Lesuitval, een mondkapjesplicht, onzekerheid over de eindexamens... Wij zijn benieuwd hoe jij met de coronacrisis omgaat en wat jij vindt van de maatregelen. Doe mee met ons corona-onderzoek! 😷🦠🏫 We zoeken nog extra jongens!

Doe mee


ADVERTENTIE
1500 euro winnen met je pws of sectorwerkstuk?

Check de online masterclasses van het Rijksmuseum waarin experts hun kennis en tips delen, zodat jij tot een goed onderwerp komt. En wist je dat je mee kunt doen aan de Rijksmuseum Junior Fellowship wedstrijd? Je maakt dan met jouw pws of sectorwerkstuk kans op 1500 euro en een traineeship!

Nederlands PW.



Zinsontleding:



Bij zinsontleding ontleed je stukjes van een zin in een vaste volgorde. Bij het ontleden van zinnen zoek je altijd eerst de persoonsvorm. Deze werkwoordsvorm kan in de tegenwoordige tijd of in de verleden tijd staan. Een zinsdeel is een woord of een groepje woorden dat al voor de persoons vorm staat of dat je ervoor kunt zetten. Met de zinsdeelproef bepaal je wat een zinsdeel is. Het werkwoordelijk gezegde is een zinsdeel dat alleen uit werkwoordsvormen bestaat. Dit zinsdeel kan dus uit één of meerdere werkwoordsvormen bestaan. De drie verschillende werkwoordsvormen zijn: de persoonsvorm, het hele werkwoord en het voltooid deelwoord. Het antwoord on de vraag wie of wat + gezegde is het onderwerp van de zin. Dit zinsdeel staat altijd links of rechts van de persoonsvorm. Als een zin in de gebiedende wijs staat, ontbreekt dit zinsdeel altijd. Het antwoord op de vraag wie of wat + gezegde + onderwerp is het lijdend voorwerp van de zin. Dit zinsdeel komt niet in alle zinnen voor. Dit zinsdeel komt ook nooit voor met een voorzetsel.



Woordsoortbenoeming:



lidwoord de, het of een



zelfstandig naamwoord de leerling; het werk; een som

werkwoord schrijven; lopen; praten

zww en hww 's Nachts mag onze hond niet blaffen.

zww = blaffen

hww= mag

bijvoegelijk naamwoord een moeilijk probleem;de harde, zoute nootjes

kww zijn, worden, blijken, blijven, lijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen

Mijn vader is een Spanjaard. is = kww

naamwoordelijk gezegde i.p.v. werkwoordelijk gezegde in zin met kww



Voorzetsel is altijd het eerste woord van een woordgroep.



Leesvaardig:



Manieren van lezen.

Zoekend lezen zoekend naar informatie die je wilt hebben

Globaal lezen tekst vluchtig doorkijken/lezen



Grondig/intensief lezen alles lezen

Studerend lezen grond is door lezen/ stukken die je niet begrijpt nog een keer doorlezen



Onderwerp.

Een tekst gaat ergens over dat is 't onderwerp. Onderwerp is meestal 1 of enkele woorden meer mag niet.



Titel.

Bovenaan de tekst staat een titel. De titel geeft meestal aan waar de tekst over gaat.

Hoofdonderwerp.

Een tekst gaat over 1 hoofdonderwerp. bv. zeehondjes.



Deelonderwerp.

Een onderwerp waar maar een stukje van de word in onderverdeelt. bv. wat zeehondjes eten of welke gevaren er voor hun zijn.



Alinea.

Een deelonderwerp word meestal in een aparte alinea gezet. Dan word de tekst wat overzichtelijker.



Hoofdgedachte.

Het allerbelangrijkste wat de schrijver duidelijk wil maken. De hoofdgedachte is altijd 1 zin.



Bijzaken.

Zaken die in de tekst wat minder belangrijk zijn.



Citeren.

Iets letterlijk uit de tekst halen. vb. 'In alle … controles uit.' (r. 34-36)



Eigen woorden.

Als je gevraagd word om iets uit de tekst in eigen woorden te zeggen, dan mag je de tekst niet letterlijk overschrijven. Je mag wel een belangrijk woord uit de tekst overnemen.



Kop, tussenkop of kopje.

Boven een alinea staat vaak ook titels deze woorden zijn dikker gedrukt en zijn om de tekst overzichtelijker te maken.



Inleiding, middenstuk en slot.

In de inleiding maak je kennis met 't onderwerp.

In het middenstuk word het onderwerp uitvoerig besproken.

In het slot word alles even samengevat en een conclusie getrokken.



Verwijswoorden.

vb.: De dikke man ging naar Timboektoe. Hij is gek!

hij is het verwijswoord.



Alinea opbouw.

De kernzin is de belangrijkste zin van de alinea en daarin word iets beweerd.

De kernzin staat altijd aan het begin of aan het eind van de alinea.

De toelichting gaat voorbeelden en toelichting geven op de kernzin.



Publiek.

De lezers van een tekst. kinderen jongeren en volwassenen.



Samenvatting.

De hoofdgedachte + kernzinnen van elke alinea = Samenvatting.

de onbelangrijke dingen (voorbeelden, kleinigheden en toelichting) laat je weg



Tekstdoel.

informatieve tekst iemand iets nieuws vertellen

mening geven vertellen wat je van iets of iemand vindt

overtuigen redenen geven waarom je gelijk hebt

overhalen proberen iemand iets te laten doen

amuseren iemand proberen te vermaken



Tekstsoorten.

Enkele voorbeelden: boektekst, recept, gebruiksaanwijzing, krantenbericht enz. enz.



Feiten en meningen.

Een feit is iets wat waar is en het is te controleren. (objectieve informatie)

Een mening is iets wat je van iets of iemand vindt. (subjectieve informatie)



Informatieve tekst en betoog.

Teksten die vooral feiten bevatten zijn informatieve teksten.

Teksten die vooral meningen bevatten zijn betogen.

Besprekingen van boeken, films en dvd's heten betogen.



Spelling:



Zin begin je met een Hoofdletter en eindig je met een punt (.), een vraagteken (?) of een uitroepteken (!).



WW. kan verschillende vormen hebben: Persoonsvorm, hele werkwoord of voltooid deelwoord.

vb.

Persoonvorm Hele werkwoord Voltooid deelwoord

heeft hebben gehad



Kijk en lees goed het boek door.


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

A.

A.

wil iemand plzzzzzz van Op nieuw niveau blok 4 doen en dan opdracht 22 (ik snap het niet het lukt me niet voor een groot deel)

9 jaar geleden