Hou jij van lezen of juist helemaal niet? Doe mee aan deze vragenlijst en maak kans op 15 euro Bol.com-tegoed!

Filosofen

Beoordeling 6.2
Foto van een scholier
  • Scriptie door een scholier
  • Klas onbekend | 13250 woorden
  • 2 mei 1999
  • 67 keer beoordeeld
Cijfer 6.2
67 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE

Waarin maak jij het verschil? Klik en ontdek de bachelors van Wageningen University

Bekijk alle 20 bachelors van Wageningen University

Plato (Gr.? Platoon), eigenlijk? Aristocles (Athene 428/427 – aldaar 348/347 v.C.).

Plato schreef zijn filosofische werken in de vorm van dialogen, in navolging van zijn leermeester Socrates. In deze dialogen voert hij Socrates vaak op als gespreksleider. Socrates' strategie is om zijn tegenstanders net zolang te ondervragen over wat zij menen te weten, tot zij moeten toegeven dat zij niet weten wat zij dachten te weten. In de eerste fase van zijn werk onderzoekt Plato op deze manier een aantal ethische begrippen (zie ethiek) zoals rechtvaardigheid, matigheid en vriendschap. In de tweede fase van zijn filosofie laat Plato deze onderzoekende en analyserende methode van de dialoog los en gaat hij opbouwender te werk. Hij behandelt zaken als de onsterfelijkheid van de ziel en ontwerpt zijn beroemde Ideeënleer waarin hij stelt dat de wereld een afspiegeling is van, en gevormd is naar de eeuwige en volmaakte wereld van de Ideeën. In zijn werk de Politeia beschrijft hij de staat als bestaande uit dezelfde drie grondkrachten als waar de menselijke ziel uit is opgebouwd (driftleven, doorzettingsvermogen en rede). De grootste onder de Griekse filosofen, was minder encyclopedisch dan zijn leerling Aristoteles, maar diepzinniger dan deze, bovendien een groot literair kunstenaar. Hij stamde uit een voorname familie, zijn belangrijkste leermeester was Socrates, verder was hij leerling van Cratylus van Athene en (na de dood van Socrates [399]) van Euclides van Megara; ook werd hij beïnvloed door de pythagoreeërs en de Eleaten. Hij leerde op zijn reizen Dionysius I van Syracuse kennen, aan wiens hof hij vertoefde, stichtte ca. 387 een school te Athene, de Academie, en reisde nog tweemaal naar Sicilië, waar hij vergeefs trachtte zijn ideale staat te verwerkelijken. Na zijn dood werd hij opgevolgd in de Academie door zijn neef Speusippus, terwijl Aristoteles zijn eigen weg ging. Door overlevering zijn alle geschriften van Plato bewaard. Het zijn dialogen (hoewel soms, als in de Apologie van Socrates en in de Timaeus, het dialogisch element relatief onbelangrijk is), door twee of meer personen gevoerd, waarin meestal Socrates, wiens wijsgerige methode van gesprek-voeren door Plato is vereeuwigd, de leiding heeft. De latere dialogen hebben een meer technisch-filosofisch karakter, waardoor de dramatische vorm meer een formele zaak wordt. Ook is er een aantal brieven, waarvan de echtheid nog altijd niet vaststaat; beroemd en biografisch belangrijk is de Zevende Brief.

1. Werken uit de eerste periode Plato geeft in zijn nagelaten oeuvre geen afgerond systeem, maar een methode van denken en bepaalde theoretische overwegingen. In de ontwikkeling hiervan laten zich drie hoofdperioden onderscheiden. In de eerste periode, die van de socratische dialogen, onderzoekt hij in het voetspoor van zijn meester ethische begrippen als rechtvaardigheid, matigheid, dapperheid, vriendschap en de vraag of men de deugd (Gr.? aretè) kan aanleren. Het gesprek zoekt naar de reële definitie van deze waardebegrippen, waarbij verondersteld is dat deze definitie reeds onbewust in alle mensen leeft. Het bewust maken van het ene begrip dat in onbegrensd vele gevallen zijn toepassing vindt, is een zaak van theorie en praktijk beide. Immers Socrates-Plato is overtuigd dat een juist bewustzijn aangaande het goede zowel onmisbare voorwaarde als afdoende waarborg voor goed handelen is (ethisch intellectualisme, in latere perioden getemperd). De dialoog geeft verschillende pogingen tot definitie van een begrip, die, wanneer ze aan voorbeelden uit de ervaring worden getoetst, soms geen van alle blijken op te gaan. Een bepaald resultaat wordt meestal niet bereikt, maar de ondervraagde gaat heen met meer zelfkennis; hij weet dat hij niet weet wat hij meende te weten. Zo handelt de dialoog Laches over de dapperheid, Charmides over de bezonnenheid, Euthyphro over heilige plichten, Crito over gehoorzaamheid aan de wetgeving. In Hippias maior komt de vraag naar het wezen van het schone aan de orde, in Hippias minor wordt de paradox behandeld dat men niet vrijwillig het kwade kan doen. Drie dialogen uit deze periode zijn gewijd aan de bestrijding van de sofistiek (zie sofisten), die de geldigheid van algemene normen bestrijdt (Protagoras van Abdera, Gorgias van Leontini, Euthydemus). Overigens komt Plato soms al tot een meer positieve standpuntbepaling? in Cratylus en Meno over het kennen, in Gorgias, Lysis en Euthydemus over de zin van het bestaan.

2. Werken uit de tweede periode De methode van Socrates legde door haar inductief en vragend karakter beperkingen op aan Plato's denken, die hij op den duur doorbrak. Hij moge zich in de socratische dialogen een meester der analyse tonen, zijn diepere aanleg was constructief, en hiervan geven de werken uit de tweede periode blijk. Een van de belangrijkste is het Symposium (Gastmaal), dat over de Eros (liefdesdrang) handelt. Nadat verschillende beschouwingen over de Eros gehouden zijn, culmineert het gesprek in de rede van Socrates, die zegt zijn wijsheid aan een priesteres te danken. Plato beschrijft bij monde van Socrates de Eros als een drang tot vereeuwiging, die van de zinnelijke liefde opstijgt tot de hoogste Schoonheid in kennen en handelen. De kans dat de Eros zich in de omgang van de mensen op het allerhoogste zal richten, is volgens Plato groter in een gemeenschap van mannen dan in die van de beide geslachten (zie voorts erotiek). Phaedo behandelt de onsterfelijkheid van de ziel en haar bestaan vóór de geboorte. Reeds in de eerder geschreven Meno komt de leer der anamnèsis (herinnering) voor, volgens welke de ziel vóór het aardse bestaan kennis heeft verworven, die door de zintuiglijke waarneming wordt opgewekt, maar die hier niet uit voortkomt. In Phaedo wordt deze theorie van een zuivere kennis in een vorig bestaan verbonden met die van de onreinheid, die de ziel door het contact met het lichaam overkomt. Object van de kennis die eigen is aan de ziel, zijn de eeuwige en onveranderlijke voorbeelden van datgene in en aan de dingen wat wij door middel van begrippen kunnen onderkennen en onderscheiden. Deze voorbeelden worden door Plato Ideeën,  d.i. (vormende, structurerende) 'Gestalten', genoemd; zij hebben een zelfstandig bestaan, onafhankelijk van onze voorstelling ervan en onafhankelijk van hun weerslag in de zintuiglijk waarneembare wereld. Er zijn dus om zo te zeggen twee 'werelden'? die van de volmaakte Ideeën en onze wereld, een onvolmaakte afspiegeling van de wereld van de Ideeën. De Ideeënleer met alles wat zij aan oplossingen en problemen impliceert, is de meest fundamentele bijdrage van Plato aan de filosofie. Symposium en Phaedo zijn ook voorbereidingen tot Plato's kenleer in de Politeia (Staat). Deze bestaat uit tien boeken, waarvan het eerste de bepaling van het begrip gerechtigheid nog geheel in de trant van de socratische dialogen voltrekt. Vanaf het tweede boek wordt de methode echter constructief? het beeld van de gerechtigheid, dat zich in de individuele menselijke ziel moeilijk laat bepalen, laat zich als in groot schrift lezen bij beschouwing van het grote organisme van de menselijke samenleving. De maatschappij is opgebouwd uit drie standen? werkende stand (ambachtslieden, boeren, handelaars), 'wachters ' (politie en soldaten) en regenten. Deze standen komen overeen met de drie grondkrachten van de ziel? het epithumètikon (driftleven), het thumoeides (doorzettingsvermogen) en het logistikon (redenerend en kennend verstand). De mens is rechtschapen wanneer ieder van deze delen van de ziel zijn eigen functie vervult en niet een andere, en wanneer de hoogste vermogens leiding geven aan de lagere. Daartoe dient het logistikon in contact te staan met de sfeer van de Ideeën. Plato schildert uitvoerig de opvoeding van de drie standen. De regenten zijn wijsgeren, die door hun wetenschappelijke vooropleiding en hun inzicht in de structuur van het Ideële, in staat zijn het goede en redelijke in de menselijke gemeenschap te verwezenlijken. Deze elite wordt uit de stand van de 'wachters' geselecteerd. Bij de bespreking van de opleiding van de wijsgeren-regenten ontvouwt Plato opnieuw zijn Ideeënleer, waarbij hij de hoogste Idee, die van het goede, vergelijkt met een zon, waarvan alle andere ideeën uitgaan (boek 6 en 7 van de Politeia). De kennende geest klimt, evenals de Eros, op uit de lagere kennis die de zintuiglijke wereld verschaft, tot de Ideeën en van deze tot de hoogste Idee, die van het Goede.

3. Werken uit de derde periode Na de Politeia schreef Plato de dialogen Parmenides, Theaetetus, en Sophistes, die handelen over de grondslagen van de kennis en waarin het probleem van de verbinding tussen de Ideeën onderling en hun verbinding met de zintuiglijk waarneembare wereld tot de meest ingewikkelde onderzoekingen voert. Theaetetus formuleert de vraag naar het kennen zonder deze afhankelijk te stellen van de hypothese van de Ideeën. Hoewel een definitief antwoord uitblijft, wordt duidelijk dat het kennen ten dele propositioneel gestructureerd is (in de Sophistes wordt dit nader uitgewerkt, zie hierna). In de Sophistes wordt de al even in Phaedrus genoemde dialectische methode (die bijv. ook in de Politicus wordt toegepast) ontwikkeld. De dialectiek volgt twee wegen? synopsis (samenzien) en dihaeresis (onderscheiden). Om een Idee begripsmatig te definiëren, moet haar plaats worden aangegeven onder een hogere Idee, waarmee zij in samenhang staat; door hierna, van dit hogere uitgaande, op de juiste plaatsen onderscheidingen aan te brengen, kan men afdalen tot naar de oorspronkelijk als uitgangspunt genomen Idee toe. Hoogste genera, dwz. de Ideeën die gemeen zijn aan alle andere Ideeën, c.q. hun onderlinge betrekkingen, zijn? Bestaan, Identiteit, Niet-zijn (in de zin van niet-dit-of-dat-zijn, dus Verschil-van), Rust en Beweging. Dus elke Idee bestaat, is aan zichzelf gelijk, is niet als alle andere, is onveranderlijk en wordt door de beweging van het kennen aangeraakt. De Sophistes geeft in dit verband een eerste aanloop tot een theorie van de propositie, door naar criteria te zoeken voor een ware c.q. onware verbinding van onderwerp en gezegde in een zin, die mede afhankelijk gesteld wordt van de mogelijke c.q. uitgesloten samenhang tussen de Ideeën waarnaar deze termen verwijzen. Philebus ontwikkelt de verhouding van het goede tot het zingenot, Critias ontwerpt een beeld van de oorsprong van de samenleving aan de hand van een verhaal over het verdwenen Atlantis. In Plato's laatste werk, de Nomoi (Wetten), wordt een ideale staatsinrichting ontworpen, waarin meer rekening is gehouden met de menselijke onvolkomenheid dan in de Politeia. Een van de belangrijkste dialogen uit Plato's laatste periode is Timaeus, die een kosmologie geeft in de vorm van een kosmogonische analyse (zie kosmogenie). De zichtbare wereld is afgeleid uit Ideeën, die door bemiddeling van een goddelijk ambachtsman (Demiurg) tot uitdrukking worden gebracht in een daartoe ontvankelijk gemaakte, op zichzelf amorfe en irrationele, met metaforen aangeduide grondsubstantie. De Demiurg schept door verbinding van bepaalde Ideeën de Wereldziel, die het beginsel van rationaliteit in het universum is en verantwoordelijk voor de bewegingen van en aan de hemel; uit hetzelfde mengsel maakt hij ook de mensenzielen, die evenals de Wereldziel hun beweging niet uit iets anders dan zichzelf afleiden. De elementen (aarde, water, lucht en vuur) zijn opgebouwd uit meetkundige figuren, waarvan de kleinste geometrische bestanddelen (uitgezonderd die van aarde) ook tot een molecule van een ander element kunnen bijdragen. Mathematische beschrijvingsmethoden worden zodoende dienstbaar gemaakt aan de fysica en aan alles wat daarop volgt? de beschrijving van de constitutie van het menselijk lichaam, van de zintuiglijke waarneming en wat dies meer zij, terwijl ook het psychische, o.m. door de analogie  met de eveneens mathematisch geconstrueerde immanente Wereldziel, een duidelijke functie in de fysische realiteit krijgt.

4. De ongeschreven leer Van en via Plato's directe leerlingen vernemen wij, dat hij niet zijn gehele filosofie in de dialogen heeft neergelegd. Mondeling – zekerheid bestaat omtrent een voordracht of een voordrachtenreeks Over het Goede, die hij waarschijnlijk pas op veel latere leeftijd heeft gehouden – heeft Plato zijn leer van de eerste beginselen, het Hen (= Eén) en de Ahoristos duas (= Onbepaalde Twee, ook wel het Groot-en-Kleine genoemd), behandeld. Zowel de Ideeën als de zintuiglijk waarneembare dingen kunnen uiteindelijk herleid worden tot het Hen als beginsel van bepaling (het staat vermoedelijk gelijk met de uit de Politeia bekende Idee van het Goede) en de Onbepaalde Twee als beginsel van variatie en differentiatie; omgekeerd kan alles in een hiërarchisch gestructureerd systeem uit deze beginselen worden afgeleid, waarbij bijv. de Ideeën het Hen als oorzaken van bepaling kunnen vertegenwoordigen. Zoals uit de gebruikte termen blijkt, is deze leer een soort metamathematische metafysica. Plato's directe leerlingen, Speusippus en Xenocrates van Chalcedon, hebben bij deze leer aangeknoopt; ook Aristoteles spreekt erover; in de latere dialogen (o.m. Philebus, Timaeus) zijn passages die ermee in verband kunnen worden gebracht. In de Academie nam de belangstelling voor de ongeschreven leer snel af, maar postplatonische neopythagoreeërs hebben haar overgenomen en verder uitgewerkt. Zie voor de invloed van Plato's filosofie op het latere wijsgerige denken academie; neoplatonisme; platonisme; platonisten van Cambridge.

Platonisme,  benaming voor de filosofie van Plato (resp. bepaalde essentiële of als essentieel beschouwde onderdelen daarvan) of voor de invloed van Plato's filosofie voor zover deze in latere filosofieën domineert. Als essentieel kan men beschouwen het metafysisch karakter van de platonische filosofie, dwz. de overtuiging dat er behalve de empirisch waarneembare wereld nog een andere, hogere realiteit is, die van de Ideeën, waartoe in laatste reductie alle ideeën zijn te herleiden. Ideeën vertegenwoordigen een diepere werkelijkheid dan die van de verschijnselen. Zij kunnen als oerbeelden, maar ook als grondbegrippen worden opgevat. Om een Idee begripsmatig te definiëren moet haar plaats in de Ideeënhiërarchie worden aangegeven met behulp van een methode van analyse en synthese. De hoogste Idee is de Eros, een drang tot vereeuwiging, die van de zinnelijke liefde opstijgt tot de hoogste schoonheid in kennen en handelen. Het platonisme is rationalistisch in zoverre het ervan uitgaat dat de hogere, betere realiteit voor het verstand toegankelijk is en langs methodische wegen moet worden benaderd. Kenmerkend is ook, dat het platonisme een ethiek postuleert die afhankelijk is van de kennisname van deze hogere werkelijkheid. Overigens is bij Plato en bij latere volgelingen dit rationalisme soms duidelijk religieus getint. Zowel Plato's directe als zijn indirecte invloed is niet te meten groot geweest. Hij beïnvloedde zowel direct als via het neoplatonisme het christelijk denken, bijv. Aurelius Augustinus, die op zijn beurt in de middeleeuwen grote invloed had. Ook de middeleeuwse strijd over de universalia (begrippen) gaat uiteindelijk op een platonische problematiek terug. In de Arabische wereld was zijn invloed eveneens groot (interessant is de belangstelling van de al-Farabi [ca. 875–ca. 950] voor Plato's politieke filosofie). In de renaissance bloeide de Academia Platonica te Florence (zie Marsilius Ficinus). In de 17de eeuw bestonden in Engeland de Platonisten van Cambridge. Van de grote moderne Europese filosofen kan er geen genoemd worden die niet op een of andere wijze Plato's invloed heeft ondergaan. In de 20ste eeuw is zijn invloed aanwijsbaar bij o.a. Bertrand Russell en Alfred North Whitehead en de analytische filosofie.

Aristoteles (Stagira 384 – Chalcis 322 v.C.),  is een van de belangrijkste wijsgeren uit de oudheid. Aristoteles was in de oudheid, waar filosofie en wetenschap nog niet van elkaar gescheiden waren, een veelzijdig wetenschapper. Vooral zijn logica heeft een grote invloed gehad op de latere filosofie. Het belangrijkste element van deze logica is de leer van de oordelen. Aristoteles ging ervan uit dat alle zintuiglijke kennis in principe waar is. Pas in ons verstand leggen wij echter verbanden tussen de ervaringen, in de vorm van oordelen. Wij zien bijvoorbeeld? vrouw, zwart haar. En we vormen ons vervolgens het oordeel, de vrouw heeft zwart haar. Waarover wij spreken (vrouw) is het subject, wat wij ervan zeggen (zwart haar) is het predikaat. Het meest algemene predikaat is 'zijn'. Van alle dingen kan men immers zeggen dat ze zijn. Verder introduceerde Aristoteles de termen syllogisme, inductie en deductie (zie hieronder). Van de logica zei Aristoteles overigens dat hij deze opvatte als een leerschool voor het denken. Het is de leer van de principes waarop ons denken gebaseerd moet zijn, willen wij de juiste conclusies trekken uit onze waarnemingen. Aristoteles hield zich ook bezig met biologie, hij heeft de natuur zeer uitgebreid bestudeerd. Ook dacht hij na over de wetmatigheid waaraan de natuur onderworpen is (hetgeen wij nu natuurkunde zouden noemen). Zo stelde hij bijvoorbeeld dat 'worden' niet de overgang is van niets naar iets, maar van potentie (het zaadje) naar verwerkelijking (de boom).

1. Leven Zijn vader Nicomachus, was lijfarts van Amyntas II van Macedonië, en schreef (thans verloren) boeken over medische en fysische onderwerpen. Aristoteles is vroeg wees geworden. Op zijn zeventiende jaar vertrok hij naar Athene en werd in de Academie van Plato opgenomen, die hij pas twintig jaar later, na Plato's dood (347), verliet. Daarna kwam hij aan het hoofd van een platonische gemeenschap in Assos te staan, trok echter spoedig naar Lesbos (waar hij met Theophrastus van Eresus samenwerkte), en werd in 342 door koning Philippus naar Macedonië ontboden om de opvoeding van de veertienjarige Alexander (zie Alexander [Macedonië]) te verzorgen (tot ca. 340). Hij keerde in 335 naar Athene terug, waar hij dertien jaar lang in de Peripatos (wandelgang) van het Lykeion heeft gedoceerd. Ten gevolge van een antimacedonische reactie na Alexanders dood (323) werd hij als collaborateur beschouwd en aangeklaagd wegens goddeloosheid. Anders dan Socrates, die de gifbeker dronk, verliet hij de stad, zeggende dat hij de Atheners een tweede vergrijp aan de filosofie wilde besparen. Een jaar later stierf hij in Chalcis. Persoonlijke bijzonderheden over hem zijn nauwelijks bekend. Uit zijn testament leren wij hem als een zorgzaam huisvader kennen en als een humaan meester voor zijn slaven. Van enkele vrienden weten wij alleen dat zij hem zijn leven lang trouw gevolgd hebben. De overgeleverde briefwisseling met Alexander is vermoedelijk een vervalsing, en ongeloofwaardig is het bericht dat de koning zijn studies met een enorm bedrag steunde en op zijn expedities een staf van geleerden meenam om dieren en planten voor hem te verzamelen. De twee boeken die Aristoteles aan Alexander opdroeg, zijn verloren gegaan, maar wel is bekend dat hij daarin o.a. schreef dat het voor een koning niet nodig was om filosoof te zijn (dit tegen Plato), maar wel om naar het advies van een wijsgeer te luisteren.

2. Leer De wijsbegeerte van Aristoteles draagt een sterk speculatief karakter en toont voortdurend de invloed van Plato, maar daarnaast is een uitgesproken belangstelling voor de empirische werkelijkheid merkbaar, die hem ertoe bracht om vrijwel alle gebieden van wetenschap in zijn filosofie te betrekken (wis- en geneeskunde zijn opvallende uitzonderingen).

2.1 De logica De logica beschouwt Aristoteles zelf (in tegenstelling tot velen van zijn navolgers) niet als onderdeel van de filosofie? het is een leerschool voor het denken, en de daarop betrekking hebbende geschriften hebben later de naam Organon (= werktuig) gekregen. Evenals Plato heeft ook Aristoteles de sofisten bestreden, maar hij deed dat door een systematisch overzicht te geven van de oorzaken van hun valse redeneringen. Hij gaat ervan uit dat het oog de dingen ziet zoals zij zijn, dat het gehoor de werkelijke geluiden hoort, enz. Onze waarnemingen zijn op zichzelf waar, en zij geven ons een afbeelding van de werkelijkheid; fouten ontstaan doordat wij die waarnemingen verkeerd met elkaar verbinden en daardoor foute conclusies trekken. Voor een adequate kennis van de werkelijkheid moeten de begrippen in hun samenhang met de werkelijkheid overeenkomen. De niet verder te herleiden elementen van de kennis zijn de Categorieën, dwz. de verschillende vormen waarin men zich uitspreekt over het bestaande. Wanneer wij een oordeel uitspreken, is datgene waarover wij spreken 'subject ', wat wij ervan zeggen is het predikaat. Om dat predikaat tot uitdrukking te brengen beschikken wij over een aantal categorieën? de substantie (ousia),  bijv. mens of paard; de kwantiteit, bijv. twee ellen lang; de kwaliteit, bijv. rood of blauw; de relatie, bijv. dubbel, groter; en verder de categoriën? plaats, tijd, handelen en ondergáán. Wanneer zij zonder verbinding gebruikt worden, drukken zij geen bevestigend of ontkennend oordeel uit (man, blank, gisteren); daartoe moeten zij verbonden worden (de man is blank), en het oordeel is waar of onwaar naarmate de verbinding overeenkomt met de verbindingen in de werkelijkheid. De eenvoudigste vorm van een oordeel is? A is B (kataphasis,  bevestiging) of? A is niet B (apophasis, ontkenning). Uit twee oordelen (premissen genaamd), die één term (de 'middenterm') gemeen hebben, kan een syllogisme gevormd worden (= sluitrede, volgens de definitie een redenering waarin, als bepaalde dingen gegeven zijn, iets anders dan het gegevene noodzakelijk volgt), bijv. A is B; B is C? ? A is C. De mogelijkheden van het syllogisme zijn door Aristoteles zorgvuldig afgebakend, en het zeer verfijnde systeem van vormen van syllogismen heeft zich nog tot na Immanuel Kant kunnen handhaven. Steeds gaat hij van het algemene naar het bijzondere (deductie). Van de omgekeerde weg, die van het bijzondere uitgaat om tot conclusies ten aanzien van het algemene te komen (inductie), heeft hij in zijn natuurwetenschappelijke geschriften gebruikgemaakt. Strikt genomen zou alleen volledige inductie, waarbij alle bijzondere gevallen bekend zijn, geldig zijn. Hij redeneert dat de afzonderlijke dingen uit algemene oorzaken zijn ontstaan; om ze te leren kennen moet men daarom eerst kennis van de algemene oorzaken verwerven. Die kennis is met het verstand door redenering te bereiken. De meest algemene oorzaken zijn onherleidbaar, anders zouden zij een nóg algemenere oorzaak hebben, en zo tot in het oneindige voort. In overeenstemming daarmee zijn de eerste, algemene premissen onbewijsbaar; zij zijn echter zonder meer duidelijk. De voornaamste is het principium identitatis? A is A en kan niet op hetzelfde ogenblik en ten aanzien van hetzelfde niet-A zijn. Alleen dan is er sprake van een strikt bewijs als het syllogisme uitgaat van ware premissen. Dikwijls moet men echter uitgaan van meningen, waarvan de waarheid niet volstrekt zeker, maar wel waarschijnlijk is. De zgn. praktische filosofie, ethiek, politiek en redekunst, maakt van min of meer waarschijnlijke redeneringen gebruik, en kan daarom niet als strenge wetenschap gelden.

2.2 Ontologie Het meest algemene kenmerk van alle dingen is het Zijn (van alle dingen kan men in elk geval zeggen dat ze zijn), en het Zijn als zodanig is het onderwerp van wat Aristoteles de 'eerste filosofie' noemde, die thans metafysica heet. Het woord 'zijn' wordt in vele betekenissen gebruikt ( 'de man is blank'? koppelwerkwoord; 'de man is' duidt op het bestaan, enz.). Het blijkt dat kwaliteit, kwantiteit en alle andere categorieën niet kunnen zijn in de betekenis van bestaan? dat kan men alleen zeggen van een ousia (substantie, of wezen); een mens bestaat op zichzelf, maar blank op zichzelf bestaat niet. Nu is ons weten volgens Aristoteles afhankelijk van de waarneming die aan het weten voorafgaat. Wij nemen echter alleen afzonderlijke dingen waar (de eigenlijke substanties). Dus zou ons weten slechts betrekking kunnen hebben op afzonderlijke dingen. Plato had gesteld dat het algemene (de Idee) het wezenlijke was en dat de afzonderlijke dingen daar deel aan hadden. Volgens Aristoteles bestaat het algemene niet buiten de dingen (als idee), maar in de dingen; het is voor het verstand te begrijpen.

2.3 Natuurfilosofie De dingen om ons heen zijn in een voortdurend wordingsproces betrokken. Worden is een beweging van de ene toestand naar de andere. Fysica is de leer van de bewegingen en de oorzaken daarvan. Oorzaken (aitia) zijn materie, vorm, bewegende oorzaak en doel. Bij een huis kan men de vorm onderscheiden van het doel (beschutting van de bewoners), bij een levend wezen vallen vorm en doel samen. Anderzijds is de bewegende oorzaak van een huis de vorm in de gedachte van de architect, die dezelfde is als de actuele vorm van het huis. Vandaar dat de vier oorzaken vaak gereduceerd worden tot twee? vorm en materie. De eerste is actief, de tweede passief, en de ongevormde materie staat tot de gevormde als potentie, mogelijkheid (dynamis) tegenover actualiteit (energeia)? worden is een overgang (beweging) van potentialiteit naar actualiteit (zie ook act). Parmenides van Elea krijgt daardoor een afdoend antwoord? worden is niet de ondenkbare overgang van het niets naar het iets, maar van nog-niet-iets-zijn naar verwezenlijking. Uit zaad + voedsel ontstaat de actuele boom. Actualisering kan op verschillende niveaus plaatsvinden? de boom is potentieel hout, huis of standbeeld, maar ook? boom ? hout ? rottingsproduct ? voedsel voor een nieuwe boom. De vier elementen? aarde (droog en koud), water (vochtig en koud), lucht (vochtig en warm), vuur (droog en warm) kennen ook voortdurende overgangen. Zij hebben hun eigen bewegingen? aarde en water rechtlijnig naar beneden, lucht en vuur evenzo naar boven, en daar zij ieder een eigen 'plaats' hebben, bestaat er een natuurlijke stratificatie. Door verandering van één van de twee eigenschappen (bijv. van koud naar warm) kunnen zij in elkaar overgaan. Die verandering wordt o.a. door reflectie van de zonnewarmte op aarde en door afkoeling in de hogere lagen veroorzaakt, en daardoor ontstaan de weersverschijnselen. Boven de sfeer van de maan heerst een ander element, de aether, dat niet verandert (de aether wordt ook 'vijfde lichaam' genoemd, de quinta essentia van de middeleeuwen). Om die maansfeer heen ligt een groot aantal sferen, wier gecompliceerde kringlopen de voor ons ongelijkmatig schijnende bewegingen van de planeten veroorzaken; zij worden alle omsloten door de gelijkmatig bewegende uiterste sfeer van de vaste sterren, en het rustend middelpunt is de aarde. De hemellichamen, 'goddelijk' geheten, zijn uit aether gevormd, maar hun goddelijkheid is niet volmaakt, omdat zij bewegen. Beweging is altijd een overgang van potentialiteit naar actualiteit, en de godheid kan niets potentieels meer hebben? dat zou aan zijn volmaaktheid afdoen. God is dus buiten de sferen en Hij is indirect de oorzaak van hun bewegingen. De sferen bewegen zich uit verlangen naar God, die de Onbewogen Beweger is. De enige activiteit die God kan uitoefenen, is het denken. Niet aan andere dingen – want dan zou Hij zich met materie bezighouden? Hij denkt de volmaakte actualiteit, en dat is Hij zelf? zijn denken is denken van het denken. Terwijl Aristoteles de ruimte als begrensd denkt door de buitenste hemelsfeer, poneert hij dat de tijd oneindig is. Daar tijd en beweging onafscheidelijk samengaan, heeft de beweging van de kosmos geen begin gehad en zal nooit ophouden. Deze leer van de eeuwigheid van de wereld is voor latere Aristotelici een schooldogma geweest, dat zowel in het christendom als in de islam aanleiding was tot polemieken. Hier op aarde kan door de beperkte mogelijkheden van de materie een ononderbroken kringloop niet plaatsvinden, maar de natuur tracht deze zo goed als het in haar vermogen ligt te imiteren. Door de zon is er dag en nacht, door de ecliptica (de cirkel aan de hemel die de zon in één jaar schijnt te doorlopen) de wisseling van de seizoenen. Vandaar de mutatie van elementen en de weersverschijnselen. Het leven kent opgang en neergang, geen complete kringloop, maar de ononderbroken opeenvolging van ontstaan en vergaan is de best mogelijke nabootsing daarvan.

2.4 Biologie In de levende natuur zijn de individuen vergankelijk, maar de soorten eeuwig en onveranderlijk. Wel kent Aristoteles de geleidelijke overgang van het net-niet-meer-levenloze, via planten, tussenvormen tussen planten en dieren, naar hogere dieren, tot de mens toe. Maar hij verwerpt de mogelijkheid van het ontstaan van nieuwe soorten? kruisingen, zoals muildieren, kunnen zich als soort niet handhaven. Lager en hoger gaan samen met de aard van de psychè (ziel, in de zin van levensbeginsel). De laagste vorm is de plantenziel (alleen voeding en voortplanting); dieren hebben de waarnemende ziel, de mens daarenboven het verstand. In de hogere ziel zijn de lagere altijd aanwezig. Centrum van de levensfuncties én van de waarneming is het hart? de (koude) hersenen dienen als regulateur om de bloedtemperatuur gelijkmatig te houden. Volgens Aristoteles is het mannelijke warm en actief, het vrouwelijke koud en passief. Bij de voortplanting is het mannelijke de vormgever, en in het sperma is de ziel in potentie aanwezig. Het vrouwelijke draagt alleen de materie bij. Toch weet Aristoteles van parthenogenese (voortplanting zonder bevruchting). In het algemeen komt hij in de nadere uitwerking vaak veel verder dan een star dogmatisme. Zo kon Charles Robert Darwin hem als een groot bioloog beschouwen. Hij heeft ruim 500 dieren beschreven en observaties gedaan die soms in onze eigen tijd pas bevestigd zijn, bijv. de beschrijving van de levendbarende gladde haai (Mustelus laevis). In zijn nauwkeurig uitgewerkte erfelijkheidstheorie anticipeert hij op Gregor Mendel met een goed begrip voor dominerende en recessieve factoren. Hij geeft een opmerkelijke schets van een indeling van de dierenwereld op grond van de embryologie. Ook heeft hij herhaaldelijk bepaalde soortkenmerken aangewezen, en is hij zijn tijd vooruit geweest door bijv. sponsen, zeeanemonen e.d. van planten, en walvisachtigen van vissen te onderscheiden.

2.5 Waarneming Uitvoerig is de behandeling van de zintuigen, en vooral ook van de vraag hoe verschillende waarnemingen gecoördineerd worden (de waarnemingen van een roos bijv. gaan langs totaal verschillende wegen? men ziet de bloem, ruikt de geur en voelt de doornen). Volgens Aristoteles is dit coördineren het werk van een gemeenschappelijk waarnemingsorgaan. Het complex van de waarnemingen vormt het materiaal voor de herinnering. Opvallend is in dit verband zijn inzicht in het associatieproces. De mens beschikt niet over natuurlijke wapens (slagtanden, klauwen, horens) en ook het waarnemingsvermogen is slechter dan dat van sommige dieren. Maar alleen de mens bezit verstand. Zeer betwist is de leer van het passieve intellect dat de denkinhoud aan voorafgaande waarnemingen ontleent, en het actieve intellect, dat het denken activeert. Het passieve intellect is met de andere delen van de ziel aangeboren, maar het actieve 'komt van buiten af' en is alleen onsterfelijk.

2.6 Ethiek Het doel 'waarnaar alles streeft' is het goede, en het gemeenschappelijk einddoel is de eudaimonia, het geluk. Dat ligt niet in het verwerven van rijkdom, eer of genot, en ook niet in werkloosheid, maar in activiteit. Het hoogste goed is activiteit van de ziel in overeenstemming met haar eigen deugd, en als er meer deugden zijn, met de hoogste. Aristoteles' leer dat een deugd in het midden ligt tussen twee ondeugden (le juste milieu) is beroemd geworden. Dapperheid bijv. ligt tussen roekeloosheid (te veel) en lafheid (te weinig) in. Dapper zijn is niet? alles te wagen zonder vrees; men dient ook te weten wanneer men moet wijken. Wie goed wil handelen moet een keuze (prohairesis) maken, en wel een meervoudige keuze, die rekening houdt met persoon, tijd, plaats en omstandigheden. Boven de karakterdeugden staan de verstandelijke. De wijze kiest de hoogst mogelijke deugd die ligt in de intellectuele activiteit, dwz. contemplatie. Het zuivere denken plaatst hem boven het menselijke niveau? de mens bereikt dat niet als mens, maar door het goddelijke in hem. Op de hoge waarde van de vriendschap wordt veel nadruk gelegd, en sociale deugden, zoals de rechtvaardigheid, staan bovenaan, in overeenstemming met de opvatting dat de leer van de samenleving (politikè) in het verlengde van de ethiek ligt. De mens is een gemeenschapswezen (zooion politikon)? de staat streeft naar het geluk van de burgers. Aristoteles wil toezicht op het gezin met het oog op eugenese (verbetering van de erfelijke eigenschappen van het menselijk ras) en geboortebeperking, maar ziet anderzijds de slavernij als een door de natuur gegeven noodzakelijk instituut. Hij overweegt de voor- en nadelen van de verschillende mogelijke constitutievormen, maar blijft merkwaardigerwijze in de tijd waarin door de veroveringen van Alexander enorme statencomplexen ontstonden, staan bij de oude, beperkte stadstaat.

2.7 De retorica Deze ligt, als verhandeling over de redekunst, gedeeltelijk in het verlengde van de logica, maar komt herhaaldelijk op het terrein van de literatuurbeschouwing. Dit laatste onderwerp is uiterst beknopt behandeld in de Poetika, die van alle werken van Aristoteles het meest gelezen is, en vooral door de leer van de drie eenheden (tijd, plaats en handeling) een vérreikende invloed heeft gehad.

3. Werken Naar het voorbeeld van Plato schreef Aristoteles een aantal dialogen, die in de oudheid druk gelezen zijn, maar verdrongen werden door de wetenschappelijke werken (de fragmenten zijn verzameld door R. Walzer, 21963, en W.D. Ross, 1955). Ook van de grote, onder zijn leiding tot stand gebrachte documentenverzamelingen (o.a. lijsten van opvoeringen van tragedies in Athene, staatsinstellingen van 158 steden, atlas van vergelijkende anatomie, en andere) is alleen een studie over de Staat van de Atheners in 1891 op een papyrus gevonden. De rest is, op een aantal meestal zeer korte fragmenten na, verloren gegaan (laatstelijk uitgegeven door V. Rose in 1886). Bewaard gebleven zijn de wetenschappelijke werken, die geen literair karakter dragen, maar als min of meer uitgewerkte leerstof voor zijn colleges dienden. Uit een aantal citaten naar niet meer vertegenwoordigde werken blijkt dat de door Andronicus geredigeerde verzameling niet volledig meer is, terwijl anderzijds dictaten en excerpten van leerlingen, geschriften van latere peripatetici (o.a. de Problemata) en opzettelijke vervalsingen (zoals De mundo) erin zijn opgenomen. De bewaard gebleven hoofdwerken van Aristoteles zijn de volgende? Logica? Categoriae; De interpretatione; Analytica priora en posteriora; Topica. Ontologie? Metaphysica. Natuurfilosofie? Physica; De caelo; De generatione et corruptione; Meteorologica; Historia animalium; De partibus animalium; De generatione animalium; De anima, Parva Naturalia. Praktische filosofie? Ethica Nicomachea; Politica; Rhetorica; Poetica.

Aristotelisme , samenvattende benaming voor filosofische stromingen waarvan leer of beginselen aan Aristoteles ontleend zijn. Aristoteles' eigen school, de Peripatos (of Peripatetische school), richtte zich vnl. op de empirische wetenschappen. Met Alexander van Aphrodisias (3de eeuw n.C.) begon een reeks uitvoerige commentaren op Aristoteles, die aanvankelijk stoïsch, later neoplatonisch en ten slotte christelijk beïnvloed zijn. Omstreeks 500 begon Anicius Boëthius Aristoteles' Logica in het Latijn te vertalen. Omstreeks diezelfde tijd ontstond de Syrische vertaling van dezelfde geschriften, die later in het Arabisch werden vertaald. In het Oosten (centrum? Bagdad) zijn de overige geschriften niet vóór de 9de eeuw bekend geworden; in het Westen drongen zij pas vanaf de 12de eeuw door, in rechtstreekse vertalingen uit het Grieks en uit het Arabisch. In de middeleeuwen heeft het aristotelisme grote invloed gehad, met Thomas van Aquino als belangrijkste exponent. Tussen 1495 en 1498 werden de complete werken van Aristoteles in het Grieks gedrukt bij Aldus in Venetië. Na de middeleeuwen moest het aristotelisme geleidelijk het veld ruimen, maar voor Georg Wilhelm Friedrich Hegel kreeg het een eigen betekenis en in het neothomisme heeft het lange tijd op de voorgrond gestaan.

Machiavelli, Niccolò (Florence 3 mei 1469 – aldaar 22 juni 1527),  Italiaans geschiedschrijver, werd ambtenaar van zijn vaderstad en in 1498 secretaris van de tweede kanselarij; hij ontwierp een reorganisatie van de burgermilitie, maakte vele gezantschapsreizen en vertoefde, als agent van Florence, enige tijd bij Cesare Borgia. Nadat in 1512 De'Medici waren hersteld, werd Machiavelli in 1513 verbannen. Zijn meest bekende werken, Il principe (De vorst, ook wel vertaald als De heerser) en Discorsi sopra la prima deca di Tito Livio (= Gesprekken over de eerste tien boeken van Titus Livius), die tijdens zijn ballingschap zijn geschreven, hebben beide betrekking op de vraag naar de oorzaken van verval en opkomst van staten, alsmede naar de wijze waarop staatslieden staten in stand kunnen houden. In De vorst, waarvan het eerste manuscript gereed was in 1513, betoogt hij dat een regering, om vóór alles te streven naar het handhaven van de macht, niet de regelen van de moraal behoeft toe te passen, maar dat haar alle middelen tot dit doel zijn geoorloofd. Politiek is volgens Machiavelli doel in zichzelf, t.w. behoud en vergroting van macht, met het succes daarin als enige maatstaf. Hij had geen behoefte aan een dienst aan een God en hij bestempelde de toenmalige religie als een verzinsel en volksbedrog. Voor het verscheurde Italië van zijn tijd zag hij als oplossing de instelling van een absolute monarchie. In de Discorsi, die hij tussen 1516 en 1519 schreef, boog hij zich over de vraag welke staatsvorm steden grootheid bracht. Machiavelli koos hiervoor een republikeinse regeringsvorm. Voor staten die zich reeds geruime tijd hadden gevestigd, achtte hij evenwel een aandeel van het volk in het bestuur noodzakelijk. Machiavelli heeft geen systematische politieke theorie ontwikkeld, doch zijn politieke ideeën in de vorm van losse opmerkingen over bijzondere historische situaties en voorvallen naar voren gebracht. In 1519 keerde hij terug naar zijn vaderstad. Door bemiddeling van Giulio De' Medici kreeg hij de officiële opdracht voor een Geschiedenis van Florence. Hij schreef deze Istorie fiorentine (waarvan acht boeken gereed kwamen) geheel naar het antieke voorbeeld (Livius), om aan te tonen hoe noodlottig de verdeeldheid is. Hij geeft blijk van een ruime mensenkennis en van cynisme, door alles aan boze driften en eigenbaat toe te schrijven. Net als vele van zijn tijdgenoten stelde hij de Rooms-Katholieke Kerk verantwoordelijk voor de in Italië heersende politieke corruptie en het morele verval. Zijn stijl is voortreffelijk; hij staat kritisch ten opzichte van de bronnen. Als echt humanist (zie humanisme [geschiedenis]) nam Machiavelli ook actief deel aan het literaire leven van zijn dagen? men heeft van hem de uitstekende (lichtzinnige) komedie La mandràgola (ca. 1513), schitterend van observatie en karaktertekening; een tweede, La clizia (1525); de knappe novelle Belfagor Arcidiavolo; een onvoltooid gebleven satire L'asino d'oro; voorts prachtig geschreven brieven; ten slotte moet hij ook de auteur zijn van een aantal (anonieme) carnavalsliederen van zeer wuft karakter. Zie ook Renaissance.

Een volledige editie van de middeleeuws-Latijnse vertalingen wordt verzorgd door de Union Académique Internationale, onder de titel Aristoteles Latinus (I–XXXIII; suppl. I–II); Syrische vertalingen (vnl. van het Organon, ook? De mundo) zijn in de eerste helft van deze eeuw al verschenen. Na de Tweede Wereldoorlog is de uitgave van de Arabische vertalingen vrijwel voltooid. Vertalingen in moderne talen zijn van zeer ongelijke waarde. Vooral in Groot-Brittannië, waar een lange traditie een bruikbare terminologie opleverde, zijn voortreffelijke prestaties geleverd? The works of Aristotle translated into English (12 dln., 1908–1952) omvatten alle werken van Bekkers editie. De Loeb Classical Library biedt bijna alle werken in het Grieks met vertaling.

Hegel, Georg Wilhelm Friedrich (Stuttgart 27 aug. 1770 –  Berlijn 14 nov. 1831) De Duitse filosoof Hegel is vooral bekend vanwege zijn uitwerking van de methode van de dialectiek. In zijn beroemde werk de Phänomenologie des Geistes (1807) probeert hij een systeem te ontwikkelen waarin door een dialectisch proces de gehele werkelijkheid uiteindelijk gekend kan worden. Wil een mens (in de filosofie meestal aangeduid met subject) de gehele werkelijkheid kennen, dan moet hij behalve de werkelijkheid in al haar details, ook zichzelf kennen (de mens maakt immers deel uit van de werkelijkheid), en zijn eigen kennen van de werkelijkheid in al haar details, en zijn eigen kennen van zichzelf die alles kent. Uiteindelijk eindigt deze beweging, die heen en weer gaat tussen een onmiddellijk bewustzijn van de werkelijkheid en een zelfbewustzijn, in het absolute kennen dat niet meer als het kennen van een subject begrepen kan worden maar dat Hegel karakteriseert als 'het absolute weten', of 'de Geest' . Hegel werkt dit systeem zeer gedetailleerd uit, op het niveau van het individu, van de geschiedenis en op het niveau van de Geest.

1. Leven Hegel werd geboren in een orthodox-protestants ambtenaarsgezin, bezocht het gymnasium te Stuttgart en studeerde van 1788 tot 1793 filosofie en theologie te Tübingen. In zijn studententijd raakte hij bevriend met Hölderlin en Schelling, in wie hij filosofisch-gelijkgezinden ontdekte. Nadat hij was afgestudeerd, werd Hegel enige tijd huisleraar te Bern en daarna, door bemiddeling van Hölderlin, te Frankfurt. Al gedurende de laatste tijd van zijn verblijf in Tübingen, maar vooral in Bern en Frankfurt, hield hij zich bezig met theologische en politieke problemen, waarvan de neerslag in een aantal, meestal onvoltooid gebleven en niet gepubliceerde geschriften is te vinden. Pas in 1801, toen hij zich in Jena als 'privaatdocent' vestigde om er een universitaire loopbaan te gaan volgen, verscheen zijn eerste publicatie. Vanaf 1805 werd hij er buitengewoon hoogleraar en gaf, samen met Schelling, het Kritisches Journal für Philosophie uit. Hiervoor schreef hij verschillende artikelen, maar zijn voornaamste werk was het ontwerpen van zijn 'systeem', dat geleidelijk, ook in zijn colleges, gestalte kreeg. In 1807 verscheen zijn Phänomenologie des Geistes, aangekondigd als eerste deel van het systeem (een tweede deel is nooit gevolgd). Vlak voor de publicatie had Hegel Jena verlaten om de redactie van de Bamberger Zeitung op zich te nemen, waardoor hij nog meer gelegenheid had zich met de actualiteit bezig te houden. In 1808 werd hij benoemd tot rector van het gymnasium te Neurenberg, waar een van zijn voornaamste taken het onderwijs in de filosofie was. Uit deze vorm van onderwijs is later zijn overzicht over de gehele filosofie in zijn Enzyklopädie geresulteerd. In Neurenberg trouwde hij met de ruim twintig jaar jongere Marie von Tucher, uit welk huwelijk drie kinderen werden geboren. Bovendien nam hij zijn in Jena geboren onwettige zoon in zijn gezin op. In 1816, nadat zijn Logik in drie delen al verschenen was, werd hij hoogleraar in Heidelberg en twee jaar later in Berlijn. Hier overleed hij als slachtoffer van een cholera-epidemie.

2. Werk Hegels betekenis voor de filosofie is uitermate groot en zijn invloed is onmiskenbaar op nagenoeg alle terreinen van de filosofie. Behalve dat hij een totale visie gaf op het geheel van de filosofie, hield hij zich ook bezig met zeer concrete details. De spanning die er bij Hegel duidelijk bestond tussen totaliteit en momenten, heeft ertoe geleid, dat zijn navolgers de nadruk hetzij op het systeem, hetzij op de concrete methode hebben gelegd. Hegel zag als voornaamste taak van de filosofie de werkelijkheid te begrijpen zoals die is? hij had de vaste overtuiging dat de wereld, zowel in haar geheel als in haar delen, toegankelijk is voor redelijke doordenking en begrepen kan worden.

2.1 Werken voor 1806 In zijn jeugdgeschriften stelde Hegel zich kritisch op tegenover de in Duitsland heersende opvattingen over godsdienst en politiek. In zijn Theologische Jugendschriften (onder deze titel in 1907 door Nohl uitgegeven) verzette Hegel zich, uit naam van een redelijke religie, tegen elke autoritaire en positieve godsdienst. In de biografie van Jezus legde hij de nadruk op zijn gezindheid en elimineerde hij alle bovennatuurlijke elementen. Hij leverde daarin overigens ook kritiek op de gerichtheid van Jezus (en het christendom) op de enkeling in plaats van op de maatschappij. De noodzaak van een 'verzoening' met de werkelijkheid, die een grote rol zou gaan spelen in Hegels latere werk, komt hier al naar voren. Geleidelijk aan ging dan Hegels belangstelling zich verplaatsen naar puur filosofische onderwerpen. In zijn Differenz des Fichteschen und Schellingschen Systems (1801) bepaalde hij zijn eigen standpunt aan de hand van Schelling en Fichte? de filosofie moet alle tegenstellingen opheffen om de absolute totaliteit te bereiken; met behulp van de rede moet een systeem van de gehele werkelijkheid opgesteld worden. Nadat Hegel zich verscheidene jaren in zijn colleges hiermee had beziggehouden, kwam de grote uitwerking van deze visie in zijn Phänomenologie des Geistes.

2.2 Werken na 1806 De Phänomenologie des Geistes verscheen in 1807. Het werk heeft een tweeledig doel? enerzijds is het inleiding tot het systeem, anderzijds is het de beschrijving van de ontplooiing van het systeem zelf. Zoals de titel aangeeft, is de opzet van het werk een beschrijving van de verschillende fenomenen van de geest, zoals deze zich op dialectische wijze uit elkaar ontwikkelen. (Het begrip geest heeft bij Hegel niet dezelfde betekenis als in de rest van de filosofie). De dialectische weg houdt in dat er geen rechtlijnige voortgang is, maar een voortdurend omslaan in het tegendeel, zodra een fase tot het einde toe doorlopen is. De waarheid van elke fase wordt ontkend, om daarna noodzakelijkerwijs tot een hogere waarheid te komen. De ontwikkeling van de twee telkens in andere gestalten optredende tegenspelers, nl. bewustzijn en zelfbewustzijn, voltrekt zich op drie verschillende niveaus? binnen de ontplooiing van het individu, op het vlak van de geschiedenis van de gehele mensheid en als weg van de Geest als zodanig. Als voornaamste stadia van deze 'Bildung' van de geest treden op? zintuiglijke zekerheid, waarneming, verstand, zelfbewustzijn, rede, geest, religie en het absolute weten. Elk stadium wordt door Hegel zeer concreet uitgewerkt aan de hand van historische voorbeelden. Het absolute weten heeft als laatste fase alle vorige in zich opgenomen en is als totaliteit de uiteindelijke waarheid. Wissenschaft der Logik (1812–1816). Anders dan de titel doet vermoeden, is de eigenlijke logica maar een onderdeel van dit werk. Op een nieuwe wijze wordt de ontwikkeling van het gehele systeem ontvouwd, zonder het historische proces erbij te betrekken. Het boek bestaat uit drie onderdelen, t.w.? de leer van het Zijn, de leer van het Wezen, samen betiteld als 'objectieve logica', en de leer van het Begrip, aangeduid als 'subjectieve logica'. Volgens de dialectische methode wordt begonnen met het onbepaalde onmiddellijke, dwz. het Zijn. Dit moet via vele stadia van begrijpen, uiteindelijk, als de totaliteit van alle concrete elementen, eindigen als Absolute Idee, het absolute weten. Via vele tegenstellingen en opheffingen van tegenstellingen eindigt dit proces dus met de Absolute Idee als het tot zichzelf gekomen zijn van het begrepen onmiddellijke. Het einde is de eenheid van begrip en realiteit, wanneer het objectieve an-sich en het subjectieve für-sich in de eenheid van het an-und-für-sich zijn opgenomen. Een eerste zeer bekend geworden voorbeeld van deze weg geeft Hegel in het begin van de Logik,  als hij beschrijft hoe uit het stellen van het pure Zijn en het negeren hiervan door het Niets de negatie van de negatie, nl. het Worden, ontstaat. Een andere uiterst belangrijke analyse is die van de verhouding tussen de begrippen eindig en oneindig. Doordat in eerste instantie het oneindige tegenover het eindige wordt gesteld als negatie daarvan, is het oneindige eenzijdig; het kan pas werkelijk oneindig genoemd worden als het het eindige in zich heeft opgenomen en zo de totaliteit is van eindig en oneindig. Enzyklopädie (1817). Naast deze twee werken, die elk een bepaalde visie op het systeem geven, had Hegel behoefte aan een het gehele terrein der filosofie omvattend overzicht, waarin dan óók, zij het in gewijzigde versie, de Phänomenologie en de Logik terugkeren. Dit werk, dat een 'encyclopedie der filosofische wetenschappen' wilde zijn, werd, na de drie door Hegel zelf verzorgde drukken, na zijn dood aangevuld met collegedictaten en andere fragmenten en in die vorm System der Philosophie genoemd. In dit werk is een strikte driedeling doorgevoerd; de hoofddelen zijn? logica, natuurfilosofie en geestesfilosofie, die elk weer in drieën zijn ingedeeld, enz. De voortgang in de behandeling kan men het beste vergelijken met een spiraal? elk onderdeel ontwikkelt zich zó, dat het op zijn beginpunt terugkeert, zij het op een hoger niveau. Als voorbeeld moet hier genoemd worden de ontwikkeling van de geest van subjectiviteit over objectiviteit naar absoluutheid. De subjectieve geest die zichzelf objectiveert in zijn producten (recht, moraal, zedelijkheid), vindt zich terug als absolute geest in kunst, religie en in het einddoel, de filosofie.

2.3 Overige werken Behalve de Grundlinien der Philosophie des Rechts (1821), waarin Hegel de 'objectieve geest' analyseert en het wezen van de staat redelijk begrijpt, heeft Hegel geen grote werken gepubliceerd. Zijn verhandelingen over de geschiedfilosofie, de godsdienstfilosofie, de esthetica, de natuurfilosofie en de geschiedenis van de filosofie zijn alle bewerkte collegedictaten van toehoorders. Overal komt daarin Hegels overtuiging naar voren, dat de werkelijkheid redelijk is, ook al kan de 'wereldrede' haar list gebruiken door de hartstochten van de mensen buiten hen om in dienst van het redelijke doel te stellen.

Hobbes, Thomas (Malmesbury 5 april 1588 – Hardwick Hall 4 dec. 1679), Engels filosoof, was na studies te Oxford o.a. als gouverneur in dienst van de familie Cavendish. Door een drietal reizen naar het vasteland en zijn ballingschap in Frankrijk (1640–1651) kwam hij in aanraking met Marin Mersenne, Pierre Gassendi, Galileo Galilei en René Descartes. Na een periode van intense belangstelling voor de klassieke letteren vatte hij rond zijn 40ste jaar een voorliefde op voor de meetkunde, die, naast zijn kennismaking met de nieuwe wetenschap van de beweging, bepalend werd voor zijn verdere werk. Gebruik makend van een overwegend deductieve methode trachtte Hobbes het begrippenstelsel van de mechanica over te dragen op alle andere gebieden, ook op het maatschappelijk leven, dat hij ziet als een beweging van mensen naar elkaar toe of van elkaar af. Aldus ontstond, in een trilogie met de titels De corpore (1655), De homine (1657), De cive (1642), een alomvattende metafysica, materialistisch en mechanistisch van aard, waarin de stoffelijke dingen, de menselijke geest en het sociaal-politieke leven door middel van dezelfde beginselen en categorieën tot systematische eenheid worden gebracht. Hobbes had een pessimistische visie over de menselijke natuur (vgl. zijn uitspraak homo homini lupus, Lat.? de mens is voor de mens een wolf), die doet denken aan Niccolo Machiavelli's opvatting. In de sociaal-politieke wijsbegeerte, die vooral door zijn meesterwerk Leviathan or the matter, form and power of a commonwealth ecclesiastical and civil (1651) bekend is geworden, betoogt Hobbes dat de angst voor de dood en een egoïstisch streven naar zelfbehoud de mensen ertoe brengen hun natuurlijk recht op het najagen van eigen belangen in te perken en zich door een contract aaneen te sluiten tot een gemenebest waaraan een ieder zijn recht op machtsontplooiing overdraagt, onder de voorwaarde dat de anderen hetzelfde doen. Om elke vorm van anarchie onmogelijk te maken laat Hobbes de leiding over deze gemeenschap berusten bij een absoluut soeverein, aan wiens gezag, dat zich ook over de godsdienst uitstrekt, slechts een einde gemaakt mag worden indien hij tekortschiet in zijn wezenlijke plicht? het handhaven van orde en veiligheid. Bij het uitwerken van zijn theorieën legt Hobbes veel nadruk op het ontleden van begrippen en het zorgvuldig onderzoek van woordbetekenissen. Tegenover de scholastieke leer die aan de algemene begrippen objectieve waarde toekent, huldigt hij een radicaal nominalisme? alleen de benamingen zijn algemeen, de benoemde dingen zijn louter concreet-individueel. Mede door zijn stelling dat tal van wijsgerige moeilijkheden veroorzaakt worden door onvoldoende inzicht in het functioneren van de taal, kan hij als voorloper van de moderne analytische filosofie worden beschouwd. Door zijn gedurfde visie is Hobbes het voorwerp van felle en uiteenlopende kritiek geweest. Maar naast de velen die hem als atheïst en materialist bestreden, staan anderen, zoals Benedictus de Spinoza, de utilitaristen en Karl Marx, die uit zijn werk vruchtbare inspiratie hebben geput. In de hedendaagse sociologie is sedert Talcott Parsons de uitdrukking 'the Hobbesian problem of order' in zwang gekomen. Hiermee bedoelt men het vraagstuk, hoe de eenheid en de samenhang in het maatschappelijk leven verklaard moeten worden. WERK? (behalve de genoemde)? The questions concerning liberty, necessity and chance (1656); Seven philosophical problems and two propositions of geometry with an apology for himself and his writings (1662); Problemata physica (1662); Mr. Hobbes considered in his loyalty, religion, reputation and manners (1662); De principiis et ratiocinatione geometrarum (1666). marxisme.

1. Algemeen Het marxisme is gebaseerd op het denken van Karl Marx (1818–1883) en is een theorie over de historische ontwikkeling van een maatschappij, waarbij de nadruk wordt gelegd op de economische aspecten hiervan. Volgens het marxisme moest de ontwikkeling van het kapitalisme opgevat worden als een natuurproces, dat automatisch en noodzakelijk tot de ineenstorting van de economische en maatschappelijke orde zou leiden en zo het proletariaat aan de macht zou brengen. Als theorie heeft het marxisme in de jaren 1880 tot 1918 een bloeitijd gekend. Later heeft het als dogmatische staats- en partij-ideologie voor communistische partijen en regimes gefungeerd, en is het door wetenschappers gebruikt in uiteenlopende filosofische scholen en tradities.

2. Ontwikkeling van het begrip Het woord marxisme is ontstaan in de jaren tachtig van de 19de eeuw. In min of meer negatieve zin werd het toen gebezigd door de tegenstanders ervan ter aanduiding van die vleugel van de Franse socialisten (Guesde, Lafargue) die zich expliciet baseerde op het werk van Karl Marx. Enkel schoorvoetend aanvaardden de intellectuele erfgenamen van Marx, voorop Engels, dit woord. Maar in het daaropvolgende decennium raakte de term marxisme ingeburgerd als de algemene noemer van de wereldbeschouwing die na 1890 toonaangevend werd binnen het socialisme van de Tweede Internationale. Later is men deze wereldbeschouwing, en de erin vervatte politieke en economische doctrines, ook wel gaan aanduiden als het 'klassieke' of 'orthodoxe' marxisme, zulks ter onderscheiding van marxisme-leninisme en neomarxisme. Van marxisme in deze betekenis dient men ook het werk van Marx zelf te onderscheiden. Dit vormt in zijn totaliteit namelijk geen samenhangende wereldbeschouwing en bergt verschillende, soms niet met elkaar te verenigen tendensen in zich, terwijl een groot deel van het werk van Marx onontdekt of ongepubliceerd was tijdens de hoogtijdagen van het (klassieke) marxisme. De term marxisme wordt tegenwoordig echter niet alleen in de hierboven genoemde specifieke betekenis gebruikt, maar ook, en meer nog, als algemene aanduiding van zowel het werk van Marx als van klassiek marxisme, marxisme-leninisme en neomarxisme tezamen. Dit leidt tot veel verwarring, omdat daarmee gesuggereerd wordt dat deze vier onderscheiden elementen toch een filosofische eenheid vormen. Maar alleen al het feit dat alle denkers die zich op Marx beroepen en zich marxist noemen, ongebruikelijk veel aandacht in hun werk plegen te schenken aan wat zij de juiste interpretatie van Marx vinden, duidt erop hoe schamel de gemeenschappelijke elementen in het marxisme (opgevat in deze breedste betekenis) in feite zijn.

3. Het marxisme en Friedrich Engels Marx heeft zelf nooit moeite gedaan om zijn inzichten en theorieën uit te werken tot een samenhangende doctrine, en van de eerste pogingen in die richting, verricht door aanhangers, distantieerde hij zich? 'Ik ben geen marxist.' De vorming van het klassieke marxisme, die plaatsvond in zijn nadagen, is in de eerste plaats het werk van Friedrich Engels. Deze zag zich gedwongen de inzichten van Marx en hem zelf in een systematische en populaire vorm gestalte te geven, en wel ter bestrijding van andere filosofische systemen die in deze periode grote invloed op de opkomende socialistische beweging in Duitsland uitoefenden, zoals die van F.A. Lange, F. Lassalle en Dühring. Dit resulteerde in de Anti-Dühring (Herr Eugen Dührings Umwälzung der Wissenschaft,  1878), dat door Engels geschreven werd met medewerking van Marx. Voor het eerst werd hier het marxisme gepresenteerd? als een alomvattend filosofisch systeem, dat niet alleen betrekking had op de maatschappij, maar ook op natuur en kosmos. De 'bewegingswetten der geschiedenis', waarvan het heette dat Marx ze ontdekt had, werden hier voorgesteld als de toepassing op de samenleving van universele principes die de materie zouden beheersen. De term historisch materialisme werd gebruikt als algemene naam voor de marxistische maatschappijtheorie, de term dialectisch materialisme voor de leer van deze universele principes. Op deze wijze trachtte Engels het in die tijd grote prestige van de natuurwetenschappen te benutten om, via het postulaat van een universeel geldende dialectiek, de juistheid van het historisch materialisme aannemelijk te maken. In deze presentatie van het marxisme was nóg een element aanwezig, dat nauw aansloot bij het intellectuele klimaat van die dagen? het evolutionisme, de projectie van biologische selectie- en ontwikkelingstheorieën (Darwin) op maatschappelijke processen. De 'Anti-Dühring' is de toonaangevende samenvatting van het klassieke marxisme gebleven, maar het werd ook de basis op grond waarvan het marxisme verder ontwikkeld en gepopulariseerd werd, met name door Karl Kautsky en Eduard Bernstein, die daarbij de directe steun van Engels hadden.

4. Het klassieke marxisme Toen de Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD) in 1890 in de legaliteit terug kon komen, bleek dat binnen de Duitse sociaal-democratische beweging dit marxisme het ideologisch monopolie had verworven. Aangezien de SPD de toonaangevende partij binnen de Tweede Internationale werd, gold ook daarbinnen de dominantie van het klassieke marxisme, waarvan de harde kern in feite te vinden is in het voorwoord dat Marx schreef in Zur Kritik der politischen Ökonomie (1859). Daarin wordt de maatschappelijke ontwikkeling voorgesteld als het resultaat van de wisselwerking tussen productiekrachten (m.n. technologie) en productieverhoudingen (m.n. eigendomsverhoudingen). De totaliteit van de productiekrachten vormt de economische structuur van een samenleving, en dit is de basis waarop zich een juridische en politieke bovenbouw verheft, waarmee dan weer bepaalde vormen van bewustzijn corresponderen. De productiewijze wordt gezien als de bepalende factor in de totstandkoming van bovenbouwfenomenen. De ontwikkeling van de productiekrachten wordt eerst bevorderd door de specifieke gestalte van de productieverhoudingen, maar op den duur worden deze een belemmering voor verdere ontwikkeling. Dan ontstaat een sociale revolutie, waarin het conflict tussen productiekrachten en productieverhoudingen beslecht wordt ten gunste van de eersten. Deze gebeurtenis leidt op haar beurt tot veranderingen in de bovenbouw. De kapitalistische productiewijze leidt dus via een interne wetmatigheid tot zijn eigen ondergang en vervanging door een hogere maatschappij-orde. Zo is het kapitalisme, in deze schematiek, de progressieve opvolger van de feodale, antieke en Aziatische productiewijzen. In dit evolutionaire schema van elkaar opvolgende productiewijzen is de Aziatische een moeilijk in te passen element. Onder de Aziatische productiewijze verstaat Marx een systeem van uitbuiting waarbij de vorst zich met behulp van een militaire en ambtelijke bureaucratie het surplus toeëigent. Dit stelsel past ook in ander opzicht slecht in het model van het orthodoxe marxisme, omdat het suggereert dat hier de politieke organisatie de economie bepaalt in plaats van omgekeerd. Een belangrijk element in het orthodoxe marxisme was de stelling dat de ontwikkeling van het kapitalisme opgevat moest worden als een natuurproces, dat automatisch en noodzakelijk tot de ineenstorting van de bestaande economische en maatschappelijke orde zou leiden en zo het proletariaat aan de macht zou brengen. Het economische determinisme werd zo tot het meest centrale element van het marxisme. Wanneer dit element te zeer centraal staat, wordt wel van vulgair-marxisme gesproken. De nadruk die in het klassieke marxisme werd gelegd op bovengenoemde elementen, ging geheel ten koste van andere, deels in die tijd nog onbekende of vergeten thema's en aspecten uit het werk van Marx, zoals zijn filosofische antropologie, de hegeliaanse achtergrond van zijn oeuvre en zijn verbinding van determinisme en revolutionair activisme, de eenheid van theorie en praxis.

5. Latere ontwikkeling Hoewel dit marxisme pretendeerde een gesloten wereldbeschouwing en een afgerond theoretisch systeem te zijn, was het dogmatische karakter ervan geen beletsel voor het ontstaan van een intellectueel belangwekkende argumentatiegemeenschap, die, zowel in onderlinge discussie als in debat met wetenschappelijke stromingen buiten het marxisme, niet alleen deze uitgangspunten verfijnde en in concreet historisch en sociaal onderzoek toepaste, maar ook thema's die bij Marx geen of weinig aandacht hadden gekregen, aansneed en uitwerkte. Voorbeelden in dit opzicht zijn de imperialismestudies van Rosa Luxemburg en R. H. Hilferding, de analyse van het nationalisme door Otto Bauer, Bebels werk over de emancipatie van de vrouw en de historisch-materialistische studies van Kautsky en Bernstein. Karakteristiek voor het marxisme was voorts het feit dat de theoretici ervan veelal zelf actieve en vooraanstaande leden van sociaal-democratische partijen waren; ook in deze zin kan men het tijdperk 1880–1918 de 'gouden tijd' (Kolakowski) van het marxisme noemen. Zowel politieke als wetenschappelijke ontwikkelingen leidden echter tot een geleidelijke desintegratie van het orthodoxe marxisme. Binnen de sociaal-democratische beweging ontstond ten gevolge van de groeiende kloof tussen de marxistische prognoses en de werkelijkheid het revisionisme, dat brak met een aantal centrale uitgangspunten van de orthodoxie. De ontwikkeling van de sociale wetenschappen ging gepaard met een geleidelijke absorptie van marxistische ideeën, die daardoor hun exclusieve karakter verloren. De Eerste Wereldoorlog maakte een eind aan het politieke perspectief van de Tweede Internationale, en de breuk tussen sociaal-democratie en communisme bezegelde deze ontwikkeling. Na 1918 was het marxisme niet langer de theorie van de Europese sociaal-democratie (met uitzondering van het austromarxisme, dat nog een tiental jaren de theorie van de Oostenrijkse sociaal-democratie bleef). Het marxisme wordt daarna een dogmatische staats- en partij-ideologie in communistische partijen en regimes (marxisme-leninisme, en ook wel institutioneel marxisme genoemd, om te benadrukken dat de cognitieve aspecten hier geheel en al ondergeschikt zijn aan de heerschappijfunctie); het neomarxisme dat daarnaast ontstaat, grijpt enerzijds terug op het werk van Marx zelf, en verbindt dat anderzijds, in zijn vele varianten, met de meest uiteenlopende filosofische scholen en tradities, maar blijft qua werkingssfeer beperkt tot delen van de westerse intelligentsia, zodat men hier wel van 'universitair marxisme' kan spreken. Als politieke leer verloor het marxisme, met de ineenstorting van het Sovjetimperium, zijn invloed. De communistische partij van de Sovjet-Unie nam in 1991 een programma aan, waarin het marxisme als slechts een van de inspiratiebronnen werd aangemerkt. Hiermee werd de aanspraak van het marxisme als de enig juiste, want wetenschappelijk gefundeerde vorm van politiek afgewezen.

marxisme-leninisme, benaming voor de door Vladimir Iljitsj Lenin verder uitgewerkte interpretatie van het dialectisch materialisme van Karl Marx (zie ook marxisme), waarin de socialistische revolutie niet langer wordt gezien als het noodzakelijke uitvloeisel van nationale burgerlijke revoluties, maar als een door de communistische partij aangevoerde wereldrevolutie tegen het zich tot een mondiaal stelsel ontwikkelend kapitalisme.

1. Partij is voorhoede van het proletariaat In de zienswijze van Lenin vormt de partij de voorhoede van het proletariaat, dat na deze revolutie een dictatuur zou moeten vestigen, die met alle beschikbare middelen, geweld niet uitgesloten, de revolutie moet vervolmaken. Het marxisme-leninisme verwerpt de scheiding tussen partij en staat, omdat de partij gezien wordt als de drager van het ideaal van een rechtvaardige socialistische samenleving.

2. Wereldwijde verbreiding Het marxisme-leninisme werd de heersende en alleen toegestane ideologie van de Sovjet-Unie en na de Tweede Wereldoorlog van de Oost-Europese staten, zolang die in de Sovjet-invloedssfeer waren. Daarnaast werd het marxisme-leninisme de heersende ideologie in een aantal Afrikaanse en Aziatische staten (veelal ex-koloniën) en in Cuba na de machtsovername door Fidel Castro. In de Volksrepubliek China werd een variant, het maoïsme ontwikkeld. De meeste communistische partijen elders in de wereld namen het marxisme-leninisme als richtinggevend model over. Wel werden hier en daar in de loop van de tijd wijzigingen aangebracht en varianten ontwikkeld, zoals in Joegoslavië (titoïsme) en Italië (eurocommunisme).

3. Geleidelijke afschaffing In de tweede helft van de jaren tachtig en begin jaren negentig werd het marxisme-leninisme, te beginnen in een aantal West-Europese communistische partijen, bijgesteld of afgeschaft. Bij de omwentelingen in Oost-Europa, eind jaren tachtig, begin jaren negentig, werd de ideologische monopoliepositie van het marxisme-leninisme opgeheven. Communistische partijen elders in de wereld, regerend of niet, volgden op enkele uitzonderingen na (Volksrepubliek China, Vietnam, Cuba, Noord-Korea) dit voorbeeld. In 1991 werd binnen de Sovjet-Russische communistische partij de monopoliepositie van het marxisme-leninisme afgeschaft.

Marx, Karl (voluit? Karl Heinrich) (Trier 5 mei 1818 – Londen 14 maart 1883), Duits filosoof en econoom, theoreticus van het socialisme.

1. Jeugd en opleiding Zowel van de zijde van zijn vader als van die van zijn (in Nederland geboren) moeder was Karl Marx afkomstig uit een geslacht van rabbijnen. Zijn vader, de advocaat Heinrich Marx, was echter protestant geworden onder invloed van de anti-joodse wetgeving die Pruisen na de val van Napoleon in het Rijnland invoerde. Marx groeide op in een gematigd liberaal gezin, doorliep het plaatselijk gymnasium en studeerde rechten en filosofie aan de universiteiten van Bonn (1835–1836) en Berlijn (1836–1841). In Berlijn raakte hij onder de invloed van de filosofie van Hegel en maakte hij deel uit van de 'Doktorclub', een gezelschap van jong-hegelianen. In 1841 promoveerde Marx aan de universiteit van Jena op een proefschrift getiteld Differenz der demokritischen und epikureischen Naturphilosophie. Hij werd afgekeurd voor militaire dienst en moest vanwege zijn links-hegeliaanse denkbeelden al snel zijn hoop op een universitaire loopbaan laten varen.

2. Parijse periode In 1842 werd Marx medewerker en hoofdredacteur van de Rheinische Zeitung für Politik, Handel und Gewerbe, die kort tevoren door vooruitstrevende burgers was opgericht. Herhaalde conflicten met de Pruisische censuur leidden in 1843 tot zijn ontslagname. In datzelfde jaar huwde hij zijn jeugdvriendin Jenny von Westphalen (1814–1881) en vertrok hij naar Parijs om er samen met Arnold Ruge de Deutsch-Französische Jahrbücher te gaan uitgeven. In de eerste (tevens laatste) uitgave publiceerde Marx Zur Judenfrage en Zur Kritik der Hegelschen Rechtsphilosophie, Einleitung (1844). In deze geschriften hield Marx een pleidooi tegen de staat als institutie en het geld als ruilmiddel, en vóór de emancipatie van het proletariaat. In Parijs raakte hij op de hoogte van de opvattingen van allerlei Franse en buitenlandse socialistische en revolutionaire denkbeelden en denkers. Tevens maakte hij daar een begin met een intensieve studie van economische theorieën. Het resultaat daarvan, de Ökonomisch-philosophische Manuskripte, zou pas in 1932 gepubliceerd worden. Inmiddels had de Pruisische regering een aanklacht wegens hoogverraad en majesteitsschennis tegen hem ingediend, die hem de terugkeer naar Duitsland onmogelijk maakte en die hem er mede toe bracht zijn Pruisisch staatsburgerschap in 1845 op te geven. In het begin van dat jaar werd hij uit Frankrijk uitgewezen en vestigde het gezin Marx zich in Brussel. Met de uitgever Leske uit Darmstadt tekende Marx een contract om een tweedelig werk, Kritik der Politik und Nationalökonomie, te schrijven. Dat werd het begin van een intellectuele onderneming die, met onderbrekingen, zijn hele verdere leven in beslag zou nemen, maar die hij bij lange na niet zou voltooien.

3. Friedrich Engels In 1844 had Marx Friedrich Engels leren kennen. De eerste resultaten van hun samenwerking waren Die Heilige Familie (1845) en Die deutsche Ideologie (waarvoor geen uitgever te vinden bleek). Daarin rekenden zij enerzijds af met hun vroegere jong-hegeliaanse vrienden, en ontwikkelden zij anderzijds op niet-systematische wijze hun materialistische opvatting van de geschiedenis. In Misère de la philosophie (1847) presenteerde Marx, alweer in de vorm van een polemiek (in dit geval tegen Proudhon), een voorlopige samenvatting van zijn economische theorie.

4. Communistisch manifest Op verzoek van de Bund der Kommunisten schreven Marx en Engels het Manifest der Kommunistischen Partei,  dat in febr. 1848 verscheen en hun bekendste en invloedrijkste werk zou worden (zie Communistisch Manifest). In dit pamflet wordt de geschiedenis voorgesteld als een opeenvolging van klassestrijd, waarvan het laatste stadium, de strijd tussen proletariaat en bourgeoisie, zal eindigen in een overwinning van het proletariaat, daar dit niet alleen de universele klasse is, maar zich dankzij de theorie van het 'wetenschappelijk socialisme' (in tegenstelling tot het vóór-Marxse 'utopisch socialisme') van zijn eigen plaats en kracht bewust is geworden. In maart 1848 werd Marx door de Voorlopige Regering, die in Parijs na de Februarirevolutie aan de macht was komen, uitgenodigd naar Frankrijk te komen, vlak voor hij door België werd uitgewezen. Al in april 1848, toen in Duitsland de revolutie uitbrak, ging Marx naar Keulen, waar hij het hoofdredacteurschap van de Neue Rheinische Zeitung. Organ der Demokratie (NRZ) op zich nam. Na het verloop van de revolutionaire beweging werd de NRZ opgeheven en Marx uitgewezen.

5. Vertrek naar Engeland Toen Frankrijk hem het departement Morbihan als verblijfplaats toewees, vertrok het gezin Marx naar Londen, waar hij de rest van zijn leven als statenloze zou verblijven. Onder invloed van de mislukte revoluties van 1848 ontwikkelde Marx eerst ultrarevolutionaire denkbeelden over een permanente revolutie, die op conspiratieve wijze door de Bund der Kommunisten zou moeten worden opgezet. Interne conflicten binnen de bond deden Marx en Engels er echter mee breken; voortaan zouden zij zich verre houden van allerlei sektarische (emigranten)bewegingen. Een meer afstandelijke politiek-historische interpretatie van de recente ontwikkelingen gaf Marx in zijn studies De klassestrijd in Frankrijk en De 18de brumaire van Lodewijk Napoleon. De eerste periode van het verblijf van Marx in Londen werd gekenmerkt door ernstige persoonlijke en financiële moeilijkheden. Van de zes kinderen die zijn vrouw en hij tussen 1844 en 1855 kregen, werden er slechts drie volwassen (Jenny, Laura en Eleanor). Een uitkomst voor zijn financiële perikelen bood zijn medewerking aan de New York Daily Tribune, waarvoor Marx tussen 1852 en 1862 enkele honderden artikelen schreef. Deze activiteit belette hem echter ook aan zijn theoretische studies, die hij in 1850 weer had opgevat, voldoende aandacht te schenken. Naast de New Yorkse krant was Engels, die vanaf 1850 optrad als directeur van een familiebedrijf in Manchester, een voortdurende bron van financiële en intellectuele steun. Pas de grote economische crisis van 1857/1858 bracht Marx ertoe zich weer te concentreren op zijn theoretische werk. In deze periode ontstond het 'Rohentwurf' van zijn studie, die eerst in 1939 uitgegeven zou worden als 'Grundrisse'. Een eerste afgeronde neerslag verscheen in 1859 in druk? Zur Kritik der politischen Ökonomie.

6. Das Kapital Van de omvangrijke manuscripten die Marx in de daaropvolgende jaren schreef, stelden Engels en Kautsky respectievelijk het tweede en derde deel van Das Kapital en de Theorien über den Mehrwert samen. Marx zelf rondde in het midden van de jaren zestig het eerste deel van Das Kapital af, dat in 1867 verscheen. Das Kapital bevat tegelijk een filosofisch-sociologische theorie over de verhoudingen waaraan mensen zijn gebonden onder het kapitalisme, een interpretatie van de ontwikkeling van het kapitalisme als politiek-economisch stelsel en een voortzetting en kritiek op de klassieke politieke economie, die Marx uitbreidt met de theorie van de meerwaarde, volgens welke het verschil tussen datgene wat de arbeider produceert en datgene wat zijn arbeid aan loon opbrengt, de basis vormt van de kapitalistische uitbuiting. Het winst- en concurrentiestreven van de ondernemers leidt zo tot de accumulatie van meerwaarde en de concentratie van kapitaal in steeds minder handen. Maar in datzelfde proces liggen ook de kiemen van de ondergang, aangezien de voortgaande substitutie van arbeid door kapitaal tot een structureel dalende winstvoet leidt (accumulatietheorie).

7. De Eerste Internationale Voorafgaande aan de publicatie van Das Kapital had Marx zich weer in sterkere mate tot de politiek gekeerd. In 1864 behoorde hij tot de oprichters van de International Working Men's Association, de Eerste Internationale, van welks bestuur hij deel uit ging maken. In die hoedanigheid schreef hij de voornaamste proclamaties van deze beweging. Deze activiteit maakte hem tot een bekende en gerespecteerde figuur binnen de arbeidersbeweging van die dagen. Marx bracht hierbij niet zozeer zijn persoonlijke politiek-theoretische doctrines naar voren, maar hij formuleerde tactische en strategische verlangens, die voor de Europese arbeidersbeweging in het algemeen toonaangevend zouden worden. Zijn in opdracht van de Internationale geschreven pamflet Der Bürgerkrieg in Frankreich over de Parijse Commune (1871) werd niet het beroemdste van zijn politieke geschriften, maar vestigde wel zijn naam als geestelijk brein van de moderne arbeidersbeweging en boeman van de bourgeoise. Al in 1872 viel de Internationale echter feitelijk uiteen, na heftige interne conflicten met de anarchistische vleugel onder leiding van Bakoenin. De laatste tien jaar van zijn leven kon Marx als ambteloos burger in betrekkelijke welstand doorbrengen; meer dan ooit werd hij echter geteisterd door aandoeningen en ziekten. Tot voleinding van zijn theoretisch werk was hij niet meer in staat. Wel hield hij zich intensief bezig met de ontwikkelingen in Rusland (waar Das Kapital het eerst in vertaling verscheen) en met die in Duitsland, waar de samensmelting van de lassalleaanse en marxistische sociaal-democratische partijen hem aanleiding gaf tot het schrijven van zijn Kritik des Gothaer Programms (1875), zijn laatste belangrijke verhandeling. De dood van zijn vrouw in 1881 en van zijn dochter Jenny in 1883 verhaastten de lichamelijke neergang van Marx.

8. Betekenis van Marx Volgens een bekende karakteristiek ligt de oorspronkelijkheid van Marx in zijn synthese van de Engelse klassieke politieke economie met de Duitse idealistische filosofie en de Franse klassentheorie. Deze karakteristiek is niet onjuist, maar blijft aan de oppervlakte. Verhelderender is het inzicht dat Marx in zijn werk een unieke menging tot stand brengt van elementen uit verschillende intellectuele tradities. In de eerste plaats knoopt hij aan bij het erfgoed van de Verlichting, met de nadruk op rationaliteit als hoogste waarde en wetenschap als hoogste gezag. Terzelfder tijd sluit hij aan bij de romantiek, die de afkeer belichaamde tegen de desintegratie van het traditionele gemeenschapsleven door het industriële kapitalisme. Dit motief – filosofisch verwerkt in theorieën over vervreemding en warenfetisjisme – krijgt bij Marx echter een geheel andere inhoud dan bij de meeste romantische denkers, omdat hij het hanteert niet vanuit nostalgie naar een volmaakt verleden, maar ter projectie van een betere samenleving in de toekomst. In dat laatste aspect vindt men al de derde grote traditie die belichaamd wordt in het werk van Marx? de joods-christelijke eschatologische. Bij Marx is deze echter volstrekt geseculariseerd? zijn utopisme is geheel sociaal, er is geen plaats in voor de idee van verlossing als een verzoening van de mens met God of met de natuur. In die zin is een vierde en laatste traditie die van de mens als heros die natuur en materie bevecht en uiteindelijk overwint – een motief dat men in gnostische stromingen, de renaissance en de Prometheus – en Faustlegendes terugvindt. Marx wist motieven uit deze tradities te vermengen met de statuur en in de stijl van een profeet uit het Oude Testament. Dat deze mengeling van motieven en tradities een hoogst persoonlijke was, niet vrij bovendien van innerlijke spanningen en tegenstellingen, bleek pas goed bij de pogingen uit zijn werk een systematische politieke doctrine af te leiden (zie marxisme). Marx kan gelden als de voornaamste geestelijke vader van zowel communisme als sociaal-democratie.

Popper, Karl, sinds 1964 Sir (voornamen voluit? Karl Raimund) (Wenen 28 juli 1902 – Croydan, bij Londen, 17 sept. 1994),

Oostenrijks-Engels wijsgeer, studeerde te Wenen natuurkunde, muziek en filosofie, was kortstondig communistisch activist, en maakte kennis met het werk van Sigmund Freud en Einstein. Hij promoveerde in 1928 bij de taalpsycholoog K. Bühler op methodologische problemen in de psychologie van het denken. Hoewel bevriend met leden van de Wiener Kreis, werd hij geen lid van het gezelschap, omdat hij hun neopositivistische overtuigingen niet deelde – zoals bleek uit zijn Logik der Forschung (manuscript 1934; gehalveerde boekversie, 1935). Vanwege het politieke klimaat in Oostenrijk emigreerde Popper in 1937 naar Nieuw-Zeeland, waar hij een lectoraat kreeg in Christchurch. Hier ontstonden, in een poging zijn ideeën over methodologie uit te breiden naar de sociale wetenschappen, The poverty of historicism (manuscript 1944–1945) en het bekende The open society and its enemies (2 dln., 1945), waarin hij een vrije, open maatschappij en wetenschap constrasteert met de bouwers van 'gesloten' denksystemen, utopisten en autoriteitsdenkers uit de geschiedenis van de filosofie. In 1946 kreeg hij een lectoraat aan de London School of Economics – het jaar van zijn beroemde ontmoeting met Wittgenstein – en in 1949 een hoogleraarschap aan de Londense universiteit (tot 1969). Na zijn emeritaat wijdde hij zich o.a. aan de problematiek van autistische kinderen. Aanvankelijk werd Popper aangezien voor een subtiele aanhanger van het moderne positivisme. Hij noemde zichzelf echter een kritisch rationalist. Niet alleen in zaken als het probleem van de inductie en de aanvaardbaarheid van de waarschijnlijkheidstheorie in wetenschappelijke bewijsvoering, maar ook op andere belangrijke punten wijkt hij af van de Wiener Kreis. Hij erkent niet, zoals Rudolf Carnap en Otto Neurath nastreefden, de strakke parallellie tussen taal/logica en de empirische wereld. Vanuit een onpositivistische idee over de status van theorie – niet de bekroning van een hypothese via empirische verificatie, maar veeleer een voorlopig bestand tegen gedane falsificatiepogingen – vat hij de ontwikkeling van wetenschap op als een principieel onaf proces in plaats van als een definitieve kroon op bewaarheid onderzoek. Popper keerde zich ook veel minder scherp dan de Wiener Kreis tegen metafysica. Weliswaar is deze onfalsifieerbaar en valt zij dus buiten de wetenschap, maar zij is niet zinloos want er kunnen nieuwe creatieve hypothesen uit voortkomen. Opvallend is zijn opvatting over sociale wetenschappen. Zonder het idee van één algemene wetenschapsleer op te geven, erkent hij toch de eigenheid van het sociale; het sociale is niet louter optelsom van individualiteiten. Toch handhaafde hij, uit weerzin tegen 'collectieve' begrippen, een methodologisch individualisme. Het 'verstehen' van het menselijk object in onderzoek vergt een 'situationele methode'? de handelingen van een actor moet men opvatten als rationele gedraging en vanuit de logica van de situatie. Taak van de sociologie is niet het voorspellen van toekomstige handelingen (volgens hem onmogelijk af te leiden uit het verleden), maar het verschaffen van inzicht in niet-bedoelde (vaak ook? niet-gewenste) gevolgen van handelen en het analyseren van sociale instituties. De invloed van Popper op de naoorlogse wetenschapsleer en methodologie is zeer groot geweest, juist ook omdat zijn denken veel flexibeler en niet zo rigide is in vergelijking met het 'hard boiled' positivisme. De zeer heldere betoogtrant heeft tot die waardering ongetwijfeld bijgedragen. Desalniettemin heeft het ook niet aan kritiek ontbroken, zowel van modern-rationalistische als van neomarxistische en fenomenologische zijde.

Ricardo, David (Londen 17 april 1772 – Gatcombe Park, Gloucester, 11 sept. 1823),

Brits econoom, trok zich in 1814, na als beursmakelaar fortuin te hebben gemaakt, op zijn buitengoed terug. Hij was lid van het Lagerhuis vanaf 1819. Als theoreticus behoort Ricardo tot de Klassieke School. Werk van het allergrootste belang voor de ontwikkeling van het economisch denken heeft hij verricht op het gebied van de waarde- en prijsleer, de geldtheorie en de krediettheorie en de internationale handel. Met zijn theorieën heeft hij een belangrijke invloed uitgeoefend op Karl Marx. Bij Ricardo ligt de grote kracht in zijn zeer rigoureuze betoogtrant en in het consequent hanteren van abstracties. Deze deductieve methode, het nagaan in eerste instantie van de relaties tussen economische grootheden onder sterk vereenvoudigde veronderstellingen, neemt sinds Ricardo een centrale plaats in de denkwijzen van de economie in. Ricardo zocht aanvankelijk naar het oplossen van problemen van praktische aard. Op de vraag, hoe de prijsstijging van het goud en de prijsdaling van de bankbiljetten tijdens de Napoleontische oorlogen te verklaren, luidde zijn antwoord (in? The high price of bullion, a proof of the depreciation of bank notes in 1809) dat een overmatige uitgifte van papiergeld, onvoldoende gedekt, daar de oorzaak van was. De uitgifte van bankbiljetten moest in verhouding blijven tot de dekking door edel metaal en mocht niet zonder meer beantwoorden aan de gestegen vraag naar geld. Met betrekking tot de kwestie van de geheven importrechten op het buitenlands graan, een andere controverse uit die tijd, meende Ricardo dat een uiteindelijk gebrek aan voedingsmiddelen de verdere groei van de maatschappij in de weg zou staan en dat het noodzakelijk was het graan goedkoop in te voeren in ruil voor de export van goedkope afgewerkte producten. Deze stelling was regelrecht in strijd met de bestaande graanwetten, die ter bescherming van de eigen landbouw slechts bij schaarste de invoer van buitenlands graan toelieten.

1. De arbeidswaardeleer De hoeksteen van de economische wetenschap is Ricardo's belangrijkste werk? On the principles of political economy and taxation (1817), waarin hij tracht aan te tonen volgens welke wetten het product tussen de productiefactoren, dwz. de verschillende klassen die het product tot stand brachten, verdeeld wordt. Centraal stond het waardeprobleem, meer speciaal de arbeidswaardeleer. De arbeid geïncorporeerd in het goed zag hij niet als de oorzaak van de waarde van dat goed, maar als zijn waardemeter. De ruilwaarde van een goed is afhankelijk van het aantal uren arbeid nodig voor zijn productie, niet alleen de rechtstreekse arbeidsuren, maar ook die welke nodig zijn voor het tot stand brengen van het kapitaal, de gebouwen, het werkmateriaal e.d. Dit principe is geldig voor alle goederen die onbeperkt kunnen worden vermenigvuldigd; de prijs van de goederen die slechts in beperkte hoeveelheid voorkomen, wordt bepaald door vraag en aanbod. De prijs van een goed is de verhouding van de ruilwaarde van dat goed tot de hoeveelheid arbeid nodig voor het produceren van één eenheid goudgeld. Naast deze natuurlijke prijs stelde hij de marktprijs, dwz. die welke effectief door vraag en aanbod tot stand komt. Op de internationale handel toegepast, leidde de arbeidswaardeleer tot die van de comparatieve kosten (Ricardo schreef over 'the comparative value of money in the different countries').

1.1. Het loon Het loon zag Ricardo als een gegeven, omdat het laagst mogelijk uitbetaald loon bepaald wordt door de kosten van levensonderhoud naar de heersende gewoonte van de tijd. Het effectief loon wordt mede bepaald door het arbeidsaanbod (de bevolkingsgrootte); ook verdedigde hij de stelling dat er een loonfonds is, een zelfde constant bedrag dat de totale som aan uitbetaalde lonen voor de productie vertegenwoordigt.

1.2. De grondrente De grondrente werd door Ricardo niet als een oorzaak, maar als een gevolg van de prijs beschouwd. Wanneer hij over grondrente sprak, had hij het over de differentiële grondrente, een begrip door Thomas Robert Malthus en West naar voren gebracht, dat hij verder uitwerkte. Deze differentiële grondrente, een meeropbrengst die de grondeigenaar te beurt valt, vindt haar oorsprong in een betere ligging van de grond of in een grotere vruchtbaarheid. Ricardo zag reeds dat bij een meer intensieve bebouwing het verschijnsel van de dalende meeropbrengsten optreedt.

1.3. De winst Wat de winst betreft, nam Ricardo geen al te duidelijke stelling in en gebruikte hij de term 'profit' voor de kapitaalrente en de ondernemerswinst samen, zij het met de klemtoon op het eerste. Hoe dan ook, het is de residuele grootheid nadat het loon van de prijs werd afgetrokken. Vandaar dat zijns inziens de winst daalt als het loon stijgt, en omgekeerd. Deze theorie vormt evenwel het zwakste punt in het Ricardiaans denksysteem.

1.4. De toekomst Voor de toekomst zag Ricardo een uitbreiding van de productie, leidende tot een daling van de winst voor de ondernemers, een handhaving van de lonen (het bestaansminimum) en het stijgen van de totale waarde aan grondrente, dus een verrijking van de grondbezitters. Dit proces zou doorgaan tot het punt waarop de winstmarge te klein zou worden om nog verder te investeren. Opvallend is de pessimistische inslag van Ricardo's denkwereld (loon, loonfonds, toekomstige productie), ofschoon zijn ideeën en redeneringen gespeend bleven van elk gevoelsargument. WERK? The works and correspondence of D. Ricardo,  uitg. d. P. Sraffa en M. Dobb (10 dln., 1951–1955); An essay on the influence of a low price of corn (1815); On protection to agriculture (1822).

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.