Spelling

Beoordeling 7.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas vwo | 1230 woorden
  • 12 november 2014
  • 7 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.1
  • 7 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

1. Werkwoordspelling



Persoonsvorm




  • Vinden van de pv: zin in andere tijd zetten à veranderende ww zijn pv

  • Pvtt: stam (+ t) of in meervoud infinitief

  • Pvvt: ’t ex-fokschaap

    • Zwakke ww: stam + de(n) of te(n)

    • Sterke ww: lopen à liepen



  • Engelse ww:  ook ik-stam gebruiken

    • Racen – ik race – hij racet

    • Deleten – ik delete – hij deletet – hij heeft gedeletet





In verleden tijd ook ’t ex-fokschaap gebruiken (mixte, volleybalde)



Overige werkwoordsvormen



Infinitief (inf)




  • Is het hele werkwoord

  • Bv. oppassen, spelen



Gebiedende wijs (gw)




  • De stam

  • Bv. Kijk om je heen! Loop eens door!





Onvoltooid deelwoord (od)




  • Infinitief + d(e)

  • Bv. kijkend(e), lopend(e)





Voltooid deelwoord (vd)




  • Komt meestal voor naast een vorm van hebben

  • + d/t

  • Bv. Hoelaat heb je me gebeld?





Bijvoeglijk naamwoord (bn)




  • Zo kort mogelijk, behalve bij onduidelijkheden over de uitspraak

  • Bv. de gehate leraar





2. Hoofdletters en leestekens

 



Hoofdletters

Gebruik een hoofdletter:

- Aan het begin van een zin

- Bij persoonsnamen; als bij een achternaam met voorvoegsels geen voornaam of voorletter staat

- Bij namen van verenigingen, instellingen, bedrijven en diensten

- Bij aardrijkskundige namen en namen van merken, historische gebeurtenissen, straten, hemellichamen, gebouwen, feestdagen en bij titels van boeken/films





Gebruik een kleine letter:

- Bij soortnamen

- Bij historische periodes

- Bij afleidingen van feestdagen

- Bij maanden/dagen/jaargetijden/windstreken

- Bij geloven





Leestekens

Punt:

- Aan het eind van de zin

- Bij afkortingen (behalve afkortingen die als woorden worden uitgesproken (NAVO) en maten/gewichten (mg))





Komma:

- tussen de onderdelen van opsommingen

- Tussen twee persoonsvormen

- Voor of na een aanspreking of een tussenwerpsel

- Voor en na een bijstelling

- (In lange zinnen) voor een voegwoord waarmee de bijzin begint



Puntkomma (betekend “en”):

- tussen zinnen die sterk met elkaar samenhangen

- tussen delen van opsommingen, zeker als het om zinnen gaat



Dubbele punt:

- Om een opsomming/verklaring/directe rede aan te kondigen



Aanhalingstekens:

- Bij een citaat

- Bij een directe reden

- Om aan te geven dat een woord een andere betekenis heeft dan normaal

Let op: plaats de leestekens altijd binnen de aanhalingstekens!



Vraagteken:

- Aan het eind van een letterlijk gestelde vraag



Uitroepteken:

- Aan het eind van een zin met een bevel of uitroep



Haakjes:

- Om toelichting, uitleg of voorbeeld heen.



Beletselteken:

- Aan het eind van een zin die niet af is

- Om onvolledige citaten aan te duiden



3. Meervoudsvorming en verkleinwoorden





Meervoudsvorming

Meervoud op -s

Vaste “s” = als de uitspraak correct blijft

‘s = bij afkortingen en woorden die eindigen op: a/i/o/u/y



Meervoud op -en

Let op: als een woord eindigt op een onbeklemtoonde -ik, -es of -et verdubbelt de laatste medeklinker niet!



 





Verkleinwoorden

Verkleinwoorden maak je door -je, -kje, -pje, -tje of -etje achter het zn. te zetten.

Let op:

- Woorden die op een klinker eindigen

- Afkortingen (krijgen een apostrof)



4. Samenstellingen, sommige(n), getallen





Aan elkaar of los

Aan elkaar:




  • Samenstellingen van twee of drie woorden

  • Getallen tot honderd en samenstellingen met honderd en duizend

  • Voornaamwoordelijke bijwoorden (bestaan uit er, hier, daar, waar + voorzetsel)





Tussenklank in samengestelde woorden:

De tussen-s schrijf je als je hem hoort



Tussen-en:

- Als het eerste woord een zelfstandig naamwoord is dat alleen een mv. op -en heeft.



Geen tussen-en, maar als nodig tussen-e

- Als het eerste deel alleen een meervoud op -s heeft

- Als het eerste deel twee meervouden (op -s en -en) heeft

- Als het eerste deel geen mv. heeft

- Als het eerste deel verwijst naar een uniek exemplaar

- Als het eerste deel een bijv. nw. Versterkt (pikkedonker, reuzeleuk)

- Als het eerste deel geen zelfstandig naamwoord is

- Als het woord niet meer als samenstelling wordt gezien (takkewijf/elleboog/hazewind).



Sommige of sommigen

Met een -e:

   -  Als de woorden bijvoeglijk gebruikt worden (vele vriendinnen, de aanwezige mensen)

   -  Als ze betrekking hebben op zaken of dieren (de aapjes waren alle verzwakt)



   -  Als het woord betrekking heeft op personen die eerder genoemd werden kun je -e schrijven.

 



Met een -en:

   -  Als ze zelfstandig gebruikt worden en het personen zijn (de meesten stemden op de PVV)



   -  Zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamwoorden met -en (doven en slechthorenden, ouderen,      alleenstaanden, alle aanwezigen)





Getallen

Gebruik cijfers:

- Bij getallen boven de twintig, uitgezonderd de ronde getallen (27 miljard, 953)

- Voor maten, gewichten, bedragen, data, adressen, rekeningnummers (10 mei 1955,

25 meter, € 3,50.



- Schrijf breuken los! (drie vierde)



Gebruik letters:

- Voor getallen tot en met twintig, voor de tientallen (vijftien, veertig)

- Voor getallen als honderd, duizend, miljoen, miljard, biljard                             à ronde getallen



 





5. Liggend streepje, trema, apostrof, accenten



Liggend streepje (koppelteken, weglatingsteken, afbreekteken)

Koppelteken:




  • Om uitspraakproblemen te voorkomen (auto-ongeluk)

  • In de naam van getrouwde vrouwen (mevrouw Jansen-van der Burg)

  • In woorden met de voorvoegsels adjunct-, aspirant-, ex-, interim-, niet-, non- en oud-.

  • Voor een hoofdletter (anti-Russisch)

  • Bij combinaties van titels en beroepen (trainer-coach)

  •  Bij aardrijkskundige namen, of woorden die daarvan afgeleid zijn (Zuid-Frankrijk)

  • Bij letters, cijfers, andere tekens en St./Sint (mbo-student)

  • In woorden die anders onoverzichtelijk worden (woon-werkverkeer)

     



Afbreekteken:

Als het woord niet meer op de regel past (breek alleen tussen twee lettergrepen)



Afbreken:




  • Als er één alleenstaande tussenmedeklinker staat breek je af voor die medeklinker

  • Breek bij twee tussenmedeklinkers af tussen die twee medeklinkers (klet-sen)

  • Gebruik bij samenstellingen de oorspronkelijke woorden (bagage-drager)

  • Tussen voor- of achtervoegsel (on-gevaar-lijk)





Bij woordafbreking verdwijnt de trema (coëxistentie à co-existentie)





Weglatingsteken:

Zet een streepje op de plek waar een deel van een woord is weggelaten: voor- en nadelen, binnen- en buitenbanden. Schrijf niet ijs- en bruine beren!



Trema

Een trema voorkomt uitspraakproblemen in woorden die geen samenstelling zijn.

Plaats een trema op de tweede klinker waar het leesprobleem kan ontstaan (poëzie).

Let op deze woorden:

Linoleum, verfraaiing, opticien, geautomatiseerd, officieus, geuit.



Apostrof




  • Op de plaats van een weggelaten letter (z’n zusje)

  • Op de plaats van een weggelaten bezits-s (Els’ plannen)

  • Om uitspraakproblemen bij het mv. en bezitsaanduidingen te voorkomen (Tanja’s kledingskast (bij: ik hou van y’s)

  • In afleidingen van letter- en cijferwoorden (vwo’er; 40+’er)

  • Bij verkleinwoorden op –y (baby’tje)





Accenten

Accent aigu (é) = café, paté, coupé                        à klemtoon (dat is dé oplossing).

Accent grave (è) = ampère, scène, crème         

Accent circonflexe (ê) = enquête, gêne              

 



Andere vormen = maîtresse, twee à drie liter, coûte que coûte





De cedille onderaan de c (ç) zorgt ervoor dat een c als s klinkt, wanneer die voor een a, o of u staat (reçu, Curaçao)

 


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.