Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Architectuur/bouwkunst

Beoordeling 5.7
Foto van een scholier
  • Scriptie door een scholier
  • 4e klas vwo | 4420 woorden
  • 22 februari 2010
  • 24 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.7
  • 24 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
CKV
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!
De Grieken (600 vChr – 200vCr)
De Romeinen (200 vChr-400 naChr)
Barok (1550-1715)
Renaissance (1400-1530)
Romaanse kunst (900-1150)
Gotische kunst (1100-1400)
Futurisme (1909-1916)
Neoclassicisme (1760-1840)
Architectuur jaren 60
Architectuur jaren 70
Architectuur jaren 80
Romantiek (1800-1840)
Vroegchristelijke kunst (50-500)
De Stijl (1917-1931)
Byzantijnse kunst (500-1453)
Karolingische kunst (800-900)
Constructivisme (1917-1924)
Functionalisme (vanaf 1900)

Jugendstil (1890-1910)
Bauhaus (1919-1933)

De Griekse bouwkunst
De Griekse is simpeler dan de Romeinse. Het ging er vooral om dat de gebouwen functioneel waren. Het was belangrijk dat de afmetingen juist waren. Het bekendste zijn de tempels. Ze werden gebouwd op een heuvel ter ere van de goden. Meestal hadden ze een verhoging van 3 treden.
Ook zijn de stadions en theaters heel bekend. De theaters waren meestal halfrond, en lagen een beetje in een dal. Als je helemaal bovenaan zat moest je de mensen onder goed kunnen horen, daarom werd met de ligging altijd heel erg goed rekening gehouden. De stadions werden gebruikt voor de Olympische Spelen en andere sporten.
De materialen die werden gebruikt, waren altijd zo glad mogelijk. Er werd veel marmer gebruikt. Tempels en andere openbare gebouwen werden beschilderd met felle kleuren, maar dit kun je tegenwoordig niet meer zien omdat het eraf is gesleten.
Er zijn 3 Griekse bouwstijlen:

- Dorische stijl: deze stijl ontwikkelde zich rond 600 v. Chr. Deze stijl is vooral simpel en strak. De zuilen zijn meestal strak naar boven gebouwd.
- Ionische stijl: deze stijl ontstond rond 450 v. Chr. en is eleganter dan de Dorische stijl. De zuilen zijn wat slanker en konden dus minder gewicht dragen. Daarom werden er bij deze stijl meer zuilen gebruikt.
- Korinthische stijl: vanaf 350 v. Chr. werd deze stijl toegepast. De bouwstijl lijkt erg op de Ionische stijl. De zuilen zijn nog wat slanker en met meer versieringen.

De Romeinse bouwkunst
De Romeinse bouwkunst is eenvoudiger dan de Griekse. Wat opvalt bij de Romeinse bouwkunst is dat ze een duidelijke hoofdingang gebruiken. Bij de Grieken waren er vaak meerdere ingangen.
In de 3e eeuw voor Chr. ontstonden de eerste boogconstructies. Die zouden later erg belangrijk voor de Romeinse bouwstijl en andere stijlen worden. In de 2e eeuw voor Chr. begonnen de Romeinen met gewelven te bouwen. Daarvoor gebruikten ze formelen. Dit zijn houten bogen. Die gebruikten ze als hulpconstructie om beton op te metselen. Die bogen vormden bij elkaar dwarsverbindingen die een groot netwerk van vakken vormden waar beton in werd gestort. Omdat deze beton na een tijdje ging vlekken bedekten ze het met marmeren platen, dan zag het wat mooier uit.
Voor zware muren hadden de Romeinen een aparte techniek bedacht: er werden 2 muren gemetseld waar beton tussenin werd gestort. Het beton bestond vooral uit steen.
De eerste architecten waren voornamelijk priesters. De meeste van hun technieken hebben ze overgenomen van de Grieken. Ook andere kunst en kennis namen ze van hen over.

Barok
Barok is een Europese stijlperiode die duurde van ongeveer 1600 tot 1750. Het had zijn oorsprong in Italië. De barok was zichtbaar in architectuur, schilderkunst, beeldhouwkunst, literatuur en muziek. Het woord Barok komt van het Portugese barroco, wat onregelmatig gevormde parel betekent. Die onregelmatigheden zie je erg
goed terug en de gebouwen.
De barok ontstond van streek tot streek op een ander moment. In Italië begon het Barok al eerder dan in het noorden, want daar was toen de Renaissance bezig. Het wordt gezien als een soort vervolg op de Renaissance, maar dan op een apartere manier.
In de loop van de tijd ontdekten veel heersers het effect van de dramatische barok; de stijl werd benut door het Vaticaan en ingeschakeld in de contrareformatie. Er werden veel versieringen gebruikt in de bouwstijl van kerken. Zo probeerden de katholieken mensen te imponeren. Het leek dan alsof de stad erg rijk was, en zo kregen de rijken in die stad ook meer aanzien.
De Spanjaarden namen deze stijl mee naar een nieuwe wereld waar hij goed werd onthaald. De vondsten die daar werden gevonden, kleedden de Spanjaarden hun kerken aan, vb Escorial.
In Frankrijk wordt de barok vooral door het Franse hof gebruikt. Lodewijk XIV maakte veel gebruik van deze stijl, die hij leerde kennen dankzij Kardinaal de Mazarin. Hij gaf opdracht om het paleis van Versailles te laten bouwen. In Frankrijk werd de barok vooral gebruikt om het publiek te imponeren, dus ook weer voor het aanzien.
De bouwkunst van de barokperiode wordt vooral gekenmerkt door dieptewerking met perspectieven en het gebruik van ovalen. Er werd ook veel rijk en weelderig materiaal gebruikt, tweezijdige symmetrie, ingewikkelde patronen en het gebruik van veel versieringen. Door die versieringen kwam het er dus ook onregelmatig uit te zien.
Een bekend barok bouwwerk is de Baldakijn van Bemini in de Sint-Pietersbasiliek. Dat werd ontworpen door Gian Lorenzo Bemini

Renaissance
Renaissance betekent letterlijk wedergeboorte. Het is een periode in de Europese geschiedenis, die wordt gezien als een bloeitijd van de kunsten. De Italiaanse humanisten die het begrip introduceerden, dachten dat er na een donkere periode (de Middeleeuwen) een nieuwe gouden eeuw was aangebroken: de wedergeboorte van de Klassieke Oudheid. De humanisten hebben die tijd altijd bewonderd.
Jacob Burckhardt heeft de term Renaissance bedacht voor deze periode. Historici van nu vinden die term niet goed gekozen, want ze vonden dat in de Middeleeuwen ook zeker veel ontwikkeling was. Er wordt verschillend gedacht over het karakter en periodisering van het tijdvak.
De Renaissance begon in Italië en verspreidde zich langzaam uit naar West-Europa. Tot 1450 was de Renaissance vooral te vinden in Noord-Italië en vanaf het begin van de 17e eeuw was het ook te zien in geheel West- en Midden-Europa. Voor ongeveer 2 eeuwen was deze Italiaanse cultuur de belangrijkste.
De gebouwen van de voorbije eeuwen moesten plaatsmaken voor nieuwbouw: Constantijns hoofdkerk boven Petrus’ graf werd vervangen door een nieuwe hoofdkerk. De architectuur van de Oudheid werden vernieuwd en daardoor kwam de nieuwe stijl in de belangstelling te staan. Antieke gebouwen werden opgemeten om zich vertrouwd te maken met de ‘taal’ van die architectuur.
Bekende Italiaanse architecten waren Filippo Brunelleschi, Donato Bramante en Andrea Palladio. Enkele bouwwerken uit de Renaissance zijn de Italiaanse paleizen in bv Venetië en Florence, de koepels van de kathedraal van Florence en de Sint-Pieter in Rome, de Remuh-synagoge in Krakow (Polen).
Ook in veel andere landen is de renaissance-architectuur terug te zien. Het bekendste renaissancekasteel in Frankrijk is het kasteel van Fontaineblea. In Spanje waren veel invloeden vanuit de Islam, bv in de Alcazar in Sevilla en ik het Alhambra in Granada.

Romaanse kunst
Romaanse architectuur wordt ook wel gewoon romaans genoemd. Het is de benaming voor de stijlperiode in de architectuur in Europa die van 1050 tot 1200 duurde. Het heeft veel te maken met kerken, maar ook met andere kunstvormen, zoals beeldhouwkunst en schilderkunst.
De romaanse bouwstijl is gebaseerd op de bouwstijl van de Romeinen. Het komt officieel voort uit de Karolingische kunst, waarin principes van de Romeinse architectuur opnieuw werden ontdekt. Die principes werden in de Romaanse kunst verder ontwikkeld. Het staat vooral bekend door rondboogvensters en versieringen, ook met ronde bogen. De muren zijn vrij dik en vaak versierd met lisenen, friezen en spaarvelden. Ook daarin zijn weer de ronde vormen te zien. De muren droegen een groot gewicht, waardoor grote ramen onmogelijk waren. Het was daarom bijna altijd vrij donker in Romaanse kerken.
Deze kenmerken zijn algemeen, maar het Romaans kent grote regionale verschillen. De stijl heeft een geleidelijke ontwikkeling doorgemaakt, die uiteindelijk zou leiden tot het ontstaan van de Gotische bouwstijl. Overgangsstijlen tussen Romaans en gotisch worden ook wel romanogotiek genoemd.

Gotische kunst
Het woord gotiek komt van het Germaanse volk, de Goten. De gotiek heeft daar echter niks mee te maken. In de 16e eeuw werd deze term gebruikt door de intellectuelen als spotnaam voor een bouwstijl die zij smakeloos en barbaars vonden.
De term voor de kunststroming gotiek werd voor het eerst gebruikt door de Italiaanse architect Giorgio Vasari. In 1546 kreeg hij opdracht van de Hertog van Farnese om een overzicht te maken van alle bekende kunstenaars sinds de Oudheid. Hij gebruikte de naam gotiek in zijn boek voor alle laatmiddeleeuwse kunst waarin de hang naar verticaliteit terug te vinden is.
Vasari vond de stroming een Noord-Europese dwaling, die van de Romeinse vormentaal, die werd bewonderd door renaissancekunstenaars, afleidde. De naam is dus bedoeld als scheldwoord. De Goten golden in die tijd als de aanstichters van de val van het Romeinse Rijk.
Men hanteert voor de gotiek een indeling naar periode, maar er zijn ook andere onderverdelingen:
• Vroeggotiek: 1140-1200
• Hooggotiek/Rayonnante gotiek: 1200-1300
• Internationale gotiek: 1300-1450
• Flamboyante gotiek/Laatgotiek: 1300-1500
De periode van de Intenationale gotiek en de Laatgotiek vallen gedeeltelijk samen. De Internationale gotiek wordt gebruikt voor schilder- en beeldhouwkunst en de Laatgotiek wordt gebruikt voor de architectuur.
Men kent ook een aantal varianten die per regio verschillen. In Engeland vindt je bijvoorbeeld de Perpendicularstijl en de Tudorstijl, in Spanje de Mudéjar-stijl, in Portugal de Manuellijnse stijl en in Zuid-Frankrijk en Noord-Italië de Zuidelijke gotiek.
Gotische kerken hebben meestal veel kleine ramen. Dit komt omdat er erg in de hoogte werd gebouwd. Als er dan grote ramen waren hadden de muren te weinig steun.

Futurisme
Het futurisme is een Italiaanse beweging en kunststroming van 1909 tot 1914 die is ontstaan uit het kubisme. De futuristen wezen het kubisme af, maar er was een moeilijk te negeren correlatie tussen beide bewegingen. Een paar kenmerken van het furturisme zijn snelheid, energie, agressie, krachtige lijnen, vooruitgang en nieuwe technologie.
De Italiaanse schrijver Filippo Tomasso Marinetti was op 20 februari 1909 in Parijs de ‘beginner’ van het futurisme. Het leek een tijd te worden gedreven door strijd, aanval en beweging en het richtte zich vooral op arbeidersbewegingen, revolutie en op anarchie.
Tussen 1909 en 1920 verschenen meer van zulke dingen. Op 11 februari 1910 ondertekenden Umberto Boccioni, Carlo Carra, Gino Severeni, Luigi Russolo en Giacamo Balla het
Manifesto dei pittori futuristi. Op 2 april 1920 volgde het technische manifest La pittura futurista.
In 1911 presenteerde Marcel Duchamp zijn kubistische vrienden zijn ophefmakende Nu descendant l’escalier. In 1912 schreef Boccioni een Manifesto della scultura futurista en in 1914 werd door Antonio Sant’Elia een manifesto dell’architettura futurista uitgebracht. Deze beide geschriften over de schilderkunst drongen aan op het uitdrukken van de dynamische sensatie en de opeenvolgende fasen van een beweging, maar ook op het simultaneïsme of het samenvatten van 1 moment van die fasen.
In februari 1912 kregen de futuristen een grote expositie in Parijs en in 1913 een tweede expositie. Dit gaf ze veel bekendheid en de exposities werden allebei herhaald in het belangrijke centrum van Europa. De muziek waarmee het futurisme wordt geuit, noem je het bruïtisme. De componist Balilla Pratella schreef verschillende melodieën op het gebied van futuristische muziek.
In april 1915 werd Italië betrokken bij de Eerste Wereldoorlog. De beweging futurisme viel toen uiteen.

Neoclassicisme
Neoclassicisme is een stroming in de kunst waarin opnieuw de vermeende puurheid van de klassieken wordt nagestreefd. Men richtte zich op de kunst van de oude Grieken en Romeinen. Het gaat hierbij om kunst die aan het einde van de 18e eeuw en het begin van de 19e eeuw werd gemaakt.
Het is niet altijd duidelijk waar de grens tussen neoclassicisme en classicisme ligt. Er bestaan in verschillende landen verschillende tradities rond die naamgeving.
• Het classicisme wordt veelal voor 17e-eeuwse kunstenaars, zoals Nicolas Poussin en Claude Lorrain. Zij lieten zich door de kunst van de Grieken en Romeinen inspireren, zonder dat ze hun wilden nadoen.
• Met neoclassicisme omschrijft men het werk van laat-18e en vroeg-19e-eeuwse kunstenaars, zoals de Franse schilders Jacques Louis David en Jean Auguste Dominque Ingres, of de beldhouwers Antonio Canova en Bertel Thorvaldsen. Zij streefden sterk naar de getrouwe navolging van de idealen die bij de oude Grieken en Romeinen leefden. In de architectuur liet men zich inspireren door Griekse en Romeinse bouwwerken, vooral door klassieke tempels met de zuilenfronten. In Nederland zijn de Waterstaatskerken een voorbeeld van naoclassicistische architectuur.
De neoclassieke stroming kwam pas op na 2 belangrijke archeologische vondsten, namelijk die van Pompeii (1748) en die van de steen van Rosetta(1799) en de ontcijfering daarvan door Champollion (1822). Dit gaf de architecten weer nieuwe inspiratie. Het werk van tekenaars en wetenschappers die Napoleon Bonaparte met zich mee had gebracht naar Egypte, sprak tot de verbeelding van hun tijdgenoten thuis. Een belangrijke rol vervulde verder de theoretische geschriften van Johann Joachim Winckelmann. Het belangrijkste centrum vanwaar het neoclassicisme zich over Europa en Noord-Amerika verspreidde, was Rome.
In de betiteling neoclassicisme klinkt soms een waardeoordeel door: kunststijlen die de traditie van renaissance-kunstenaars en de klassieke Griekse en Romeinse kunst voortzetten, worden vaak beschouwd als naäpers. Maar de technieken worden altijd weer verbeterd.

Architectuur jaren 50
Vanaf de jaren 50 werden er allerlei nieuwe technieken en materialen toegepast in de bouwkunst. Zo ontstond het modernisme. Voorgespannen beton biedt architecten veel mogelijkheden. Voor de constructie van een schaaldak wordt het ijzeren vlechtwerk dat als bewapening dient, van tevoren onder een bepaalde spanning gebracht. Dan wordt het vloeibare beton in de bekisting om het vlechtwerk gegiet en blijft het een tijdje liggen om hard te worden.
Het voordeel van voorgespannen beton is dat er veel minder beton nodig is om een ruimte te overdekken en dat men zo een grote ruimte kan overkappen. In de Notre-Dame-du-Haut van Le Corbusier wordt gewapend beton gebruikt. Vanwege de smalle strook licht die binnenkomt tussen het dak en de steeds dikker wordende muren, lijkt het alsof het dak zweeft. De kleine ramen versterken de sfeer van de kapel.
De wanden en het dak van de kapel zijn licht gebogen: dit gebouw wordt dan ook tot de organische bouwkunst gerekend.

Architectuur jaren 60
Als gevolg van de economische crisis in de jaren 30, de bouwstop en de verwoestingen door WOII, heerste er in de jaren 50 een enorme woningnood. Dit probleem werd aangepakt door, in een zeer hoog tempo, rijen flatgebouwen te bouwen. Daarbij werd niet veel aandacht geschonken aan de kwaliteit van de vormgeving.
In de jaren 60 waren er weer wat meer woningen beschikbaar. Vanaf toen werd er meer aandacht geschonken aan het uiterlijk van de woningen. De economische omstandigheden waren erg gunstig en er werden veel woningen gebouwd. De kenmerken van de woningbouw van de jaren 60 zijn functionaliteit en grootschaligheid.
Het functioneel wonen en bouwen kreeg veel internationale aandacht door de jaarlijkse congressen van het CIAM. Belangrijke architecten uit verschillende landen kwamen sinds 1928 bijeen om de nieuwste woonideeën met elkaar te bespreken. Zo kwam ook de gedachte van de functionele stad. Daarin moesten wonen, werken en recreëren gescheiden worden in aparte wijken. Door middel van bussen en metro’s moesten ze wel met elkaar verbonden en snel bereikbaar zijn. Het beeld van zo’n stad bestond uit grote woonblokken, flatgebouwen met parkeerplaatsen, parken en speeltuinen. Een voorbeeld van dit beeld zie je terug in de Bijlmer (Amsterdam). In de jaren 60 werd een begin gemaakt aan het ideaalbeeld van een stad, waarin honderdduizenden mensen konden wonen.
Overdag is het in de Bijlmer erg rustig. Toch is er veel criminaliteit en vandalisme. Hier wordt heftig op gereageerd door medewerkers van het tijdschrift ‘Forum’. Zij kunnen zich verplaatsen in de mensen die protesteren tegen het kille uiterlijk.

Architectuur jaren 70
In de jaren 70 werden allerlei moderne materialen en technieken uitgevonden. Dit leidt tot een totaal nieuwe vormgeving. De welvaart neemt toe en architecten maken daar handig gebruik van door hun vernieuwingen zichtbaar te maken in kostbare bouwprojecten.
In de jaren 70 worden meer grote gebouwen gemaakt, zoals kantoorgebouwen. Ook worden er gebouwen voor belangrijke evenementen gebouwd, zoals stadions.
In de jaren 60 werden veel saaie, onpersoonlijke flats gebouwd, maar dat veranderd in de jaren 70 sterk. Er komen veel nieuwe vormen aan bod, zoals hoeken en ronde vormen.
De werknemers van het Centraal Beheer in Apeldoorn werken in blokken die met elkaar in verbinding staan. Het geraamte van het gebouw bestaat uit een betonskelet dat is afgewerkt met betonblokken. De verdiepingen zijn niet verborgen, maar staan juist met elkaar in verbinding. Het hele interieur heeft een open karakter. Dat nodigt werknemers uit om te komen werken.
Het Centre Pompidou (Parijs) heeft geen vaste muren of trappen. De leidingen en buizen voor verwarming en afvoer zijn voor iedereen zichtbaar. Er zijn verschillende voorzieningen in de constructie verwerkt aan de buitenkant van het gebouw. Hierdoor ontstaat er 1 grote open ruimte in het gebouw. Interieurs hebben geen vaste muren. Het aanzicht wordt bepaald door pijpen en leidingen in verschillende kleuren. Elke kleur symboliseert een bepaalde functie van het leidingenstelsel.

Architectuur jaren 80
In de jaren 80 passen veel architecten stijlen uit het klassieke verleden toe. De klassieke elementen in de vormgeving van het woonproject geven het gebouw een indrukwekkend aanzien en verleent het een zekere status. Van die status blijkt later niet veel meer over. In bepaalde gebouwen is zelfs sprake van een combinatie van verschillende bouwstijlen uit het verleden. Door middel van kleuren, versieringen en gevarieerd materiaal krijgen de gebouwen een persoonlijk karakter.
Veel architecten zoeken ook naar een vormgeving die de moderne cultuur weerspiegelt. In de gebouwen die door hun zijn ontworpen, worden diverse vormen, materialen en technieken gecombineerd.
De voortdurende veranderingen, verwarring en chaos inspireren verschillende architecten tot een nieuwe stijlen: het deconstructivisme. In deze stijl wordt werkelijk alles op z’n kop gezet.
In deze vorm van architectuur worden veel verschillende materialen gebruikt, zoals kunststof, staal, glas, golfplaat en diverse houtsoorten.

Romantiek
De romantiek was een stroming in de westerse cultuur die zich aan het einde van de 18e eeuw en het begin van de 190e eeuw liet zien in de kunst en het intellectuele leven van met name Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk.
In de romantiek werd de subjectieve eraring als uitgangspunt genomen. Hierdoor kwamen introspectie, intuïtie, emotie, spontaniteit en verbeelding centraal te staan.
De naam romantiek komt van het middeleeuwse romances. Dat zijn verhalen waarin feilbare een droom van volmaaktheid najagen. Aanvankelijk had het woord niet de misprijzende connotatie die tegenwoordig te zien is bij het woord sentimenteel.
De romantiek begon aan zijn bloei rond 1795. in tegenstelling tot andere tijdstromen heeft deze stroom geen eigen stijl waarin de kunst zich uit. Deze stroming is eerder een geestesstroming. Iedereen kon meedoen: boeren, werklieden, burgers en vrouwen.
De stroming duurde tot ongeveer 1848.

Vroegchristelijke kunst
In de vroeg christelijke periode ontwikkelde het christendom zich tot staatsgodsdienst. Deze godsdienst berust op heilige geschriften en heeft zich vooral ontwikkeld via beeldtaal. De Romeinen zagen het christendom als een bedreiging van hun macht. Daarom verboden zij de godsdienst. De christenen oefenden daarom in het geheim hun godsdienst uit.
Na het edict van Milaan in 313 konden de christenen hun godsdienst weer in het openbaar uitoefenen en werd het als staatsgodsdienst ingeburgerd. Om de godsdienst voor iedereen toegankelijk te maken, werd het beeld de overhand en niet het woord.
Voor 313 werd christelijke kunst in het geheim gemaakt als decoratie in de ondergrondse catacomben. Christenen wilden niet worden gecremeerd, omdat hun stoffelijk overschot moest worden bewaard voor de Wederopstanding tijdens het Laatste Oordeel. Daardoor hadden ze te weinig begraafplaatsen. Er werden toen overledenen begraven in cibicula’s, die werden gemaakt in de ondergrondse gangen. De muren van de cubiculum werden bepleisterd. Er werden schilderingen op aangebracht met de fresco-techniek. Bij die techniek wordt er pigment op een natte pleisterlaag aangebracht. Die verharden dan samen. De schilderingen beeldden thema’s uit het Oude en het Nieuwe Testament uit.

De Stijl
De Stijl was een Nederlandse kunstbeweging die in 1917 in Leiden werd opgericht. De belangrijkste leden waren Theo van Doesburg, Piet Mondriaan, Vilmos Huszàr, Bart van der Leck, Gerrit Rietveld, Georges Vantongerloo en J.J.P. Oud.
De kunst van De Stijl wordt gekenmerkt door het gebruik van de primaire kleuren, gecombineerd met zwart, wit en grijs. De leden van De Stijl zochten naar een pure representatie van de werkelijkheid om zodoende een universele stijl te ontwikkelen. Hun ideeën werden gecommuniceerd via het gelijknamige tijdschrift De Stijl.
De Stijl wordt tegenwoordig gezien als een van de belangrijkste Nederlandse bijdragen aan de kunst. De ironie is dat de leden van De Stijl een internationale stijl wilden ontwikkelen, terwijl door veel mensen De Stijl als typisch Nederlands wordt gezien.
De werken van de leden van De Stijl zijn over de hele wereld verspreid, en regelmatig worden er tentoonstellingen georganiseerd. De belangrijkste musea voor Stijl-kunstwerken zijn waarschijnlijk het Gemeentemuseum in Den Haag, dat wereldwijd de grootste collectie Mondriaans en bezit heeft, het Stedelijk museum in Amsterdam, waar veel werk van Rietveld en Van Doesburg te zien zijn, en het Centraal Museum in Utrecht, dat het Rietveld-Schröderhuis in beheer heeft.
In 2006 werd De Stijl opgenomen in de Canon van Nederland van de commissie-Van Oostrom.

Byzantijnse kunst
De term Byzantijnse kunst wordt zowel gebruikt voor de kunst en architectuur van het Oost-Romeinse Rijk, als voor de stijl die ontstond in Byzantium. In 330 heeft Constantijn de Grote deze Griekse stad tot hoofdstad van het Romeinse Rijk benoemd. De stad werd in de periode die daarom volgde Roma Nova genoemd. Later veranderde dat weer in Constantinopel. Deze stad is snel uitgegroeid tot de rijkste stad met het meest bepalende kunstcentrum van het hele rijk.
De Byzantijnse kunst is een voortzetting van de oudchristelijke kunst en de laatantieke kunst. Verscheidene vernieuwingen zijn door de eeuwen heen ontstaan door het voorbeeld van de antieken. Kunst en architectuur uit het oosten hebben ook een grote rol gespeeld.
Het Byzantijnse Rijk en zijn kunst kwamen tot bloei onder keizer Justinianus. De religieuze bouwkunst en vanaf het begin gedomineerd door centraalbouw met koepelbekroning. Een nieuw hoogtepunt werd bereikt aan het einde van de 9e eeuw t/m de 11e eeuw. De laatste bloeiperiode heeft plaatsgevonden van het einde van de 13e eeuw tot 1453.
De Byzantijnse kunst heeft zich uitgebreid tot ver buiten het rijk. Door middel van miniaturen en ivoorsnijkunst heeft Byzantijnse kunst ook een sterke invloed gehad op de religieuze kunst van West-Europa. De 13e en 14e-eeuwse schilderkunst van Sienna is er onder meer sterk door beïnvloed.
Na de val van het rijk is haar beeldende kunst, architectuur en het orthodoxe geloof levensvatbaar gebleven in Rusland en op de Balkan.

Karolingische kunst
Karolingische kunst is de benaming voor de kunst die is ontstaan tijdens de Karolingische renaissance, de culturele bloeiperiode in de 8e en 9e eeuw in het rijk van Karel de Grote. In die periode werd de Grondslag gelegd voor de Romaanse kunst. In de Karolingische kunst was er sprake van een samensmelting van laat-antieke, Byzantijnse en Germaanse elementen. Het westwerk is een vernieuwing. Die stamt officieel uit de Karolingische kerkarchitectuur.
Eveneens kwam het basilicale grondplan op grote schaal in gebruik, naast de centraalbouw. Het kerkgebouw werd bevrijd van zijn langgerekte centraalbouw, die typeren was voor Byzantijnse kerken. Het belangrijkste monument uit deze tijd is de Paltskapel in Aken.
Op het gebied van beeldende kunst kwam vooral de boekverluchting, ivoorsnijkunst, edelsmeedkunst en de schilderkunst tot bloei. Van de monumentale wandschilderingen in de kerken is echter weining bewaard gebleven.

Constructivisme
Het constructivisme was van 1917 tot 1921 de officiële kunst van de Russische Revolutie. Heel veel moderne kunstenaars, zoals Kandinksi en Tatlin, speelden een belangrijke rol in het constructivisme. Ze waren bijvoorbeeld leraar aan de kunstacademie van Moskou.
Na 1920 werden de moderne opvattingen over de kunst door de regering veroordeeld als onbegrijpelijk voor het gewone volk en in strijd met het algemeen belang. Rond 1922 waren de constructivistische activiteiten in de Sovjet-Unie teruggebracht tot de toegepaste kunst, omdat de constructivistische kunst volgens de regering dus verkeerd was.
Begin jaren 30 werd de kunstvorm als te ‘bourgeois’ bestempeld en werden kunstenaars aangespoord tot hervorming. Volgens sommige sovjetwetenschappers was er van 1932 tot 1936 nog een soort overgangsstijl, die wordt aangeduid als het poststructuvisme.
Vanaf de jaren 60 kwam er weer aandacht voor het werk van de constructivisten en sinds de jaren 90 zijn er weer een aantal gebouwen gebouwd in de stijl van het constructivisme van de jaren 20, waaronder het winkelcentrum ‘Tri kita’ aan de Minskoje sjosse, de weg van Moskou naar Minsk.

Functionalisme
Het functionalisme is een stroming in de architectuur die inhoudt dat constructie en uiterlijk bepaald moeten worden door de functie van het gebouw. Alles draait erom dat het handig in gebruik is. Alle uiterlijke kenmerken moeten een afspiegeling zijn van functionele elementen. Schoonheid is dus geen doel op zich. Daarom zijn er ook geen versieringen zonder dat deze toevallig ook een functie voor het gebouw hebben.
Het idee achter het functionalisme is dat de schoonheid van een gebouw gelegen is in zijn functie. Dit wordt ook wel Form Follow Function genoemd.
De bedenker van deze stijl is Louis Sullivan. Hij werd in 1924 in Chicago geboren. Hij was zelf niet helemaal functionalist, want hij gebruikte wel versieringen op zijn gevels. Ludwig Mies van der Rohe heeft wel geprobeerd het functionalistisch ideaal na te leven. Hieruit is de bekende vorm van functionalistische of moderne
architectuur uit de jaren 50 en 60 ontstaan.

Jugendstil
Jugendstil is een kunststroming die tussen 1880 en 1914 op verschillende plaatsen in Europa ontstond, Het is vooral een nieuwere, modernere vorm van het impressionisme. De jugendstil uitte zich vooral in gebruiksvoorwerpen, zoals glaskunst, plateel, sieraden en meubels, de schilderkunst en de architectuur. De stroming kende een korte maar hevige bloeiperiode. In West-Europa was de stijl voor 1910 al verleden tijd, maar in het Oosten bleef het wat langer bestaan. In het Oosten zie je het ook nu nog erg terug in de architectuur, zoals bijvoorbeeld bij moskeeën.
De naam jugendstil is ontstaan door het Duitse tijdschrift Die Jugend, dat vanaf januari 1896 in München verscheen. Voor verwante stromingen in andere delen van Europa tot bloei kwamen, zijn ook andere termen in gebruik, waarvan er een, art nouveau, evenals jugendstil een overkoepelende term is geworden. Art nouveau wordt over het algemeen meer gebruikt in België en Frankrijk, terwijl jugendstil meer wordt gekoppeld aan Duitsland en Oostenrijk. In het Nederlands zijn beide aanduidingen in gebruik, waarbij art nouveau ook in de vertaling als nieuwe kunst wordt gebruikt voor de uitingsvormen van de stijl in Nederland zelf.

Bauhaus
Het Bauhaus was een opleiding voor beeldende kunstenaars, ambachtslieden en architecten die ze van 1919 tot 1932 eerst in Weimar en later in Dessau konden volgen.
Bauhaus is zowel een kunstenaarsschool, een project en de uitvinding van het Bauhaus-ontwerp. De kunstenaarsschool evolueert van een academie voor kunst & architectuur naar een fenomeen. De nieuwe gebouwen in Dessau, zelf ontworpen door Gropius wanneer het Bauhaus Weimar in 1925 moet verlaten, zijn even spectaculaire voorbeelden van moderne architectuur als het project van de nieuwe arbeiderswijk in Dessau
In de school zelf wordt les gegeven op een manier die nooit eerder was vertoond. De studenten dienen hun eigen creativiteit te uiten door te werken met verschillende soorten materialen. Er wordt bewust en bedreven gezocht naar een architectuur die maatschappelijke impact heeft.
Veel docenten en studenten geloven dat een betere architectuur en woonomgeving mensen beter laat worden, en uiteindelijk mee leiden tot een veranderde wereld. Zodra mensen in zonnige ruimtes kunnen wonen, in simpele woonblokken zonder enige versiering, zouden ze vanzelf anders gaan leven, meer solidair en gelukkig.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.