Mest en milieu

Beoordeling 6.3
Foto van een scholier
  • Scriptie door een scholier
  • 5e klas havo | 3954 woorden
  • 9 maart 2002
  • 55 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.3
  • 55 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Inleiding

Nederland is het dichtbevolkte land van Europa. Niet alleen als het gaat om inwoners, maar ook als het gaat om de veestapel. Nederlanders weten de ruimte optimaal te gebruiken, maar deze intensieve werkwijze heeft een keerzijde, zoals het mestoverschot. Nederland heeft jarenlang niet naar het probleem omgekeken, omdat de landbouw zo’n profijtelijke sector is. Maar sinds 1990 voert men een strenger milieubeleid om de nadelige keerzijde van de intensieve land- en tuinbouw ongedaan te maken. Binnen een paar jaar wil men dat de boeren en tuinders deze doelstellingen halen.
Ik heb dit onderwerp gekozen, omdat ik op 5 februari in de Volkskrant een artikel over subsidies voor biologische varkens las en waarin men sprak over het mestprobleem, een probleem in het milieu veroorzaakt door menselijk handelen. Dus toen ik voor deze opdracht een onderwerp moest kiezen, dacht ik het eerst aan dit onderwerp.


De hoofdvraag is:
-Wat zijn de effecten van het mestoverschot op het milieu in Nederland?

De deelvragen zijn:
-Hoe zijn zowel dierlijke als kunstmest schuldig aan overmatige milieubelasting?
-Welke sector heeft de grootste mestproblematiek en hoe komt dat?
-Welke schadelijke stoffen zitten in kunstmest en wat zijn hun effecten op het milieu?

Achterin het werkstuk zitten nog twee bijlagen die ik aangevraagd heb bij postbus 51 en waaruit ik informatie heb gehaald voor mijn werkstuk.

Hoofdstuk 1 Mestprobleem (algemeen)

§1.1 Ontstaan mestprobleem

Dierlijke mest
De landbouw in Nederland is intensief, er zijn dus veel dieren per hectare. Dit is mogelijk door importeren van veevoer. Zo wordt er vaak meer dierlijke mest geproduceerd als eigenlijk noodzakelijk is voor gewassen. Het gevolg hiervan is overbemesting. De intensieve veehouderij is in het zuiden en oosten veel geconcentreerder dan in het westen en noorden. De boeren in het westen en noorden kunnen hun mest vaak kwijt bij akkerbouwers, omdat daar akkerbouw en tuinbouw daar vaak sterker vertegenwoordigd zijn dan veeteelt. Door aanscherping van normen wordt het steeds moeilijker mest af te zetten en mestverwerking is voor de sommige boeren niet te betalen. Hierdoor wordt vaak mest teveel mest in het milieu gedumpt, maar het milieu kan het niet kwijt doordat de mestkringloop verstoord is door teveel mest.


Kunstmest
Kunstmest is relatief goedkoop en nauwkeurig te doceren. Overmatig gebruik van kunstmest kwam vooral voor in de rundveehouderij, maar tegenwoordig is het probleem het grootst in de bollenteelt. In de akkerbouw is het gebruik minder, omdat een hoge kunstmestgift leidt tot een slechtere kwaliteit van het product.
Het gebruik van kunstmest kan worden teruggedrongen als er efficiënter mee omgegaan wordt. Hierbij is het van belang dat de boer inzicht in de mineralenstroom van het bedrijf heeft. Deze onnodige verliezen wegwerken levert zowel bedrijfseconomisch voordeel en winst voor het milieu. Door betere benutting dierlijk mest en gerichte bemestingsadviezen is het kunstmestgebruik in de loop der jaren met ruim 30% afgenomen.

§1.2 Mestproblematiek per sector

De mestproblematiek wordt door de verschillende veehouderijsectoren veroorzaakt:
-rundveehouderij
-varkenshouderij
-pluimveehouderij
Daarbij dragen ook akker- en tuinbouw een steentje bij.

Rundveehouderij
Het aandeel van het mestoverschot van de rundveehouderij ligt vrij laag ten opzichte van de varkens- en pluimveehouderij. Het betekent nog niet dat de rundveehouderijen milieuverantwoord produceren, maar wel schoner. Dit komt door aanpassing van de kunstmestgift en door beter voermanagement.
Het komt nog steeds voor dat intensieve bedrijven te weinig grond hebben om hun dierlijke mest te gebruiken. Maar dankzij het bestaan van voer- en kunstmestmanagement kunnen zij toch schoner produceren.
Men kan het mestoverschot op een bedrijf ook terugdringen door het overschot te vervoeren naar een bedrijf wat het hard nodig heeft. Ook kan men grond aankopen of het aantal dieren per hectare terug dringen.


Varkenshouderij
Er zijn ongeveer 10000 varkensbedrijven met hoge veebezetting. Dit overschot ontstaat vaak doordat varkenshouders weinig of geen grond hebben waarop de mest gebruikt kan worden. Men kan deze mest distribueren naar een ander bedrijf of de mest brengen naar een mestverwerkingsfabriek. Alleen is dit een dure maatregel, waardoor boeren hun mest liever niet laten verwerken.
Een varkenshouder kan er wel voor zorgen dat er minder mest hoeft worden afgevoerd door fosfaatarm veevoer en watermanagement. Watermanagement is het water uit de mest halen, voordat het vervoerd wordt.

Pluimveehouderij
De pluimveehouderij, bestaande uit 2000 bedrijven heeft
net als de varkenshouderij veel dieren op een klein stuk grond. Het verschil met varkensmest bij distributie is dat kippenmest wel gewild is, omdat het minder water bevat en dus kwalitatief beter is dan varkensmest.

Akker en tuinbouw
De akkerbouw en tuinbouw omvatten zo’n 38.000 bedrijven, die zuinig met kunstmest omspringen, waardoor deze sector schoon kan produceren. De voorwaarde hiervoor is wel dat men de aangevoerde mest alleen in het groeiseizoen gebruikt. Maar een aantal bedrijven gebruikt deze mest ook buiten het seizoen. Als de stikstof dan niet opgenomen wordt door de gewassen is de kans groot dat deze uitspoelt naar grond- en oppervlaktewater. De akkerbouwers komen onder de druk te staan als het aanbod van mest uit de veehouderij toeneemt, maar tegelijkertijd akkerbouwers door de overheid betaald krijgen als zij minder dierlijke mest gebruiken. Het is dus noodzakelijk om te zorgen dat het probleem van de veehouderij niet naar de akkerbouw verschuift.

Hoofdstuk 2 De uitwerking van schadelijke stoffen uit mest op het milieu

§2.1 De natuur is ziek van het zuur

Het Nederlandse bos wordt met de dag zieker en meer de helft van het bos is niet meer gezond. De oorzaak hiervan is de verzuring-epidemie, die zich nog steeds uitbreidt. De stof die deze verzuring vooral veroorzaakt is ammoniak.
Al jarenlang kwamen er berichten uit het buitenland over levenloze, verzuurde Scandinavische bossen en de aftakeling van het Zwarte woud, maar rond 1990 kwamen in Nederland ook berichten op de voorpagina met foto’s van de toestand van de Nederlandse bossen en heiden.
Veel burgers, wetenschappers en politici zijn verontrust over de rampen die verzuring met zich meebrengt. Daardoor is er in de loop van de tijd een grote geldstroom op gang gebracht en de overheid investeerde miljarden in een onderzoek over waar de stoffen vandaan komen en hoe verzuring in zijn werk gaat.
Nu weet men welke stoffen verzuring veroorzaken, namelijk zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (Nox) en ammoniak (NH2). Deze stoffen worden uitgestoten in de lucht, meegevoerd door de wind en belanden na enige tijd weer op de aarde. Dat kan in droge vorm door gas of kleine stofdeeltjes of in natte vorm, opgelost in regenwater. De eerder genoemde stoffen zijn van zichzelf niet zuur, maar door de bodem kunnen ze worden omgevormd tot zuur, doordat ze een verbinding aangaan met water en/of zuurstof. Zo ontstaat uit zwaveldioxide zwavelzuur, uit stikstofoxide salpeterzuur en uit ammoniak ook salpeterzuur.
De verzurende stoffen kunnen meerdere uitwerkingen hebben als ze neerslaan op de bodem, planten of oppervlaktewater. Men kent nog steeds niet alle details van het verzuringproces.
Zure regen heeft een aantal vervelende effecten. Ten eerste verzuurt de bodem. Elke plant heeft een eigen zuurgraad nodig om te kunnen groeien, dus verandert de zuurgraad, dan verandert de vegetatie ook. Dit betekent vaak dat planten zeldzaam worden of uitsterven. Daarbij gaan metalen die aan bodemdeeltjes zijn gebonden oplossen. De concentratie aluminium in het bodemvocht kan dan toenemen en bij overschrijding van bepaalde concentraties is aluminium giftig voor planten en bomen. Daarbij kan het metaal uitspoelen en zo het grondwater verontreinigen.
In sterk verzuurde grond wordt ammoniak niet meer omgezet in salpeterzuur, maar blijft het als ammonium in het bodemvocht. Ammonium spoelt niet uit, maar hecht zich aan gronddeeltjes en verdringt daarbij onder meer kalium, calcium en magnesium. Er ontstaat dan een tekort van deze voedingstoffen in de bodem waardoor planten gebrekverschijnselen gaan tonen. Ook kunnen zuren de waslaag van de bladeren aantasten, waardoor de bomen en planten meer water verdampen en dus eerder last hebben van droogte.
Vaak betekent zure regen ook bemesting. De 45 kilogram zuivere stikstof die gemiddeld jaarlijks uit de lucht komt vallen, kan de boer deels op de kunstmestgift in mindering brengen. Voor natuurgebieden en bossen is deze extra kunstmestgift wel een probleem.
Stikstofminnende planten kunnen zich gigantisch snel uitbreiden door de ‘royale’ stikstofbemesting. Daarbij verdringen ze de natuurlijke vegetatie. Een goed voorbeeld hiervan is het vergrassen van de heide.
Ook kan neergeslagen stikstof in de vorm van nitraat uitspoelen en bijdragen aan de verontreiniging van grond- en oppervlaktewater.
Hoewel verzuring veel schade heeft opgeleverd in Nederland, kan het ook gaan om een noodlottige combinatie van verzuring met bijvoorbeeld verdroging, vorst, schimmels. Vooral zandgronden zijn gevoelig voor verzuring.
Lange tijd leek het alsof loofbossen beter tegen zuur konden dan naaldbossen, maar sinds 1984 verdubbelde het areaal aangetast loofbos. Van de totale bebossing is meer dan 50% ziek: 32% is licht tot matig ziek en 21% ernstig tot zwaar. Als er niks aan deze verzuring wordt gedaan zal dit snel oplopen tot 80%. In de Peel is de situatie het ergst, daar is 10% van het bos al dood en aangezien de intensieve veehouderij de overhand heeft in het omringende gebied, zal er veel moeten gebeuren, en zo niet dan heeft de Peel geen lang leven meer.
De oorspronkelijke vegetatie van vennen is vrijwel volledig verloren gegaan. De gevoeligere vennen zijn allemaal aangetast en van de minder gevoelige vennen is 60% verzuurd.
Toch is niet alleen de landbouw verantwoordelijk voor de verzuring, de industrie produceert ook zwaveldioxide en het verkeer neemt het grootste deel van de stikstofoxideproduktie voor de rekening. De landbouw is verantwoordelijk voor 85% van de ammoniakuitstoot.
Verzuring kent geen grenzen. Nederland is qua verzuring ook een export-natie bij uitstek. Bijna 80% van de verzurende stoffen komt buiten onze landsgrenzen terecht, maar ook 60% van ‘onze’ verzurende stoffen komt uit het buitenland, vooral uit West-Duitsland 22% en België 12%.
In het zuiden van het land is de grond zuurder dan in het noorden. Als men rekent in tonnen levert stikstofoxide de grootste bijdrage aan zure regen in ons land 47%, gevolgd door zwaveloxide 39% en ammoniak 14%.
Maar niet alle stoffen verzuren even zwaar. Zo werkt 17 gram ammoniak even verzurend als 32 gram zwaveldioxide of 46 gram stikstofoxide. Kijk je naar de bijdrage aan de verzuring dan is dit 28%. En kijk je naar de bijdrage van Nederlandse bronnen aan de verzuring van Nederland, dan is ammoniak goed voor 50%.
Deze cijfers maken duidelijk dat bestrijding van verzuring een internationale zaak is en ten tweede als Nederland iets wil doen aan eigen uitstoot de aanpak van ammoniak-uitstoot veel aandacht verdient.
Toen ‘zure regen voor het eerst in de belangstelling kwam te staan, kreeg vooral zwaveldioxide de aandacht. De uitstoot hiervan daalde sinds 1984 met bijna de helft, omdat elektriciteitscentrales en raffinaderijen steeds schoner gingen produceren.
Pas later keek men naar de twee stikstofverbindingen als bijdrage aan de verzuring.

§2.2 Nitraat maakt het drinkwater duur

Tweederde van het drinkwater in Nederland haalt men uit de bodem. Tot voor kort waren hier geen problemen mee. Nu is bij een kwart van de waterputten de waterkwaliteit in gevaar. Het nitraatgehalte stijgt en dan kan nog even zo door gaan.
De waterleidingbedrijven moeten steeds meer moeite doen om schoon drinkwater op de markt af te leveren. Het oppervlaktewater dat voor het grootste deel in verbinding staat met de Maas of Rijn, die zo vervuild is dat er veel zal moeten gebeuren voordat het weer drinkbaar is. Sommige bedrijven zien oppervlaktewater nog steeds als een soort openbare vuilnisstortplaats en lozen er van alles in. Een voorbeeld hiervan zijn de chemiefabrieken en bedrijven aan de Rijnoever. Deze zijn nog steeds niet in staat het afval zelf enigszins te verwerken. Daarbij komen nog allerlei ongelukken met binnenvaartschepen.
Hierdoor heeft men al jarenlang de voorkeur voor grondwater als drinkwater
Grondwater kan haast niet geraakt worden door ongelukken die zich bovengronds afspelen, is vrij van virussen en bacteriën en heeft een lage, constante temperatuur. Hierdoor is drinkwater uit grondwater halen erg makkelijk.
Doordat de kwaliteit van het drinkwater aardig achteruit gaat, moet men meer betalen voor het schone drinkwater. Hoewel ook industrieel en huishoudelijk afval hierbij een rol spelen, zijn het vooral bestrijdingsmiddelen en mest die voor deze kwaliteitsvermindering zorgen. Ook deze keer is het de stikstof uit de mest, deze keer niet in de vorm van ammoniak, maar in de vorm van nitraat die dit veroorzaakt.
Een waterwingebied waar men extra maatregelen aanvoert is Montferland. Daar wordt pompwater vermengd met nitraat-armwater van elders om benden de gestelde nitraat-norm in water te blijven. Bij minstens 25% van de puttenvelden in Nederland stijgt het nitraatgehalte snel.
Dierlijke mest is een bron van nitraat. Boeren zijn hier blij mee, omdat nitraat de vorm is waarin de plant het liefst stikstof opneemt. Als het in water opgelost is verspreid nitraat zich snel door de bodem, waardoor het vlug de plant bereikt. Een probleem ontstaat wanneer dit niet gebeurt. Het nitraat spoelt dan snel door naar het grondwater of oppervlaktewater. Komt het in het oppervlaktewater, dan draagt het bij aan de vermesting. In het geval van grondwater bedreigt het de kwaliteit van ons drinkwater.
De snelheid waarmee nitraat zich per jaar verticaal door de bodem beweegt is afhankelijk van de grondsoort, één tot enkele meters. Als het grondwater dichtbij de oppervlakte is, kan het nitraat binnen enkele maanden het grondwater bereiken, maar als het diep ligt zoals op de Veluwe kan het jaren duren. Daarna stroomt het nitraat horizontaal weg richting de waterput. Dit gaat met een snelheid van enkele tientallen meters er jaar. Alles bekeken doet nitraat er 10-25 jaar over om een put te bereiken. Dit maakt waterbedrijven er niet gerust op, want aangezien de intensieve veehouderij alleen maar is toegenomen er nog heel wat nitraat onderweg is richting waterwinputten. De meststoffenwet die op dit moment gehanteerd is dus geen snelle oplossing voor het probleem, maar kan het probleem in de toekomst reduceren.
Er zijn tegenwoordig veel grondwaterbeschermingsgebieden, waar strenge regels gelden voor boeren eromheen. Deze strengere regels betreffen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en dierlijke mest. Hierdoor hebben waterleidingbedrijven de laatste 10 jaar geld moeten betalen aan boeren om hun verloren winst te compenseren en dat haalt men weer terug bij de consumenten.
Niet alle nitraat die uitspoelt bereikt het grondwater. Som ligt er een ondoorlatende kleilaag boven en het kan ook gebeuren dat het onderweg in aanraking komt met andere stoffen. Vooral in vochtige gronden wordt omgezet in onschuldig stikstofgas. Bij goed ontwaterde zandgronden gebeurt dit heel weinig.
Nitraat kan ook reageren met ijzersulfide, wat in de bodem vastgelegd ligt (pyriet). Hierbij vormt men wel stikstofgas, maar ook sulfaat. Dit kan net als nitraat uitspoelen in de bodem. En als het ijzersulfaat oplost kan het nitraat alsnog doorstromen. Verder kunnen er in de bodem door reacties met nitraat calcium en magnesiumverbindingen in het grondwater oplossen, waardoor de ‘hardheid’ van het water toeneemt. Een stijging van het sulfaatgehalte en de hardheid doet zich voor bij alle putten.

§2.3 Fosfaat: de grootste problemen komen nog

De Nederlandse bodem bevat nog een ernstige bedreiging voor het milieu: een fosfaatbom. Door de bijdrage van de landbouw aan de vervuiling van het oppervlaktewater kan het fosfaat hierin erg toenemen.
De enorme hoeveelheid fosfaat die via de Rijn en Maas ons land binnen wordt gevoerd behoorde tot een van de eerste milieuschandalen waar veel aandacht door actiegroepen aan werd gegeven. Er kwamen allerlei soorten fosfaatvrije producten op de markt, zoals fosfaatvrije wasmiddel.
Ook in de landbouw begon men de ernst van de situatie in te zien en men kreeg in 1987 een mestquota en meststoffenwet waaraan fosfaat als kapstok werd opgehangen.
Later kregen ammoniakvervluchtiging en nitraatuitspoeling de aandacht, maar dat lost dit probleem niet op.
Aan het Veluwemeer kan je de vermesting van het oppervlaktewater goed merken. Als je daar een dagje naar het strand gaat kan het soms erg stinken en het water is erg ondoorzichtig. Als je toch besluit te gaan zwemmen voel je soms kleverige slierten langs je benen glijden. Dit zijn wieren die door vermesting de kans hebben gekregen sneller te groeien.
Wetenschappers noemen dit verschijnsel eutrofiëring, bij milieumensen heet het vermesting. Het komt er in beide gevallen op neer dat het water teveel voedingsstoffen bevat, met name de stoffen stikstof en fosfaat. Hierdoor krijgen algen en wieren de kans om te groeien. Door algenmassa’s wordt het zuurstofgehalte in het water minder en wordt het water minder doorzichtig, wat ervoor zorgt dat sommige vissen als snoek verdwijnen en dat daarvoor andere in de plaats komen. Vissers merken ook dat vis in ‘vermest’ water minder gauw groeit en minder van smaak zijn.
Mosselkwekers in kustgebieden zien soms hun opbrengst dalen, omdat schadelijke algen de mosselen ziek en ongeschikt voor consumptie maken. Drinkwaterbedrijven ondervinden ook hinder van de algengroei, omdat de zeven en filters verstopt raken met algen en men extra zuiveringsstappen moest toepassen om het drinkwater drinkbaar te maken.
Ook de veehouder zelf kan last ondervinden. Sommige algensoorten scheiden giftige stoffen af dat oppervlaktewater ongeschikt maken.
Overmatige algengroei komt vooral ’s zomers voor in stilstaand water. Ook in de Noordzee komt steeds vaker op grote schaal algengroei voor en plaatselijk wordt de visstand zelfs bedreigd.
In totaal komt jaarlijks 100 miljoen kilogram fosfor binnen, waarvan meer dan 50 miljoen kilogram geïmporteerd wordt door de Rijn en de Maas. De landbouw lijkt met 4% hiervan een kleine rol te spelen, maar dit heeft een kanttekening. Fosfor dat geïmporteerd is stroomt vaak de Noordzee of Waddenzee in en ook huishoudelijk en industrieel afval komt vaak in deze zeeën terecht. Fosfor uit de landbouw komt voor het grootste gedeelte in de oppervlaktewateren als sloten, beken en plassen terecht, die geen directe verbinding hebben met grotere oppervlaktewateren. Dat maakt het aannemelijk dat de landbouw relatief een grote hoeveelheid levert aan de hoeveelheid fosfor die zich in de oppervlaktewateren ophoopt. In 1990 leverde de landbouw 22% van de fosfor dat zich ophoopte in de oppervlaktewateren en dat is alleen maar toegenomen. Wat wel beter is geworden is dat de waterzuiveringsinstallaties steeds meerfosfaat uit het te lozen water halen.
Boeren en tuinders brengen jaarlijs 150 miljoen kilo fosfor op het land, 40 kilo door kunstmest en 110 kilo door dierlijke mest. Maar 62 kilo verlaat aan het eind van het jaar met het gewas het land af. Maar 4 miljoen kilo fosfor spoelde af- of uit naar het oppervlaktewater. Waar is de overige 84 miljoen kilo dan? Die zit in de bodem.
Fosfaat is een verbinding van fosfor en zuurstof en is niet vluchtig als ammoniak. Dit betekent dat het zich niet gemakkelijk door de bodem verspreidt. Fosfaat hecht zich aan ijzer- en aluminiumoxyden vast en leg het zo in de bodem vast.
Een nadeel voor de boer is dat wanneer de fosfaattoestand van zijn grond onvoldoende is, meer fosfaat moet worden toegediend, omdat de grond ook een deel opeist.
Elke overdosering aan fosfaat spoelt direct uit naar het grond- en oppervlaktewater. Dit komt door fosfaatverzadiging. De fosfaatconcentratie in het water dat uit een sterk verzadigde grond spoelt is duizend keer zo hoog als de concentratie in een gezond oppervlak. Dat betekent ook dat een hectare fosfaatverzadigde grond het grond- en oppervlaktewater van 1000 hectare kan verontreinigen. Bovendien is het bekend dat een klein deel van het fosfaat weer vrij komt. Daarom duurt het lang voordat fosfaatuitspoeling uit een eenmaal verzadigde grond afneemt.
De belangrijkste fosfaatverzadigde gebieden bevinden zich in zandgronden met intensieve veehouderij, de typische mestoverschotgebieden. Dit zijn: de Gelderse Vallei, Oost-Brabant, Noord- Limburg, de Achterhoek en delen van Twente.
Eigenlijk zou men totaal met bemesting moeten stoppen als het gaat om het terugdringen van het fosfaat, omdat je met elke kilo de uitspoeling verhoogt.

Conclusie

Hoofdvraag: Wat zijn de effecten van het mestoverschot op het milieu in Nederland?


Het mestprobleem is ontstaan door zowel dierlijke als kunstmest door een te hoge veebezetting, vooral in het oosten en zuiden van het land. Het grootste probleem is de varkensveehouderij, omdat deze vaak geen grond bezitten om de mest op te gebruiken en varkensmest ook niet in trek is bij distributie, in tegenstelling tot de kippenmest.

Het eerste effect van het mestoverschot is verzuring. Deze wordt veroorzaakt door zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (Nox) en ammoniak (NH2). Vooral de laatste is het belangrijkst. De stoffen worden uitgestoten in de lucht, meegevoerd door de wind en belanden weer op aarde. Deze stoffen zijn van zichzelf niet zuur, maar in de bodem worden ze zuur door een verbinding met water en/of stikstof. Door zure regen verandert de zuurgraad in de bodem. Ook kan metaal uitspoelen als metalen die aan bodemdeeltjes gebonden zijn loskomen. De 45 kilogram zuivere stikstof die neervalt, kan op de kunstmestgift in mindering worden gebracht, maar doordat vele boeren toch evenveel blijven bemesten is dit nadelig voor bomen en planten. De waslaag van bladeren wordt ook aangetast, waardoor het water sneller verdampt en de boom eerder last heeft van droogte. Op dit moment is 50% van de bomen ziek door deze verzuring en zijn bijna alle vennen aangetast en hebben hun natuurlijke begroeiing dus niet meer. Verzuring is een internationaal probleem, wat blijkt uit het feit dat 80% van onze verzurende in het buitenland afgezet worden en dat 60% van de totale Nederlandse verzurende stoffen uit het buitenland, met name West-Duitsland en België. Lange tijd keek men alleen naar zwaveldioxide en pas later naar de twee stikstofverbindingen dan bijdrage aan de verzuring.

Bovendien zorgt verzuring ook voor een slechtere kwaliteit van het grondwater. Dit is een gigantisch groot probleem aangezien al onze drinkwater bijna uit grondwater komt. Nitraat komt net als ammoniak ook voort uit stikstof van de mest, maar ook industrieel en huishoudelijk afval spelen een rol. Nitraat is de vorm waarin planten het liefst stikstof opnemen. In water opgelost verspreidt het zich snel door de bodem. Afhankelijk van diepte en grondsoort doet nitraat er 10-25 jaar over om het grondwater te bereiken. Door nitraat moeten waterleidingbedrijven steeds meer machines aanschaffen en maatregelen nemen. Zo hebben ze bijvoorbeeld geld aan boeren moeten betalen aan boeren om de door strenge regels verloren winsten te compenseren. Deze extra kosten worden verrekend in de prijs voor het consumeren. Zo wordt door nitraat het drinkwater duur. Er zijn tegenwoordig veel grondwaterbeschermingsgebieden om toch nog goede kwaliteit drinkwater te kunnen waarborgen. Het eind van dit probleem is niet in zicht, omdat de intensieve veehouderij alleen nog maar intensiever is geworden in de voorafgaande 10 jaar. Ook kunnen er in de bodem door reacties met nitraat calcium en magnesiumverbindingen in het grondwater oplossen, waardoor de ‘hardheid’ van het water toeneemt. Een stijging van de hardheid doet zich voor bij alle putten.

Ook zorgt het mestoverschot voor vermesting van het oppervlaktewater, of terwijl eutrofiëring. Dit betekent dat het water teveel voedingsstoffen bevat, met name stikstof en fosfaat. Algen en wieren groeien hierdoor veel sneller en het water wordt ondoorzichtig. Een voorbeeld in onze omgeving is het Veluwemeer, waar het water vol zit met wieren en het water gigantisch kan stinken. Mosselkwekers aan de kust kunnen hun opbrengst ook zien dalen, doordat schadelijke algen de mosselen ziek maken. Drinkwaterbedrijven hebben ook last van algen die machines verstoppen. Zelfs in de Noordzee komt de laatste tijd veel algengroei voor en plaatselijk wordt de visstand zelfs bedreigd. Fosfaat hecht zich aan ijzer- en aluminiumoxyden en legt het zo in de bodem vast. Elke overdosering aan fosfaat spoelt direct uit naar grond- of oppervlaktewater. Één hectare fosfaatverzadigde grond kan het 1000 hectare grond- of oppervlaktewater verontreinigen. De belangrijkste fosfaatverzadigde gebieden bevinden zich in zandgronden met intensieve veehouderij als de Gelderse Vallei en Oost-Brabant. Eigenlijk zou men helemaal moeten stoppen met bemesten wil men het probleem oplossen, want elke kilo extra vergroot de uitspoeling.

Bronnen

· Mest& Milieu, De praktische aanpak van een actueel probleem.
· Vermesting en water, De overlast voor gebruikers
· Mest en een schoon milieu, 2e druk najaar 2001
· Minder mest, schonere mest

Logboek


Datum Activiteit Tijd in uren Totale tijd
05-02-2002 Artikel Brinkhorst verdubbelt subsidie biovarkensboeren gelezen in de Volkskrant 0.05 0.05
07-02-2002 Onderwerp gekozen Titel Mest& Milieu bedacht. 0.1 0.15
08-02-2002 Naar bibliotheek en informatie bij postbus 51 aangevraagd op internet. 1 1.15
16-02-2002 Hoofdvragen en deelvragen opgesteld. Hoofdstuk 1 info uitgewerkt en plaatjes gezocht 1.5 2.65
20-02-2002 Hoofdstuk 2 info verwerkt en plaatjes gezocht. 2 4.65
21-02-2002 Inleiding+ Conclusie schrijven 0.5 5.15
22-02-2002 Bronnen+ Voorblad 0.25 5.4
27-02-2002 Krantenartikel opgezocht in archief van de Volkskrant 0.1 5.5
28-02-2002 Alles uitprinten+ Inhoudsopgave gemaakt 0.25 5.75

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.