme gekregen. Voor integristen zou er geen onderscheid zijn tussen godsdienst en politiek en zou die ondeelbare waarheid aan iedereen moeten opgelegd worden. Terwijl fundamentalisten zich rustig in hun heilig boek kunnen verdiepen zonder zich erom te bekommeren dat niet iedereen hun waarheid accepteert. Het neologisme, islamisme, wordt gebruikt om de politieke revolutionaire islam aan te duiden, die de bestaande orde wil omverwerpen om islamitische staten op te richten die volgens de shari'a, het islamitisch recht, worden bestuurd. In het dagelijkse leven gebruikt men de term islamitisch fundamentalisme om dit geheel aan te duiden en de islamitische opleving sedert het begin van de jaren 70 te karakteriseren. Het soennisme is de hoofdstroom van de islam. Deze stroming volgt naast de koran ook de soenna . De soenna of traditie bestaat uit de handelingen en uitspraken van de profeet, die worden gebruikt als aanvulling op de koran. Negentig procent van de moslims in de hele wereld zijn soennieten. Sinds de Turkse republiek in 1924 het kalifaat (een kalief is een opvolger van de profeet) afschafte, is er geen opperste soennitische macht meer. Wel proberen de afzonderlijke islamitische landen hun islam te structureren door die onder toezicht van een groot-moefti te plaatsen om hem te kunnen controleren. In principe is in de islam de clerus overbodig. Elke gelovige kan zelf zijn zaken met God regelen. De islamitische religieuzen zijn dan ook in de eerste plaats rechtsgeleerden, die juridische adviezen geven. De tweede grote strekking is het sjiisme. De sjiïeten zijn de aanhangers van de sjiat (partij van Ali, de neef en schoonzoon van Mohammed). De sjiïeten vormen de meerderheid in Iran en tellen belangrijke minderheden in Libanon en op het Indiase subcontinent. Uit het sjiisme voortgekomen sekten hebben het voor het zeggen in Syrië en Jemen. Sedert de Iraanse revolutie hebben de sjiïeten de reputatie de meest gestrenge fundamentalisten te zijn. Die reputatie wordt nog versterkt door de fatwa waarmee wijlen ayatollah Khomeini een doodvonnis uitsprak over de Britse schrijver Salman Rushdie. De sjiïeten zijn echter in principe soepeler in de leer, wat niet noodzakelijkerwijze liberaler betekent. In tegenstelling tot de soennitische kaliefs die slechts uitvoerders waren van de in de teksten vastgelegde wil van God, kunnen de sjiitische imams de leer aanpassen. Ook kunnen de sjiitische rechtsgeleerden de teksten makkelijker interpreteren en nieuwe oplossingen aan de dag brengen. De sjiïeten worden soms "de protestanten van de islam" genoemd omdat ze het soennitische establishment en de traditie afwijzen. Hun hiërarchie is goed georganiseerd en gestructureerd en er is een opperste leider die wordt gekozen onder de groot-ayatollahs.
3. Fundamentalisme : een algemene tendens Fundamentalisme is zeker geen uitsluitend islamitisch verschijnsel. Zo was de 16de eeuwse Reformatie eigenlijk een fundamentalistische reactie tegen de traditie die de rooms-katholieke kerk in de loop der jaren had opgebouwd. Die moest overboord gegooid worden om terug te keren naar de bron, de bijbel. In de Verenigde Staten ontstonden heel wat fundamentalistische christelijke sekten. Denk maar aan de demonstraties tegen abortus en de moorden op dokters vanaf 1993. In Nederland zijn er veel calvinistische fundamentalisten. Zij eerbiedigen de heilige zondagsrust en verwerpen het inenten van kinderen tegen o.a. kinderverlamming op bijbelse gronden. Ook discriminatie op grond van religieuze regels wordt in Nederland nog steeds aanvaard. In Israël zet het joodse fundamentalisme zich steeds verder door. Steeds meer joodse leefregels, zoals het verbod op het eten van varkensvlees, worden wet. Op bijbelse gronden worden de bezette Palestijnse gebieden; ook Oost-Jeruzalem, steeds verder gekoloniseerd. In India wordt het hindoeïsme steeds onverdraagzamer en toch politiek steeds sterker. Ook Sri Lanka wordt sinds 1983 geteisterd door blind hindoe geweld. Zoals blijkt uit deze opsomming is religieus fundamentalisme een universeel en actueel verschijnsel. Een van de oorzaken van de huidige opmars is dat de religieuze scheidingslijnen weer sterker worden na een periode van vervaging. Religieuze groepen eisen nationale rechten op. Zo riep het zionisme de joden uit tot één volk in de etnische betekenis van het woord. In India vragen de Sikhs naar meer autonomie, in Zuidoost-Turkije en in Noord-Irak zijn het de christelijke Assyriërs. Zij zeggen afstammelingen te zijn van de antieke Assyriërs. In Libanon ontwikkelden de christelijke maronieten de theorie dat zij afstammelingen zijn van de Feniciërs om hun idee van Maroenistan, een christelijke ministaat, te onderbouwen. Bronnen: Internet

Hoofdstuk 2. IRAN

De huidige toestand in Iran kan niet los gemaakt worden van de gebeurtenissen de voorbije decennia. Onder aansporing van en met financiële steun van Amerika introduceerde de sjah in 1963 zijn Witte Revolutie. Maar deze was geen succes want de hervormingen waren onvoldoende om tegemoet te komen aan de verlangens van de Iraanse bevolking naar deelname in het politiek proces en naar sociale rechtvaardigheid. Ze leidde tot een grote Amerikaanse bemoeienis met Irans interne aangelegenheden en bezorgde de sjah nog meer macht. Dit resulteerde echter in een heftige reactie van de ayatollah's met Khomeini aan het hoofd. Khomeini vreesde de ondergang van de Iraanse maatschappij door het verlies van de waarden onder een regering die zich niet op de islamitische wet baseerde. Hij verafschuwde tevens de afhankelijkheid van en de inmenging door het Westen. Hij protesteerde ook tegen de emancipatie van de vrouw en de landhervorming. Khomeini en zijn volgelingen startten in '63 een strijd tegen de sjah en de verwestersing. Khomeini werd door de sjah achtereenvolgens in de gevangenis gegooid, in ballingschap gestuurd en in 1965 naar Turkije gedeporteerd. Daarna vestigde hij zich in Irak vanwaar hij een ondermijningscampagne tegen de sjah begon. Hij werd gesteund door de Irakezen want de sjah was ook hun voornaamste vijand. Maar in '75 beklonk Saddam Hoessein een akkoord met de sjah om de problemen met de Koerden te kunnen oplossen. Hierdoor werd Khomeini gedwongen om te verhuizen naar Parijs. Hij vergaf Hoessein nooit zijn verraad en zette het hem zwaar betaald in de acht jaar durende eerste Golfoorlog. 1. De islamitische revolutie In 1979 escaleerde de machtsstrijd tussen de ayatollah's en de linkse partijen die zich achter de sjah geschaard hadden. Links greep naar de wapens, maar de ayatollah's waren sterker. Ondanks de vele bloedbaden en het ballingschap van Khomeini in Parijs gaven de ayatollahs zich niet gewonnen en de sjah was gedwongen om Iran te verlaten. Toen begon de islamitische revolutie pas echt. Khomeini keerde terug uit ballingschap en benoemde zijn eigen revolutionaire regering. In een daarop volgend referendum sprak de Iraanse bevolking zich uit voor een islamitische republiek, die dan op 1 april '79 werd uitgeroepen. Aan de uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht werd een vierde macht toegevoegd nl. De Raad van Hoeders van de Constitutie. Deze heeft als taak de wetsontwerpen van het parlement te toetsen aan het islamitisch recht of de shari'a, de wetten zoals die door de Profeet werden overgeleverd zijn. Het hele openbaar leven werd doordrongen van de islam. Velen werden gearresteerd voor vermeende overtredingen als het bezit van alcohol, prostitutie of contra-revolutionaire activiteiten. Polygamie zonder toestemming van de echtgenote werd weer toegestaan. De islamitische klederdracht voor vrouwen, de hejab en de chador, werd verplicht en in het onderwijs werden beide seksen streng gescheiden. Maar zoals in alle islamitische landen zijn openbaar en particulier leven volledig gescheiden. Op straat en op het werk gelden de regels van de islam, wat je thuis doet moet je zelf weten. In Iran is de scheiding alleen veel extremer dan elders. De islamitische revolutie in Iran is slechts één van de vele tekenen dat er zich in de islamitische wereld iets aan het afspelen is. Ook elders zijn de tekenen van een steeds meer terrein winnend fundamentalisme waar te nemen. Denk maar aan het strikte familieleven in Pakistan en de fanatieke modjaheddin-strijders in Sudan, Bosnië en Tsjetsjenië. Het was wel een teken dat de grote massa er klaar voor was en bereid was om de extremistische groeperingen te steunen. 2. De Shari'a : basis voor alle wetten Vanuit de letterlijke interpretatie van de shari'a volgden heel wat wetten die doen denken aan de middeleeuwse islamitische wetten. In september '95 preciseerde de politie dat huwelijksritussen nauwgezet volgens de islamitische wet moesten worden voltrokken en dat mannen en vrouwen in aparte vertrekken moesten blijven. Dansen en bepaalde muziekgenres werden verboden. Zo werd een Iraanse bruid veroordeeld tot 85 zweepslagen omdat ze op de dag van haar bruiloft met andere mannen dan haar broers of haar echtgenoot had gedanst. De rechtbank veroordeelde niet minder dan 127 genodigden op dit "westerse" trouwfeest, de sancties varieerden van geldboetes over kastijding tot en met onvoorwaardelijke celstraffen. Afgelopen zomer werd de scheiding tussen mannen en vrouwen in het openbaar leven nog strikter. In de duizenden bussen in de hoofdstad Teheran moeten de vrouwen voortaan rechts van het gangpad zitten en de mannen links. De maatregel moet de onvermijdelijke aanraking tussen de twee seksen in een volle bus de wereld uithelpen. Een vrouw aanraken is een religieuze zonde, zo weten de Iraanse moslimautoriteiten. "Per dag zijn dat bij elkaar zo'n 3.700.000 zonden tegen onze religieuze wetten!" Deze maatregel is gebaseerd op de shari'a die fysiek contact verbied tussen mensen die niet getrouwd zijn en mannen en vrouwen die geen bloedverwanten van elkaar zijn. Verder zijn er nog de kledingvoorschriften : vrouwen moeten een hoofddoek en een hijab dragen, dit is een lange mantel die niets van hun figuur mag verraden. Er is een alcoholverbod en een verbod op schotelantennes. Ook internet wordt gecensureerd: de enige verbinding met het net loopt over één enkele overbelaste telefoonlijn naar Wenen. Dit met het argument dat de berichten en de correspondentie van de gebruikers in overeenstemming moeten zijn met de islamitische wetten en gebruiken. Dus geen godslastering meer en zeker geen sex-online! 3. Moeizame relaties met het westen Het doodvonnis van wijlen ayatollah Khomeini tegen de Britse schrijver Salman Rushdie weegt nog altijd zwaar op de betrekkingen met Europa en de Verenigde Staten. Daarbij komen het verzet tegen het vredesproces in het Midden-Oosten, en de sympathie en steun voor allerlei islamitische bewegingen, waaronder de Hezbollah ( Partij van god) in Libanon, de Egyptische Al-Gamaa al-Islamiyya en het Algerijnse Islamitische Heilsfront, FIS. De VS kondigden in mei vorig jaar al een handelsembargo tegen Teheran af en hopen nog steeds Europa te overtuigen hun voorbeeld te volgen. Washington wil dat de Europese Unie haar "kritische dialoog" met Iran stopzet. De EU moet eerder Iran isoleren en eventueel zelfs sancties treffen, want de VS beschouwen Iran als een sponsor van terrorisme.
4. Langzame versoepeling Zestien jaar na de islamitische revolutie is Iran niet het godsdienstige paradijs waar sommigen rotsvast in geloofden, maar het is ook geen fundamentalistische hel zoals soms gedacht wordt. Eén ding is zeker: de revolutie is voorbij en datgene dat nog aan de woelige jaren rond '80 herinnert is vooral een ritueel geworden. Wanneer studenten tijdens hun vrijdagsgebed "weg met Amerika" roepen menen ze het niet, ze zouden maar wat graag naar Amerika emigreren. Ze verlangen naar een beetje vrijheid. 5. Parlementsverkiezingen Op 8 maart '96 gingen de Iraniërs voor de vijfde keer sinds de islamitische revolutie naar de stembus om een nieuw parlement te kiezen. De belangstelling bij de bevolking was niet zo groot daar die het economisch gezien nog nooit zo slecht had. Sedert de afschaffing in 1987 van de regerende Islamitische Revolutionaire Partij bestaan er geen echte politieke partijen meer in Iran. Er zijn enkel nog stromingen en groepen die kandidaten naar voor brengen. Die moeten eerst goedkeuring van de "Raad van Bewakers" krijgen. Deze Raad moet nagaan of de kandidaten wel goede moslims zijn en geschikt om parlementslid te worden. Via deze Raad wist huidig president Ali Akbar Hashemi Rafsanjani in 1992 vele radikalen ongeschikt te laten verklaren. Zelfs geestelijken zagen hun kandidatuur geschrapt worden onder voorwendsel dat ze onvoldoende kennis van de islam hadden. Zo kon de als pro-Rafsajani gedoodverfde konservatieve Associatie van Strijdende Geestelijken het halen op het Genootschap van Strijdende Geestelijken. Maar de zege van de Associatie was een Pyrrhusoverwinning voor Rafsanjani. Ze steunde hem niet in zijn economische hervormingen en wierp zich op als verdediger van de islamitische revolutie. Dit laatste maakte een opening naar het westen, waarvan grootscheepse economische hulp werd verhoopt, onmogelijk. Het radikale genootschap van strijdende geestelijken is inmiddels van het toneel verdwenen. In maart ging de strijd tussen de konservatieve Associatie en de Dienaars van de Iraanse Heropbouw. De laatste stroming groepeert de aanhangers van Rafsanjani. Bronnen: Internet

Hoofdstuk 3. ALGERIJE

1. Extremistisch geweld De fundamentalisten werden na de onafhankelijkheid in '62 uitgespeeld tegen de opposanten van de eenpartijstaat van het Front voor Nationale bevrijding (Front de Libération Nationale, FLN). De regering voerde ter compensatie in '84 een nieuwe uiterst vrouwonvriendelijke familiewet in en richtte in Constantine een islamitische universiteit op. Het bewind daverde op zijn grondvesten toen de algemene malaise over corruptie en wanbeheer van het FLN in oktober '88 uitmondde in grootschalige ongeregeldheden, waarbij 500 tot 600 mensen, voor het grootste deel jongeren, om het leven kwamen. Het regime bond in en beloofde democratisering en vrije verkiezingen. Het democratiseringsproces begon van onderuit met gemeenteraadsverkiezingen in juni 1990. In december 1991 had de eerste ronde van de parlementsverkiezingen plaats en het geheel werd afgerond met presidentsverkiezingen in november 1995. De fundamentalisten, die zich als enigen sinds de onafhankelijkheid naast het FLN hadden kunnen en mogen organiseren, richtten met het oog op de verkiezingen het Islamitisch Heilsfront (Front Islamique de Salut, FIS) op. Volgens de oppositie steunde de regering het FIS bij de parlementsverkiezingen in '91, omdat ze die partij niet echt als gevaar zag. De andere partijen die wel werden gevreesd omwille van hun boegbeelden zoals ,Ben Bella, de eerste president van Algerije en voorzitter van het FLN, beweren dat ze op alle mogelijke manieren zijn tegengewerkt zodat ze geen eerlijke kans kregen in de stembusstrijd. Maar toen het FIS het in de eerste stemronde in december '91 het meer dan goed deed, werd het democratisch hervormingsproces stop gezet. Uit reaktie grepen de fundamentalisten naar de wapens en Algerije kwam terecht in een neerwaartse spiraal van geweld en tegengeweld. Het aantal doden wordt ondertussen al tussen de 40.000 en de 60.000 geschat. De Gewapende Islamitische Groep, GIA, sloeg een nog radicalere weg in dan het FIS. De leden ervan zijn de meest radicale islamisten. Tegen de traditie van de islam in zijn vreemdelingen, vrouwen en kinderen voor hen wettige doelwitten. Sedert begin 1995 zijn vrouwen die geen hoofddoek dragen of die vrouw of dochter zijn van een politieman of een staatsambtenaar niet meer veilig voor GIA-terroristen. De GIA wil zich ook wreken op Parijs voor de steun die ze het militaire regime in Algiers bieden. Ze pleegden in Frankrijk tal van bomaanslagen. In augustus '95 waren er in Parijs twee bloedige aanslagen en een bomaanslag op de TGV van Lyon naar Parijs werd verijdeld. Vermoedelijk waren deze het werk van Algerijnse fundamentalisten. Een bomaanslag in Lyon een week later werd eveneens in verband gebracht met GIA-terroristen. Bij deze golf van aanslagen werden 7 mensen gedood en meer dan 130 gewond. De leiding van het FIS, die in Frankrijk in ballingschap verblijft, veroordeelde de "barbaarse en willekeurige aanslagen tegen onschuldige burgers". De FIS-leiding is er tegen het Algerijnse conflict naar Franse bodem te exporteren. Ze riep de Franse regering op neutraal te blijven in het conflict in de voormalige kolonie. Maar de Franse veiligheidsdienst moest en zou de schuldigen van de reeks aanslagen vinden. Een spoor leidde hen naar de beboste bergen in de buurt van Lyon waar ze een heuse klopjacht hielden om de schuldigen te vinden. Want ondertussen had men bewijzen gevonden dat Khaled Kelkal en drie van zijn makkers verantwoordelijk waren voor een aantal van de bomaanslagen en voor de moord op een Parijse imam die lid was van het FIS maar zich verzette tegen het geweld van de GIA. De veiligheidsdiensten hadden de opdracht Khaled Kelkal levend gevangen te nemen. Hij kon immers antwoord geven op belangrijke vragen over het terreurnetwerk en men wou geen "martelaar van de islam" scheppen. Maar Kelkal kwam om bij het vuurgevecht dat ontstond toen de rebel ontdekt was en weigerde zich over te geven. 2. Verkiezingen veroorzaken hoogspanning Waar het democratiseringsproces gestrand was bij de parlementsverkiezingen in '91, moesten de presidentsverkiezingen een verdere stap betekenen. Toen de presidentsverkiezingen van 16 november naderden nam het geweld en de spanning in Algerije nog toe. Het FIS, het Nationaal Bevrijdingsfront (FLN) en het Front van Socialistische Krachten (FFS) riepen op om de verkiezingen te boycotten. De meest extremistische gewapende beweging, de Gewapende Islamitische Groep, GIA, dreigde met een slachting onder de Algerijnen die het toch zouden wagen naar de stembureaus te trekken. Zij zetten deze dreigementen in praktijk om door tal van bomaanslagen, waarbij acht mensen om het leven kwamen en zeker honderd gewond werden. In een stad ten zuiden van Algiers, werd een campagnemedewerker van president Liamine Zeroual doodgeschoten en in Tirmitine kwam een aanhanger van presidentskandidaat Said Sadi door schoten om het leven. Volgens de boycottende partijen waren, ook aangezien het aanhoudende geweld, de voorwaarden voor vrije verkiezingen niet aanwezig. Deze argumenten waren niet uit de lucht gegrepen want bij de verkiezingen in '91 kregen FIS, FLN en FFS samen 85% van de stemmen. De opkomst bij de verkiezingen was groot ondanks de dreigementen van de moslimrebellen. De veiligheid van de kiezers werd gewaarborgd door de aanwezigheid van duizenden soldaten en politiemannen. Deze hoge opkomst betekende dat het FIS veel van zijn populariteit ingeboet had. Waarschijnlijk heeft de gematigde islamitische Hamas-partij heel wat stemmen gekregen van vroegere FIS-aanhangers. Zeroual won de verkiezingen met 58 tot 66% van de stemmen zodat geen tweede ronde meer nodig was. 3. Onderhandelingen?k In november '95 verklaarde het FIS bereid te zijn tot gesprekken met de herkozen president Zeroual om een vreedzame oplossing te scheppen in het bloedige conflict in het land. De FIS-leiding zei de president te beschouwen als de werkelijke machthebber in Algerije maar voegde eraan toe dat hij een geschikte onderhandelaar zou zijn. Ze zei klaar te zijn voor een globale oplossing, die zou kunnen leiden tot een toestand van stabiliteit en vrede in het land. Maar ze stelde wel de eis dat Zeroual tegen die tijd alle politieke gevangenen zou vrij laten, onder wie de leiders van het FIS, zodat alle betrokken partijen hun leiders en militante leden zouden kunnen raadplegen. Maar binnen het FIS zelf zou er onenigheid zijn over de te varen koers. Sommige leden bestempelden deze bereidheid tot onderhandelingen zelfs als verraad. De los van het FIS opererende GIA scheerde alle FIS-leiders over dezelfde kam en veroordeelde ze allemaal ter dood wegens verraad aan de heilige oorlog tegen de Algerijnse regering. Zeroual van zijn kant pleitte voor een nationale dialoog en hij beloofde tevens dat er democratie zal komen in Algerije. Hij sprak van een nieuwe nationale orde, een authentieke pluralistische democratie zonder geweld en nationale verzoening. De regering toonde haar bereidheid tot onderhandelingen door eind november het laatste van de ooit 7 gevangenenkampen voor moslimfundamentalisten gesloten, ze heeft ook de laatste 700 politieke gevangenen vrij gelaten. Sinds 1992 hebben in de zeven kampen in totaal ruim 10.000 fundamentalisten vastgezeten.
4. Een nieuwe golf van geweld De Gewapende Islamitische Groep, GIA, zette haar moorddadig offensief tegen de regering met dubbele kracht voort. Op 12 december ontplofte een bomauto in een voorstad van Algiers. Vijftien mensen kwamen om en meer dan veertig, waaronder ook kinderen werden gewond. Een week later werden twee GIA-leiders vermoord. Een voormalig lid van de groep die met de regering mee werkte verklaarde dat ze door hun eigen strijders waren gedood. Reden voor de moord zou de onenigheid zijn binnen de organisatie over het optreden tegen de burgerbevolking. Die heeft het zwaar te verduren door het geweld van de moslimrebellen. Geweld heeft de toenadering tussen de regering en de fundamentalisten begin dit jaar weer bekoeld. Bij uitgebreide operaties begin januari hebben veiligheidstroepen in totaal 26 moslimrebellen doodgeschoten. De acties vonden plaats in 9 regio's, de meeste in de buurt van de hoofdstad Algiers. In de nacht van 4 februari hebben guerillastrijders in een dorpje zo'n 300 kilometer ten zuiden van Algiers elf leden van een familie de keel overgesneden. De vrouwen en de baby hebben ze niet gespaard. Het motief was niet direct duidelijk, maar men vermoed dat de aanslag het werk is van radicale moslims die al verscheidene aanslagen op burgers gepleegd hadden die zij ervan verdachten samen te werken met de autoriteiten. Op 14 februari verscheen in de Londense Arabischtalige krant Aal Hayat een doodsbedreiging aan het adres van binnenlandse en buitenlandse arbeiders in de Algerijnse olie- en gasindustrie. De Gewapende Islamitische Groep, GIA dreigde ermee hen te vermoorden als ze niet gauw met hun werk stoppen. De bedreiging komt er nadat buitenlandse maatschappijen omvangrijke transacties hadden afgesloten met Algerijnse ondernemingen over de exploitatie van de uitgebreide gasvoorraden in het land. De export van olie en gas maakt 90% van de totale inkomsten uit van de uitvoer voor Algerije. Bij de ontploffing van een bomauto in de buurt van Algiers waren op 19 februari twaalf doden en 35 gewonden. Een week tevoren vielen bij twee aanslagen met autobommen in Algiers 21 doden en 100 gewonden. De aanslagen werden niet opgeëist maar men vermoed dat ze eveneens het werk zijn van moslim-militanten. 5. De journalisten belaagd Sinds mei 1993 zijn in Algerije al meer dan 50 journalisten en media-medewerkers vermoord, nadat de militante moslims verklaard hadden dat ze allen die de regering steunden met het zwaard zouden ombrengen. Zowel de Gewapende Islamitische Groep, de GIA, als het AIS, de militaire vleugel van het FIS, hebben de journalisten duidelijk gemaakt dat zij slechts de keuze hadden tussen stoppen of sterven. Het motto van een FIS-terrorist tegen de pers was "Leg jullie pennen neer of sterf!" De eerste journalist die werd neergeschoten was T. Djaout nadat hij deze profetische woorden schreef : "Als jullie zwijgen, zullen jullie vermoord worden. Als jullie spreken zullen jullie zeker vermoord worden. Spreek dan en sterf moedig!" Als herdenking aan de tweede verjaardag van Djaouts dood kwamen journalisten en anti-fundamentalistische politici in juli '95 samen in het Pershuis in het centrum van Algiers. Ze protesteerden tegen de aanhoudende golf van aanslagen op journalisten en ze eisten dat het moorden zou stoppen. Waar bij het begin van de crisis vrouwen uit het schootsveld van de extremisten bleven zijn zij nu ook niet meer veilig. Op 22 mei 95 werd een 22-jarige journaliste vermoord in haar huis in Algiers. Een dag later werd een ex-medewerkster van een regeringskrant neergeschoten in Oran. Op 11 september staakten de Algerijnse journalisten ter nagedachtenis van hun vermoorde collega's. Ze hielden een wanhopig pleidooi voor de bescherming tegen het door de militante moslims ontketend bloedbad. Ze legden bijna alle kranten plat om hun eisen kracht bij te zetten. De laatste weken ervoor waren vijf journalisten omgebracht vlakbij hun eigen huis. De door het leger gesteunde regering roept de journalisten op om haar kant te kiezen tegen de militante ravage die de Algerijnse eenheid bedreigt. Alhoewel de regering al verscheidene malen gepleit heeft voor bescherming van de media, is het moorden vandaag nog niet gestopt. Maar de internationale vakbond heeft niet stil gezeten. De Internationale Federatie van Journalisten (UFJ) en de Vereniging van Algerijnse Journalisten (VAJ) bracht een brochure uit in samenwerking met de ICFTU ,getiteld "Pens versus bullets". Deze brochure is een verslag van de beproevingen die de journalisten die nog in Algerije bleven moesten ondergaan. De weinige journalisten die nog in Algerije gebleven zijn leiden een schimmig bestaan. Ze veranderen permanent hun tijdschema's en kijken steeds achterom, bang om eens door een FIS-militant verrast te worden. Allen zitten gevangen tussen twee dreigingen: de wapens van de militante islamieten aan de ene kant en de draconische wetten en de censuur van de regering aan de andere kant. Ondanks alles blijven de Algerijnse journalisten geloven in hun plicht om mee te bouwen aan de democratie in hun land. De dood van ruim zestig collega's in ongeveer drie jaar weerhoudt hen niet om voort te werken. Op 5 maart 1996 lanceerde de Internationale Federatie van Journalisten, de IFJ, een solidariteitsactie. De aanleiding voor deze eerder uitzonderlijke actie van de IFJ was de bomaanslag op het Pershuis in Algiers eerder op 11 februari. Drie journalisten van Le Soir d' Algérie en vijftien voorbijgangers waren op slag dood. Hun kantoren en die van twee andere kranten, L'opinion en Le Matin, werden totaal vernield. Volgens de voorzitter van de Algerijnse Journalistenbond bleek uit hun keuze van plaats, dag en uur dat de terroristen voor het eerst een massale doding op het oog hadden. Volgens hem is niets hen te erg om zich in de internationale belangstelling te werken, want daar zou het hen in de eerste plaats om te doen zijn. Bovendien zou het in hun kraam passen dat de jonge democratie telkens weer in het gedrang komt. De IFJ omschreef haar solidariteitsactie als een internationale interventie om de persvrijheid te waarborgen. Prioritair stonden de maatregelen om de veiligheid van de journalisten te waarborgen, vooral door een betere organisatie van hun verplaatsingen. Bronnen: Internet

Hoofdstuk 4. EGYPTE

1. Een fundamentalistisch Egypte President Gamal Abdel Nasser bond de strijd aan tegen de moslimbroeders, nadat één van hen het vuur op hem had geopend tijdens een toespraak in 1954. Voordien waren de relaties goed geweest, maar de aanslag betekende de definitieve breuk Nassers "Vrije Officieren" (later de nasseristen) en de Moslimbroeders. Nasser liet de Moslimbroeders vervolgen en velen van hen kwamen in de gevangenis terecht. Nasser werd na zijn dood opgevolgd door Anwar al-Sadat. deze speelde de fracties binnen Nassers eenheidspartij tegen elkaar uit en bouwde ondertussen zijn eigen machtsbasis uit met behulp van de Moslimbroeders, die hem hielpen met de nasseristen af te rekenen. Door Sadats politiek raakte Egypte op een islamitisch-fundamentalistische koers. Zijn hervormingen hadden op termijn tot gevolg dat het Arabisch nationalisme en het socialisme moesten wijken voor het islamitisch fundamentalisme. Radio en televisie zonden meer en meer religieuze programma's uit. Er werd een verbod op het gebruik van alcohol voor de lokale moslims afgekondigd, dat echter nooit werd uitgevoerd. De doodstraf werd ingevoerd voor moslims die hun geloof zouden afvallen, wat evenmin ooit werd uitgevoerd. Kort voor Sadats dood werd in 1981 in een grondwetswijziging vastgelegd dat de shari'a, de islamitische wet, de belangrijkste Egyptische rechtsbron is. Alhoewel Sadat de Moslimbroeders openlijk liet handelen, heeft hij ze nooit officieel erkend. Uiteindelijk werd Sadat door de extremisten vermoord. Zijn opvolger, Hosni Mobarak, beperkte zich ertoe de politiek van zijn voorganger voort te zetten, ook wat betreft de verdere islamisering van de Egyptische maatschappij. 2. Over de moslimbroeders en andere fundamentalisten Egypte heeft een oude traditie van gewelddadige organisaties. In de jaren 1930-1950 was dat vooral de Moslimbroederschap. Die heeft inmiddels het geweld afgezworen en wil officieel uitsluitend langs wettelijke weg Egypte tot een islamitische staat omvormen. Het is helemaal geen geheim dat conservatieve en pro-westerse Arabische politici de Moslimbroederschap gebruikten in hun strijd tegen nationalisten en socialisten. Vandaar dat de Broederschap in de meeste Arabische landen, waaronder Egypte, nog steeds zeer invloedrijk is. In 1971 richtte een oud-moslimbroeder, Shoukri Ahmed Moestafa Al-Takfir wal-Hegra (Boete en terugtrekking) op. In 1977 werd de groep ontmanteld na de ontvoering en moord van de liberale sjeik Mohammed Hoessein Dahabi, een voormalig minister van Religieuze Goederen. De aflossing kwam nog datzelfde jaar, waarin president Anwar al-Sadat zijn historische bezoek bracht aan Jeruzalem. Nog voor Sadat openlijk het pad naar een aparte vrede met Israël bewandelde, werd in de pers het bestaan van Jihad ( de Heilige Oorlog), Al-Gamaa al-Islamiyya (de Islamitische Groep) en van Joenoed Allah (Soldaten van Allah) gesignaleerd. Jihad was verantwoordelijk voor de moord op Sadat en verdween daarna van het toneel. Pas toen Al-Gama al-Islamiyya in 1992 een geweldcampagne begon, werd de Jihad heropgericht. Dat gebeurde in het Pakistaanse Peshawar waar Egyptische vrijwilligers voor de oorlog in Afghanistan waren achtergebleven. Jihad werd berucht voor zijn gedurfde en goed georganiseerde aanslagen tegen ministers en hoge ambtenaren. In totaal eiste het geweld in Egypte tot nu toe al meer dan 800 slachtoffers. De meeste slachtoffers zijn leden van de terreurgroepen zelf en van de Egyptische veiligheidsdienst. Ook acht buitenlanders lieten het leven en meer dan zestig werden gewond. Al-Gamaa al-Islamiyya wil van Egypte een islamitische staat maken en bestrijdt sinds 1992 de Egyptische regering, meestal in het zuiden van het land. Al-Gamaa lijkt vooral te rekruteren onder de moslimbroeders. Sommigen menen dat Al-Gamaa al-Islamiyya en Jihad altijd al dezelfde zijn geweest. Om taktische reden zouden ze apart opereren. Anderen zeggen dat ze in 1983 uit elkaar zijn gegaan omdat Jihad weinig op had met de nu in New York gevangen zittende blinde geestelijke leider van Al-Gamaa, sjeik Omar Abdel Rahman. Vanaf 1994 zou dr. Ayman al-Zawahri, de leider van Jihad, ernstig aan toenadering zijn beginnen werken. Zo feliciteerde hij Al-Gamaa voor de mislukte aanslag op 26 juni '95 op de Egyptische president, Hosni Mobarak, in het Ethiopische Addis Abeba, ook al is nier zeker dat Al-Gamaa die aanslag pleegde. Die aanslag leidde tot een dieptepunt in de relaties tussen Egypte en Sudan, dat van Kairo de schuld in de schoenen geschoven kreeg. 3. Samenwerking tussen de islamitische groepen? In een verklaring van zijn minister van Binnenlandse Zaken, generaal Hassan al-Alfi, eind augustus 1995 stak Egypte een waarschuwende vinger op naar Soedan. Volgens de generaal speelt de leider van de Sudanese Moslimbroeders een sleutelrol in de pogingen van de Egyptische fundamentalistische groepen om samen te werken. Dit wordt erg gevreesd omdat het geweld in Egypte daardoor nog kan toenemen. De minister vertelde daarbij niets nieuws. Een jaar daarvoor al waren er berichten over besprekingen tussen Jihad en Al-Gamaa al-Islamiyya in Khartum. In april '95 zouden de discussies in de Sudanese hoofdstad zijn hervat. Ook de Egyptische Moslimbroeders, die officieel geweld hebben afgezworen, zouden erbij aanwezig zijn. Al-Turabi, die als de sterke man achter het Sudanese militaire regime wordt beschouwd, zou daarbij als bemiddelaar optreden. Volgens generaal al-Alfi zouden de twee bewegingen een akkoord gesloten hebben en van plan zijn om gezamenlijk opperbevel te vormen. Uit zijn verklaring viel af te leiden dat Egypte Sudan onder druk wou blijven houden. Sommigen Egyptische ambtenaren zijn er nog steeds van overtuigd dat het geweld in Egypte slechts kan eindigen door het aan de bron, in Sudan, aan te pakken. Ook al zouden er besprekingen zijn tussen Jihad en Al-Gamaa al-Islamiyya, toch lijken ze soms elkaar het licht in de ogen niet te gunnen. Toen Al-Gamaa al-Islamiyya de zelfmoordactie tegen de Egyptische ambassade in Islamabad (Pakistan) opeiste, volgde er een internationale verklaring van de Jihad, waarin ze verklaarden dat zij en alleen zij voor die aanslag verantwoordelijk waren. Ze voegden er nog aan toe dat Al-Gamaa niets met de aanslag te maken hadden en maakten zelfs de namen van het commando van de martelaars bekend.
4. Toeristen zijn slachtoffer van de fundamentalisten De grootste militante moslimgroep van Egypte, de Al-Gamaa al-Islamiyya, heeft het vooral gemunt op buitenlandse toeristen. In 1993 en '94 beschoten de fundamentalisten regelmatig treinen, cruiseschepen op de Nijl en autobussen. Hierbij kwamen acht toeristen om het leven en meer dan zestig raakten er gewond. Abdel Nasser (1952-'70). Deze pakte de moslimbroeders hard aan na een mislukte aanslag op zijn leven door fundamentalistische terroristen. President Sadat daarentegen haalde ze uit de gevangenis na Nassers dood om de nasseristen uit te schakelen. Maar sinds maart '95 had Al-Gamaa geen aanslagen op toeristen meer gepleegd. Daardoor groeide het toerisme langzaam weer aan. Waarschijnlijk was de organisatie in het nauw gedreven door de harde repressie van de veiligheidsdiensten. Na enkele maanden van relatieve rust lanceerde Al-Gamaa al-Islamiyya echter een nieuwe campagne tegen toeristen in november '95. Ze verspreidde een persbericht waarin ze aan de toeristen duidelijk maakte dat ze niet gewenst zijn in Egypte en ze riep alle toeristen op om het land zo spoedig mogelijk te verlaten voor hun eigen bestwil. De bedreiging werd kracht bijgezet door een aanslag op een trein een dag na het persbericht. Hierbij werden twee buitenlanders licht gewond. 5. Vergeefse pogingen van de regering om het terrorisme in te dijken President Mobarak dacht jarenlang het gewelddadige islamisme te kunnen bezweren door toegevingen te doen aan de fundamentalistische sjeiks van de Al-Azhar-universiteit en aan de nog steeds verboden Moslimbroederschap, die zich officieel verzet tegen geweld en haar doel, een islamitische staat, enkel met politieke middelen wil bereiken. Zijn politiek om onderscheid te maken en een wig te drijven tussen de gewelddadige en de niet-gewelddadige fundamentalisten werd een mislukking. De toegevingen leidden ertoe dat de sjeiks steeds meer gingen eisen. Ook rezen er vermoedens van banden tussen de Broederschap en Jihad. Eind '94 begonnen de autoriteiten de moslimbroeders lastig te vallen en op te pakken. In juli '95 werden er met veel spektakel enkele tientallen achter tralies gestoken. De vraag is of dit het begin inluidt van een terugkeer naar de politiek van repressie onder president Gamal Mobarak zelf liet ze betijen, alhoewel hij hun verzoek om officiële erkenning afwees. Maar eind '94 leek hij van koers te veranderen. De regering startte een campagne tegen de Moslimbroederschap omdat ze banden zou hebben met de gewelddadige moslimfundamentalisten. Een militaire rechtbank veroordeelde 54 moslimbroeders tot gevangenisstraffen van drie tot vijf jaar. Tevens beval de rechtbank de sluiting van het hoofdkwartier van de Moslimbroederschap in Kaïro en de inbeslagname van de inboedel. Dit was het resultaat van de campagne die de regering al zowat een jaar voerde tegen de Broederschaap omdat ze het bed zou spreiden voor gewelddadige islamitische fundamentalisten. Het proces zelf werd door mensenrechtengroepen in Egypte en de rest van de wereld op de korrel genomen. In de eerste plaats omdat de verdachten voor een militair tribunaal dienden te verschijnen, wat de uitslag zeker in hun nadeel beïnvloed heeft. Maar vooral de gronden waarop ze veroordeeld werden waren eerder dubieus. Er werden hen alleen opiniedelikten ten laste gelegd. Ze werden ervan verdacht princiepen te verdedigen die getuigen van vijandigheid ten overstaan van de wetten en de regeringspolitiek. Het proces was uiting van onmacht van de regering om een einde te maken aan het gewelddadig islamitisch fundamentalisme. Eind maart '96 besloot de regering om haar extremistische tegenstanders in het buitenland aan te pakken. De minister van Binnenlandse Zaken, Hassan el-Alfy, verklaarde dat er de volgende periode een offensief tegen hen ontketend zou worden. Hij zei ook dat de Egyptische veiligheidsdienst de gangen van de Egyptische fundamentalisten in het buitenland natrok en inmiddels wist waar deze radikale groeperingen het geld voor hun aanslagen vandaan haalden. Egypte had vaak gezegd dat militante Egyptische moslims die in Europa, Soedan en Pakistan opereren ook de hand hebben in de aanslagen die binnen Egypte gepleegd worden. 6. Chaotische parlementsverkiezingen De parlementsverkiezingen in december 1995 werden aanvankelijk gezien als een krachtmeting tussen de regeringspartij en de Moslimbroederschap en haar bondgenoot, de Arbeidspartij. De Broederschap sprak zich al eerder uit tegen geweld en voor democratie, en ze voerde campagne onder het motto "Islam is de oplossing". Maar de regering vertrouwde de Broederschap niet op haar woord en had in een uitgebreid offensief ontketend tegen de groep, die tot arrestatie van honderden aanhangers had geleid. Slechts 14 kandidaten van de oppositie waren erin geslaagd om een zetel te bemachtigen. De regerende Nationale Democratische Partij van president Mobarak kwam als grote overwinnaar uit de bus met meer dan 80% van de stemmen. Tien van de dertig kandidaten van de Moslimbroederschap hadden zich terug getrokken, uit protest tegen de arrestatie van meer dan honderd islamitische activisten en de fraude waaraan de regeringspartij zich volgens hen schuldig aan maakte. Ze beschuldigden de regering er o.a. van waarnemers te verhinderen hun werk te doen. In heel Egypte gingen aanhangers van verschillende kandidaten elkaar te lijf met pistolen, messen of stokken, waardoor ten minste twaalf doden vielen en tientallen gewonden. In een arme wijk van Kaïro, waar een regeringskandidaat het opnam tegen een aanhanger van de Broederschap, waren tientallen politiemannen en agenten in burger op de been om de stemlokalen te bewaken. De opkomst was er erg laag want de mensen hadden hun vertrouwen in verkiezingen verloren na de wijdverbreide fraude van de vorige keer. 7. Egyptische artiesten voeren een kultuurstrijd Sinds enige jaren is er in Egypte een islamitische actiegroep die de ene na de andere artiest, schrijver of intellectueel voor de rechter sleept wegens godslastering. Hun strijd verloopt niet bepaald onopgemerkt. Begin februari 1996 nam het Egyptische parlement een wet aan, die de toepassing van de hisba beperkt. Dit is een middeleeuwse islamitische doctrine die elke moslim het recht geeft de rechter in te schakelen om de rechten van Allah te verdedigen. De nieuwe wet schaft de hisba niet af, maar geeft officieren van justitie het recht om een zaak al dan niet voort te zetten. Volgens teleurgestelde intellectuelen legitimeert de wet de hisba juist. De artiesten en intellectuelen reageren buitengewoon verontwaardigd op de nieuwe wet. Ze hadden gehoopt dat de hisba afgeschaft zouden worden, waardoor de moslimfundamentalisten tenminste één wapen uit de hand zou geslagen worden. De hisba is niet de enige boosdoener want de activisten gebruiken nog tal van andere wetten om vermeende godslasteraars voor de rechter te slepen. Zo werd in december de populaire actrice, Youssra, voor de rechter gedaagd wegens schending van de goede zeden door een foto in een tijdschrift waarop zij nagenoeg naakt staat. De foto is afkomstig uit een anti-fundamentalistische film. Die film is weliswaar goedgekeurd door de Egyptische censuur, maar volgens haar ortodox-islamitische aanklagers zijn de scènes uit de film alleen toegelaten in de bioscopen en niet in tijdschriften. In de kern van de zaak is dit alles een kultuurstrijd tussen een religieuze en een burgerlijke maatschappij. Het schijnbaar oneindige aantal rechtszaken heeft een aantal seculiere Egyptenaren doen voorspellen dat de een islamitische revolutie in het zuiden niet door gewapende fundamentalisten zou ontketend worden, maar dat het juist deze activisten zullen zijn, met hun strikte uitvoering van de wet. Bronnen: Internet

Hoofdstuk 5. SUDAN

1. Islamisering onder financiële druk In mei 1969 pleegde generaal Jaafar Noemeiry een nasseristisch geïnspireerde staatsgreep in Sudan. Een maande later deed ook kolonel Muammar al-Kadhafi van Libië dat. Ze wilden samen met Nasser (Egypte) een federatie vormen. De unie van Arabische Republieken kwam er pas toen Nasser al ruim een half jaar dood was. Ze was echter geen lang leven beschoren. Eén van de redenen daarvoor was dat Noemeiry komaf wilde maken met de rebellie van het animistische en christelijke zuiden, die al begon voor Sudan in 1956 onafhankelijk werd. Hiervoor moest hij de Arabische federatie verlaten. In maart 1972 werd met de zuidelijke Anya Nya-rebellen een vredesovereenkomst gesloten, die inhield dat het zuiden een autonoom statuut kreeg. Na zeventien jaar was de oorlog eindelijk voorbij, maar de middelen om de vrede waar te maken ontbraken. Daarvoor werd aangeklopt bij Saudi-Arabië, maar dat stelde zijn voorwaarden. De lokale Moslimbroederschap kreeg zo de vrije hand om zich te organiseren en hun infrastructuur uit bouwen. Haar politieke gewicht samen met het Saudische geld vertolkte zich uiteindelijk in de benoeming van Hassan al-Turabi, de leider van de Moslimbroeders, tot minister van Justitie en de invoering van de shari'a in 1983. Daardoor werden de niet-moslims in het zuiden van het land, goed voor een derde van de 27 miljoenen inwoners, meteen gedegradeerd tot tweederangsburgers. Het wekte heel wat ongenoegen in het niet-islamitische zuiden toen bekend werd dat ook daar handen en voeten werden geamputeerd wegens diefstal. De oude verzetsstrijder, John Garang, richtte het Sudanees Volksbevrijdingsfront (SPLA) op en hervatte de oorlog. In 1985 pleegde generaal Dahab een staatsgreep en Noemeiry werd aan de kant gezet. Een jaar later werden er democratische verkiezingen gehouden en er was gedurende drie jaar lang een democratisch intermezzo. In 1989 maakte generaal Omar Hassan Ahmad al-Bashir zich meester van Sudan. Het bleek om een fundamentalistische staatsgreep te gaan. Nu wordt de macht er achter de schermen uitgeoefend door Hassan al-Turabi en zijn moslimbroeders. Zij kozen voluit voor de oorlog en de islamisering van het zuiden. De regeringstroepen boekten aardig wat successen tegen het Sudanees Volksbevrijdingsfront, dat in etnische fracties uiteenviel. Het verzet werd teruggedrongen tot het grensgebied met Uganda. Als represaille voor de Ugandese steun aan de rebellen begon de regering in Khartoum een Ugandese christelijke gewapende groep te steunen. Uit protest verbrak Uganda begin '95 de diplomatieke relaties met Sudan.
2. Een fundamentalistische basis De Saudische politiek om overal fundamentalisten te ondersteunen was een succes in Iran, maar leidde uiteindelijk tot een averechts resultaat. De Saudische regering in Riad beschouwt het Sudanese regime nu als een bedreiging voor zijn gematigde, pro-westerse fundamentalisme. Khartoum bouwde goede relaties op met Iran. Samen zouden Iran en Sudan, als men tenminste Egypte en Algerije mag geloven, een basis voor fundamentalistisch geweld vormen. Er zouden guerillero's worden opgeleid voor de strijd in Algerije en Egypte. Sudan ontkent dat er op zijn grondgebied bases voor fundamentalisten zijn, laat staan dat er zich Iraanse troepen zouden bevinden. De Egyptische president, Hosni Mobarak, heeft Sudan er al meerdere malen van beschuldigd de Egyptische fundamentalistische groeperingen te steunen, dat deed hij onder andere in augustus '95. Toen verdacht hij de Sudanese sterke man, Hassan al-Turabi ervan een sleutelrol te spelen in de plannen van de Jihad en de Al-Gamaa al-Islamiyya om de krachten te bundelen. Dat er in Sudan een militant fundamentalistisch islamitisch bewind aan de macht is dat zijn fundamentalistische visie wil propageren, lijdt geen twijfel. In Khartoum werd een Pan-Arabische Volks- en Islamitische Conferentie (PAPIC) opgericht, die in april 1995 haar derde congres hield in de Sudanese hoofdstad. Het thema was: "de aanvallen van het Westen tegen de islam. Onder de 300 afgevaardigden van de tachtig landen die vertegenwoordigd waren, waren er leden van de Palestijnse Hamas, de Libanese Hezbollah en van verschillende partijen uit de Maghreb en Afghanistan. Opvallend was toen ook de aanwezigheid van vertegenwoordigers uit Bosnië en Tsjetsjenië, twee oorlogsgebieden. 3. De oorlog tegen het niet-islamitische zuiden Halfweg 1995 hadden de rebellen van de SPLA onverwacht heel wat terrein gewonnen. Tijdens het droge seizoen liepen ze acht strategisch belangrijke regeringsgarnizoenen aan de grens met Uganda onder de voet. Luitenant-generaal Omar Hassan al-Bashir beschuldigt Uganda en Eritrea ervan het offensief van de SPLA te steunen. Hij zwoer een miljoen mannen op de been te brengen om de rebellen te bestrijden. Sedertdien kwamen duizenden jonge vrijwilligers toe in de opleidingscentra die zich in heel Sudan bevinden. De soldaten -sommigen zijn nauwelijks 18 jaar- lijken ongeduldig. Ze willen maar wat graag martelaar worden in de strijd tegen de ongelovigen en de christenen. Onder het schreeuwen van "Allah Akbar" (Allah is groot) trekken de duizenden modjaheddin naar het zuiden. Vrouwen met lange rokken en hoofddoeken zorgen voor voedsel en ondersteuning onderweg. Wie om de een of andere reden niet naar het zuiden kan trekken, door ziekte of ouderdom bijvoorbeeld, levert een andere bijdrage aan de strijd tegen de "goddelozen". Zo schonk volgens de staatsomroep een arbeider een jaarsalaris om de heilige islamitische oorlog (Jihad) te steunen. 4. Martelaars van de heilige oorlog Omdat de modjaheddin niet in een burgeroorlog, maar in een heilige oorlog vechten, zijn ze een martelaar indien ze sneuvelen. Ze krijgen onmiddellijk toegang tot het paradijs en daar treden ze in het huwelijk met houris. Dat zijn wondermooie maagden met een zachte huid en donkere ogen, wiens enige taak erin bestaat de overledenen in alle opzichten te bevredigen. Na hun "heilige dood" krijgen deze soldaten in hun dorp geen begrafenis, maar een huwelijksfeest. De familie ontvangt gelukwensen, jubelkreten weerklinken door het dorp, feestvierders vuren met hun wapens in de lucht. Condoléances en rouw zijn uit den boze. Zelfs het citeren uit de Fatiha, het hoofdstuk over de doden uit de koran wordt achterwege gelaten. Met deze plechtigheden en andere symboliek trachten de moslimfundamentalisten in regeringskringen de burgeroorlog voor te stellen als een heilige oorlog. De soldaten doen dan ook Gods werk door de rebellen uit te moorden. De burgeroorlog moet volgens hen voortduren tot Sudan weer verenigd is onder een noordelijke heerschappij. De noordelijken zijn niet de enige boemannen, want evenals de Sudanese regering ontvoert de SPLA kinderen en dwingt hen dienst te nemen in hun legers. Bronnen: Internet

Hoofdstuk 6. TURKIJE

1. Atatürks seculiere, op het Westen gerichte natiestaat Ruim zeventig jaar geleden waren de meeste Turken ervan overtuigd dat hun land zich alleen tot een moderne staat zou kunnen ontwikkelen door het westerse model te kopiëren. Deze gedachte vormde het uitgangspunt voor de radicale hervormingen waarmee Atatürk in 1923 het begin inluidde van de Turkse republiek. Hij schafte het kalifaat af, verving het Arabische schrift door het Latijnse alfabet, verbood religieuze scholen en het dragen van de fez en de sluier. De oorlogsheld Atatürk voerde het westerse rechtssysteem in en hij slaagde erin om op de resten van het Ottomaanse Rijk een Turkse natiestaat te bouwen. Evenals zijn tijdgenoot Lenin beschouwde hij de inheemse gewoonten van zijn eigen land als de kenmerken van een achtergebleven maatschappij. De vooruitgang, zo meende hij, zou een kans krijgen door de instellingen en de waarden van de Europese mogendheden over te nemen. Deze oriëntatie op het Westen en met name op het gedachtengoed van de Verlichting is juist datgene wat de laatste jaren zwaar onder vuur is komen te liggen. De Welzijnspartij is erin geslaagd de plaats van links in te nemen als spreekbuis van het snelgroeiende leger armen op het platteland en in de steden. 2. De islamisten op de retour Bij de parlementsverkiezingen op 25 december werd de Welzijnspartij van Necmettin Erbakan met 21.32% van de stemmen de grootste partij van Turkije. Deze zege ondergraaft het seculiere en pro-westerse karakter van Turkije. Premier Tansu Chillers Partij van het Rechte Pad viel van 21.32% bij de lokale verkiezingen in 1994 terug op 19.02%. De premier trok daaruit haar conclusies en bood haar ontslag aan Deze overwinning van de islamisten wil niet alleen zeggen dat het fundamentalisme ook in Turkije veld wint. De Turken gaven bij de verkiezingen immers uiting aan hun onvrede over het regeringsbeleid dat aanstuurt op aansluiting bij de Europese Unie en aan hun onvrede over de economische problemen die dit met zich mee brengt. De algemene malaise zorgde ervoor dat velen tegen de regering gingen stemmen, met name voor de Welzijnspartij. Ook de vakbonden protesteerden tegen deze gang van zaken. De doeane-unie met Europa zou de situatie alleen nog maar verslechteren. De sociale ellende wordt door de Welzijnspartij concreet opgevangen. Ze springt in waar de overheid tekortschiet, o.a. met voedsel en brandstof voor de armen. Vandaar ook haar stijgende populariteit. Een populariteit die niet alleen op armoede en ellende drijft. De partij stelde de vraag naar de identiteit van Turkije: Europees en westers of islamitisch en oosters. Het aantal Turken dat voor dat laatste kiest neemt gestaag toe. De overwinning van de fundamentalistische partij van Erbakan wijst erop dat de golf van islamitisch fundamentalisme, die sedert de jaren '70 de moslimwereld overspoelt, nu ook Turkije bereikt heeft. Maar het was al direct na de verkiezingen duidelijk dat Erbakan geen partners zou vinden om zijn " globale moslim-orde" te realiseren. Erbakans programma is eerder visionair dan concreet. Volgens hem moet er een "globale islamitische orde" komen met een islamitische Verenigde Naties, een islamitische NAVO en een soort islamitische Europese Unie. Dit is een bijna onuitvoerbaar programma gezien de omvang en de verscheidenheid van en de rivaliteit binnen de islamitische wereld. Hij wil ook het Bosnische vredesplan herzien in het voordeel van de Moslims. Zoals voorspeld was sloten de politieke partijen de rangen tegen de fundamentalistische partij. In maart kwam het tot een akkoord tussen de Partij van het Rechte Pad van Tansu Chiller en de Moederlandpartij van Mesut Yilmaz. In het akkoord werd besloten dat Yilmaz en Chiller elk twee jaar premier zouden zijn. De vorming van deze coalitie heeft wel enige voeten in de aarde gehad want de beide partijleiders moesten hun persoonlijke gevoelens voor elkaar opzij schuiven. Maar ze hadden er alles voor over om de Welvaartspartij uit de regering te houden.
3. Modernisering is niet noodzakelijk verwesterlijking. De doorbraak van de islamitische fundamentalisten bij de verkiezingen van december 1995 in Turkije is een signaal voor het Westen. De westerse landen zullen er aan moeten wennen dat modernisering niet langer gelijk staat met verwesterlijking. John Gray, een vooraanstaand Brits journalist, zegt dat de uitslag van de verkiezingen een keerpunt is voor de Turkse politiek. Turkije is sinds de stichting door Atatürk ruim zeventig jaar geleden een op het Westen georiënteerde staat geweest. Het land blijkt nu een periode van politieke instabiliteit tegemoet te gaan, waarin zijn westerse en seculiere identiteit op het spel staat. De verkiezingsuitslag in Turkije is volgens Gray slechts één van de vele tekenen die erop wijzen dat de eurocentrische gedachte een waanidee is. Het nieuwe tijdperk dat nadert met het einde van deze eeuw, zal niet gekenmerkt worden door een verdere verwesterlijking van de wereld. In een groot aantal landen zal men zich in tegendeel afkeren van de westerse modellen en zijn toevlucht zoeken in o.a. islamitische samenlevingen. In hun campagne hebben de fundamentalisten van de Welzijnspartij vooral geageerd tegen de op aansluiting bij West-Europa gerichte politiek van de seculiere partijen. Na hun electorale succes kunnen er grote vraagtekens worden gezet bij de juistheid van premier Cillers strategie. Zij wist immers het Europees Parlement te overhalen om een douane-unie met Turkije te sluiten. Dit met het argument dat hiermee de opkomst van het fundamentalisme in Turkije een halt toegeroepen zou kunnen worden. De verkiezingsoverwinning van de Welzijnspartij is niet groot genoeg om de seculiere partijen geheel buiten spel te zetten of om een serieuze bedreiging te vormen voor de seculiere Turkse staat. Turkije is nog geen Algerije of Egypte, waar de op het Westen georiënteerde elite met militaire middelen een achterhoedegevecht levert tegen de fundamentalistische opstandelingen. Ook de etnische afscheidingsbewegingen zoals die van de Koerden hebben niet genoeg macht om de natiestaat van Atatürk uiteen te doen vallen. Deze afwijzing van westerse instellingen is ook elders in de wereld waarneembaar. De ontwikkelingen in Turkije zijn goed vergelijkbaar met die in andere landen waar het fundamentalisme snel aan invloed heeft gewonnen. De wederopleving van de islam als politieke macht heeft de ideeën over modernisering waardoor de westerse mogendheden zich hebben laten leiden aan het wankelen gebracht. Volgens deze ideeën zou de modernisering (o.a. urbanisatie, industrialisatie en vermindering van het analfabetisme) overal moeten uitmonden in seculiere, liberale maatschappijen, zoals dat ook in West-Europa was gebeurd. Dat deze ideeën in feite slechts gebaseerd zijnop de historische ontwikkeling van een handvol landen in West-Europa, wordt momenteel onweerlegbaar aangetoond in staten als Maleisië, waar de economische groei veel groter is dan in de meeste westerse landen. Dit ondanks het feit dat ze zich hebben afgekeerd van de westerse politieke en maatschappelijke modellen. Bronnen: Internet

Hoofdstuk 7. AFGHANISTAN

1. De koude oorlog in Afghanistan Moskou kwam eind '79 de communistische regering in moeilijkheden in Kaboel met troepen ter hulp. In volle koude oorlog kon Washington de uitbreiding van de Sovjet-invloed in Afghanistan niet toestaan. Met succes werd de heilige oorlog tegen de Russen gepropageerd. Honderdduizenden moslims werden getraind als strijders voor God in Afghanistan. De meerderheid bestond uit Afghanen en Pakistani, maar er waren ook vrijwilligers uit de hele islamitische wereld, van Marokko tot China. Naar schatting zou de Arabische wereld tot 35.000 modjaheddin hebben geleverd, onder wie 5.000 Algerijnen en evenveel Egyptenaren. Via Saudi-Arabiä, dat hun een maandloon van 50.000 frank gaf en als garantie hun paspoorten in bewaring nam, trokken ze naar Pakistan. Daar kregen ze in speciale kampen een opleiding in gevechtstechnieken en in wapengebruik van de CIA. Tegelijk kregen ze een fundamentalistische hersenspoeling. Toen de oorlog gedaan was en ze terug keerden naar hun geboorteland, stelden ze hun kennis ten dienste van verschillende fundamentalistische groepen en guerillabewegingen. Zo bestaat de harde kern van de Algerijnse GIA uit Afghaanse veteranen evenals de Islamitische Groep uit Egypte, Al-Gamaa al-Islamiyya. Ze werden ook gesignaleerd op Mindanao op de Filipijnen en in Kashmir, waar ze het islamitisch geweld voor autonomie in die streken hard deden oplaaien. Ze streden zelfs aan de zijde van de verdrukte moslims in Bosnië. Ze zijn een soort internationale islamitische brigade geworden, klaar voor de strijd in gebieden waar moslims zich bedreigd voelen of oorlog voeren. Een aantal van de Afghanistan-vrijwilligers bleef in Afghanistan hangen en dan vooral in Peshawar, dat een draaischijf werd van de islamitische internationale. Van daaruit zorgen ze voor propaganda en ze leiden er ook nieuwe rekruten op. 2. De Taleban: een heilige oorlog De Taleban is een militie van fundamentalistische islamitische studenten, die met geweld de macht in Afghanistan willen overnemen. Ze willen het bewind van president Rabbani omverwerpen en vervangen door een strikt islamitisch regime. Zij krijgen hiervoor de steun van het buurland Pakistan, dat ze al 14 jaar gebruiken als basis voor hun oorlog, eerst tegen Sovjet-invasietroepen en later tegen het regime in Kaboel. In november '95 hadden ze al een groot deel van het land in handen en stonden ze aan de poorten van de hoofdstad Kaboel. Maar half november verloren ze drie strategische posities in de bergen ten oosten van Kaboel aan de regeringstroepen. Hierop startten zij een belegering van de Afghaanse hoofdstad Kaboel in een poging president Rabbani ten val te brengen. Op 26 november bombardeerden de Taleban met hun gevechtsvliegtuigen woonwijken in het centrum van Kaboel. De regeringstroepen startten een tegenoffensief tegen de strijders van de Taleban-militie in Kaboel. Met succes overrompelden de troepen van president Rabbani de posities van de Taleban in de oostelijke buitenwijken van de stad. Het succesvolle offensief kwam als geroepen om het moraal onder de troepen van de president op te krikken want ze waren gedemoraliseerd door de vele overwinningen die de fundamentalistische Taleban de laatste maanden hadden behaald. Begin december bombardeerden de regeringstroepen een belangrijk bolwerk van de Taleban ten zuiden van Kaboel. Het bolwerk was vermoedelijk een opleidingskamp van de Taleban-strijders. Alhoewel de Taleban uit Kaboel verdreven was lag de hoofdstad nog in het bereik van hun geschut. Dat werd stevig gevoeld op 17 december toen mortiergranaten insloegen op het presidentieel paleis. Bij een mortierbeschieting van een moskee kwamen 5 mensen om het leven. Op 4 januari kwamen 20 mensen om het leven bij beschietingen met tientallen raketten van Russische makelij. Het was de zwaarste aanval van de Taleban op Kaboel in maanden. Op 10 februari protesteerde de Afghaanse regering bij de Pakistaanse omdat ze toeliet dat verscheidene Afghaanse oppositiebewegingen in Islamabad, de Pakistaanse hoofdstad en vergadering hielden. Volgens Kaboel zouden die opposante bewegingen er beter aan doen in Afghanistan zelf samen met de regering naar vrede te zoeken. De Taleban namen niet deel aan het oppositieberaad in Pakistan. De belangrijkste deelnemers waren de Oezbeekse generaal Dostom en de Pathaanse islamitische fundamentalist Hekmatyar. Ondertussen was de toestand in Kaboel zelf erg benard. Men vreesde er elk ogenblik een offensief van de Taleban. Reeds tienduizenden mensen waren de stad ontvlucht. 3. Islamitische dictatuur In de streken die door de Taleban-rebellen worden gecontroleerd werden al tal van fundamentalistische islamitische wetten doorgevoerd. De vrouwen worden in een nadelige en onderdanige positie gedrukt. Zo worden meisjes uitgesloten van het onderwijs, ongeveer 47.000 meisjes zijn hiervan het slachtoffer Hierdoor moesten ongeveer 135 scholen hun deuren sluiten met als rechtstreeks gevolg dat de vrouwelijke leerkrachten werkloos werden. 4. Schaarse reacties van het westen In Afghanistan speelt zich een mensenrechtentragedie af die de wereld onverschillig laat, zei de mensenrechtenorganisatie, Amnesty International, in een rapport eind november '95. In Afghanistan vinden op grote schaal moorden, verkrachtingen en verdwijningen plaats. Alle strijdende partijen zouden zich schuldig maken aan schendingen van de mensenrechten. Sinds april '92 zouden alleen al in de hoofdstad Kaboel 5.000 mensen gedood zijn. Gewapende moslimstrijders plunderen de huizen van burgers en doden de bewoners; maar de daders worden nooit gestraft. Amnesty International stak ook een beschuldigende vinger op naar de landen die door hun wapenzendingen de oorlog in Afghanistan aan de gang houden in de hoop dat de door hen gesteunde militie de uiteindelijke overwinning zou behalen. De wapens komen onder meer uit de vroegere Sovjetunie, West-Europa; de VS, Pakistan, Saudi-Arabië en Iran. UNICEF reageerde verontwaardigd toen ze te weten kwamen dat in bepaalde door de Taleban gecontroleerde gebieden meisjes niet naar school mogen gaan, alhoewel ze de zekerheid hadden gekregen dat de meisjes onderwijs zouden krijgen op islamitische basis. Ze schortten onmiddellijk hun fondsen voor het onderwijs in die streken op. Het geld zou gebruikt worden om de kosten te dekken van een programma voor onderwijs en gezondheidszorg. Ook sociale initiatieven ten gunste van vrouwen en gehandicapten stonden op het lijstje. UNICEF schort zijn fondsen op met de verwijzing naar de rechten van het kind die ernstig geschonden worden. Bronnen: Internet

Hoofdstuk 8. PAKISTAN

1. Een lange islamitische voorgeschiedenis Het Britse koloniale bestuur in Pakistan begon in de jaren veertig van de vorige eeuw en duurde tot 1947. De onafhankelijkheid was een enorme politieke overwinning. Velen hielden het ontstaan van een islamitische staat op het Indische subcontinent voor onmogelijk, maar Pakistan kwam er toch als islamitische staat. Die islamitische staat werd gevormd rond de Pundjabi, de belangrijkste etnie van wat toen westelijk Pakistan was en de elite van de uit India uitgeweken moslims, de Mohajirs. De Pakistaanse fundamentalisten eisten de vervanging van het Britse rechtssysteem door de shari'a, het stelsel van islamitische wetten, waarnaar zij ook hun persoonlijke leven trachten te richten. Zij kwamen op voor politieke en institutionele hervormingen waardoor Pakistan van een staat voor moslims tot een waarachtige islamitische staat zou omgevormd worden. De afgelopen decennia hebben zij belangrijke successen geboekt, maar niet alle afgekondigde islamitische hervormingen werden in de praktijk toegepast. Dit is het gevolg van het streven naar een economische en technische modernisering en verhoging van de welvaart met o.a. Amerikaanse steun. 2. Op de fundamentalistische toer De eerste stappen naar een waarachtige islamitische staat werden in Pakistan al tijdens de regeerperiode van Ali Bhutto (1971-'77) gezet. Bhutto introduceerde het Arabisch, de taal van de koran, als verplicht vak in het onderwijs en riep de islam tot officiële staatsreligie uit. In de buitenlandse politiek haalde hij de banden met andere islamitische landen aan, vooral met het radicale Libië. Maar hij bleef seculier denken. Hij kwam echter onder druk te staan van de rechtse partijen en werd gedwongen op hun steeds radicalere religieuze eisen in te gaan. In een wanhopige poging zijn imago als islamitische president te redden voerde hij nieuwe hervormingen door. Het waren voornamelijk symbolische veranderingen die niettemin toch een grote religieuze betekenis hadden. De vrijdag werd voortaan de vrije dag, gokken, alcohol en nachtclubs werden verboden en in alle kamers van vijfsterrenhotels werden exemplaren van de koran gelegd. In 1977 pleegde generaal Zia ul-Haq een staatsgreep, waarbij Bhutto werd afgezet. In 1979 werd hij opgehangen na een dubieus proces. Onder Zia ul-haq, die kon rekenen op de financiële steun van Suadie-Arabië, werd Pakistan langzamerhand geïslamiseerd met de steun van organisaties als de Jamaat-i Islami (de regionale islamitische groep). In dat klimaat was het niet te verwonderen dat islamitische extremisten en hun vrijwilligers allerhande welkom waren in Pakistan om de Russen na hun invasie van eind '79 in Afghanistan te gaan bestrijden. Ondanks alle pogingen van de regering om de buitenlanders en hun militante activiteiten in te dijken is Pakistan nog altijd een broeinest van islamisten van alle slag en oorsprong. 3. Nationalisme niet langer godsdienstig maar wel etnisch gegrond Onder Ali Bhutto kwam er in de jaren '70 een einde aan de centrale rol van de mohajir-elite. In de staat Sind, waar Karachi ligt, kregen de Sindi de meerderheid. Het Bengaalse nationalisme leidde tot de afscheuring van Oost-Pakistan, wat nu Bangladesh is. Het nieuwe Pakistan werd gevormd rond de Pundjabi, de belangrijkste etnie van het vroegere westelijke Pakistan, en de elite van de uit India ingeweken moslims, de Mohajirs. De mohajir-identiteit werd meer benadrukt. Dit resulteerde in de oprichting van de Mohajir Qaumi Mahaz (MQM). Waar de MQM oorspronkelijk sterk de islamitische toer opgingen, nemen zij er nu afstand van. Zij willen de moslims vertegenwoordigen die uit India kwamen op etnische grond. Ze voeren ook een strijd tegen corruptie, werkloosheid en afbrokkeling van de sociale diensten, wat heel goed aanslaat in de krottenwijken van Karachi. In Pakistan zijn nog vele Modjaheddin gelegerd die achtergebleven zijn na de oorlog in Afghanistan. Ze vormen een haard van fundamentalisme dat zich langzaam maar zeker onder de Pakistaanse bevolking begint te verspreiden in heel extreme vormen. Zo kwam in maart jl. aan het licht dat 22 kinderen tussen de 8 en 14 jaar oud geketend werden vast gehouden in een islamitische religieuze school in Multan, provincie Punjab. Sommige ouders hadden betaald voor het vasthouden van hun kinderen. Enkele van de bevrijde kinderen zouden langer dan een jaar hebben vastgezeten. Bronnen: Internet

Hoofdstuk 9. HET ARABISCH SCHIEREILAND

1. Sponsor van fundamentalisten van alle slag Op het Arabisch schiereiland is de band tussen politiek en religie heel sterk. De Saudi's hebben op het schiereiland een rijk uitgebouwd dat zich beroept op een zeer strikte islam, het wahhabisme, dat gebaseerd is op de hanbalitische rechtsschool, de meest rigoureuze van de vier rechtsscholen binnen de soennitische islam. In de achttiende eeuw vatten de Saudi's het plan op om het hele schiereiland onder hun gezag te brengen. Ze gebruikten de islam voor hun doel. De wahhabitische ikhwans (broederschappen) zwermden uit onder leiding van de Saudi's om alle afgoderij en ketterij die de islam was binnengeslopen uit te roeien. Zo vernietigden ze in de negentiende eeuw de Iraakse heiligdommen van Nadjaf, waar Mohammeds schoonzoon Ali begraven ligt, en van Kerbala, waar Ali's zonen rusten. Mausolea en dodenverering, ook van naaste verwanten van de profeet druisen in tegen de wahhabitische leer. Maar de veroveraars kenden ook tegenslagen. Pas begin deze eeuw konden de Saudi's hun droom grotendeels waar maken. Met de verovering van het koninkrijk Hedjaz in 1925 werden ze meester van de heilige steden Mekka en Medina. Maar op een gegeven ogenblik duldden de Britten, die aanwezig waren aan de kusten van de Perzische Golf en de Indische oceaan, geen verdere opmars meer. Dit is de reden waarom Saudi-Arabië niet het gehele schiereiland beslaat. Zoals dikwijls verslond ook hier de revolutie haar eigen kinderen. Toen de ikhwans na de val van Medina en Mekka in Saudi-Arabië niet veel meer om handen hadden en dus des te meer tijd om na te denken, merkten ze dat de Saudi's eigenlijk religieus niet zo zuiver op de graat waren als ze zouden moeten zijn. Maar hun kritiek was overtrokken. De Saudi's waren en zijn nog steeds fundamentalisten (al willen ze zelf dit woord niet horen) ondanks de beruchte uitspattingen van prinsen en andere superrijke Saudi's ten gevolge van de olierijkdom. Als de behoeders van de heilige plaatsen en de bakermat van de islam zijn de Saudi's verplicht het goede voorbeeld te geven voor de hele islam-wereld. Met hun olierijkdom hebben de Saudi's niet alleen een belangrijke plaats in de wereldhandel (Saudi-Arabië bezit 25% van de totale oliereserve op aarde!) en de internationale politiek verworven, maar hierdoor kunnen ze ook talrijke fundamentalistische bewegingen financieel steunen in hun strijd voor islamitische staten. Bij de tweede golfoorlog hoopte de modernistische oppositie dat het conflict democratisering zou brengen. Maar enkele pogingen om dat proces in gang te zetten werden verijdeld. Ze hadden integendeel een verstrenging van het toepassen van de shari'a tot gevolg, ook voor westerlingen die in de olie-industrie werken. Volgens Amnesty International neemt het aantal executies in Saudi-Arabië onrustwekkend toe. In een rapport dat op 21 april '95 werd gepubliceerd meldt de groep dat toen al tenminste 90 mensen terechtgesteld werden. Begin juli was dat aantal al tot 100 opgelopen. In maart van dit jaar kondigde de grootmoefti, sjeik Abdel Aziz Ben Baz, het verbod af op schoenen met hoge hakken voor vrouwen. Hij verantwoordde het verbod als volgt: "Om te beginnen wekt een vrouw op hoge hakken de illuzie groot te zijn, daarnaast kan zij struikelen en vallen. Ten slotte zijn hoge hakken slecht voor de gezondheid, zoals artsen hebben aangetoond." Hij zit klaarblijkelijk erg in met de gezondheid van de Arabische vrouwen. Saudie-Arabië is altijd al fundamentalistisch geweest en zal het waarschijnlijk ook altijd blijven. Binnen de islamitische wereld speelt het een grote rol, wat de reden kan zijn voor toenemend fundamentalisme. Het bezit immers de heilige steden Medina en Mekka en door zijn olierijkdom neemt het in de wereld een belangrijke plaats in. Bronnen: Internet

Hoofdstuk 10. DE POSITIE VAN DE VROUW

1. De wereldvrouwenkonferentie verklaart het fundamentalisme de oorlog Op het vierde Vrouwenforum in september 1995 in Peking hebben verscheidene vrouwenorganisaties de oorlog verklaard aan religieuze fundamentalisten. Vrouwen werden opgeroepen om zich te verenigen om de godsdienstfanaten te bestrijden, wetten te veranderen en gelijke rechten te bekomen. "Religie is geen privé-aangelegenheid meer", klonk het. Iraanse vrouwen vinden dat vrouwen hun woede moeten koelen op het religieuze regime in Teheran. Iraanse vrouwen hebben immers geen recht op echtscheiding, enkel mannen kunnen die aanvragen. Mannen kunnen bovendien verscheidene vrouwen huwen voor het leven of voor een tijdje. Vrouwen mogen er bepaalde beroepen niet uitoefenen en zijn volgens de iraanse wet slechts de helft van een man waard.
2. Kalief Hadhrat Ahmaday aan het woord Toen kalief Hadhrat Ahmaday van de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap in 1983 een eerste historische reis door Australië maakte, werd hem de volgende vraag gesteld. "Kan u de islamitische visie op vrouwen duidelijk maken? Zijn ze evenwaardig aan mannen? Hoe ziet u de plaats die vrouwelijke gelovigen innemen? Hier volgt het betoog dat de kalief uit zijn mouw schudde en heel goed de positie van de vrouw schetst in fundamentalistische gemeenschappen. "Dit is een vraag die ik me ook dikwijls gesteld heb toen ik Westerse landen bezocht. De vrouwen van deze tijd geloven in de illusie dat ze de vrijheid veroverd en emancipatie bereikt hebben. Maar wat nu gebeurt in de naam van gelijkheid, is dat mannen de eer en de rechten van de vrouw met de voeten treden. De islam is geen godsdienst van mythen en slogans, maar één van realiteit. Er zijn bepaalde verschillen in de constitutie van man en vrouw, maar afgezien daarvan zijn ze nog niet gelijk omdat ze verschillend geschapen zijn. Het zou ongelooflijk naïef zijn om deze verschillen van constitutie, aard en gezichtspunt te negeren en te proberen om hen gelijk te behandelen. In elke samenleving is het de vrouw die kinderen draagt en daar kan niemand verandering in brengen. Dit betekent dat zij voor tenminste 9 maanden een veel grotere verantwoordelijkheid draagt tegenover de toekomst en de mensheid. Zij baart het kind, deelt haar eigen huid, bloed en beenderen , terwijl de man geen directe fysische verantwoordelijkheid draagt. Dus waarom zouden vrouwen op een zelfde manier behandeld worden? Waarom zouden vrouwen zwoegen in harde handenarbeid, waarvoor zij niet gemaakt zijn? Vrouwen zijn dierbare wezens en een bron van vreugde en schoonheid en ook van voldaanheid, tenminste wanneer zij in de familiale kring blijven en in een vrouwelijke gemeenschap. Dit is niet het geval wanneer zij deze structuren afbreken en onbedekt de straten opkomen. Dat is wat er in de rest van de wereld gebeurt en wat de Islam niet toelaat. De islam waarschuwt dat wanneer je vrouwen aanmoedigt, in naam van emancipatie en vrijheid, om openlijk hun schoonheid te tonen, ten prooi aan eenieder die hen bekijkt, je een ontevreden samenleving zal tot stand brengen. Er zal een grote vraag naar bevrediging komen, wat echter niet voor elke man is weggelegd. Elke man heeft zijn eigen slechte kanten, maar als hij ziet waarnaar hij verlangt in een mooie of pronkende vrouw, is het alsof hij de boodschap krijgt "Probeer me te krijgen met om het even welke middelen, op om het even welke manier. Doe het en ik zal alles doen wat je van me vraagt, als je mij tenminste kan geven waarnaar ik verlang, waarin ik geïnteresseerd ben." Dit heeft als gevolg dat het gedrag van de man in de verkeerde richting wordt gestuurd. daarenboven gaat de vrouw haar interesse verliezen voor haar gezin, haar kinderen en haar echtgenoot. Ze zal plezier zoeken op een ander, ze wil bewonderd worden door hen die hun verantwoordelijkheid niet opnemen. Ik wil ook wijzen op een psychologische factor die niet uit het oog mag verloren worden. Wanneer een vrouw heel bevallig en opgemaakt naar buiten komt en iedereens aandacht trekt, kunnen andere mannen haar bewonderen en prijzen om haar wel verzorgde uiterlijk en schoonheid. Ze proberen haar te verleiden, terwijl haar echtgenoot niet de hele tijd dezelfde aandacht aan haar kan besteden. Hij heeft immers een vele andere verantwoordelijkheden tegenover haar, terwijl andere mannen die niet hebben. Bovendien is zij voor haar man een gewone dagelijkse aanwezigheid. Hij mag haar niet te veel complimentjes geven, anders zou ze denken dat hij geen aandacht meer voor haar had. Ze zou denken dat haar man minder was dan de anderen, die haar wel prijzen. Zo komt er meer en meer ontevredenheid in die verwesterde samenlevingen. Zulke onverantwoordelijke samenlevingen brengen een onverantwoordelijk gedrag met zich mee. Dat gebeurt nu in Amerika, Australië en Europa en het is te laat om terug te keren. Het is dan helemaal niet verwonderlijk dat 30% van de Amerikaanse kinderen onwettig geboren wordt, en dat in de naam van vrijheid voor vrouwen. Maar dat is geen enkel probleem voor de Amerikanen. De islam scheidt man en vrouw voor hun eigen goed, om over het geluk van beiden te waken. Maar deze scheiding betekent niet dat de vrouw minderwaardig zou zijn. Vele vrouwen verkiezen gekleed te gaan in een traditioneel, ouderwets zwart kleed. Sommige mensen hebben daar medelijden mee, vinden dat ze gevangenen zijn, beroofd van hun vrijheid. Maar zij zijn heel gelukkig en tevreden. Binnen de familie heerst er een sterke band. Daarbuiten worden de betrekkingen op een gewenst niveau gehouden. De vrouwen halen hun geluk en tevredenheid uit een nauwe band met hun echtgenoot en hun familieleden. Zij besteden meer aandacht aan de kinderen en de familie dan in enige andere kultuur. Het huidige sexuele gedrag in de westerse samenlevingen is in feite genieten ten koste van een ander. Maar de ijdele genieter zal uiteindelijk altijd de terugslag krijgen. Ik ben er geheel van overtuigd dat het islamitische sociale systeem de vrouw niet neerbuigend, maar integendeel, met alle respect behandeld. Het waakt over haar rechten en het wil haar gelukkiger maken in haar thuis om haar verantwoordelijkheid daar vast te leggen. De Islam legt een zeker deel van de verantwoordelijkheid bij de man. Hij moet geld verdienen en in de noden van de kinderen voorzien. De vrouw moet daar alleen maar haar steentje toe bijdragen als er een nationale nood is. In alle andere gevallen is dat de taak van de man. Wij moeten de vrouw met liefde en respect behandelen zoals dat voorgeschreven wordt in de Heilige Prophetsa van de islam: vrouwen zijn als kristal. Die zegt ook dat de vrouw de grotere last draagt in het leven. Ze is geen speelgoed om de man te vermaken en daarna opzij geschoven te worden. Ze moet met respect behandeld worden en ze moet de plaats gegeven worden die ze verdient. Vanuit mijn persoonlijke ervaring en vanuit die van Moslimvrouwen kan ik verzekeren dat zij niet ongelukkiger zijn dan de vrouwen in enige andere samenleving." Bronnen: Internet 3. De vrouw in Pakistan In de Pakistaanse grondwet worden aan mannen en vrouwen gelijke rechten toegekend en is discriminatie op grond van geslacht verboden. Maar de shari'a waaraan sinds 1979 alle wetten getoetst dienen te worden legitimeert juist de ongelijkheid van man en vrouw. De koran kent de vrouw een ondergeschikte rol toe; maar in Pakistan is het minstens zo belangrijk dat generaties van mannelijke religieuze leiders de islam volgens patriarchale principes hebben uitgelegd. Zo erft een zoon er nog altijd twee maal zo veel als een dochter en hebben mannen het recht hun vrouw te verstoten. Het sociale systeem bepaald in belangrijke mate het leven van de Pakistaanse vrouwen. Zo heersen in de kleinere provincies strikte gedragscodes; de geringste afwijking hiervan heeft desastreuze gevolgen. Een gesprek met iemand van de andere sexe die niet de echtgenoot is heeft bijna zeker de dood van beiden tot gevolg. In die streken heeft de vrouw niets te zeggen over haar eigen leven en eenmaal getrouwd is ze de eigendom van de familie van haar echtgenoot. Als de bruidsprijs voor haar betaald is kan ze niet meer terug, noch gescheiden, noch als weduwe. In sommige delen van Pakistan wordt de purdah ( letterlijk: gordijn), de strikte segregatie en de sluiering van de vrouw nog heel streng gehandhaafd. Meisjes ouder dan 6 jaar ziet men er nog zelden buitenshuis en binnen leven mannen en vrouwen in aparte vertrekken. Wanneer een volwassen vrouw zich toch buitenshuis vertoond; hult ze zich altijd in een burqa, een zwaar kleed dat het lichaam van top tot teen bedekt en alleen een venstertje voor de ogen vrijlaat. Maar de normen zijn niet overal even strikt. In dichtbevolkte gebieden onderhouden de vrouwen wel de band met hun eigen familie. Bronnen: Internet

Hoofdstuk 11. ISLAMITISCH FUNDAMENTALISME EN DE ARBEIDERSPARTIJEN

Nergens in de wereld is de strijd tussen de democratische arbeiderspartijen en de religieuze fanatici zo fel en duidelijk als in de Arabische Maghreb, de landen van Noord-Afrika. De arbeiderspartijen hebben zich al verscheidene keren openlijk tegen de fundamentalistische bewegingen uitgesproken. Zo verwierp de USTMA (Union Syndicale des Travailleurs du Maghreb Arabe), de regionale vakvereniging voor arbeiders van de Arabische Maghreb, op een bijeenkomst vorig jaar alle vormen van fundamentalisme, extremisme en onverdraagzaamheid als een bedreiging voor de democratie. Verder maakt de USTMA-leider de antithesis duidelijk die er bestaat tussen islamitisch fundamentalisme en de democratische vakbond. De USTMA is niet de enige internationale vakbond die zich openlijk heeft uitgesproken tegen Islamitisch fundamentalisme. De Afrikaanse organisatie (Afro) voor de Internationale Confederatie van Vrije Vakbonden (ICFTU) heeft gewaarschuwd voor de gevaren van religieus fundamentalisme dat naar ernstige inbreuken kan leiden op de mensenrechten en op de rechten van de vrije vakbonden. De secretaris generaal van de UST Niger, Ibrahim Mayaki, spoort aan om de verspreiding van het fundamentalisme in te dijken. Want, zo zegt hij, vrouwen kunnen al niet meer zeggen wat ze denken, ze mogen niet samenkomen, ze mogen zich niet meer kleden en uitdrukken zoals vroeger. Volgens een USTMA-lid is het moslimfundamentalisme een extreme beweging wiens ongecontroleerde opkomst in de laatste jaren gekenmerkt is door haar officiële en publieke doel om de macht over te nemen met om het even welke middelen. Hoewel de beweging gebruik maakt van het democratische systeem, bevestigt ze dat democratie niet thuis hoort in haar traditie, sterker nog ze beweert dat het ketterij is. Hij geeft toe dat de Maghreb over het droeve privilege beschikt de enige politieke partij te hebben voortgebracht die het niet onder tafel en stoelen steekt dat ze de samenleving 14 eeuwen terug willen voeren. Hij merkt op dat de islamitische fundamentalisten aanhangers hebben onder cultureel totaal verschillende volken, zoals Indonesiërs, Turken, Iraniërs en Algerijnen. Zij zien deze volken als een natie die ééngemaakt moet worden, met geweld als dat nodig zou zijn, in een theocratische staat. Ze willen de huidige grenzen niet erkennen. De geschiedenis van de Maghreb vakbonden was vrij van enige religieuze invloed, ook in Algerije, Tunesië en Marokko. De vakbonden hebben altijd modernisatie gesteund. Zij vroegen om vrijheid voor de vrouwen en steunden de creatie van een universeel en geseculariseerd onderwijssysteem voor jongens én meisjes. De opkomst van het islamitisch extremisme in 1980 stond ver af van de democratische vakbonden. De fundamentalisten zijn er nooit in geslaagd om binnen te dringen in de vakbonden. Gefrustreerd door hun mislukte pogingen trachtten ze een eigen fundamentalistische vakbond op te richten in Algerije, zonder succes. Ze zetten misdadigers aan het werk. Op hun CV staan o.a. een moordpoging op de secretaris-generaal van de UGTA, moorden op verschillende vakbondsleden, doodsbedreigingen aan het adres van de secretaris-generaal van de UGTT en andere Tunesische vakbondsleiders. Volgens Mohammed Amami van de USTMA is het democratische systeem van de vakbonden ondoordringbaar voor een theocratische samenleving zoals die door de fundamentalisten gepropageerd wordt, die de idee van alle democratische waarden negeert. Er is een totale tegenstelling tussen het democratische project van de vakbonden en het theocratische project van de fundamentalistische partij. Het bouwen aan democratie betekent voor de vakbonden het hereiken van de traditionele waardenverdeling. Deze waarden stonden de mensen niet toe meesters te zijn van hun eigen lot, meent Amami. Ze centraliseerden macht en autoriteit en verheerlijkten de ongelijkheid en discriminatie tussen mannen en vrouwen. De vakbonden willen deze discriminatie laten verdwijnen en ze bepleiten de democratie. De fundamentalistische partij streeft het omgekeerde na. Ze willen de oude waarden nog verstrakken, de vrouwen in een nog meer onderdanige positie drukken. Ze willen de huidige problemen oplossen door wetten van 14 eeuwen geleden ( de bloeiperiode van de Islam) terug in te voeren. De Palestijnse DWRC (Democracy and Workers Rights Center) veroordeelde een brutale aanslag op een Israëlische bus begin 95. Maar deze openlijke veroordeling sluit niet uit dat ze een dialoog willen voeren .Ze proberen Hamas, de grootste fundamentalistische partij op de westelijke Jordaanoever, te betrekken in een trainings- en opleidingsprogramma voor de arbeiders die de onderlinge verstandhouding moet bevorderen. Bronnen: Internet

Besluit

In feite zijn het militante fundamentalisme en islamisme een verdere stap in de dekolonisatie. Daarvoor hoeven die landen, zoals in Turkije, Iran en Saudie-Arabië het geval is, niet echt gekoloniseerd te zijn geweest. Het feit dat ze sterk aanleunden bij het Westen en dat in de eerste twee vernoemde landen het westers model met harde hand ingevoerd werd, was voldoende om sterke reacties bij bepaalde groepen van de bevolking uit te lokken. Anderzijds is het tegen de buitenlanders gerichte offensief van de GIA en andere gewapende groepen in Algerije een mooi voorbeeld van het proces van de dekolonisatie. Vooral Fransen en journalisten zijn er het mikpunt van hun aanslagen, omdat zij de regering steunen in hun westers gerichte bewind. Ook is het zo dat een godsdienst nogal eens de neiging heeft onverdraagzamer te worden naarmate hij sterker wordt. Denk maar aan de inquisitie, aan de ketter- en heksenvervolging in de Middeleeuwen, toen het Europese katholicisme op zijn sterkst stond. Dit verdween pas toen de verlichte vorsten de Kerk eeuwen later verdraagzaamheid oplegden. In dit opzicht verschilt de bloedige Islamitische Revolutie in Iran niet zoveel van de inquisitie. In wezen volgt de islam dezelfde evolutie als het christendom eeuwen geleden en als alle andere wereldgodsdiensten. De islamitische identiteit is op zichzelf al enigszins fundamentalistisch. Dit komt voornamelijk doordat de geleerden rond 900 na Christus besloten dat de wet niet meer veranderd kon worden. Modernistische moslims trachten al jaren vergeefs daar verandering in te brengen. Volgens mij ligt in dit laatste gegeven het eindpunt van de fundamentalistische islam. In deze richting kan men onmogelijk blijven doorgaan. Uiteindelijk zal men de wetten toch moeten aanpassen aan de tijdsgeest, of het fundamentalisme zal zichzelf de das omdoen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.