Victor Horta

Beoordeling 7.6
Foto van een scholier
  • Scriptie door een scholier
  • Klas onbekend | 2628 woorden
  • 21 januari 2004
  • 31 keer beoordeeld
Cijfer 7.6
31 keer beoordeeld

1 Biografie Victor Horta werd op 6 januari 1861 te Gent geboren als zoon van een meester-schoenmaker. Zijn ouders wilden dat hij directeur werd van een weverij, maar hij leek zich al vroeg tot de architectuur aangetrokken te voelen. In 1878 vertrok hij, na zijn studies in Gent, naar Parijs waar hij door een architectdecorateur uit Montmartre, Jules Debuysson, in dienst werd genomen. Hier raakte hij vertrouwd met alle materialen die gebruikt werden bij binnenhuisinrichting. Toen zijn vader op 13 juni 1880 stierf, zag Horta zich genoodzaakt terug te keren naar België. Hij vestigde zich te Brussel, schreef zich in aan de Académie des Beaux-Arts en huwde een jeugdvriendin waarmee hij een dochter, Simone, kreeg. Naast zijn studies werkte hij als stagiair in het bureau van Alphons Balat. Bij Balat, voor wie hij grote bewondering koesterde, leerde Horta de strikte toepassingen van de regels van het beroep, terwijl zijn eigen creativiteit tot uitdrukking begon te komen in de talrijke ontwerpen waarmee hij aan wedstrijden deelnam, waar hij overigens veel prijzen in de wacht sleepte. In 1891 werd Horta assistent-lesgever aan de Vrije Universiteit van Brussel. Hij werd er benoemd tot hoofd grafische werken van de cursus architectuur van Ernest Jean Hendrickx. Toen deze datzelfde jaar nog overleed, volgde Horta hem op en bekleedde die post tot in 1911. Zijn deelname aan de expositie van La Libre Esthétique in 1897 bewees dat hij niet alleen een architect, maar ook een talentrijk decorateur was. In 1898 bouwde hij zijn eigen huis en atelier, het huidige Hortamuseum, in Sint-Gillis. In 1902 nam hij deel aan de Expositie van Moderne Sierkunsten in Turijn. Hij behaalde er een enorm succes op een ogenblik waarop de geestdrift voor de Art Nouveau, Horta’s werkterrein, afnam. Hij voerde ook een ware kruistocht voor een hervorming van het leerplan van de Brusselse Academie voor Schone Kunsten, waarvan hij in 1913 directeur werd. Deze verschillende ondernemingen, waarvan de realisatie jaren zou aanslepen, kennen een lange onderbreking tijdens de oorlog en bezorgden Horta, wiens karakter niet erg geneigd was tot diplomatie, heel wat kopzorgen. Horta scheidde in 1906 van zijn eerste vrouw en hertrouwde twee jaar later met Julia Carlsson, een jonge Zweedse. Midden in de oorlog reisde hij naar Londen, waar hij illegaal deelnam aan een congres over de heropbouw van de Belgische steden. Horta was zo onvoorzichtig om het woord te nemen. Deze bijdrage werd in de pers gepubliceerd zodat hij niet meer naar België terug kon. Dankzij de Zweedse nationaliteit van zijn tweede vrouw, kon hij naar de Verenigde Staten vertrekken, waar hij in het hele land lezingen hield, vooral over de Vlaamse kunst en de Europese architectuur. Tijdens deze lange zwerftocht had Horta niet de mogelijkheid om zijn beroep als architect uit te oefenen. Toen de Wereldoorlog was afgelopen, was Horta vijfenvijftig jaar en keerde hij in 1919 dan toch terug naar België. Hij verkocht zijn huis en atelier in de Amerikaansestraat en nam zijn intrek in een herenhuis langs de Louisalaan, dat hij vervolgens verbouwde. Hij zette de grote projecten voort die hij voor de oorlog was begonnen en enkele nieuwe projecten, zoals het Paleis voor Schone Kunsten. Ook werd hij in 1920 professor aan de Academie van Schone Kunsten in Antwerpen. Op 8 september 1947 overleed Horta en werd hij op het kerkhof van Elsene begraven. Fig. 1 Victor Horta in zijn huis te Sint-Gilles 2 Art Nouveau 2.1 Inleiding Art Nouveau of jugendstil is een stijlvernieuwing die zich ontwikkelde in Europa tussen ca. 1890 en 1910, en die zich in vrijwel alle kunstvormen manifesteerde. De term is ontleend aan het in München uitgegeven tijdschrift Die Jugend, waarvan de eerste jaargangen met karakteristieke vignetten en randversieringen geïllustreerd werden.
2.2 Oorsprong In de 19e eeuw ontwikkelde de smaak van de burgerij en ambachtslieden zich in een spiraal naar beneden. Wanstaltige stijlen, zoals neoclassicisme, neogotiek en zelfs neorococo, werden massaal vervaardigd. Men ging over tot het hopeloos imiteren met goedkope materialen om aan de grote vraag te kunnen voldoen. Natuurlijk ontstonden er stromingen die tegenspel boden. In Engeland ontstond de ´Arts and Crafts´ beweging. Het ideaal van deze beweging, het produceren van fraaie, degelijke en betaalbare objecten te maken voor de gewone man, mislukte jammerlijk, want het handwerk bleek te kostbaar. Een kunstzinnig geslaagde, maar sociaal gefaalde onderneming. Op het Europese continent heerste alom bewondering voor de ´Arts en Crafts´ beweging en begreep men de uitdaging om een nieuwe kunstvorm te scheppen, gebaseerd op inventieve creativiteit en vakmanschap. Maar men ging voorbij aan het sociale element, zodat de Art Nouveau vanaf het prille begin een luxe, kostbare kunst is geweest, slechts betaalbaar door een handjevol liefhebbers. Er waren twee duidelijke stromingen binnen de beweging. Enerzijds de asymmetrische, golvende lijnen in pasteltinten die kenmerkend was voor de Franse en Belgische Stijl, anderzijds de veel strakkere, gestileerde stijl in heldere kleuren van de Nederlanders en de Oostenrijkers. 2.3 Kenmerken De Belgen Victor Horta en P. Hankar introduceerden de Art Nouveau in 1893 voor het eerst in de architectuur. Kenmerkend voor dit type architectuur waren de golvende lijnen die aan de bloemen-, planten- en dierenwereld werden ontleend, het werken met vloeiende lijnen, de contrastwerking tussen licht en donker, hoektorens, topgevels, dakkapellen, balkons en grote kozijnen. Voor de bouwkunst bracht de toepassing van het ijzer als nieuw materiaal nieuwe constructieve mogelijkheden, maar de term Jugendstil heeft toch voornamelijk betrekking op de decoratie van bijvoorbeeld trapleuningen, gevels, enz. IJzer leende zich goed voor verwerking tot de sierlijk gebogen vormen waarom de Jugendstil vroeg. 2.4 Ondergang De wijziging van sociale en economische omstandigheden en de toepassing van nieuwe materialen zoals beton brachten na de Eerste Wereldoorlog het spijtige einde van de jugendstil. 3 Werkbesprekingen 3.1 Het hotel Solvay 3.1.1 Historiek

Het was Charles Lefébure, secretaris van Ernest Solvay en vriend van Emile Tassel, die Horta aan de familie Solvay heeft voorgesteld. In 1894 toonde Armand Solvay, Alfreds zoon, aan Horta een stuk grond in de Louizalaan dat hij wilde kopen. Op 9 juli 1895 werd de bouwvergunning aangevraagd. Pas in 1903 werd het huis volledig afgewerkt. (zie bijlage1, Fig 1.1) 3.1.2 Constructie en inrichting
Het perceel mat aan de straatkant vijftien meter en liep tot in de Lensstraat waar de stallen uitkwamen. Het plan van het huis beantwoordt aan een dubbele vereiste: genodigden een rijkelijke ontvangst bieden en harmonieus wonen in familiekring. Beneden vinden we een grote hal waar een trap vertrekt, met links een keuken en rechts een ontvangkamer, een vestiaire en toiletten. De bel-etage omvat een eetkamer en een bijkeuken die de hele breedte van het huis aan de tuinkant innemen. Aan de straatkant is er een salon dat in drie is verdeeld.(zie bijlage 1, Fig 1.2) Op de eerste verdieping liggen de werkkamers van meneer en mevrouw Solvay en hun slaapkamer aan de kant van de straat. Een studeerkamer voor de kinderen en een kleine eetkamer geven uit op de tuin. De grote overloop op deze verdieping werd ingericht als een wintertuin. De slaapkamers van de kinderen en de gastenkamers liggen op de tweede verdieping.(zie bijlage 1, Fig 1.3) Horta heeft de indeling aan weerskanten geconcentreerd rond twee lichtkokers: de eerste ligt aan de noordkant en verlicht het eerste stuk van de trap, de tweede lichtkoker verlicht de trap vanaf de bel-etage.(zie bijlage 1, Fig 1.4) De diensttrap wordt aangeduid door de opeenstapeling van kleine ramen in de achtergevel. De gevel in de Louizalaan straalt evenwicht uit. Het centrale gedeelte, waar de aanwezigheid van steen wordt benadrukt, met de bijzondere lichte erkers doet denken aan een insect. De deuren van de salon en de eetkamer kunnen opengevouwen worden, zo worden deze vertrekken omgevormd tot een loge met balkon. Op de eerste verdieping is de slaapkamer via een lange gang langs de noordelijke tussenmuur met een wasruimte verbonden, die gang wordt verlicht door vensters met glas-in-loodramen die opengaan in de lichtkoker. Zo kan de bewoner een toeschouwer van zijn gezinsleven worden. 3.1.3 Stijl
Horta speelt voortdurend met contrast. Tegelijk zoekt hij naar kleuren die bij elkaar horen. In de noordelijke lichtkoker volgen de muurschilderingen in oranje en gele tinten op de groene kleurharmonieën. In de eetkamer doet hij het mahonie sterker uitkomen met geel, oranje en rood. We vinden die kleuren in zachtere schakeringen in de salons terug. Boven de schouwen in de eetkamer en de salons heeft Horta spiegels geplaatst die het licht van de gloeilampen weerspiegelen. De luchter in de eetkamer bestaat uit bloemblaadjes van kristal van Val-Saint-Lambert. Het plafond is versierd met composities van abstracte lijnen die herhaald worden in de tapijten en het houtmozaïek.(zie bijlage 1, Fig 1.5) 3.2 Het Volkshuis 3.2.1 Historiek
In 1895 verzochten de leiders van de Belgische Werkliedenpartij Victor Horta een nieuw Volkshuis te bouwen. Het oude was te klein geworden en stond niet langer in verhouding tot het succes dat de partij bij de verkiezingen in 1894 had gehaald. De nieuwe architectuur waartoe Horta de aanzet had gegeven moest symbool staan voor het succes van de partij en voor haar verzet tegen het conservatisme van de bourgeoisie. De société coopérative ouvrière van Brussel had een perceel gekocht in de Joseph Stevensstraat. Het terrein helde en was bijzonder onregelmatig. Horta ondernam echter geen pogingen om dat te verbergen, maar haalde er esthetisch voordeel uit. Door de gewaagde combinatie van baksteen, glas en staal werd dit gebouw gezien als een boegbeeld van de moderne architectuur.(zie bijlage 2, Fig 2.1) 3.2.2 Constructie en inrichting

Het plan was zeer ingewikkeld. Het midden van het gebouw werd ingenomen door een cafézaal die twee verdiepingen hoog was. De zaal werd met licht overspoeld, zoals Horta het graag zag, en kon verlucht worden door middel van schuiframen. Links van het café lag de grote vestibule. Aan het eind daarvan vertrok de dubbele trap naar de zaal waar voorstellingen werden gegeven. Links van het portaal vond je achtereenvolgens de slagerij, een loketzaal en een kruidenierszaak. Rechts van het café lagen er heel wat meer winkels, ook langs deze kant namen ze de hele eerste verdieping in beslag.(zie bijlage 2, Fig 2.2) Op de tweede verdieping waren er vooral burelen en een vergaderzaal. Horta vond de oppervlakte die hij nodig had voor de zaal waar de voorstellingen werden gegeven slechts op de derde verdieping. Een grondig onderzoek van de opstand toont hoe subtiel hij de helling van het terrein heeft gecompenseerd. De akoestiek in de zaal was uitstekend, dankzij de verheffing van de vloer achteraan en de golving van de zoldering. In de zaal was er plaats voor zeventienhonderd mensen.(zie bijlage 2, Fig 2.3 en 2.4) Het grote terras op het gebouw bood een schitterend uitzicht over het hart van Brussel. Hier en daar werd het prachtige smeedwerk van de leuningen onderbroken door borden met sleutelwoorden van het credo van de werkliedenpartij. Horta had voorrang gegeven aan de symbolische rode kleur: de voorgevel was gebouwd met bakstenen op een ondermuur van blauwe hardsteen, het ijzerwerk was rood geschilderd. 3.2.3 Vernietiging
In 1965 werd het gebouw, baken van de art nouveau en symbool van de verwachtingen van een jonge partij, ondanks protest uit de hele werd, afgebroken. Het Volkshuis werd nooit opnieuw opgetrokken, maar misschien zal het ooit mogelijk zijn een aantal elementen die toen werden ontmanteld in een modern gebouw op te nemen. 3.3 Het Horta huis 3.3.1 Gevelconstructie
In 1898 beschikte Horta over genoeg geld om voor zichzelf een huis en atelier te bouwen. Het verschil in bestemming blijkt duidelijk uit beide vleugels: de bijzonder mooi gesculpteerde steen die dient als sokkel voor de gietijzeren pilaar op de eerste verdieping, en de krans van bloemblaadjes onder het grote industriële raam dat het tekenatelier op de tweede verdieping verlichte, steken sterk af tegen de bijna vlakke gevel van het atelier. Horta wilde de kelder overvloedig verlichten. Daarom ontwierp hij een heel groot raam op de twee niveaus. In de gevel van het huis heeft hij twee elementen van het traditionele herenhuis gecombineerd: de erker en het balkon. Beide gevels vormen een harmonieus geheel: hun eenheid vloeit voort uit het gebruik van dezelfde materialen en dezelfde kleuren, en uit de doorlopende lijn van de vensterbanken op de eerste en tweede verdieping. 3.3.2 Binneninrichting
Horta heeft de binnenindeling geconcentreerd rond drie trappenhuizen: een trap voor hemzelf, zijn vrouw en zijn dochter, een diensttrap en een trap voor de werknemers van het architectenbureau. (zie bijlage 3, Fig 3.1) De inkom en het trappenhuis worden gescheiden door een dubbele deur in glas-in-loodramen. De bezoeker kreeg het gevoel dat hij binnentrad in een andere wereld. Voorbij de deur weerklinkt een symfonie van witte, roze, okerkleurige en gele tonen die haar hoogtepunt bereikt in het bovendeel van het trappenhuis. (zie bijlage 3, Fig 3.2) De salon van de bel-etage beslaat de hele breedte van het huis aan de straatkant en was bestemd voor muziek en recepties. Op de eerste verdieping liggen een intiemer salon en een boudoir dat bij de slaapkamer hoort. De tweede verdieping was voor behouden voor Simone, Horta's dochter. 3.3.3 Verbouwingen en Hortamuseum

In 1906 vergrootte Horta het huis aan de tuinkant met een extra salon, een garderobe en een wintertuin met terras. In 1908 werd het atelier uitgebreid met een kelder die met een grote lichtkoepel werd verlicht. In 1911 wijzigde het atelier opnieuw en maakte hij van het voorste deel van de benedenverdieping een garage. Na de verkoop werden beide gebouwen door verschillende eigenaars bewoond. Op aandringen van architect Jean Delhaye kocht de gemeente Sint-Gilles in 1961 het huis en in 1973 het atelier. In 1969 werd het Hortamuseum voor het publiek geopend. Momenteel komen er jaarlijks 50.000 bezoekers van over heel de wereld. 3.4 Het Paleis voor Schone Kunsten 3.4.1 Historiek
Horta vatte na de eerste wereldoorlog het plan op om een Paleis voor Schone Kunsten te ontwerpen. Het plan om in de Ravensteinstraat een vrij groot gebouw op te richten was een echte uitdaging door de aard van de bodem, de aangelegen ligging van het terrein en de voorschriften betreffende de toegelaten bouwhoogte. Het project werd gunstig onthaald door de minister van Openbare Werken, die in 1919 een overeenkomst met Horta sloot. Het jaar daarop weigerde het parlement echter de nodige kredieten goed te keuren. Pas in 1922 kon het project opnieuw gelanceerd worden. De stad Brussel deed afstand van de grond in ruil voor de bouw van winkels die op de straat uitgaven en die haar eigendom zouden zijn. (zie bijlage 4, Fig 4.1) 3.4.2 Constructie en inrichting
Het hele gebouw werd opgetrokken in gewapend beton. Behalve in de zaal die voor de beeldhouwkunst is bestemd, zijn alle geraamten uit staal. De onderste benedenverdieping was uitsluitend voorbehouden voor muziek: in de grote ovalen zaal konden 2.200 toeschouwers plaats nemen. Met het oog op een goede akoestiek daalt de zoldering af naar het orkest met een dubbele kromming in de vorm van een uitgerekte ‘S’. Horta opteerde voor een groot aantal tentoonstellingszalen om de verschillende kunstvormen zo goed mogelijk te onthalen: beeldhouwkunst, toegepaste kunsten (een van deze zalen wordt met drie grote ramen verlicht zodat glas-in-loodramen kunnen worden tentoongesteld), schilderijen, wit en zwart, monumentale kunst. De zalen worden via de zoldering verlicht, in een aantal zalen is er ook zijdelingse lichtinval. (zie bijlage 4, Fig 4.2) 3.4.3 Stijl
De stijl van het Paleis voor Schone Kunsten is van een mengsel van archaïsme en moderniteit. Zijn talent om het materiaal door middel van de vorm te laten uitkomen is nog intact, de bewerking van steen zit vol gevoel en bij een aandachtig onderzoek ontdekt men tere kromme lijnen. De gevel verwijst met zijn opeenstapeling van blokken ook naar de vormen van een primitief paleis: bijvoorbeeld Egypte, maar ook een of ander Kretenzisch paleis. Die laatste indruk wordt nog versterkt door het labyrint van ruimten en door de zuilen in de hallen die naar de grote ondergrondse zaal leiden waar voorstellingen worden gegeven.
Besluit Ik hoop dat dit werk u ervan heeft kunnen overtuigen dat Victor Horta één van de beste Art Nouveau architecten ooit was en dat de Art Nouveau een originele en waardevolle kunststroming was. Het is echter spijtig dat vele van Horta’s briljante gebouwen zijn verwoest. Gelukkig zetten enkele resolute mensen zich in om zijn werken te beschermen en zo ons nageslacht nog van zijn creaties te kunnen laten genieten.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.