ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis
Inleiding
Met de aanvoer van Hindoestaanse contractarbeiders uit Brits-Indië begon een van de meest belangrijke immigraties voor Suriname. Na de afschaffing van de slavernij waren de Hindoestanen van groot belang voor de plantages. Het gat van de weggetrokken slaven moest immers gevuld worden.
Op 5 juni 1873 arriveerde het eerste zeilschip met Hindoestanen in Suriname, genaamd de “Lala Rookh”. Aan boord bevonden zich 399 personen. Hierna werden nog vele malen Hindoestanen naar Suriname gehaald. Tot 1926 werden circa 34.304 contractanten naar Suriname gehaald. Elk van deze contractanten diende vijf jaar op de plantage te werken, en waren daarna vrij om naar India terug te keren. Van deze contractanten zijn maar 11.512 teruggekeerd naar India. Dat wil zeggen dat tweederde deel in Suriname is gebleven.
In de eerste periode was het moeilijk voor de Hindoestanen om zich aan te passen, gezien de andere taal en cultuur. Zodoende traden de Hindoestanen vaak in sociaal isolement. Ondanks dat waren de Hindoestanen onontbeerlijk voor de plantage landbouw geworden en bond de overheid ze ook na hun contract periode ook aan de landbouw. Later trokken de kleinhandel en de ambacht ook de aandacht van de Hindoestanen.
Als we kijken naar de periode tussen 1900 en 1945 hebben de Hindoestanen zich op vele gebieden sterk ontwikkeld. Ten eerste hebben ze zich op sociaal gebeid ontwikkeld tot echte Surinamers. Veel geschoolde krachten zoals artsen, en advocaten zijn van Hindoestaanse afkomst. Ook op economisch gebied zijn de Hindoestanen niet stil blijven zitten. Veel bedrijven vandaag de dag zijn onder leiding van Hindoestanen.
In dit werkstuk zal ik daarom onderzoeken:
    Wat de oorzaken geweest zijn dat de Hindoestanen zich zo sterk ontwikkeld hebben in een vreemd land, met een vreemde taal, en vreemde culturen.
    Wat de ontwikkelingen waren van de Hindoestanen op economisch gebied.
    De ontwikkelingen van de Hindoestanen binnen het onderwijs.
    De ontwikkelingen van de verschillende godsdiensten onder de Hindoestanen.
    De ontwikkelingen van het Hindoestaanse gezin.
    Wat de positie van de vrouw was binnen het Hindoestaans gezin.
    De ontwikkeling van de taal binnen de Hindoestaanse samenleving.

Er is gekozen voor de periode 1900-1945 omdat +/- 1900 de slavernij al afgeschaft was en de Hindoestanen de plaats van de slaven hadden overgenomen. De periode na 1945 geeft ook nieuwe ontwikkelingen weer. De 2e Wereld Oorlog was afgelopen en er vonden toen nieuwe sociaal economische en politieke ontwikkelingen plaats in Suriname.

Oorzaken van de sociaal economische ontwikkelingen van de Hindoestanen in Suriname

Met de aanvoer van Hindoestaanse contractarbeiders uit Brits-Indië begon een van de meest belangrijke immigraties voor Suriname. Na de afschaffing van de slavernij waren de Hindoestanen van groot belang voor de plantages. Het gat van de weggetrokken slaven moest immers gevuld worden.
De Hindoestanen tekende een contract voor 5 jaren. Ze waren verplicht 5 jaar op de plantage te werken, 6 dagen per week, 7 uren per dag op het veld, of 10 uren per dag in de fabriek. De voorzieningen waren vaak heel slecht, vooral in de eerste paar jaren. Medische zorg was er nauwelijks, huisvesting was slecht, lonen waren laag. Als de contractperiode van 5 jaar achter de rug was, waren de contractanten vrij om weer terug naar India te keren. Daarvoor hoefde ze niets te betalen. Toch is ongeveer 60% van ze in Suriname gebleven. Zij hebben zich ontwikkeld tot een van de grootste bevolkinggroepen van Suriname. Vanaf de contract periode was afgelopen hebben ze zich sterk ontwikkeld op onder andere sociaal economisch gebied. In dit hoofdstuk zal behandeld worden wat de oorzaken waren dat de Hindoestanen toch gekozen hebben om zich in Suriname te vestigen, en zich te ontwikkelen.
Een van de meest voor de hand liggende redenen van vestiging in Suriname is het aangename klimaat. De Hindoestanen die als contractarbeiders naar Suriname kwamen waren afkomstig uit India. Het klimaat van India komt ongeveer overeen met het klimaat van Suriname. De manier van wonen en kleden was helemaal afgestemd op een zonnig klimaat. Bij vestiging in Europa, of andere koude streken van de wereld zou het toch wat moeilijker zijn om te wennen. Ook de leefgewoontes zoals baden zouden moeilijk zijn in koude landen.
Maar niet alleen voor woonomstandigheden was het klimaat gunstig, ook voor hun bestaanswijze was het gunstig. De Hindoestanen waren primair op het land bezig. Voor de landbouw is een tropisch klimaat natuurlijk uitstekend. Je kunt alles planten wat je wilt, en je bent niet aan seizoenen gebonden.
De primaire godsdienst van de Hindoestanen is het Hindoeïsme. Het Hindoeïsme kent het kastenstelsel. Er bestonden mensen uit hoge kasten, dit waren meestal intellectuelen, of lichte Hindoestanen. En zo had je verschillende klasse van Hindoestanen, tot de lage kaste, dit waren de donkere Hindoestanen. Als je iemand tegenkwam van een lage kaste keek je neer op zo’n persoon. Zo werden mensen uit de lagere kasten erg gediscrimineerd. Overal waar ze kwamen werden ze beledigd, weggedrukt, ze konden geen goede manier van bestaan vinden. Veel van deze mensen zijn naar Suriname vertrokken, op zoek naar een nieuw leven. Suriname was daar de ideale plaats voor. Hier was iedereen hetzelfde, ook al was je van de hoogste kaste, je diende hetzelfde werk te doen als je buurman. Uit iemand achternaam kan je weten tot welke kaste hij behoord. Bij aankomst in Suriname werden de Hindoestanen in de gelegenheid gesteld zelf hun naam door te geven. Zodoende hebben heel wat Hindoestanen een andere achternaam doorgegeven, en zijn in een andere kaste terecht gekomen.
Voor mensen uit een lage kaste was de terugreis naar India een reis naar het verleden. Een reis naar discriminatie en ongelijkheid. In Suriname hadden ze de gelegenheid om zich te ontwikkelen, en om een goede manier van bestaan te creëren voor hen en hun toekomstige kinderen.
Kinderen van mensen uit lage kaste werden vanzelf ook van lage kaste, je kon niets doen om hogerop te komen. Besloten de contractanten toch om naar India terug te keren, dan wachtte hun kinderen hetzelfde lot. En zouden ze generatie op generatie gediscrimineerd worden.
Later deed het kastenstelsel in geringe mate ook in Suriname weer zijn toetrede. Maar dit was maar voor een klein deel van de Hindoestanen. Onderling werd er op elkaar neer gekeken, maar dit stelde weinig voor ten opzichte van India.
Suriname is een land waar verschillende culturen voorkomen, men zegt ook wel een multiculturele samenleving. Dat was voor de komst van de Hindoestanen ook al zo. In tegenstelling tot sommige landen van de wereld staat de overheid dit toe. Met de komst van de Hindoestanen kwamen ook zij met hun eigen cultuur, normen en waarden. De Hindoestanen waren niet verplicht om van godsdienst of gewoonte te veranderen. Wel werden de godsdiensten als heidens gezien. In die tijd was het christendom de hoofdgodsdienst. Naarmate de jaren verstreken kwam hier wel verandering in. Dit was positief voor de keuze om zich in Suriname te vestigen.
Gedurende de vijf jaar dat de emigranten in de kolonie verbleven hebben velen zich thuis gemaakt. Ze hebben kennissen gemaakt, sommige zelfs families gesticht. Anderen waren al hier met hun hele familie. Om al deze dingen achter te laten was toch wel jammer. Vijf jaar is een lange periode, het zou moeilijker zijn om weer te wennen aan India, dan te blijven in Suriname. De overheid kwam de Hindoestanen immers ook tegemoet en bood ze zekerheid, dus waarom zouden ze terug gaan naar India.
Bij de komst van de contactanten uit India kwamen natuurlijk ook vrouwen mee. Maar het aantal vrouwen dat de reis maakte was erg gering. Hierdoor komt het dat vooral in de eerste jaren van de contractperiode er zeer weinig Hindoestaanse vrouwen in Suriname. Je kunt zeggen dat de vrouwen schaars waren geworden. Net zoals in de economie, als iets schaars is, heeft het erg veel waarde. De vrouwen werden erg gewaardeerd deze tijd. Elke man deed zijn uiterste best om eentje te krijgen, ook al was ze nog zo lelijk. Zo ontstonden ook situaties waar een vrouw met meerdere mannen tegelijk ging. Deze vrouwen in Suriname hadden het natuurlijk heel erg naar hun zin in Suriname. Voor hen was het natuurlijk echt niet nodig om naar India terug te gaan waar ze als minderwaardig worden gezien.
De Hindoestanen die naar Suriname kwamen waren van de oude garde. Zaken als trots en macht betekende heel veel voor hen. Ze waren van mening dat grondbezit stond voor macht en trots. Hoe meer grond je bezat hoe meer macht en trots je had. Mensen keken naar je op. Zodoende was het streven van de Hindoestanen om zoveel mogelijk land in bezit te krijgen. Het hoefde niet speciaal in hetzelfde gebeid te zijn. Sommige van ze gingen ver weg, soms Nickerie, Saramaca, om daar land te verkrijgen. Ze zette kleine ondernemingen op, om hun trots te vergroten. Zo was het streven naar trots en macht tegelijkertijd een manier van welvaart en ontwikkeling. Niet alleen voor hun, maar ook voor Suriname. De ontwikkeling van de Hindoestanen gaat parallel met de ontwikkeling van Suriname. De opbrengsten van de boer komt het land ten goede.
De Hindoestanen waren goede investeerders. Ze zorgde er altijd voor dat ze hun schaapjes op het droge hadden. Het belangrijkste voor ze was dat er genoeg geld in het laatje was. Dit is natuurlijk goed voor de ontwikkeling van het land. Ze maakte zich niet zo druk om hoe hun woning eruit zag, of wat voor kleren ze droegen. Het belangrijkste was dat er genoeg geld was. Er moest alles aan gedaan worden om zoveel mogelijk geld in het laatje te brengen. De kinderen werden vaak vroeg al geleerd wat hun taak was in het bedrijf. Vaak was de hele familie aan het werken, en alles werd gespaard. Zo investeerde ze op den duur weer in een lap grond, en zo werden steeds hogere winsten gemaakt. De economie was voor de Hindoestanen het belangrijkste, daarna volgde de rest. Dit heeft geleid tot ontwikkeling van zowel de Hindoestanen, als van geheel Suriname.

Van contractarbeider naar klein landbouwer

Inleiding

Het feit dat de Hindoestanen zo een belangrijke plaats hebben ingenomen in de ontwikkeling van de landbouw in Suriname is niet van de een op de andere dag gekomen, het is een reeks van op elkaar aangesloten gebeurtenissen die ertoe hebben geleid. Om goed te begrijpen hoe de Hindoestaan zich als klein landbouwer zich in Suriname heeft ontwikkeld moet de geschiedenis van de kolonie Suriname geraadpleegd worden. In dit hoofdstuk zal ter sprake komen welke fasen de landbouw heeft doorgaan voordat de noodzaak er was om hulp uit het buitenland te halen. Ook zal ter sprake komen hoe de economische ontwikkelingen van de Hindoestanen hebben geleid tot de opkomst van de klein landbouw.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 20)

Plantage landbouw

De geschiedenis van de permanente landbouw in Suriname begint bij de plantage landbouw omstreeks 1650. Er werden slaven uit voornamelijk West-Afrika naar Suriname gebracht om als slaaf op een plantage te werken. Omstreeks 1770 bereikte deze periode zijn piek met 500 plantages. Op deze plantages werden voornamelijk katoen, koffie, suiker, en cacao geproduceerd. Het waren deze plantages die de voornaamste inkomsten bron voor Suriname waren.
Na de crisis op de Amsterdamse beurs in 1773 kwamen veel plantages in bezit van schuldeisers in het buitenland. Deze periode wordt gekenmerkt door het absenteïsme. De schuldeisers stuurden onervaren krachten om de plantages te draaien. Ze hadden geen ervaring in het draaien van een plantage, dit was natuurlijk een slechte zaak.
De kolonie in handen van de WIC (West-Indische Compagnie). De WIC zette de aanvoer van slaven stop. Vanaf deze periode ging het natuurlijk bergafwaarts met de plantages. De slaven waren slecht behandeld, en vluchtte weg van de plantages. In 1792 ging de WIC failliet, en kwam de kolonie in handen van de Engelsen. De Engelsen zette de aanvoer van slaven weer op gang, en zo ook de economie. Na de teruggave aan Nederland in 1816 zette de achteruitgang van de kolonie weer voort. Veel plantages werden opgedoekt. Heel wat slaven vluchtte weg deze periode, en na afschaffing van de slavernij (1863) waren er van de 350.00 slaven maar 17.000 over op de plantages. In 1900 was dit aantal 1.000 arbeiders.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 20)

Opkomst van de klein landbouw

Al voor de emancipatie in 1863 waren er een aantal pogingen gedaan tot klein landbouw. In 1845 vestigde een aantal Nederlanders zich in Saramaca, deze hadden weinig succes. In 1853 arriveerde een aantal Chinese zich, maar ook zij slaagde niet.
Op 8 september 1870 sloten Engeland en Nederland een traktaat waarbij de Nederlandse regering het recht kreeg arbeiders te werven van voormalig Brits-Indië naar de Kolonie Suriname. In 1873 begon men. De contractanten werden tewerk gesteld op verschillende plantages. De faciliteiten die tijd waren erbarmelijk slecht, hierdoor was het sterftecijfer erg hoog.
De contract periode was niet een stille periode. Er meerdere malen opstanden geweest. Deze opstanden waren vaak voor verbetering van de leefomstandigheden, of verhoging van de lonen. Sommige plantage eigenaren hadden nog een mentaliteit van de slavenperiode. Dit koste ook vaak voor opstanden, waar soms zelfs de autoriteiten moesten inspringen. De taalbarrière zorgde ook soms voor problemen onderling.

Geleidelijk aan kwam er verbetering in de situatie, hierdoor kwam het ook dat de vestiging in Suriname een keuze werd. als hun contract periode van 5 jaar achter de rug was konden de vrije arbeiders kiezen om:
     Geheel kosteloos terug te keren naar India
     Hun contract te verlengen met nog eens vijf jaar
     Zich blijven vestigen in Suriname als klein landbouwer, met behoud van hun recht op vrije terugkeer
Ruim 60% koos ervoor om in Suriname te blijven en zich te vestigen als klein landbouwer. Een klein deel van de mensen die na hun contractperiode naar India zijn vertrokken zijn zelfs weer teruggekomen naar Suriname om zich toch als landbouwer te vestigen.
De overheid kocht een aantal in verval geraakte plantages op. Deze werden verdeelde deze plantages in stukken grond van 2 ha groot. De stukken land werden aan de voormalige contractanten in huur afgegeven. Het streven van de overheid was om de stukken grond zo dicht bij in werking zijnde plantages te verkrijgen. Hierdoor konden de voormalige contactanten makkelijk als bijverdient bij de plantage werken. De reden waarom de overheid speciaal gekozen heeft voor lappen grond van 2 ha is omdat de boer dan genoeg tijd heeft om op zijn eigen land te werken, en als hij klaar was met zijn werk, op de plantage te werken. De Hindoestanen hadden vaak grote gezinnen (“jointfamilie”). Om al deze monden te voeden moest hard gewerkt worden. Een baan was vaak niet genoeg om het hele gezin in onderhoud te voorzien. We zien zo dat de overheid de Hindoestanen niet belemmerd heeft in hun streven naar sociaal economische ontwikkeling.
Het streven naar economische welvaart is de belangrijkste reden waarom men op zoek ging naar locaties buiten de vestiging om.
In deze periode was het opvallend hoeveel Hindoestanen percelen buiten hun eigen stuk grond gingen zoeken. Het was zo dat deze niet gewoon aan een ieder verkocht werden. Ze konden wel verkregen worden maar dan op basis van huur. Voor veel van hen was
dit niet een reden om af te schrikken. Voor veel van de gezinnen was de beschikbare oppervlakte te klein. Hierdoor hadden ze grotere stukken grond nodig om in hun behoeften te voorzien. Ook het bezitten van een groot stuk land speelde een grote rol bij de Hindoestanen. Hoe groter hun grondbezit, hoe meer trots.
Dit streven werd zelfs zo erg dat men veel grotere percelen huurt dan de 2 ha die ze bezitten. Sommige hadden zelfs meerdere percelen in huur. Het stukje grond van 2 ha wat ze hadden gekregen beschouwden ze alleen als woonerf, en werken op andere gronden.
De voortdurende aanvoer van nieuwe contracten, en de afname van mensen die terugkeerden naar India zorgde ervoor dat er steeds meer vestigingsplaatsen nodig waren. De infrastructuur op de vestigingsplaatsen was redelijk goed. Alleen ontbraken de voormalige contractanten de middelen om grote lappen land te ontginnen. Ze hadden vaak niet genoeg geld ervoor. Het was ook heel intensief werk om een groot land te ontginnen. Maar ondanks dat neemt de productie vande klein landbouw aanzienlijk toe in de eerste helft van de twintigste eeuw.
In de vijf jaren dat de boeren als contractant hebben gewerkt hebben ze heel wat ervaring opgedaan. Bijvoorbeeld het planten en oogsten van groeten en gewassen. Het is daarom dat men op de eerste kostgrondjes waar Hindoestanen zich vestigden men voornamelijk diverse groetensoorten aantrof. Ook werden bananen en bacoven geteeld. Melkvee werd ook gehouden, dit alles werd geleverd aan de stad. Het dicht bij Paramaribo gelegen Livorno werd vroeg al een belangrijke leverancier van melk, groenten, en aardvruchten.  Waar er afzet voor was werd door de Hindoestanen ook aandacht besteed aan de teelt van kokospalmen, sinaasappelen, en andere vruchtbomen.
In deze tijd dachten de boeren ook aan een economische zekerheid voor later. Daarom gingen ze met hun oogsten ook de markt op, en gebruikten het niet alleen voor zelf voorziening.
Omstreeks 1907 is er plotseling een verandering in de teeltkeuze. Deze teeltkeuze ontstond vooral bij de Hindoestanen en de Javanen. We zien dat in Suriname het traditionele voedingspatroon van Azië word overgenomen. Dit traditioneel voedingspatroon had rijst als hoofdvoedsel. We zien dat er een ziekte heerst bij de cacao productie, de krulottenziekte. Ook dalen de prijzen aanzienlijk van cacao op de markt. Deze redenen versterken de overstap op de teelt van rijst.
De overheid zag het anders. Ze legde juist het accent op de teelt van cacao en koffie, en wilde juist in plaats van investeren in de rijstteelt juist investeren in de bestrijding van de krulottenziekte. Ook wilde de overheid investeren in de bacoven export. Maar ook daar heerste een ziekte, de panamaziekte. Hierdoor kwam er van het voornemen weinig terecht. Er werd wel aan de bacoven teelt gedaan, maar op kleine schaal. Dit was meer gericht op de stadsbevolking, omdat die steeds toenam. Met de afname van de bacoven cultuur werd het accent nu gelegd op de teelt van citrus voor de export. Dit schijnt goed te gaan, de eerste proefzendingen vonden plaatst in 1907 en 1914.
Zo zie je dat de Hindoestanen zich niet alleen wilde houden aan de traditionele gewassen. Ze hebben alles geteeld wat de overheid ze voorhield. Voor de Hindoestanen was een ding belangrijk, hun economische behoeften moesten bevredigd worden. als de overheid ze tegemoet kwam konden ze afwijken van hun traditionele gewassen.
In de begin jaren dertig was er een crisis op de economische wereldmarkt. Deze crisis was voor veel plantages de nekslag. Gelukkig was het beeld van de landbouw is Suriname al helemaal veranderd. Suriname was geen plantage landbouw kolonie meer, maar een klein landbouw kolonie. Verdere ontplooiing van de landbouwsector ziet men pas na de 2e wereld oorlog.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 22)
Achtereenvolgens werden de volgende vestigingsplaatsen opengesteld:
Jaar    Plaatst    oppervlakte    mensen
1901    Laarwijk    238    239
1903    Nieuw Waldeck    156    276
1903    Hecht en Sterk    214    310
1904    Johan en Margaretha    249    625
1904    Kroonenburg    973    1280
1904    Livorno    490    897
1905    Lelydorp    2678    2266
1906    Saramaccapolder    2103    2322
1913    Frederiksburg    191    243
1914    Groningen    164    199
1916    Meerzorg    565    1013
1916    reynsdorp    300    268

Ontwikkeling van de Hindoestanen in en door het onderwijs

De eerste immigranten die naar Suriname kwamen hadden maar een doel voor ogen. Zoveel mogelijk verdienen, en dan zo snel mogelijk weer naar India, dat was vijf jaren. Deze groep van contract arbeiders hadden geen behoefte aan onderwijs. Onderwijs werd immers in het Nederlands gegeven en daar hadden ze niets aan. Gedurende die vijf jaren hebben heel wat contractanten gezinnen gesticht, kennissen gemaakt, en wilden langer hier in Suriname blijven.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 90, 153)
De Hindoestanen die besloten te blijven moesten zich weten te handhaven en te ontwikkelen in een land met zoveel volken, talen, en godsdiensten. Als ze dit niet zouden doen zouden ze nooit vooruit kunnen komen, en hun doel was immers om hun levensstandaard te verbeteren. Voor deze verbetering werd het hele gezin vaak ingezet, om zoveel mogelijk opbrengsten te maken. Het is dan vanzelfsprekend dat ze daarom geen interesse hadden voor het onderwijs in Suriname. Het leverde immers geen geld op. Voor deze groep was het veel belangrijker om zich aan te passen in de samenleving, en proberen te integreren. Het onderwijs in Suriname was westers, en de Hindoestanen wilde niets weten van westerse dingen. Ze waren meer gesteld op de behoud van hun eigen waarden, normen, en leefgewoontes. Er waren ook geen, of heel weinig, scholen in de districten. Dit maakte het nog moeilijker voor de Hindoestanen om mee te participeren in het onderwijs. Er speelde nog iets wat de Hindoestaanse jongeren weerhield van het genieten van onderwijs. De kinderen van tien tot vijftien jaar waren contractueel verplicht arbeid te verrichten op het land. Vaak werden de kleintjes ook meegesleurd om op het land te werken, ze hielpen vader dan met kleine jobs. Dit was volgens de wet niet verboden. Voor de wat grotere meisjes was het onderwijs helemaal uit den boze. Hier kwamen ze in contact met jongens van allerlei volken, hier kon nooit iets goeds uit komen.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 153)
Er werd leerplicht ingevoerd voor kinderen van immigranten. Maar toch gingen ze niet of nauwelijks naar school. Later probeerde men de samenleving te vernederlandsen, maar ook hier deden de Hindoestanen niet aan mee. Het gouvernement meende dat je Hindoestaanse kinderen niet kon dwingen Nederlands te spreken. Hierdoor bleven veel kinderen thuis. De meisjes werden in het huishouden ingezet, en de jongens op het land. De kinderen zouden alleen naar school willen gaan als ze ervoor betaald zouden worden. dit was erg slecht voor de integratie. De enige plek waar de Hindoestanen andere ontmoeten was op het werk. Dit waren meestal andere Hindoestanen of ex-slaven. Het integreren werd hierdoor erg belemmerd. Toch was de overheid vastberaden om zich de concentreren op de groep Hindoestanen die al aanwezig waren. de overheid wilde ervoor zorgen dat ze zich goed konden integreren en mee participeren in de samenleving. Het laten overkomen van steeds nieuwe immigranten kostte aanzienlijk veel geld, dus het was beter om te behouden wat er was.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 90)
Om het schoolbezoek te bevorderen werd in 1890 door gouverneur Lohmann een nieuw schooltype geïntroduceerd in de samenleving, de koeliescholen. Men wist dat het onderwijs de beste manier was voor de Hindoestanen om zich thuis te voelen in dit land. Zo kwamen ze in contact met hun medemens. De lessen werden verzorgt in hun landstalen. De boeken werden speciaal uit India gehaald. Deze scholen bevonden zich op de plantages.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 91)
Ook dit scheen niet te helpen, daarom werden ook de koeliescholen afgeschaft in 1906. er werd opnieuw een poging gedaan om het schoolbezoek te bevorderen, deze keer werd het “Instituut van ongegradueerde Hindoestaanse Onderwijzers” ingesteld in 1907. Op plaatsen waar de concentratie Hindoestanen hoog was werden op verschillende lagere scholen ongegradueerde onderwijzers aangewezen. Deze onderwijzers moesten les geven in de Hindoestaanse taal als voorbereiding tot het onderwijs in het Nederlands.
Dit had wel succes, maar werd in 1929 toch afgeschaft. Hier waren de Hindoestanen er ontevreden over, ze richtte zelfs en protestbrief aan het koloniaal bestuur. Het koloniaal bestuur besloot in het kader van bezuinigingen in de districten het Beperkt Lager Onderwijs (B.L.O) in te voeren. Deze scholen waren beperkt in alles, zoals schoolmateriaal, leerplan, en leerkrachten. Het vakkenpakket bestond uit lezen, rekenen, en schrijven. de leerkrachten die les gaven waren onbevoegd. Dit zorgde voor een sterke achteruitgang van het onderwijs in de districten, juist de plaats waar het het hards nodig was.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 92)
In de eerste helft van de twintigste eeuw nam de ontwikkeling van de samenleving ernstig toe. Zo ook de beroepen die men kon uitoefenen. Veel mensen hadden een opleiding en hadden hoge posities in de stad. Tegenwoordig was men niet alleen afhankelijk van de landbouw. De landbouw was erg arbeidsintensief, en was niet zo lonend als andere beroepen. Je kon zeggen dat de landbouw niet meer zoveel zekerheid gaf als vroeger. Dit was een grote slag voor de Hindoestanen, want zij hadden zich helemaal geïsoleerd op het platteland. Langzamerhand ontdekte de Hindoestaanse samenleving dat een opleiding steeds belangrijker word. De Hindoestanen zijn altijd erg gesteld geweest op economische zekerheid, de economische zekerheid ging van landbouw naar onderwijs. Nu werden de Hindoestanen bewust van de 
praktische waarde van het westers onderwijs, de intellectuele beroepen, andere leefregels, en een andere levensstijl. Hierdoor kwam het dat steeds meer Hindoestanen hun kinderen naar school stuurde om te leren.
Er werd veel geïnvesteerd in de studie van kinderen. Vooral voor de rijke Hindoestanen was het erg belangrijk geworden om hun kinderen naar school te sturen voor sociale en economische zekerheid.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 93, 156)
In de eerste helft van de twintigste eeuw slaagden enkele Hindoestanen met een Mulodiploma. Hierna slaagden steeds meer Hindoestanen.  Ook studeerde enkele Hindoestanen af voor leerkracht, zowel mannen als vrouwen. De aantal Hindoestaanse leerkrachten dat les geeft op GLO-, VOJ- en VOS-scholen neemt steeds toe.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 93)
Vanaf 1916 gingen de Hindoestanen na het behalve van hun Mulodiploma ook nog verder studeren. Ook werden Hindoestanen met een Mulodiploma in dienst genomen bij verschillende instellingen, bijvoorbeeld de Surinaamse Bank.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 93)
Wat heel erg belangrijk was voor het streven naar emancipatie van de Hindoestanen in Suriname was hun drang naar een beter bestaan. Ze hadden een grote drang naar een betere maatschappelijke positie, en het behoren tot de intellectuele elite. Het kwam hierdoor dat Hindoestaanse jongens en meisjes nu werden gedwongen om naar school te gaan.  Ook worden er in de jaren ’60 zelfs scholen opgezet door verschillende Hindoestaanse instanties.
Het onderwijs heeft een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van de Hindoestanen, en voor Suriname. Het is door onderwijs te doen dat de Hindoestanen naar de stad kwamen, om verschillende beroepen uit te oefenen. Het was door onderwijs dat binnen hun gemeenschap intellectuele elite, intellectuele culturele elite, en handels elite ontstonden. Het was ook het onderwijs dat voor natievorming heeft gezorgd in Suriname. De verschillende bevolkingsgroepen raakten in contact met elkaar op scholen, raakten bekend met elkaar, en leerden elkaar beter begrijpen. De Hindoestaan burgerde zich zo in in de gemeenschap, maar vergat hun eigen cultuur niet. Een uitdrukking die in dit verband wel eens gehoord werd, luidt: “awinsie wan koelie tron afkatie, ai wer’ en baba na ondro”.
Zonder onderwijs zouden zulke ontwikkelingen nooit plaatsgevonden hebben.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 94, 158)

Hindoestanen en Godsdiens


Inleiding

Toen de eerste contractarbeiders voet aan wal zette in Suriname namen ze ook hun godsdienst mee. De contractarbeiders hadden over het algemeen twee godsdiensten. Een deel was hindoe, en een ander deel was moslim. Suriname was onder bewind van het westen, daarom was de hoofdgodsdienst het christendom. Natuurlijk waren er nog tal van andere kleine godsdiensten en culturen, maar de primaire was het christendom. Begrijpelijk is natuurlijk dat die drie grote godsdiensten met elkaar in botsing komen. Die tijd had je weinig Hindoes of moslims in Suriname, dus het was nieuw. In dit hoofdstuk zal besproken worden hoe de contractanten hun godsdiensten hebben ontwikkeld in Suriname. Vandaag de dag zien we dat zowel de moslim, als de hindoe feestdagen nationale feestdagen zijn.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 72)
Het Hindoeïsme
Het overgrote deel van de Hindoes die naar Suriname kwamen waren onderontwikkeld. Ze waren arm en ongeletterd. Hierdoor kwam het dat de Hindoes zich in de beginfase niet durfden te uiten. Hier waren de blanke juist blij om.
Deze tijd waren er nog geen tempels, en de belangrijke feestdagen werden nog niet gevierd.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 72)
De Hindoes deden veel aan de verering van Kali. Kali is volgens de “Purana”, oude geschriften in de Indiase mythologie, één van de verschijningsvormen van de godin Parvati. Ze geloofden dat alleen Kali hun kon beschermen tegen ellende, leed en vijanden. Deze tijd had je weinig mensen die konden lezen of schrijven. goede boeken waren ook niet de vinden. Dus wat deze tijd religie was waren meer orale verhalen die werden verteld aan elkaar. Na alle lange werkdagen zaten de arbeiders vaak ’s avonds bij elkaar. Er werden dan verhalen verteld; de verhalen van Ramayana, Birbal, en Jhansi waren erg populair. Dit waren heldenverhalen ui de Indiase mythologie. Ook werd er liederen gezongen over moed, er werd geleerd hoe men het leed kon overwinnen. Maar je ziet wel dat het oraal vertellen van godsdienstige verhalen wel een probleem was, want wat was nu de waarheid. Vele verhalen werden zo vervormd.
Jammer genoeg waardeerde de overheid de godsdiensten deze tijd nog niet. Alleen het christendom werd hoog gewaardeerd, alle andere godsdiensten werden als heidens gezien.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 73)

Veel van de contractanten waren maar met één doel in Suriname, zoveel mogelijk geld verdienen en weer weg. Dus echte noodzaak om op te komen voor hun religieuze rechten was er niet. Veel waren ook bang om op te komen, want als contractant had je bijna geen rechten. Pas toen de eerste contractanten besloten om hier te blijven begon er verandering in de situatie te komen. Toen de contractanten eenmaal vrije boeren waren hadden ze veel meer tijd om zich te ontwikkelen. Ook kwamen er steeds meer mensen uit India, zo ook mensen uit hogere kaste. Dit waren meer geleerde, pandits. Zo kwamen de godsdienstige bij elkaar en de pandits verteld verhalen. Later werd het vereren van devi’s en devta’s. Dit waren bovenmenselijke entiteiten die in dienst stonden van de Almachtige, als het ware waren ze schakels tussen de Almachtige en de mensen. Als je deze niet vereerde kom je veel ongeluk krijgen.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 74)
Naarmate de immigranten binnenkwamen begonnen de groepen zich echt te vormen. Ook het kastenstelsel deed zijn intrede in Suriname. Maar dit gold alleen voor de mensen uit de hoge kaste, want alleen zij vonden het nodig om hun kaste te vermelden. Mensen uit hoge kaste hadden voordelen, ze konden hun kennis inruilen voor macht, maar dit gold alleen onder de Hindoes. Bijvoorbeeld bij feesten moesten eerst de mensen uit hoge kasten eten, en daarna de rest van de mensen, inclusief de kinderen.
Veel contractanten hadden bij aankomst in Suriname een andere achternaam opgegeven, waardoor ze in een hogere kaste terecht kwamen. Dit was ook één van de redenen waarom je over een goed kastenstelsel niet kon praten.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 75)
Het woord Kaste werd in India geïntroduceerd door de Portugezen. Dit was een ingewikkeld stelsel voor maatschappelijke stratificatie. Met een kaste word een bepaalde groep in de samenleving aangegeven. Deze groep waren meestal mensen met dezelfde achtervoegsel bij hun naam, of mensen met hetzelfde beroep. Bij ieder kaste zijn er bepaalde regels. Hoe hoger je in een kaste zit, hoe zwaarder de regels natuurlijk. Als je je niet aan de regels hield kon je uit de kaste gezet worden. je werd dan een zogenoemde kasteloze, of Paria.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 75)
In het begin van de contractperiode was het kastenstelsel helemaal weg onder de Hindoestanen in Suriname. Ze waren in een nieuwe samenleving. Overleving, en eenheid vorming waren veel belangrijker dan het kastenstelsel. Later toen de mensen zich thuis begonnen te voelen deed het kastenstelsel in zeer geringe mate zijn toetrede. Zoals eerder gezegd was dit alleen onder een klein groepje Hindoestanen.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 75)
Naarmate de tijd verstreek nam het aantal Hindoes drastisch toe. Er werden kleine tempels gesticht en er werden vaak rituelen gedaan. Aangezien de overheid deze 
godsdienst als heidens beschouwde werd er tijd iets aan te doen. De overheid probeerde dit op te breken door de Hindoes te hervormen tot Christenen. Dit deden ze door leerplicht in te voeren, en de kinderen leren over het westerse leven en het christendom. De Hindoes waren hier vel tegen en vertikten het om hun kinderen hier naar school te sturen. De Hindoes vormde groepen en kwamen op tegen de overheid. De eerste groep was de Arya Samaj in 1912. zij eisten van de overheid dat er openbare scholen kwamen in de Hindoestaanse wooncentra. Hier slaagden ze ook deels in. Ook een andere groep kwam op, de Sanatan Dharm. Vroeger waren allemaal gewoon Hindoes, alleen hu kaste onderscheidde hun. Nu konden ze kiezen om te behoren tot de Arya Samaj of de Sanatan Dharm. Vanaf deze periode werden overal kerken gesticht, later zelfs ook scholen. Vooral door de aanvoer van boeken kreeg het hindoeïsme steeds meer aanhang. In 1941 kregen de Hindoes ook hun eigen huwelijkswetgeving. Later werden ook de feestdagen in ere hersteld.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 77)

De Islam

De ontwikkelingen van de Islam lopen bijna parallel met die van het hindoeïsme, althans in de eerste periode. Veel moslim waren ook arm, en ongeletterd. Ze hadden geen godsdienstige boeken of geschriften, allen werd oraal doorgespeeld. Naarmate de tijd verstreek hielden de plantage eigenaren rekening met de moslims. Ze mochten hun religieuze feesten vieren. Hier en daar werden wat kleine eenvoudige gebedshuizen opgezet waar mensen bij elkaar kwamen.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 66)
Toen het aantal immigranten toenam kwamen er ook steeds meer geletterde moslims naar Suriname. Een enkeling bracht een Heilige Koran mee, het heilige boek van de moslims. Ook enkele Molvis, moslim priesters, zette voet aan wal. Hier en daar werd er gereciteerd uit de Koran, sommige kinderen kregen ook les op vrije dagen. Op het platteland werden ook moskeeën opgezet. Hier werd dan elke vrijdag het djoema-namaaz gelezen. Dit was verplicht voor elke moslim. Later werden bij deze moskeeën ook een kleine kal gebouwd waar zowel jongeren als ouderen godsdienst onderwijs kon krijgen.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 67)
Net als de Hindoes hebben ook de moslims verenigingen gesticht. De drie belangrijkste waren de:
    Surinaamse Islamitische Vereniging (SIV)
    Surinaamse Moslim Associatie (SMA)
    Surinaamse Islamitische Organisatie (SAO)
Ook de moslims zijn begonnen als vrije boeren, en hebben zich opgewerkt naar de top. Veel zijn naar school gegaan, hebben hoge opleidingen gehad, en zijn belangrijke mensen geworden in de maatschappij. Ook zij kwamen op voor hun rechten, zodoende werd het Moslim huwelijk ook erkent, en de verschillende feestdagen zijn nationale feestdagen geworden.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 68)

Het Hindoestaans gezin en gender


Inleiding

Zoals we eerder gezien hebben zijn de Hindoestanen erg gesteld op hun tradities. Ze nemen ook allemaal mee naar Suriname. Zelfs de manier hoe het gezin van de Hindoestanen word ingericht word meegenomen uit India. Deze inrichting is typisch voor de Hindoestanen en word het joint-family systeem genoemd. In dit hoofdstuk zal besproken hoe het Joint-family systeem in elkaar zit en hoe deze ontwikkeld word in de loop der jaren. De  positie van de vrouw binnen dit systeem zal ook besproken worden.  ook de manier van huisvesting zal geschetst worden.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 189)

Joint-family

Traditioneel bestaan het joint-family systeem uit gezinnen van twee, drie of zelfs vier generaties. Allemaal wonen ze onder één dak en koken in dezelfde kuiken. De bezittingen die er waren werden door iedereen gedeeld. Ook de inkomsten werden bij elkaar gebracht en samen besteed voor de hele familie. Ook waren de families in religieus opzicht een eenheid, ze deelde hetzelfde geloof. Van geloof veranderen was niet mogelijk, hierdoor kon je uit het huis gezet worden. Kenmerkend is dat de vrouw een minderwaardige positie heeft als het gaat om beslissingen nemen.

Kenmerken van het joint-family systeem:

    De vrouw is de baas in de keuken, terwijl de man op financieel gebied de baas is. Eigendommen en vee is gezamenlijk bezit, maar de man heeft het recht beslissingen erover te doen.
    Het inkomen word bij elkaar gebracht en gezamenlijk gebruikt om spullen te kopen voor het gezin.
    De vader is het hoofd van de joint-family. Als hij te oud geworden is, of ziek is, dan word zijn taak door de oudste zoon overgenomen.
    Er word binnen de joint-family veel tijd besteed aan religie en cultuur. Als je als lid van de familie je niet aan deze waarden en normen houd kan je in problemen komen.
    De sociale controle binnen het gezin is erg groot, er is weinig privacy.
    De “leider” van de groep kan zijn aandacht moeilijk vestigen op zijn eigen gezin. Hij is meestal verantwoordelijk voor het welzijn van de hele joint-family. Het kost hem dan teveel moeite om zijn aandacht zoveel plaatsen te vestigen.
Zoals reeds verteld waren er bij de aankomst van de eerste immigranten weinig vrouwen. Er kwamen veel vrijgezelle mannen die zonder gezin naar Suriname kwamen. Het traditionele joint-family systeem die men in India kende kon men hier in de begin periode niet toepassen, er waren te weinig vrouwen. De vrouwen die er waren gingen met meerdere mannen waardoor het moeilijk was een gezin te stichten.
Naarmate de tijd verstreek en steeds meer Hindoestanen zich in Suriname gingen vestigen namen ook het aantal vrouwen langzaam toe. Op den duur was de verhouding tussen mannen en vrouwen weer lichtelijk hersteld. De boeren gingen rustig werken op hun land, en hadden een huis voor hun alleen. Hierdoor namen veel boeren een vrouw in huis en stichten een gezin. Dit was natuurlijk weer de basis voor het joint-family systeem. Ook al hadden de Hindoestanen India een aantal jaren niet gezien, toch was het joint-family systeem vers in hun hoofd.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 190)
Over het algemeen moesten de meisjes jong trouwen, meestal op hun veertiende al. Ze waren vaak niet geschoold en hadden daarom weinig inspraak in het gezin. Nadat ze getrouwd was moest ze bij haar echtgenoot gaan intrekken, het gezin had dan niets meer aan haar.
Als de zonen huwden bleven ze met hun echtgenote in hun ouderlijk huis wonen. Als de familie te groot werd moest er een andere oplossing komen. Er werd dan meestal meer land gekocht en de zonen woonden dan op hun eigen lap grond waar het proces van joint-family weer vanaf het begin begon.
In het verleden werken de vrouwen op het land, en in het huishouden. De vrouw was dus economisch actief en belangrijk in het gezin, alleen moest ze haar man wel gehoorzamen. Er was een soort taakverdeling. De mannen deden het zware werk zoals sjouwen en het omhakken van bomen, terwijl de vrouwen de lichtere taken deden.
Later gingen vooral de jongens naar school, en kregen een opleiding. Vaak gingen ze naar de stad om te werken tegen loon. Hier breekt dan een andere periode aan voor de vrouw. Ze gaat niet naar school, en krijgt dan als taak om op de kinderen te letten. De man gaat geld verdienen. Zodoende word de vrouw steeds meer financieel afhankelijk van de man. Deze periode word ook het kerngezin belangrijker en de joint-family vervaagt.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 191)

Huisvesting

Ook de manier van huisvesting werd veranderd door de jaren heen. Tijdens de plantage tijd woonden de contractanten in hutten van leem. Dit isoleerde vrij goed, de kamer bleef op temperatuur. Ook had men een speciale hoek waar gebeden werd. Later toen de vrije boeren zich gingen vestigen als klein landbouwer kregen ze andere woningen. Deze waren goed geventileerd en waren vrij lux voor die tijd.
Op de volgende pagina zijn voorbeelden geschetst.
(Oedayrajsingh Varma, 1993, pag. 94)

Ontwikkeling van het Sarnami


Inleiding

Een van de vele dingen die de Hindoestanen vanuit India naar Suriname hebben gebracht is hun taal. In India werden een aantal talen gesproken. Elke streek had bijna zijn eigen taal of dialect. Eenmaal op de boot naar Suriname moesten ze toch met elkaar communiceren. Hier begonnen mensen elkaars taal over te nemen, om zich verstaanbaar te maken. De immigranten wisten het nog niet, maar dit is het prille begin van een nieuwe opkomende taal. Er ontstond een mengelmoes van talen uit India. Aangezien alleen de immigranten die naar Suriname kwamen deze nieuwe taal spraken kreeg het een Surinaams karakter. Deze nieuwe taal werd ook het Sarnami genoemd. De ontwikkelingen van het Sarnami zijn in vijf fasen te verdelen. In dit hoofdstuk zullen de eerste drie fasen gedetailleerd besproken worden. Over de periode na 1940 zal een korte samenvatting komen.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 46)

1873-1900

Dit is de beginperiode van de immigranten. De Hindoestanen zijn pas uit India en zijn niet van plan hun hele leven hier te blijven. Met India nog diep in hun hart besluiten ze zo veel mogelijk geld hier te verdienen en terug te gaan naar India. Dit was één van de redenen waarom ze ook erg geïsoleerd op de plantage bleven en alleen met Hindoestaan bemoeiden. Mengen met andere bevolkings- groepen en talen was voor hun overbodig. Ze waren ook niet geïnteresseerd om westerse talen te leren. Hier hadden ze niets aan als ze terug naar India gingen. Voor het werken op de plantage is een westerse taal ook niet nodig. Dit was ook de periode van de koelie scholen. Er werd alleen les gegeven in het Hindoestaans. Om les te geven uit kinderen in alle dialecten is onmogelijk. Zo werd er dan in de meest voorkomende talen les gegeven. En de rest die het niet verstond moest maar zorgen dat ze het wel verstonden.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 46)

1900-1920

In deze periode komt er een beetje aandacht voor westers onderwijs. Velen hebben nu ook in hun achterhoofd om in Suriname te blijven voor een langere poos. In 1907 zet de overheid onbevoegde Hindoestaanse onderwijzers die zowel in het Hindoestaans als in het Nederlands lesgaven. Zo kwamen ook een paar Nederlandse woorden in het Sarnami. Deze tijd kwam ook de Arya Samaj en andere Hindoestaanse groepen op. Ook hierdoor werd het Sarnami versterkt. Iedereen begon bijna hetzelfde te praten.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 46)

1920-1940

Nu komen de laatste groep immigranten uit India, de kraan gaat langzaam dicht. De talen die nu aanwezig zijn mengen flink met elkaar. Ook word het onderwijs steeds belangrijker. Veel meer Hindoestanen sturen hun kinderen naar school en realiseren zich dat het westers onderwijs nodig is om hun horizon te verbreden. Het onderwijs verzorgd door onbevoegde leerkrachten in het Hindoestaans word afgeschaft. De immigranten zijn nu verplicht om naar normale scholen te gaan. Nu werd het Sarnami nog eens blootgesteld aan een andere taal, de taal die de ex-slaven spraken. Dit is de reden waardoor ook wat Sranangtongo woorden in het Sarnami zijn beland.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 46)

Na 1940

Na de 2e Wereld Oorlog worden de Hindoestanen steeds welvarender. Ze trekken naar de grote stad Paramaribo. De Hindoestanen gaan naar school en leren het Nederlands vlot te spreken. Het Nederlands word zelfs hun huistaal. Ze beginnen hun eigen taal te vergeten. Maar het duurt niet lang voordat ze het weer oppakken. Er kwamen maandbladen, er kwam een officiële spelling voor het Sarnami, dichtenbundels, toneelstukken. Kortom het Sarnami begon een veel gesproken taal te worden in Suriname. Het werd door alle lagen van de Hindoestaanse bevolking gesproken.
(S. Mitrasingh, 1998, pag. 47)

Slot

De Hindoestanen hebben en positieve stempel gezet in de geschiedenis van Suriname. Vanaf aankomst in Suriname hebben ze niet alleen hun zelf ontwikkeld maar ook de economie van Suriname.
Na vijf jaar als contractarbeider in dienst geweest te zijn hebben ze besloten zich als vrije boren in Suriname te vestigen. Velen hadden bezittingen die ze niet wilde achterlaten. Sommige waren bang voor een onzekere toekomst in India. Anderen voelden zich al thuis in Suriname. Kortom ze zijn in Suriname en hebben zich zeer snel ontwikkeld.
Ze begonnen heftig aan hun stuk grond te werken. Deze keer ging alles in hun zak, dus ze werkte zo hard als maar kan. Vaak werd het hele gezin ingezet. Tijd voor school was er in het begin niet. Later realiseerde de Hindoestanen zich dat ze zich teveel op de landbouw concentreerde. Men kreeg steeds meer respect voor geschoolde mensen. Hierdoor besloten de Hindoestanen hun kinderen naar school te sturen, om zo een opleiding te krijgen en belangrijk te worden.
Als vrije boer had met meer vrije tijd over. Nu kon men zich ook concentreren op het geloof. Mensen met hetzelfde geloof begonnen zich met elkaar te verenigen. Samen ging men bidden voor een betere toekomst. Met de komst van meer priesters en geleerden uit India kreeg men steeds meer te weten over hun geloof. Het aantal geschoolde Hindoestanen nam ook steeds toe, zo kon men zelfstudie verrichten.
Ook het gezin werd in traditie bewaard gebleven. Net als India had men in Suriname ook het joint-family systeem. De vrouw had hierbinnen een minderwaardige positie, niet om lichamelijke tekortkomingen, maar om gender.
De Hindoestanen creëerde ook een eigen taal, en ontwikkelde deze, het Sarnami.
Zo zijn de Hindoestanen een positief aspect geweest voor de ontwikkeling van Suriname.

Bronvermelding


Literatuur

Hindoestanen van contractarbeiders tot Surinamers, drs. Benjamin S. Mitrasingh, stichting Hindoestaanse immigratie, 1998
De Slavernij van Hindustanen in Suriname, F.H.R. Oedayrajsingh Varma, Eigen uitgave, 1993

Internet

Ohmnet:
http://www.ohmnet.nl/immigratie/foto_impressie.html
Suriname.nu
http://www.suriname.nu/infosur2/surinfo4.htm

Illustraties

Suriname.nu
http://www.ohmnet.nl/immigratie/foto_impressie.html

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.