Tekenen: centraal examen

Beoordeling 6.2
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 6e klas vwo | 2558 woorden
  • 20 november 2014
  • 9 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.2
  • 9 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!

1600 Middeleeuwen



Periode 1400-1600



Accenten:




  • Schilderkunst in Noord-Europa

  • Italië, wedergeboorte van de klassieken.

  • Opdrachtgevers en rivaliteit; de Italiaanse stadstaten en Rome.



Invalshoeken;






  1. Kunst en wereldbeeld: opkomst van het humanisme.

  2. Visies op kunst: schoonheid als eenheid van delen; harmonie, maat, verhouding, symmetrie, orde (proportieleer).

  3. Kunstenaar en opdrachtgever, politieke en economische macht;

    • Kerk; wereldlijke machthebbers.

    • De veranderende positie van de kunstenaar, van ambachtsman naar homo universalis. Wordt bedoeld die al zijn faculteiten en vaardigheden ontwikkelt, dus bijvoorbeeld een goed ontwikkeld atletisch lichaam, maar ook een scherp verstand en bekwaamheden op veel gebieden, met name in de kunsten. "een mens kan alles doen als hij maar wil"



  4. Intercultureel: Handelscontacten van de Oostzee tot Afrika en van de Arabische wereld tot China. Focus op de bakermat van de Europese cultuur.

  5. Wetenschap en techniek;

    • boekdrukkunst en grafiek; olieverf.

    • bestuderen van klassieken; eigen onderzoek van de werkelijkheid; perspectief, anatomie, wetmatigheid.

    • geschiedschrijving (Vasari) en geschiedenis van Romeinse architectuur (Alberti).







Renaissance: hernieuwde belangstelling voor de oude klassieken en hun kunst. Middeleeuwen; mens gericht op religie en het hiernamaals. Renaissance; menselijke activiteiten.



Humanisten; verdiepten zich in de kunstvormen van de klassieken, literatuur en wijsbegeerte.



Periode 1600-1750



Accenten:




  • contrareformatie als reactie op de reformatie. Beweging die aanzette tot een meer verfijnde definiëring van de katholieke leer en de verbetering van het kerkelijk functioneren

  • Burgerlijke cultuur in Nederland, Amsterdam.

  • Rome in de tijd van de contrareformatie.

  • Het hof in Frankrijk, paleizen, villa’s en tuinen.



Invalshoeken:




  1. Kunst en wereldbeeld:


    • verschillende christelijke overtuigingen: protestant- katholiek.

    • Calvisnisme: predestinatie, deugdzaamheid en matigheid.

    • Rol van de kerk binnen het Katholicisme

    • Humanisme.



  2. Visies op kunst;

    • kunst ter lering en vermaak: verborgen symboliek zoals vanitas, emblemata, iconografie en iconologie; illusionisme.

    • classicisme; klassieke schoonheid, reizen naar Italië; neoplatonisme

    • barok; virtuositeit, inventiviteit, theatrale eenheid.

    • kunst moet imponeren, identificatie via emotie.

    • kunst als vervolmaking van de natuur ( tuinen Versailles).

    • kunst als uitdrukking van de absolute macht.



  3. Kunstenaar en opdrachtgever, politieke en economische macht;

    • vrije markt, kooplieden en regenten, het ontstaan van genres

    • De kerk

    • vorst en adel



  4. Intercultureel;

    • reizen-handel-VOC (chinees porselein en delfts aardewerk.

    • exotische invloeden in de Europese tuinarchitectuur.



  5. Wetenschap en techniek;

    • empirisch onderzoek, camera obscura

    • encyclopedisch verzamelen.







De Barok: feestelijke en uitbundige stijl, meestal herkenbaar aan weelderige groeivormen en krullen (sloeg aan bij de koningen).



Schilderkunst; dynamiek, de actie in ingewikkelde composities; diagonaal, piramidaal, asymmetrisch. Katholieke stijl, verband met de contrareformatie; voor de meeste mensen begrijpelijke beeldtaal. Dus invloed van renaissance en de daaruit voortvloeiende humanisme en de reformatie.



1730-1770; rococo: luchtige, speelse, slingerende en elegante versieringen als reactie op de pompeuze, uitbundige en aanzwellende barokvormen.



Periode 1750-1900



Accenten:




  • herleving van de klassieken.

  • Aandacht voor het eigen nationale verleden.

  • Vlucht in het exotische, de eigen geschiedenis, de mystiek en de natuur.

  • Verhevigd gevoel

  • Heroïek van het alledaagse, de harde werkelijkheid.



Invalshoeken;




  1. Kunst en wereldbeeld;


    • rationalisme, verlichting tegenover het loslaten van de ratio.

    • vooruitgangsidee, socialisme.

    • visies op geschiedenis: een voortgaand lineair proces met verschillende uitkomsten.

    • darwinisme.



  2. Visies op kunst;

    • kunst moet het goede, het ware en het schone tonen, kunst moet verheffen.

    • schoonheid is relatief (afhankelijk van tijd en plaats); neostijlen; eclecticisme (het combineren van kenmerken van verschillende stijlen of stromingen.)

    • kunst moet van zijn tijd zijn.

    • l’art pour l’art; de bohémien.

    • Gesamtkunstwerk een ideaal samenspel van alle kunsten.



  3. Kunstenaar en opdrachtgever, politieke en economische macht;

    • opleiding; de rol van de académie; op zoek naar eigen leermeesters

    • opdrachtgevers; de vrije markt, de staat koopt kunst.

    • organisatie van de samenleving; nationaal bewustzijn; naties-staat-burgers > streven naar vrije wereldhandel, concurrentie.

    • verzamelingen; systematiseren van collecties naar soort en tijd/plaats. Verzamelingen ook gekoppeld aan prestige van een staat.



  4. Intercultureel:

    -oriëntalisme; aanduiding van de dominante westerse opvatting van de Oriënt, oftewel het Oosten in culturele zin, zoals die ontstaan is sinds de tweede helft van de negentiende eeuw — de tijd van de mondiale kolonisatie door de grote westerse mogendheden. en exotisme.

  5. Wetenschap en techniek;

    • het ontstaan van de historische belangstelling; het ontstaan van de kunstgeschiedenis; het ontstaan van musea.

    • industriële revolutie.

    • evolutie theorie.

    • fotografie.

    • nieuwe materialen als gietijzer, de toepassing van combinatie gietijzer en glas.







1750-1830: neoclassicisme: men imiteerde de klassieke oudheid. Verlangen naar klassieke vormen was een reactie op de overdreven barok en het speelse rococo. Aangewakkerd door opgravingen Romeinse steden.



Verlichting: een culturele stroming of beweging van intellectuelen in Europa met als doel het gebruik van de rede en het filosoferen te bevorderen. Verlichting stond aldus voor bevordering van de wetenschap en intellectuele uitwisseling. De propagandisten van de Verlichting bestreden het bijgeloofmisbruik van recht in kerk en staat, intolerantie en kwamen op voor zekere grondrechten. De Verlichting gaf aanleiding tot modernisering van de samenleving door middel van individualiseringemancipatiefeminismesecularisering englobalisering.



Franse revolutie; oorlogen en chaos.



Empirestijl Napoleon; geïnspireerd door de klassieke oudheid





1800-1850 Romantiek:




  • droom en fantasie.

  • terug naar de natuur.

  • vluchten naar vreemde en exotische culturen.

  • vluchten uit de werkelijkheid naar het verleden.



 Nazareners (1800-1820); streng leven om zo het ideaal van christus te bereiken en het beeldend uit te dragen.



Prerafaëlieten; protesteerden tegen het beschaafde en onwaarachtige van de academies. Voor rafaël de kunst.



Neogotiek: stijl uit de middeleeuwen weer populair.



Neorenesaissance en neobarok.





1750-1840; industriële en maatschappelijke revolutie. Technische vooruitgang.  Gevolg was sociale onrust; steden overvol, lage lonen etc.



Arts en Crafts William Morris; tegen machinale productie, verheerlijkte handwerk uit de tijd van het middeleeuwse gildesysteem. Streefde naar verantwoord materiaalgebruik, logische constructie en een uit materiaal en werkwijze voortkomende decoratie. (golvende bewegingen).





1840-1890 Realisme: eenvoud, onderwerp eigentijds, manier van schilderen bleef hetzelfde. Arbeiders als helden. Als reactie op de vage en ongrijpbare romantiek.





1850: twee soorten kunst; vrijblijvend (mooie dingen, geld) en kritisch (maatschappelijke misstanden).



1851 Eerste wereldtentoonstelling; promotieshow van economische, sociale, culturele en technologische hoogtepunten.



Crystal Palace; gietijzer en glas.



Pre-fabrication; vooraf produceren bouwelementen.



Gotiek Bauhütten; kleine werkplaatsen en ateliers die bij in aanbouw zijnde kathedralen stonden.





Architecten en ingenieurs; van versiering naar eenvoudig en helder (gietijzer, staal, glas en beton). Men kon niet meer terug naar vroeger en je kunt niet om de machines heen.





1870-1910 impressionisme; licht en sfeer belangrijk, daarom in de openlucht (plein air). Totaalbeeld boven detail. Veel landschappen, licht en atmosfeer.



Toevallige composities en abrupte afsnijdingen.



Opdrachten van particulieren en plaatselijke overheden, want na reformatie kerk minder opdrachten aan kunstenaars.



1884-1900 Postimpressionisme; men zet zich af tegen de geringe inhoud van het impressionisme. Gemeenschappelijk kenmerk is; diepere betekenis achter de zichtbare werkelijkheid. Beginpunt belangrijke stromingen 20ste eeuw.



Cézanne, Paul Gauguin, Vincent van Gogh.



Pointillisme/ divisionisme;



1890-1910 Art Nouveau/ Jugendstill/slaoliestijl;




  • op zoek naar nieuwe uiting van luxe en het goede leven.

  • Inspiratie in de natuur.

  • Toepasbaar op alle kunst.

  • Kenmerken; plant en bloemmotieven, beweeglijke groeiende vormen, draak, slang en vlechtwerkmotieven.

  • Handgemaakte producten, want ingewikkeld. Niet machinaal.

  • Voor de rijke elite.



Periode 1900-1945



Accenten;







Invalshoeken;




  1. Kunst en wereldbeeld;



- het nastreven van idealen, het geloof in vooruitgang en maakbaarheid van de samenleving.




  1. Visies op kunst;



- kunst als expressie.



- op zoek naar het universele; neoplatonisme.



- van visueel waarneembaar naar geestelijk.



- functionalisme, verwerpen van decoratie.



- definiëren van grondslagen van elke kunstdiscipline.




  1. Kunstenaar en opdrachtgever, politieke en economische macht;



- vrije markt: verzamelaars, kunsthandels.



- kunstenaars in dienst van de Russische Revolutie, maatschappelijke bewegingen, de staat.



- utopisch verlangen vanuit politiek- en maatschappelijke situatie (industrialisering en oorlog).



- utopisch kunstenaarschap en economische positie van de kunstenaar.




  1. Intercultureel; primitivisme.

  2. Wetenschap en techniek;



- kunst als laboratorium, experiment, Bauhaus.



- nieuwe industriële materialen en technieken: skeletbouw, standaardisatie en prefab.



- fotografie en film.



- wetenschappelijke ontdekkingen; psychoanalyse en relativiteitstheorie.





Expressionisme; innerlijke gevoelens, ideeën en spanningen. Vaak felle en onnatuurlijke kleuren, zware en donkere contouren, grove penseelstreek en grote kleurvlakken. Primitieve culturen inspiratie (afrika).



Die Brücke en Der Blaue Reiter.



Geen l’art pour l’art; toonde niet de schoonheid van het leven.





1910 Futurisme; toekomst centraal. Aanleiding: beweging en vooruitgang in de maatschappij. Vorm van de kubisten (hoekig, kleine fragmenten), beweging belangrijk( ook bij Jugendstil). ! Film, hierdoor via slow-motion inzicht in beweging.





Kubisme; kubusachtige vormen (vereenvoudigd), afrikaanse negerkunst, primitivisme, avontuurlijk en nieuw. (Picasso, Braque, Juan Gris).




  • Object van verschillende zijden.

  • Ruimte is net zo belangrijk als de vorm.

  • Beeld is geometrisch en vlak.

  • Ruimte en Objecten één geheel.

  • Niet noodzakelijk om iets volledigs te schilderen.

  • Schilderij is een plat vlak met vormen, lijnen en kleuren.

  • Aardkleuren en grijstinten.

  • Alle onderdelen even belangrijk.





Abstract; onvrede, anders zien van de werkelijkheid.



Het is onherkenbaar, kleur, vorm en lijnen. Terwijl kubisten nog basisvormen gebruiken die massa, volume en diepte gaven. (non-figuratief).





1916 Dadaïsme; anti-kunstbeweging. Bespotting. WOI had alleen maar vernieling en verderft gebracht. Einde aan veel idealen en waarheden.  Beïnvloedde surrealisme en pop-art.



Ambiances/ environments;  kunstwerken die een gehele ruimte omvatten. Indringend, persoon stapt in het kunstwerk.





Mondriaan: Vooral zijn latere geometrisch-abstracte werk, met de kenmerkende horizontale en verticale zwarte lijnen en primaire kleuren, is wereldberoemd en dient als inspiratiebron voor vele architecten en ontwerpers van toegepaste kunst. Hij was een van de belangrijkste medewerkers van het tijdschrift De Stijl en ontwikkelde een eigen kunsttheorie, die hij Nieuwe Beelding of Neo-plasticisme noemde. Kenmerken van het neoplasticisme: rechte lijnen, primaire kleurenasymmetrieen een duidelijke vlakverdeling.



De stijl: De leden van De Stijl streefden naar een radicale hervorming van de kunst, die gelijke tred hield met de technische, wetenschappelijke en sociale veranderingen in de wereld. Deze hervorming bestond uit het gebruik van een minimum aan kleuren (primaire kleuren, gecombineerd met zwart, wit en grijs) en een zo eenvoudig mogelijke vormgeving (bij voorkeur volgens het orthogonaal stelsel).



Algemeen geldende regels  vanuit abstracte grondregels. Licht, kleur, ruimte en vorm als zelfstandige elementen.





1919 het Bauhaus; instelling voor industriële vormgeving en architectuur. allround-kunstenaar. Studenten bijbrengen wat er in die Bauhütten van elkaar werd geleerd en vereist: een grondige kennis van materialen, gereedschappen en technieken.



Industriële vormgeving: het ontwerpen van gebruiksvoorwerpen met het oog op massaproductie; geld waard en zoveel nut en plezier.



Toch niet lang bestaan vanwege de nazi’s.



Na WOII functionalistische manier van leven en denken wat betref kunst en vormgeving.





Functionalisme; De stijl, Het bauhaus.





1917 constructivisme: ruimtelijke objecten. De aanwezige ruimte binnen en tussen de vorm bleek minstens zo belangrijk als de vorm zelf; een samenspel van ruimte, restvorm en vorm in één object. De val van het tsaren regime en de opkomst van arbeiders-, boeren- en soldatensowjets stimuleerden een kunst voor de toekomst.





1924 Surrealisme; boven de werkelijkheid, de wereld van de droom en de fantasie centraal. Het irrationele en seksualiteit. Verdovende middelen van invloed. Salvador Dali.



Invloed:



 Sigmund Freud: in het onderbewustzijn van de mens leefden allerlei verborgen krachten en tegengestelde gevoelens.



Reactie op kubisme en abstracte kunst; had alleen maar aandacht voor uiterlijk, zonder inhoud.





Magische realisme; realistisch, herkenbaar, geloof, maar spanning en ongrijpbare aanwezig. Mysterieus. Carel Willink en Marc Chagall.



Periode 1945-heden



Accenten;




  • De Verenigde Staten in de voorhoede.

  • Modern en postmodern.

  • Vervagen van grenzen (disciplines, hoge-lage cultuur, kunst en werkelijkheid).

  • Globalisering, het westen als centrum verdwijnt, hybriditeit.

  • Engagement.

  • Nieuwe media.





Invalshoeken;




  1. Kunst en wereldbeeld;

    - relativeren en radicaliseren.

  2. Visies op kunst;

    - de moderne visie: onderzoek naar de grondslagen van de eigen discipline.

    - kunstenaar voert het werk niet alleen uit de rol van de omgeving (performance en community art).

    - postmoderne visie; loslaten van oude esthetische waarden (authenticiteit, originaliteit en uniciteit), loslaten van het idee van de vooruitgang, loslaten van het idee van één waarheid.

    - verleggen van de grenzen van de kunst, het vervagen van grenzen tussen de kunstdisciplines.

  3. Kunstenaar en opdrachtgever, politieke en economische macht:

    - vrije markt, overheid, de verzamelaar,

    - invloed van de handel, overheid.

    - kunstenaar als ondernemer, manager en entertainer.

    - begin en einde van de koude oorlog; globalisering, massamedia en massaconsumptie.

  4. Intercultureel;

    - invloed van de niet-westerse kunst op de westerse kunst.

    - een mix van verschillende culturele invloeden in het kunstwerk (hybriditeit).

    - het op eenzelfde podium acteren van westerse en niet-westerse kunstenaar.

    - rol van de identiteit in een geglobaliseerde wereld.

  5. Wetenschap en techniek;

    - reproductie, digitalisering.

    - audiovisuele media.







Cobra: Copenhagen, Brussel en Amsterdam. Na WOII, kinderlijk, primaire kleuren, gevoel, want verstand leidt tot oorlog.





1950-1970 Light Art; kunstlicht gebruiken als onderdeel van kunstobjecten. Zo direct betrokken. Mogelijk door uitvinding gloeilamp.





1950 Abstract Expressionisme; verdeeld in action-painters (actie, gevoel) en colourfield painters (resultaat; heldere kleurvlakken). Het is non-figuratief en organische. Jackson Pollock en Willem de Kooning.





1960 Hard Edge: precies, strak en zakelijk (abstract). Who is afraid of red yellow blue. Grote en kleur belangrijk.





1964: Op-Art: gezichtsbedrog en gesuggereerde beweging centraal.





1965 Superrealisme; zo precies als een foto, details waar je normaal niet op let. Alledaagse dingen als onderwerp. Levensgroot en levensecht zorgen voor schrik effect.





1965 Pop Art; populair, vluchtig, oppervlakkig, goedkoop, in serie gemaakt, jong, grappig sexy, spectaculair, luxueus, big business. Beïnvloed door dingen waarmee men dagelijks om ging.



Engeland: complexere beelden met sterk verhalend karakter. Minder uitbundig kleurgebruik, minder duidelijke vormen, gecombineerd met non-figuratieve elementen



VS: directer, beelden zijn duidelijker, fellere kleuren, confrontatie publiek directer.



Blow up: alle bijzaken zijn weggelaten, ze worden duidelijk in de andere luiken. Detail belangrijk.



Frankrijk: nouveau realisme.





1965 Conceptual art: het idee ofwel het concept belangrijker is dan esthetische of materiaal-technische afwegingen. Voor een conceptuele kunstenaar is zijn kunstwerk primair bedoeld als een uitdaging van het intellect. Een conceptueel kunstwerk hoeft in dat licht dus niet mooi te zijn en een conceptueel kunstwerk hoeft niet eens een object te zijn of tastbaar te zijn. 





 1970 Land art; de ruimtelijkheid van het landschap zelf wordt gebruikt als beeldend materiaal.





1980 post modernisme: ultieme vrijheid, alles mag en kan. Het citeren van anderen. Vroeger norm: vakmanschap en innovatie en nu : geen vakmanschap, maar succes.


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

S.

S.

Afrikaanse neger kunst"....Afrikaanse kunst alleen is al wel duidelijk. Nederlanders als jij verpesten het voor de nederlandse bevolking. Net alsof ik zeg duitse nazi kunst. slaat ook nergens op..de woorden autochtonen allochtonen bestaan niet meer..nou het wordt tijd dat het woord "neger" door de blanke nederlandse bevolking ook niet meer wordt gebruikt en wordt verwijderd uit het nederlandse woordenboek. Ik snap dat de meesten onder jullie ( de mensen die het woord gebruiken) erg trots zijn op hun verleden ( slavernije etc) omdat jullie daar jullie welvaart aan te danken hebben, maar het is 2017.. wordt het niet tijd dat jullie die periode definitief gaan afsluiten, of zijn jullie nog steeedss niet veranderd sinds de gouden eeuw..nederland.. wat lopen jullie toch achter pff

5 jaar geleden