Nederlands Tekstbegrip

§ 2 Signaalwoorden/ signaalzinnen


Signaalwoorden geven het verband aan tussen zinnen en alinea’s. Ze geven belangrijke informatie over de opbouw van een tekst(gedeelte)

Soorten signaalwoorden en functie:
Opsomming: ook, bovendien, verder, eveneens, dan, vervolgens, daarnaast, ten eerste.. ten tweede, zowel…als
Tegenstelling: maar, echter, toch, daarentegen, anderzijds, in tegenstelling tot, daar staat tegenover dat, enerzijds…anderzijds
Oorzaak-gevolg: daardoor, door, doordat, waardoor, zodat, te danken aan, te wijten aan, het gevolg van, ten gevolge van, de oorzaak hiervan is
Doel-middel: door middel van, met de bedoeling om, met behulp van, om te, daartoe, opdat
Toelichting: denk hierbij aan, bijvoorbeeld, zo, dat komt voor bij, ter illustratie, dat is het geval bij
Vergelijking: net als, zoals, zo ook, evenals, eveneens, eenzelfde, hetzelfde, dezelfde als, in vergelijking met, vergeleken met, soortgelijke
Voorwaarde: als, indien, mits, op voorwaarde dat, tenzij, behalve wanneer, stel dat
Samenvatting: kortom, samenvattend, alles bij elkaar genomen, om kort te gaan
Conclusie: dan ook, dus, aldus, hieruit volgt, concluderend

Met behulp van signaalzinnen kun je teksten beter doorgronden, de schrijver maakt duidelijk
Wat er volgt, of wat hij heeft behandeld.

Soorten signaalzinnen
Aankondigend: ik zal hier enkele voor- en nadelen van rekeningrijden bespreken.
Terugblikkend: van de besproken verklaringen lijkt de laatste me het meest aannemelijk

Aankondigend en terugblikkend:
Welke conclusie kunnen we nu uit bovenstaande beweringen trekken?

§ 3 Tekstsoort, schrijfdoel

Tekstsoorten:
Betoog: subjectief en bedoeld om lezers te overtuigen
Beschouwing: gedeeltelijk objectief en subjectief en bedoeld om de lezer aan het denken te zetten en/ of dingen van verschillende kanten te belichten
Uiteenzetting: objectief en is bedoeld om lezers te informeren, begrijpen (niet vaak op CE)

§ 4 Citeren, eigen woorden

Bij citeren haal je een stukje uit de tekst letterlijk aan. Je geeft dan de eerste en de laatste
twee woorden van een zin of zingedeelte en zet daar de regelnummers achter.
Bijv: ‘Tv is…te bieden (regels 137-138)
Bij citeren moet je ook alle leestekens en hoofdletters overnemen
Als je iets moet beantwoorden in eigen woorden mag je nooit iets letterlijk uit de tekst
overschrijven. Wel mag je belangrijke termen uit de tekst overnemen. Let op dat je niet over
het aantal maximum woorden gaat.

§ 5 Hoofdgedachte, hoofdvraag

Als er gevraagd wordt naar de hoofdgedachte van een alinea of meer, dan moet je één zin
opschrijven die het belangrijkste van dat tekstgedeelte weergeeft. Op het CE kan het gevraagd
worden in eigen woorden of met het citeren van een zin.
Let bij het maken van een hoofdgedachte op de kernzinnen.
Een vraag naar de hoofdgedachte van een hele tekst is altijd een meerkeuze vraag
Bij een hoofdvraag moet je dus een vraagzin formuleren

§ 6 Functie van een tekstgedeelte

Een tekstgedeelte heeft binnen een tekst altijd een functie, een schrijver bedoelt er iets mee.
Bij het zoeken naar de functie van een tekstgedeelte moet je eerst de tekst goed lezen, dan
belangrijke zinnen onderstrepen of notities maken per alinea en dan het functiewoord kiezen.

Functiewoorden
Aanbeveling: de schrijver komt tot een goede raad of advies, meestal aan einde artikel
Aanleiding: omstandigheid die de schrijver ertoe beweegt zijn tekst te schrijven
Afweging: de schrijver weegt de mogelijke voor- en nadelen tegen elkaar af en maakt een keuze
Argument: de schrijver geeft aan waarom hij iets vindt
Begrips
omschrijving: de schrijver geeft een nauwkeurige omschrijving van een bepaalde term
Beantwoording: de schrijver geeft antwoord op een eerder gestelde vraag
Beoordeling: de schrijver geeft een positief of negatief oordeel over een onderwerp
Bewering: de schrijver verkondigt zijn mening (Stelling)
Bewijs(voering): de schrijver probeert de juistheid van een stelling of theorie aan te tonen met feiten
Conclusie: de schrijver komt, op grond van het voorafgaande, op een gevolgtrekking
Constatering: de schrijver stelt iets vast, merkt iets op
Definitie: zelfde als begripsomschrijving
Doelstelling: de schrijver geeft aan wat hij wil bereiken
Gevolgen: de schrijver beschrijft de gevolgen die door een verschijnsel veroorzaakt zijn
Hypothese: de schrijver veronderstelt iets wat hij nog moet bewijzen
Karakterisering: de schrijver geeft de voornaamste kenmerken van een verschijnsel
Ontkenning: de schrijver ontkent de juistheid van een bewering
Oorzaak: de schrijver geeft aan waardoor iets geworden is zoals het is
Oplossing: de schrijver geeft een oplossing voor een bepaald probleem
Opsomming: de schrijver geeft een reeks van argumenten, verklaringen, voorbeelden etc.
Probleemstelling: de schrijver brengt het probleem onder woorden wat hij gaat bespreken
Samenvatting: de schrijver geeft, op het eind van een tekst of tekstgedeelte, in het kort het belangrijkste weer
Stelling: de schrijver verkondigt zijn mening (Bewering)
Tegenstelling: de schrijver geeft aan dat een feit of bewering tegenover een ander feit of bewering staat
Tegenwerping: de schrijver maakt bezwaar tegen een eerdere bewering of argumentatie (van een ander)
Theorie: de schrijver geeft wetenschappelijke opvattingen die los staan van de praktijk
Toelichting: de schrijver geeft voorbeelden of nadere uitleg om zijn opvattingen te verduidelijken
Toepassing: de schrijver beschrijft hoe een bepaalde theorie in de praktijk wordt toegepast
Uitwerking: de schrijver werkt een algemene theorie of stelling in meer detail uit (geeft nadere uitleg, voorbeelden, lijkt op toelichting)
Verklaring: de schrijver legt uit hoe een bepaald verschijnsel is ontstaan
Verslag
van onderzoek: de schrijver geeft de resultaten van een onderzoek
Voorbeelden: de schrijver verduidelijkt een bewering of verschijnsel met concrete voorbeelden
Voorwaarde: de schrijver stelt vooraf een eis waaraan voldaan moet worden, voordat iets kan plaatsvinden
Vraagstelling: de schrijver stelt, meestal in de inleiding, de hoofdvraag die hij in de rest van zijn artikel wil beantwoorden
Weerlegging: de schrijver toont aan dat een bewering of argumentatie niet juist is

Bij het CE kan je kiezen uit een aantal gegeven functiewoorden

§ 7 Standpunten en argumenten

Argumenten worden gebruikt om een standpunt of mening te onderbouwen. Soms zijn ze
letterlijk in de tekst te vinden, soms moet je ze zelf formuleren m.b.v. gegevens uit de tekst
Er zijn verschillende soorten argumenten:

Argumenten op basis van voorbeelden
Controleerbare feiten: Soaps zijn erg populair. Op de Nederlandse zenders worden per dag gemiddeld zes soaps uitgezonden.
Voorbeeld: Soaps kunnen verslavend zijn. Kijk maar naar mijn buurvrouw die de hele dag kijkt.
Vergelijking: Marielle houdt waarschijnlijk niet van ‘All you need is love’.Ze heeft immers ook de pest aan datingshows.
Ervaring (empirisch argument): Je kunt beter elke dag een paar woordjes leren dan alles in één keer. Dan onthoud je er veel meer van.
Gezag of autoriteit: De nieuwe roman van Joost Zwagerman overtreft al zijn eerdere werk, zoals de criticus van de Trouw opmerkt.
Gevolg: De KLM moet nodig op zoek naar een nieuwe fusiepartner; anders gaat het bedrijf binnen de kortste keren failliet.
Nut of gewenste gevolgen: Zoveel mogelijk landen moeten hun geld inwisselen voor de euro. Dat is gunstig voor het betalingsverkeer en zal de concurrentiepositie ten goede komen.
Gevoel of emotie: Ik vind die nieuwe roman erg goed. Ik kan me echt inleven in de hoofdpersoon en het is nog spannend ook.
Algemene normen en waarden: Het is goed afval gescheiden in te zamelen. Je vindt het milieu toch belangrijk?

Op het CE moet je zelf het goede type argument zoeken

§ 8 Redeneringen

Een schrijver probeert bij een betoog of beschouwing resp. te overtuigen of te informeren. Dat
kan alleen als de lezer zijn gedachtegang of redenering logisch vindt en overneemt.
Verschillende soorten redeneringen:

Redenering op basis van
Oorzaak en gevolg: de schrijver beschrijft het gevolg/ de gevolgen die door een verschijnsel veroorzaakt zijn;
Signaalwoorden: daardoor, door, doordat, waardoor, zodat, te danken aan, te wijten aan, het gevolg van, ten gevolge van, de oorzaak hiervan is
Voor- en nadelen: de schrijver beschrijft een verschijnsel met positieve en negatieve kanten;
Signaalwoorden: voordeel…nadeel, positief…negatief, vooruitgang…ongunstige ontwikkeling, waarderen…tegenvallen, gunstig beeld…kwalijke kanten
Overeenkomst: de schrijver vergelijkt twee of meer verschijnselen met elkaar en signaleert overeenkomsten;
Signaalwoorden: net als, zoals, zo ook, evenals, eveneens, eenzelfde, hetzelfde/ dezelfde als, in vergelijking met, vergeleken met, soortgelijke
Stelling-
argumenten: de schrijver geeft zijn mening en onderbouwt deze met argumenten;
Signaalwoorden: want, omdat, daarom, namelijk, immers, aangezien

Op het CE moet je zelf de redenering zoeken

§ 9 Drogredenen

Soms staan in een tekst argumenten die verkeerd gebruikt zijn en daarom fout zijn. Zulke
foute argumenten noem je drogredenen.
Verschillende soorten dogredenen:

Soorten voorbeelden
Onjuiste oorzaak-gevolgrelatie De pleidooien in de Volkskrant voor de uitbreiding van de EU hebben effect gehad, want er zijn zes nieuwe lidstaten bij gekomen.
Valse vergelijking: Het geschiedenisonderwijs kan beter worden afgeschaft, wat gebeurd is, is gebeurd. Een versleten jas gooi je toch ook weg?
Verkeerde autoriteit: De Postbank is de beste bank voor de kleine man. Dat zegt actrice Monique van der Ven ook.
Overhaaste generalisatie: De winnaar van het Groot Dictee heeft zes fouten gemaakt. Met het Nederlandse spellingsonderwijs is het dus droevig gesteld.
Cirkelredenering: De kinderen uit de middelbare school kunnen niet zelfstandig werken, want ze zijn nog niet volwassen.
Op-de-manspelen of persoonlijke
aanval: ‘Dat rapport is geschreven door professor J.B. Janssen, lid van de SER. Is dat niet de man die in het nieuws was vanwege belastingontduiking?’
Ontduiken bewijslast: Dit kabinet heeft zijn langste tijd gehad. Dat zal iedereen met mij eens zijn.
Verteken van een standpunt: ‘Ik vind dat medisch specialisten soms te veel verdienen.’
‘Dus je bent het met me eens dat hun tarieven drastisch omlaag moeten!’

§ 10 Beoordelingsvragen

Vragen naar de aanvaardbaarheid van de bron, de verstrekte gegevens of de gevolgde
redenering noemen we beoordelingsvragen.

A. de bron (de schrijver en/of het medium)
1. deskundigheid van de schrijver
> De schrijver staat bekend als deskundig/ niet deskundig over het onderwerp
2. partijdigheid van de schrijver
> Heeft er baat bij om gegevens in zijn voordeel te schrijven. Partijdig/ onpartijdig
3. betrouwbaarheid van het medium
> Is de krant/ tijdschrift betrouwbaar? Bijvoorbeeld Telegraaf niet echt, Trouw meer

B. verstrekte gegevens
1. controleerbaarheid van de gegevens > zijn ze controleerbaar of niet?
2. relevantie van de gegevens > zijn ze van belang i.v.m. de conclusie
3. volledigheid van de gegevens > voldoende informatie zodat conclusie aannemelijk is?
4. logische samenhang van gegevens > de gegevens passen wel/ niet bij elkaar
5. ouderdom van gegevens > up-to-date of verouderd?
C. de standpunten (meningen) en argumenten
1. relevantie van argumenten > zijn ze van belang m.b.t. de conclusie?
2. volledigheid van de argumentatie > wordt het standpunt voldoende ondersteunt?
3. helderheid van de argumentatie > zijn de argumenten duidelijk of vaag?
4. houdbaarheid van elk argument > zin de argumenten aannemelijk of niet? (ook §7 en 9)
5. logische opbouw en samenhang argumenten
> de argumenten leiden wel/ niet naar het standpunt dat de schrijver inneemt

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

N.

N.

Haha ik ging juist opzoeken wat er precies met gezag als standpunt bedoeld wordt omdat ik de uitleg in mijn examenbundel nogal vaag vond, maar alles wat hier staat is gewoon overgetypt van het examenbundel dus hier heb ik niet echt iets aan..

5 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

I.

I.

heel erg bedankt. x

5 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

D.

D.

mooi man! egt knap

5 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

Y.

Y.

Super! Thanks, dit is erg overzichtelijk! Blijkbaar heb je een talent voor samenvatten, het is in elk geval erg overzichtelijk!

6 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

B.

B.

thanks, morgen examen nederlands!!

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

M.

M.

Je bent een held!

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

I.

I.

Hee dankje je hebt me gered want mijn boeken liggen nog op school!

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

M.

M.

bedank, was wel handig

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast