ADVERTENTIE
Zo verlaag je jouw stress voor een toetsweek!

Deze week is natuurweek. Samen met hogeschool Van Hall Larenstein laten we zien wat jij kunt studeren waarmee je een bijdrage kunt leveren aan het behoud van de natuur. Reporter Isa zocht uit hoe het beste kunt ontspannen als je stress hebt. Op de landingspagina lees je nog veel meer over natuurstudies.

Alles over natuur

Soorten argumenten, Drogredenen, Stijlfiguren en Alineaverbanden

Soorten argumenten:

  • Voorbeeld als argument =  voorbeelden noemen
  • Feit als argument = een feit noemen
  • Empirisch argument = ervaringsfeit
  • Beroep op autoriteit = beroep op iemand met veel verstand van de desbetreffende zaak
  • Vergelijking als argument = verwijzen naar hoe het ook kan/ging/etc.
  • Moreel argument = ontleend aan idealen of religie
  • Emotioneel argument = intuïtief, iets vinden, iets erbij voelen, etc.

Drogredenen:

  • Persoonlijke aanval of op de man spelen = persoonlijke kritiek
  • Meelopermotief = “iedereen doet dat zo, dus dan wij ook”
  • Overhaaste generalisatie = alles over één kam scheren
  • Dreigement = machtsmisbruik om zin door te drammen
  • Ontduiking van de bewijslast = “iedereen met een beetje goed verstand…”
  • Cirkelredenering = “dat is gewoon zo. Waarom dan? Omdat het zo is”
  • Vertekenen standpunt of stromanredenering = een stukje van een ander zijn mening weg laten, om de ander belachelijk te laten lijken
  • Onjuiste oorzaak-gevolgrelatie = een oorzaak in een discussie naar voren laten komen maar daar een verkeerd/onjuist gevolg bij concluderen
  • Verkeerde beroep op autoriteit = een slechte ervaringsdeskundige in je standpunt betrekken
  • Valse vergelijking = je vergelijk 2 totaal verschillende onderwerpen met elkaar
  • Hellend vlak = “als we dit toestaan moeten we dit ook toestaan”
  • Vals dilemma = er wordt gesuggereerd dat er maar 2 oplossingen zijn (maar en zijn toch meer)

Stijlmiddelen:

  • Tautologie =  “vast en zeker, nooit en te nimmer”
  • Pleonasme = eigenschap word twee keer genoemd
  • Antithese = tegenstelling (“meer smaak, minder nodig”)
  • Paradox = schijnbare tegenstrijdigheid (“Dreft, kleine verpakking 2 keer zo lang mee”)
  • Hyperbool = overdrijving (“ik moest uren in de rij staan”)
  • Understatement = iets minder voorstellen dan het is (“verstappen kan een aardig rondje rijden”)
  • Eufemisme = verzachtende omschrijving (“hij is heen gegaan”)
  • Woordspeling = “de roker is steeds vaker de sigaar”
  • Spelen met klanken = rijmen
  • Retorische vraag = vraag waarop je het antwoord al weet (“wie wil er nou niet slagen”)
  • Jargon = vaktaal
  • Ironie  = licht spottend/sarcastisch(“die jas is zeker voor jou ontworpen”)

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Henk

Henk

hoi ik ben ame

1 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

Amé

Amé

hoi, amé hier! ik heb het een 1 gegeven... ik vond er niet genoeg informatie over in staan.. dit is zeer teleurstellend.. groetjes.

1 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast