Thema 1: opvattingen over cognitieve ontwikkeling

 

 

Cognitieve ontwikkeling ® de ontwikkeling van kennis

 

Patronen in de geest ® er zijn patronen in de geest, die helpen om de ervaringen te plaatsen. Die patronen bepalen de manier waarop kinderen van een bepaalde leeftijd reageren op de binnenkomende informatie.  De patronen hangen samen met de lichamelijk én geestelijke ontwikkeling.

Piaget, die leefde tussen 1896 tot 1980, heeft fasen onderscheden die verschillende patronen in de geest lieten zien.

 

  • Ieder kind ontwikkelt zich volgens een vaste volgorde;
  • Ieder kind doorloopt dezelfde perioden;
  • Ieder periode kent zijn eigen soort kennis en logica.

 

De cognitieve ontwikkelingsfasen zijn:

 

  • De sensomotorische peridode, tot twee jaar: voordat je denkt moet je eerst doen. Een pasgeboren kind begint met handelingen. De ontwikkeling is gebaseerd op de zintuigen (senso) en de bewegingen (motoriek).
  • De pre-operationele periode, van twee tot zeven jaar: het kind ziet verschijnselen maar legt nog geen verbanden. Hij kan er nog niks mee doen (doen: opereren, pre is er aan voorafgaand). Wat er op één dag gebeurd staat allemaal los van elkaar.
  • De concreet-operationele periode, van zeven tot twaalf jaar: betekent letterlijk dat het kind concrete operaties kan ondernemen. Hij kan handelingen uitvoeren om iets te ontdekken. Hij kan zodoende de omgeving beïnvloeden en sturen. Hij ziet processen en verbanden.
  • De formeel-operationele periode, vanaf twaalf jaar: het leert abstract te denken, los van de concrete dingen om hem heen. Logisch denken is daar een onderdeel van. Rond vijftien jaar is de cognitieve ontwikkeling voltooid en is het kind volgens Piaget cognitief volwassen. Verdergaande ontwikkeling is uitbreiding van wat er al is.

De ontwikkelingen staan niet stil. Zo staat bijvoorbeeld de opvatting over verschillende soorten kennis ter discussie. Piaget zou zeggen dat het onderstaande voorbeeld  typisch peuterkennis is, maar is dat wel zo?

Een peuter staat voor een deur met in iedere hand een knuffel. Het legt de knuffel neer en doet de deur open.

 

 

 

 

 

Als dit waar is wat Piaget zegt, dan zal er een heleboel langs kleine kinderen heen gaan. Ook zouden veel ervaringen voor een kind niet bestaand zijn, omdat ze nog niet in het denken passen.

 

Een positievere benadering is ook mogelijk: je kunt alle ervaringen voor elke leeftijd begrijpelijk maken als je je maar aanpast aan het begripsniveau van het kind. In deze opvatting is elke soort kennis aanwezig, dus ook het meest abstracte al is dat in een eenvoudige vorm. Een voorstander van deze opvatting is Jerome Bruner, een Amerikaanse psycholoog geboren in 1915.

 

Zodra een kind de taal gaat begrijpen en later zelf gaat praten, dan gaat de cognitieve ontwikkeling, dus de ontwikkeling van het denken, ineens veel sneller vooruit. Een kind kan door woorden veel meer informatie eigen maken. Dit is ook een ontdekking van Bruner.

Maar er is nog iets dat Bruner heeft ontdekt. Namelijk dat de omgeving van een kind ook een invloed heeft. De ontwikkeling staat niet op zich zelf. De omgeving biedt het materiaal, de mogelijkheid om ervaringen op de doen. Een kind ontwikkelt zich vervolgens door die ervaringen.

 

Waar voldoet een goede leeromgeving aan? (klaslokaal)

  • In de klas staan boeken die bij de leeftijd horen;
  • Poppen waarmee j een rollenspel kunt spelen en waarmee je je inleeft;
  • Technische spullen, constructie, bouwblokken;
  • Prettig
  • Uitdagend
  • Veilig

 

Met de laatste drie bedoelen we dat de leeromgeving een leuke sfeervolle plek moet zijn waar een leerling zich thuis voelt en fouten durft maken. Een veilige sfeer zorgt ervoor dat een leerling zich op zijn gemak voelt en meer uit zichzelf kan halen. Uitdagend is dat een leerling uitgedaagd wordt om nieuwe dingen te proberen.

 

We hadden net besproken dat Bruner de ontdekking had gedaan over de omgeving. Maar die is nog belangrijker dan hij dacht. De omgeving kan namelijk de ontwikkeling ook sturen en versnellen. Een vertegenwoordiger van deze opvatting is Lev Vygotsky. Hij leefde in Rusland van 1896 tot 1934.

Hij zegt: het is niet voldoende om vast te stellen hoe de ontwikkeling verloopt. Het is ook niet genoeg om te weten wat een kind al kan. Je wilt vooral weten wat hij net niet kan. ‘Wat een kind vandaag met hulp van een volwassenen kan, za hij morgen zelfstandig kunnen’. Dit inzicht zegt dus dat het onderwijs de ontwikkeling kan stimuleren. Dit noemt met de zonde van naaste ontwikkeling.

 

Jerome Bruner

1915 tot 2016

Lev Vygotsky

1896 tot 1934

Jean Piaget

1896 tot 1980

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Thema 2: Ontwikkeling van 0 tot 2 jaar

 

De cognitieve ontwikkeling van 0 tot 2 jaar kent de volgende fasen:

  • Grijpen is begrijpen
  • Taal versnelt de ontwikkeling
  • De ontwikkeling is te beïnvloeden

 

We bespreken de fasen elk kort.

 

® Het grijpen is begrijpen: de ontwikkeling van 0 tot 2 jaar ligt voornamelijk op de waarneming en motoriek. Het kind pakt wat het ziet, bijvoorbeeld een rammelaar. Schud ermee, omdat zijn armpje nu eenmaal onwillekeurige bewegingen maakt. Hij hoort het geluid. Dat herhaalt zich, en zo vormen de eerste denkpatronen: ‘iets wat ik zie, kan ik pakken en als ik met mijn arm heen en weer ga, komt er geluid uit.’ Een kind van deze leeftijd denkt het niet in woorden maar het zet zich wel vast als ervaring. De baby leert met zijn zintuigen. De tast, met name de mond, speelt hierin een grote rol. Via de tast ervaart een baby dat sommige dingen hard e zacht zijn. Voor een baby is het erg belangrijk dat hij/zij wordt aangeraakt, gemasseerd en geknuffeld te worden.

® Taal versnelt de ontwikkeling: In de loop van deze fase komen de eerste woordjes. Dingen krijgen een naam. Dat is een grote stap, een woord betekent dat een betekenis los komt te staan van het ding. Zodra de taal opgang komt, verloopt de cognitieve ontwikkeling sneller. En dit komt overeen met wat Bruner zegt over de cognitieve ontwikkeling. (zie thema 1)

® De ontwikkeling is te beïnvloeden: De ontwikkeling van een baby kan gestimuleerd worden door een interessante omgeving. Een omgeving dat rijk is aan prikkels, maakt een kind actief. Variatie is daarbij erg belangrijk.

Wat hoort er bij de sociaal- emotionele ontwikkeling van een baby:

 

  • Gericht op menselijke gezichten: hij ‘kijkt’ naar gezichten en dat biedt hem de mogelijkheid om gedrag na te bootsen, te imiteren.
  • Gerichtheid op de verzorger: na zes maanden wordt hij eenkennig. De baby hecht zich alleen aan de verzorger.
  • Gerichtheid op menselijke geur: de geur is voor de baby belangrijk. Hij ruikt waar hij de melk kan vinden. De baby reageert sterkt op de geur van zijn moeder.
  • Gerichtheid op menselijk geluid: de baby reageert het meest op menselijk geluid. Hij reageert als de stem van de verzorger in de buurt komt. Er is dus al vroeg herkenning.
  • Een eigen persoonlijkheid: een baby heeft geen ik-besef. Hij weet nog niet dat hij een eigen persoon is en dat zijn hand bij hem hoort.

De seksuele ontwikkeling gaat over intimiteit, lustbeleving, eigen seksuele geaardheid, kennis van seksualiteit, sekse specifiek gedrag en het aangaan van seksuele contacten. Baby’s ervaren lichamelijk welbevinden door huid-op-huid contact. Dat vinden ze prettig. Ze ondergaan lichamelijk indrukken door smak, tast en geur. Lustbeleving ontstaat door zuigen en sabbelen. En dat is weer gebaseerd op de mond. Deze fase, omdat het vooral te maken heeft met de mond, wordt ook wel de orale fase genoemd. Oraal betekend via de mond. Het is van essentieel belang dat de baby intimiteit voel. Als iemand dat op jonge leeftijd heeft gehad, dan is het moeilijk deze gevoelens op een latere leeftijd nog te ontwikkelen. Dat is belemmerend voor de ontwikkeling van en gezonde seksualiteitsbeleving. 

De biologische-motorische ontwikkeling wordt ook wel de sensomotorische ontwikkeling genoemd. Het gaat over de senso (zintuigen) en over de motoriek. Iedere ontwikkelingsfasen heeft zijn sensomotorische ontwikkelingsfasen. De sensomotorische ontwikkeling volgt zich als volgt op:

  • Van boven naar beneden: de spieren dichtbij de hersenen worden als eerst beheerst;
  • Van dichtbij naar veraf: de spieren dichtbij de romp worden eerder beheerst dan de spieren die verder af liggen;
  • Van grof naar fijn.

 

De baby beweegt nog niet gericht. Alleen volgen de ogen de moeder. De oogspiertjes worden dus al beheerst. Maar toch is er al veel te zien aan de bewegingen van de baby, als hij ontspannen is spreiden de handjes zich. Als hij rust wilt, dan draait hij zijn hoofdje weg. En er is een heel duidelijk verschil tussen trappelen van woede of van plezier.

 

Mijlpalen in de sensomotorische ontwikkeling:

 

  • 1 maand           : tilt het hoofd even op in buikligging;
  • 3 maanden       : tilt het hoofd langer op en draait het hoofd;
  • 4 maanden       : houdt het hoofd in balans;
  • 4 maanden       : tilt in buikligging de romp op en steunt op de handen;
  • 5 maanden       : rolt van buik naar rug;
  • 6 maanden       : zit met lichte steun;
  • 7-8 maanden   : kruipt op handen en knieën;
  • 8 maanden      : zit alleen en kan vanuit zit naar buikligging;
  • 9 maanden       : trekt zich op aan voorwerpen;
  • 10 maanden     : staat met steun;
  • 11 maanden      : loopt met steun;
  • 12 maanden     : staat alleen;
  • 14 maanden     : loopt zelfstandig;
  • 18 maanden     : loopt achteruit
  • 18 maanden     : bouwt een toren van drie blokjes;
  • 14-24 maanden: loopt de trap op;
  • 14-24 maanden: schopt een bal naar voren.

 

Wat we creatief-expressieve ontwikkeling bedoelen is dat je iets van jezelf uitdrukt. Baby’s drukken zich wel uit via geluidjes en bewegingen maar er is nog geen sprake van een creatief-expressieve ontwikkeling zoals dit woord in het onderwijs gebruikt wordt.

 

De taalontwikkeling is de ontwikkeling van de taal. Deze ontwikkeling hangt weer samen met de totale ontwikkeling, omdat taal de totale ontwikkeling versnelt.

De taalontwikkeling voor 0 tot 2 jaar valt uiteen in de volgende punten (zie opsomming hieronder).

 

De klankontwikkeling kent de volgende mijlpalen:

  • 6 tot 8 weken na de geboorte gaat het kind onbewust experimenteren, hij maakt steeds meer klanken die bij de taal horen;
  • Tussen de 6 en 9 maanden gaat het kind brabbelen. Het kind maakt medeklinkers en klinkers die op lettergrepen lijken, bijvoorbeeld dada, baba. De intonatie en de melodie horen bij de eigen taal;
  • Tussen de 10 en 14 maanden zijn de eerste woordjes. Ook het brabbelen wordt betekenisvol. Voor een leek gaat het kind nu echt ‘praten’;
  • En rond de 18 maanden is de vijftig woordengrens. Vanaf dit moment ontwikkelt de woordenschat veel sneller Het kind leert nu alle klanken van de taal goed uit te spreken. Woorden met drie medeklinkers, zoals straf, schip blijven moeilijk. Maar ook –sp, zoals in het woord wesp.

 

De woordenschat ontwikkeling heeft de volgende mijlpalen:

  • De eerste echt woordjes komen bij 1 jaar;
  • En rond de 18 maanden is de vijftig woordengrens. De periode tussen de eerste en tweede mijlpaal wordt ook wel de periode van het benoemen genoemd. Of is het Engels; labeling. Het kind heeft voor ieder voorwerp een naam, die als een ding in het geheugen is opgeslagen.

 

De grammaticale ontwikkeling heeft de volgende mijlpaal:

  • Tussen de 18 en 24 maanden kan het kind woorden combineren en tweewoordzinnen maken. Dit gebeurd tegelijk met de versnelling in de woordenschat ontwikkeling tussen de 18 en 24 maanden. In een tweewoordzin kunnen verschillende betekenissen zitten. Bijvoorbeeld een bezitsrelatie: ‘fiets papa’, de fiets van papa. Maar ook een plaatsbepaling: ‘mama werk’, mama is op haar werk.

 

De communicatieve ontwikkeling:

Een baby communiceert met lichaamstaal, aangezien hij pas na een jaar zijn eerste woordjes kan zeggen. Zoals een gesloten handje betekend bijvoorbeeld dat hij zich even wilt afsluiten van zijn omgeving, dit gaat meestal gepaard met huilen. De mijlpalen die we de communicatieve ontwikkeling kent zijn de volgende:

  • Al heel vroeg maken baby’s met opzet gebaren, zoals wijzen en grijpen. Wijzen en grijpen zijn immers een vorm van iets zeggen of vragen;
  • Rond de 12 maanden zijn er de eerste woordjes.

 

Schriftelijke taalontwikkeling:

Een baby kan nog niet schrijven. Maar toch is er wel iets te zeggen over het schriftelijk taalgebruik van een baby. Een baby die belangstellend naar een boek kijkt, beseft al dat uit het boek leuke dingen komen. Dat is een eerste aanzet tot schriftelijk taalgebruik. Hier komt dan ook het eerste mijlpaal aan bod:

  • Kinderen doen op deze leeftijd al ontdekkingen over geschreven taal. Ze doen lezen na en tekenen letter- en woordachtige vormen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Thema 3: Ontwikkeling van 2 tot 4 jaar

 

De cognitieve ontwikkeling van een kind van 2 tot 4 jaar, een peuter, valt uiteen in de volgende ontwikkelingen:

 

  • Pre- operationele fase: een peuter denkt nog erg concreet, hij kan alleen nadenken over datgene waar hij op dat moment mee bezig is over datgene wat hij op dat moment ziet. Een peuter is enorm fantasierijk, hij kan nog geen onderscheid maken tussen werkelijkheid en fantasie. Een peuter kan ook nog niet logisch denken . Hij weet en ervaart nog niet wat oorzaak en gevolg is. Vanuit dit oogpunt is het dus niet zinvol om een peuter te straffen. Hij begrijpt niet dat zijn moeder boos wordt omdat hij bijvoorbeeld met eten heeft gegooid. Ook is tijdsbesef voor de peuter nog lastig. Hij leeft in het hier en nu, gister kan voor een peuter prehistorie zijn en morgen kan net zo goed volgend jaar zijn. Een peuter leert vooral door dingen te doen. Ze leert hij dat je met alle dingen die rond zijn kunt rollen maar niet alle dingen die kunnen rollen zijn hetzelfde, zoals ballen deze kunnen in kleur en in grootte verschillen. De kleine rode bal zal steeds onder de kast rollen, maar de grootte blauwe bal blijft steeds steken.

  • De rol van taal, benoemen is begrijpen: Behalve de motoriek is ook de taalontwikkeling van invloed op de cognitieve ontwikkeling. Het steeds meer gebruiken van taal, betekend een grote verandering. De peuter gaat meer benoemen en daardoor begrijpen. De ontwikkeling gaat dus sneller als er meer met hem gepraat wordt. Een peuter leert het meest als je actief reageert op wat hij zegt, als je er op in gaat. Zie hieronder 2 voorbeelden van hoe je niet en wel moet reageren.

Sander van 2 ½  zit op de crèche. Hij zegt ‘vachtoto’ en wijst naar een auto die op het tafeltje staat. De leidster antwoord: ‘Goed zo, Sander, dat is een vrachtauto. Mooie auto, vind je niet?’ Sander knikt en gaat ermee spelen.

 

 

 

 

 

Je ziet dat de leidster op een positieve manier Sander benaderd.

 

 Sander van 2 ½  zit op de crèche. Hij zegt ‘vachtoto’ en wijst naar een auto die op het tafeltje staat. De leidster antwoord: ‘Nee, Sander, dat is een vrachtauto. Zeg me maar na, vrachtauto’. Sander probeert een paar keer haar na te zeggen. Dan loopt hij weg. Hij kijkt niet meer om naar de vrachtauto.

 

 

 

 

 

 

            Je ziet hier dat de leidster Sander een leerdoel op wel leggen. Zodoende ontneemt ze zijn

            belangstelling voor het voorwerp. Het is onwaarschijnlijk dat Sander het woord nu wel goed

            kan zeggen.

 

  • De rol van de zintuigen: Baby’s begrijpen door de grijpen. Een peuter gaat dingen benoemen maar de kennisverwerving gaat via de zintuigen gaat wel door; kijken en pakken. Als een peuter iets beetpakt, ervaart hij het verschil tussen hard en zacht, ruw en glad. Dat interesseert ze en vergroot hun kennis.

 

  • Fantasie en werkelijkheid zijn verstrengeld: het magisch denken.: Zoals eerder gezegd is, loopt bij een peuter de werkelijkheid en fantasie door elkaar heen. We spreken van de magische wereld. In deze wereld is het kind wetenschapper en tovenaar tegelijk. Het door elkaar lopen van de werkelijkheid en fantasie loopt vaak door tot aan het zesde jaar. Als het kind oorzaak en gevolg beter gaat begrijpen gaan tegelijk fantasie en werkelijkheid los van elkaar staan.

 

De sociaal-emotionele ontwikkeling laat het volgende zien:

 

  • Imiteert sociaal gedrag: een peuter leert door imitatie. Hij kijkt eigenlijk de kunst af. Hij borstelt het kopje van zijn knuffel net zoals mama zijn haar borstelt. Hij bootst gedrag, gezichtsuitdrukkingen en stemgeluiden na. Dit is vooral van de ouders.

  • Richt expressie op soortgenoten: Als een peuter zijn eerste krabbels gaat maken, is het vaak een rondje, een gezicht. Daar zie je aan hoezeer een kind gericht is op de soortgenoten. De eerste mensenvorm die en kind tekent noemen we een koppoter. Een rondje met twee streepjes.

 

  • Ontdekt dat hij een eigen persoon is: een peuter ontdekt dat hij een eigen persoon is. Hij merkt dat hij degene is die morst met drinken, dat hij een bal schopt en dat hij iets anders kan doen dan zijn ouders. Een peuter noemt zichzelf bij zijn eigen naam, dit komt omdat hij zo wordt aangesproken. ‘Maikel heeft de bal.’ ‘Maikel heeft een koekje’. Wat een peuter nog niet kan is zich zelf in iemand anders verplaatsen. Het gevolg hiervan is dat hij graag wilt uitproberen en zijn zin doordrijft. Ook wil een peuter alles zelf doen. Zelf zijn schoenen aandoen, zelf kleren kiezen. Dit wordt de koppigheidsfase genoemd. Een peuter die nooit dwars is, kan later meegaand en afhankelijk worden. De koppigheidsfase heeft dus een functie. Hij lijkt vaak een machtsstrijd tussen peuter en de andere, maar de peuter wil eigenlijk alleen erkenning voor het feit dat hij een eigen persoon is.

Tip: komt de koppigheid even slecht uit, geef de peuter een keuze. ‘wil je de rode of de blauwe trui aan vandaag?’ Het kind kan dan zelf kiezen uit de keuze die jij hem voorlegt. Ook merkt hij dat simpelweg ‘nee’ roepen geen enkele zin heeft. 

 

 

 

 

 

 

 

  • Nog geen geweten als innerlijke sturing: een peuter heeft nog geen geweten zoals wij die kennen. Hij heeft wel een idee van wat wel en niet mag, maar het waarom het wel of niet mag dat begrijpt hij niet. Zijn zelfbeheersing hangt nog af van invloeden van buitenaf, namelijk de goed- of afkeuring van zijn ouders of verzorgers. Een peuter straffen heeft nog niet veel zin maar natuurlijk laten de volwassenen wel goedkeuring en afkeuring zien. En dat beïnvloed zijn gedrag. Dat betekend wel dat de norm alleen bestaat als de volwassenen aanwezig zijn.

 Trudy van ruim 2 ½ kijkt naar de koektrommel die op de tafel staat. Mama is in de keuken bezig. Trudy zegt: ‘Mag niet, koekje ‘, en ze pakt er eentje uit. Als mama binnenkomt zegt ze: ‘niet koekje pakt’. 

 

 

 

 

 

 

 

Trudy laat zien dat ze goed ontwikkelt is voor haar leeftijd. Ze weet dat ze geen koekje mag pakken en doet het wel. Maar vervolgens laat ze wel zien hoe het hoort. Dit betekent dus veel meer dan alleen maar jokken.

 

 

  • Het spel van de peuter: Vanaf ongeveer twee jaar zien we bij de peuter veel imitatiespel en fantasiespel. Hij speelt na wat hij heeft leren kennen. Volgens een peuter doen mensen ook alles, mama doet de gordijnen op en ze laat de zon schijnen. Het samenspelen lukt nog niet echt bij een kind van 2 tot 4 jaar. Ook in het spelgedrag zie je dat een peuter egocentrisch is. We onderscheiden twee soorten spel:
  • Solitair spel: Het lukt de peuter niet om zich in andere te verplaatsen, daarom lukt het samenspelen ook niet. Hij speelt graag in zijn eentje.
  • Parallel spel: Wel zie je dat de peuter de nabijheid van andere kinderen zoekt. Hij speelt graag in de nabijheid van andere kinderen. Hij speelt dus niet met andere kinderen maar ernaast.

In de peuterleeftijd gaan kinderen beseffen dat jongens en meisjes verschillend zijn. Dat is voor hen een grote ontdekking en willen graag alles onderzoeken. Als de peuter een broertje of zusje heeft, zal het graag toekijken bij het verschonen en plassen. Ook wil een peuter alles van zijn eigen lichaam onderzoeken. Want dat ene plekje voelt toch anders aan dan een ander plekje. Hij leert zo zijn eigen lichaam kennen. Afwijzende reacties van een volwassenen leren het kind dat die lichamelijke gevoelens raar zijn.

 Brad zit in een hoekje en speelt met zijn piemeltje. Groepsleider Janice wil net met een prentenboek naast Steffie gaan zitten als ze het opmerkt. ‘Brad, kom je ook lekker bij ons zitten, k ga voorlezen’. Brad trekt zijn hand uit zijn broek en gaat bij Janice zitten. Ze besteed geen woorden aan Brads gedrag, en bereikt ze dat hij meedoet.

 

 

 

 

 

 

De seksuele ontwikkeling heeft te maken met de zindelijkheid. Kinderen leren in deze fase hun ontlasting op te houden. Ze ervaren hoe prettig het is als je het kunt laten gaan. Daarom wordt deze fase ook wel de ‘anale fase’ genoemd.

 

De motoriek gaat in een snel tempo door. De grove bewegingen worden geleidelijk fijner. Enkele mijlpalen die de sensomotorische ontwikkeling kent staan hieronder opgesomd.

 

  • 24 maanden                            : Bouwt een toren van 6 blokjes;
  • Rond de 24ste maand                : Loopt goed hard;
  • Tussen 22 en 36 maanden       : Springt op de plaats;
  • Tussen 24 en 38 maanden       : Fietst op een driewieler;
  • Tussen 24 en 42 maanden       : Staat 1 seconde op één voet;
  • Tussen 30 en 43 maanden       : Springt ver;
  • Tussen 36 en 48 maanden       : Hinkelt;
  • Tussen 28 en 60 maanden       : Gooit bal bovenhands;
  • Rond 48 maanden                   : Kleurt binnen de lijntjes;
  • Vanaf 48 maanden                  : vangt een stuiterende bal.

 

Zoals we al eerder lazen tekenen baby’s niet. Een peuter begint te krassen omdat het een manier van bewegen is. Je geeft hem iets in zijn hand en hij begint. Hij ziet tot zijn verrassing dat er iets buiten hem ontstaat. Na het krassen komt het krabbel werk. Krabbelwerk heeft minder lijnen en de lijnen lopen minder door elkaar heen. Een peuter tekent de zogenoemde koppoter, een cirkel met twee streepjes. Maar tijdens het derde jaar gaat het kind zijn krabbels benoemen. Hij gaat tekenen en geeft er achteraf een naam aan. Hij vertelt wat er op papier staat.

Afbeeldingsresultaat voor koppoter

 

 

 

Tot slot over de peuter de taalontwikkeling. Deze valt uiteen in de volgende punten:

 

® De klankontwikkeling:

  • Het kind leert nu alle klanken van de taal goed uit te spreken. Alleen de klanken met drie medeklinkers aan het begin van een woord blijven moeilijk; straf, schip. Maar ook de –sp zoals in het woord wesp. Dat blijft weps tot rond het zesde jaar. Als het kind hierna nog steeds moeite mee heeft, dan is logopedie gewenst.

® De woordenschatontwikkeling:

  • De peuter begint categorieën te herkennen: dingen met een gemeenschappelijke kenmerken. Deze mijlpaal loopt door tot in de volgende leeftijdsfase.
  • Woorden krijgen gevoelswaarden. Het woord ‘boek’ roept nu allerlei associaties op bijvoorbeeld lekker griezelen met papa op de bank.

 

Zoals gezegd vertoont de woordenschatontwikkeling grote verschillen. Om je toch een indruk te geven van de snelheid waarmee de woordenschat zich uitbreidt, is hier een tabel:

 

Leeftijd

Aantal woorden

24 maanden

272

36 maanden

896

42 maanden

1222

48 maanden

1540

 

 

® De grammaticale ontwikkeling:

  • De peuter herkent meervouden, verkleinwoorden, ontkenningen en vraagzinnen. Bijvoorbeeld: gaat pappie doen?

Op de leeftijd van twee jaar gebruikt de peuter woordcombinaties en begrijpt hij eenvoudige aanwijzingen. Op drie jarige leeftijd praat hij in zinnen. Hij leert dat er een relatie is tussen verschillende woorden en dat zij samen een zin vormen. We noemen dit ook wel het syntactische aspect (betrekking hebben op de zinsbouw). Ook beantwoord hij eenvoudige vragen.

Aan het einde van de peutertijd begrijpen de meeste kinderen voorzetsels en gebruiken ze voegwoorden. De volgende  mijlpaal:

  • De peuter gaat zinnen maken met meer dan één stuk: hoofdzin en een bijzin. De zinsbouw hoeft nog niet helemaal correct te zijn.

® De communicatieve ontwikkeling:

Er ontstaat communicatie met leeftijdgenoten. Dit gebeurd, tegelijk met samen gaan spelen, tussen drie en vier jaar. Kinderen van deze leeftijd kunnen hun tal enigszins aanpassen aan het kind waarmee ze spelen. Maar zoals eerder gezegd, een peuter kan zich moeilijk inleven in een ander. Het aanpassen gaat meestal in een eenvoudige vorm:

 

Mara van 4 loopt naar het buurmeisje van 2 toe. ‘Elsie spele?’ vraagt ze met haar liefste stemmetje. Ze steekt haar hand uit en neemt Elsie moederlijk onder haar hoede. Tegen de overbuurvrouw die toevallig langs loopt, zegt ze vertrouwelijk, en met een perfecte zinsbouw: ‘Elsie kan nog niet zo goed praten’.

 

 

 

 

 

 

® Metalinguïstische ontwikkeling:

Een metalinguïstisch bewustzijn betekent het kunnen nadenken over taal. Je stelt je even naast de betekenis en kijkt naar het verschijnsel taal. Dat bewustzijn ontstaat al heel vroeg. Van 2 tot 4 jaar bereikt een kind al de eerste twee mijlpalen:

  • Spontaan stilstaan bij taal. Dat kan al voorkomen bij twee jaar. Bijvoorbeeld lachen om poes en Loes. Dat betekent dat je  het verschil in de beginklank hoort en de overeenkomst in de eindklank. Dat maakt het grappig.
  • Bewustzijn dat er schriftelijke taal bestaat. Door voorlezen ontdekt een kind dat er taal bestaat terwijl de dingen waar het over gaat, er niet zijn. Daarnaast merkt een kind door voorlezen dat er verschil is tussen spreektaal en schrijftaal. Veel voorlezen is belangrijk voor de taalontwikkeling.

 

® De schriftelijke taalontwikkeling:

Wat gebeurt er tussen 2 en 4 jaar met de schriftelijke taalontwikkeling? De eerste mijlpaal zet zich voort en een tweede komt in zicht:

  • Kinderen doen ontdekkingen over geschreven taal. Ze den lezen na en tekenen letter- en woordachtige vormen. Veel voorlezen is het belangrijkste advies.
  • Kinderen ontdekken overeenkomsten en verschillen tussen verhalen en gesproken taal. Een verhaal heeft bijvoorbeeld een begin, een midden en een eind. Het verhaal speelt ergens af, en is een plaatsbepaling. Dat is bij praten niet altijd zo. Ze gaan ook bepaalde letters en woorden herkennen. ‘Dat is mijn letter!’ Ze herkennen pictogrammen en logo’s.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Thema 4: Ontwikkeling van 4 tot 6 jaar

 

De cognitieve ontwikkeling van een kind van 4 tot 6 jaar, een kleuter, ziet er als volgt uit:

 

® Pre- operationele fase: pre-logisch denken: In thema 1 zie je dat de pre-operationele fase zich uitstrekt van 2 tot 7 jaar. Maar er is wel een verschil tussen kleuters en peuters (thema3). Dat verschil wordt aangeduid met de term pre-logisch denken. Het denken van een kleuter is meer geordend maar het kind ziet nog geen samenhang of oorzaak-gevolg-verband. Pre- betekent voorafgaand. Het is dus eigenlijk een ontwikkelingsfase vóór het logisch denken. Pre-logisch is iets anders dan onlogisch.

Achmed is dol op Sesamstraat. In het huis zijn drie tv’s. Als de uitzending is afgelopen, vraagt Achmed of hij boven weer naar Sesamstraat mag kijken.

 

 

 

 

Een kleuter denkt nog niet bewust maar intuïtief. Dit betekent dat hij bijvoorbeeld kan sorteren op kleur, op grootte en op vorm maar nog niet kan vertellen waarom hij dit zo doet.

 

® Egocentrisch: Een kleuter is nog in een zekere zin egocentrisch. Dat wil zeggen, hij ervaart het eigen ik als het centrum van de wereld. Egocentrisch is iets anders dan egoïsme. Egoïsme is als een kind ouder wordt en egocentrisch blijft, het eigen belang te sterk voorop stelt.

® Gewetensontwikkeling, eerste aanzet: een kleuter weet wat hij wel en niet mag. Nu begint de vorming van een geweten. Het geweten is een richtsnoer voor ons handelen, vertelt ons wat we mogen doen en wat niet. Het geweten bestaat ook uit normen en waarden. Een norm is een gebod of verbod. ‘Je moet beleefd zijn tegen opa en oma’. Of ‘Vloeken mag niet’. Een waarde is een achter de norm liggende idee of opvatting. Bijvoorbeeld: ‘Beleefdheid is een groot goed.’ Of: ‘Kwetsbare mensen verdienen bescherming’. Kleuters weten wel zo’n beetje hoe het hoort, ze kennen de normen, maar de achterliggende waarden begrijpen ze nog niet. Daardoor kunnen ze met conflicterende normen in aanraking komen.

Nick van 4 weet dat hij niks mag afpakken van zijn kleine zusje. Als ze met lucifers speelt, laat hij haar dan ook begaan. Zijn moeder is boos op hem. Hij weet toch dat lucifers gevaarlijk zijn? Nick is verontwaardigd. Hij mag immers niets afpakken?

 

 

 

 

 

® De rol van fantasie: fantasie is kenmerkend voor een kleuter. In zijn belevingswereld kan hij nog geen onderscheid maken tussen fantasie en werkelijkheid. De kleuter geloofd nog in Sinterklaas en het merendeel geniet van sprookjes of andere fantasieverhalen. De fantasie blijkt ook uit zijn spelgedrag. Nog sterker dan een peuter, hebben allerlei gewone voorwerpen een bijzondere betekenis. De kleuter kan bepaalde taken onderscheiden en is daarom in staat tot ‘rollenspel’. Voorbeelden van rollenspellen zijn 'doktertje spelen’, ‘vader en moedertje’. Het ‘doen-alsof-spel’ speelt een belangrijke rol in het leren begrijpen van sociale regels en omgangsvormen. Met fantasie kan een kleuter ook beter omgaan met moeilijk dingen. Zoals bang zijn.

® Van imitatie naar identificatie: kleuters nemen normen over van hun ouders, door middel van imitatie en identificatie. Imitatie is nadoen, het goede voorbeeld is dan ook belangrijk. Identificatie gaat ver dan imitatie. Een peuter doet nog gedrag na, maar een kleuter internaliseert gedrag, dat wil zeggen: hij maakt het tot een deel van wie hij is. Hij doet het zoals mama het doet. Mama vindt dat slaan niet mag, de kleuter vindt dat ook. Mama vindt dat afpakken niet mag, de kleuter vindt dat ook. Hij neemt de mening over. Het gaat een deel van zijn persoonlijkheid worden.

Kim zegt in de kring: ‘Ik ga niet slaan als Patty iets afpakt, want ik vind het zelf ook niet leuk als ze mij slaan’.

 

 

 

De persoonlijkheid krijgt meer vorm het kid ontwikkelt een identiteit, een beeld van zichzelf. Een kleuter is ook meer prestatie gericht dan een peuter. Voor hem geldt niet alleen het bezig zijn maar hij wilt ook resultaat zien.

 

® Schoolrijpheid: Het woord schoolrijpheid had vroeger betrekking op de overgang van de kleuterschool naar groep 3. De tijd waarin je leert lezen en schrijven. NU gaat het over de voorwaarden om in groep 1 te kunnen functioneren. Wat moet een kleuter:

  • Zindelijk zijn;
  • Zich kunnen aanpassen aan andere kinderen en met andere kinderen kunnen samenwerken;
  • Zich redelijk kunnen concentreren;
  • Enige tijd zonder ouders kunnen zijn;
  • Door middel van taal kunnen communiceren.

De sociaal-emotionele ontwikkeling van een kind van 4 tot 6 jaar kent het volgende:

 

® Kan samenwerken: de kleuter krijgt steeds meer te maken met de zogenaamde plaatsvervangende opvoeders. Dit zijn andere personen, naast de ouders, met wie de kleuter een gezags- en vertrouwensrelatie krijgt, zoals de juf of meester. Het egocentrische verdwijnt langzamerhand en maakt plaats voor sociaal gedrag. De kleuter kan meeleven met andere en is ook in staat samen te spelen. Een kleuter is in staat zich aan eenvoudige spelregels te houden. Hij kind vindt het fijn om thuis huishoudelijke werkzaamheden te verrichten en op school de juf te helpen.