Lesuitval, een mondkapjesplicht, onzekerheid over de eindexamens... Wij zijn benieuwd hoe jij met de coronacrisis omgaat en wat jij vindt van de maatregelen. Doe mee met ons corona-onderzoek! 😷🦠🏫 We zoeken nog extra jongens!

Doe mee


ADVERTENTIE
Open Dag = online ontdekken en ontmoeten

Bezoek onze Online Open Dag dit jaar vanaf je bank! Ontdek bijzondere verhalen van onze studenten en docenten. Stel je vragen. Én luister naar onze gezellige radioshow! Klaar voor een toekomst als student in het hbo? 

Meld je dan nu aan!

Blok 1



§1.1 Stofvindingstechnieken.

- Op zoek naar informatie voor het schrijven van langere zakelijke teksten:

* uiteenzetting * betoog * beschouwing

- Bij het voorbereiden van:

* Presentatie * discussie * debat

- Bij het samenstellen van:

* documentatiemap * schrijfdossier * werkstuk



4 manieren om aan informatie te komen:

• brainstormen:

Telegramstijl opschrijven wat je te binnenschiet.

• vaste vragen stellen:



D.m.v. Vraagwoorden: Wie? Waar? Waarmee? Wat? Wanneer? Hoe? Welk(e)?Waarom?

• Media raadplegen:

Vaak heb je meer informatie nodig en kun je naar de bibliotheek gaan. Daar kun je gebruik maken van: encyclopedieën, woordenboeken, overzichtswerken, jaarboeken enz.

• Bronvermelding:

Zorg altijd voor een bronvermelding. Vb Tv-programma ‘Gezondheidszorg in NL’, NL 1,2 mei 1999

• Interviewen

Er zijn verschillende soorten interviewen. Je kunt op zoek zijn naar feitelijke informatie of naar iemands mening.



Een interview afnemen:

Daarvoor zijn de volgende punten van belang:

1) leg onderwerp kort uit

2) ben niet snel tevreden met een antwoord maar blijf doorvragen

3) is een antwoord niet duidelijk, vraag om uitleg

4) maak op de juiste manier gebruik van open en gesloten vragen



5) als je duidelijkheid wil hebben of de geïnterviewde uit zijn tent wil lokken kun je ook een suggestieve (gesloten vraag) stellen

6) geef de geïnterviewde niet de kans op een ander onderwerp over te stappen

7) geef tussentijds een korte samenvatting of conclusie van wat de geïnterviewde heeft gezegd

8) sluit het interview duidelijk af met een conclusie en bedankt de geïnterviewde voor zijn medewerking

• Uitwerking:

Werk het interview uit in goedlopende zinnen en bedenk de titel van je interview

• Enquêteren:

Bij een enquête gaat het over kwantitatieve of meetbare gegevens.

• Voorbereiding

1) verdiep je in het onderwerp

2) formuleer een duidelijke onderzoeksvraag

3) verduidelijk de begrippen van onderzoeksvraag

4) formuleer ook deelvragen m.b.v vraagwoorden als wanneer, welke enz.

5) stel duidelijke vragen met zo min mogelijk open vragen.

• Uitwerking:

1) Voeg vragenlijst toe

2) Vermeld hoe je de enquête hebt afgenomen + de plaats en datum van de afname

3) Geef resultaten

4) Wees voorzichtig met het trekken van conclusies



§1.2 Leesstrategieën.

Er zijn verschillende manieren om teksten te lezen:

1) Oriënterend lezen: om een 1e indruk te krijgen

2) Globaal lezen: de hoofdzaken uit de tekst halen

3) Intersief lezen: de tekst helemaal begrijpen

4) Kritisch lezen: de tekst beoordelen



§1.3.2 Een schrijf- of spreekplan maken.

Een schrijf- of spreekplan is een stap voor de kladversie en kun je ook gebruiken bij een spreekopdracht. Het kan er als volgt uitzien:

1) inleiding (voorbeeld) (probleemstelling)

2) verklaring 1

3) verklaring 2

4) verklaring 3

5) gevolgen (nadelen)

6) slot (afweging) (conclusie)



§3.4.3 Verslag.

Een verslag schrijf je over een gebeurtenis of activiteit en is gebaseerd op feiten: je wilt betrouwbare informatie geven.

• Een verslag schrijven:

Gebruik het volgende overzicht voor het schrijven van een verslag:

- inleiding:

Onderwerp, plaats en tijd.

Waarover gaat het?

Wie zijn erbij betrokken?

Waar en wanneer gebeurde het?

- middenstuk

Werkwijze, gang van zaken.

Hoe gebeurde het?

Wat waren de belangrijkste gebeurtenissen?

- slot

Resultaat.

Wat is het resultaat?

Hoe wordt erop gereageerd?

Eventueel: eigen mening.



§3.7 Zakelijke brief.

• Tekstdoel; bijzondere soorten

- informatief info geven

- persuasief overtuigen

- activerend overhalen tot handelen

Bijzondere zakelijke brieven:

1) een circulaire: gericht aan meer personen

2) sollicitatiebrief: je aanbieden voor een bepaalde functie altijd persuasief/activerend

3) ingezonden brief: in vaste rubriek in de krant



• Structuur, formele indeling en beoordeling:

1e alinea: aanleiding tot schrijven

uiteenzetten waarom je schrijft

2e alinea: volgende uitwerking

laatste alinea: afronding (wens, voorstel, verzoek, dank)

• formele indeling

Formele indeling en verzorging zijn bepalend voor een eerste indruk die de lezer van de schrijver krijgt. In het zakelijk briefverkeer maakt men gebruik van het Nederlandse en Amerikaanse briefmodel.

Indeling van het Amerikaans briefmodel:

1) naam + adres van de afzender

2) plaatsnaam en datum

3) naam en adres v.d geadresseerde

4) referentieregel(betreft)

5) aanhef

6a) inleiding

6b) middenstuk

6c) slot

6d) slotformule

7a) handtekening

7b) naam van ondertekenaar(eventuele functie)

8) bijlage(n)

• toelichting op de indeling:

- tegen linkerkantlijn plaatsen

- aan alle kanten voldoende onbeschreven ruimte overlaten

- tekst mooi gelijk verdelen

- scheid verschillende onderwerpen door regel overslaan

- bij langere brief laatste alinea op nieuw blad

- nooit op de achterkant schrijven

• toelichting op de vaste onderdelen:

1) Naam en adres van afzender

2) Plaatsnaam en datum

3) Naam en adres van geadresseerde

4) Referteregel

5) Aanhef

6) Inleiding, middenstuk en slot

7) Handtekening en naam van de ondertekenaar

8) Bijlage(n)

• Beoordeling

Beoordeel op de volgende punten:

- structuur

- formele indeling en verzorging

- inhoud en publiekgericht

• Sollicitatiebrief

Een sollicitatiebrief heeft het doel uitgenodigd te worden voor een gesprek. Je stuurt behalve sollicitatiebrief ook je curriculum vitae (persoonlijke gegevens) op. Voor een sollicitatiebrief gelden dezelfde regels als van de Amerikaanse briefindeling met 2 aanvullingen:

- als je je vacaturenummer moet vermelden, doe je dat in de referteregel

- het curriculum vitae stuur je als bijlage mee en eventuele kopieën van diploma’s



◦ Opbouw sollicitatiebrief

Algemeen structuurschema van een sollicitatiebrief.

1e alinea:

- Vermeld de aanleiding voor je sollicitatie, bijvoorbeeld een advertentie in de krant of een tip.

2e en volgende alinea’s (middenstuk):

- beschrijf waarom je op op de aangeboden baan solliciteert.

- Geef aan dat je voldoet aan de eisen die in de advertentie staan.

- Vermeld je ervaring, bijvoorbeeld vakantiewerk

Laatste alinea (slot):

- zeg dat je hoop dat je voldoende informatie hebt verstrekt.

- Geef aan dat je bereid bent de sollicitatiebrief in een gesprek toe te lichten

• Standaardzinnen:

In een sollicitatiebrief kun je gebruik maken van standaardzinnen in de inleiding, middenstuk en slot.

• Open sollicitatiebrief:

Dat is bijna hetzelfde als een gewone sollicitatiebrief alleen is de openingsalinea anders. Je vraagt of er wellicht vacatures zijn en of er een gesprek kan volgen naar de mogelijkheden die er zijn.

• Curriculum vitae:

Dat is een getypte lijst met een overzicht van je persoonlijke gegevens. Er staat informatie in over je persoonlijke gegevens, opleiding, ervaring en referenties.



§4.1 Alinea en kernzin.

• Alinea:

Begin tekst springt iets in, laatste drukregel wordt niet volgemaakt.

• kernzin:

Hoofdmededeling uit een alinea.

• Plaats van de kernzin:

- vaak eerste zin van een alinea

- soms voorafgegaan door een inleidende zin.(dan dus 2e zin)

- einde van de alinea: bevat samenvatting/conclusie

• Lastige kernzinnen:

Verspreid over de hele alinea, je moet zelf de kernzin maken



§4.2 Citeren, onderwerp, hoofdgedachte.

• Citeren:

Citeren bij lange zin: 2 eerste en laatste woorden van de zin opschrijven. Vb. ‘Het is……gelopen is.’(r. 2-4)

• Onderwerp:

Dat is meestal 1 woord maar soms ook meerdere woorden.

• Hoofdgedachte:

Bestaat uit 1 zin die je onder woorden moet proberen te brengen.



§8.1 De presentatie.

• Een presentatie houden:

Als voorbereiding van een presentatie moet je het stappenplan volgen. Je kunt kiezen voor een: uiteenzetting, betoog of beschouwing.

Gebruik voor je presentatie de volgende aanwijzingen:

1) Zorg voor een duidelijke indeling in inleiding, middenstuk en slot

2) Zorg voor voldoende interesse van je klasgenoten, let op de volgende punten:

- licht feiten toe met voorbeelden

- motiveer je mening met argumenten

- vertel hoe je aan je informatie komt

3) verduidelijk de inhoud met illustratiemateriaal (dia’s videofragmenten enz.). Maar geef geen materiaal door.

4) Let goed op je taalgebruik en je stem:

- spreek duidelijk

- zorg voor goede zinsbouw en gevarieerde woordkeus

- praat rustig

- varieer je stemtoon (niet eentonig praten)

5) Zorg voor een goede houding

- kijk de mensen aan tegen wie je praat maar niet gehele tijd naar dezelfde persoon

- sta of zit rechtop

- verduidelijk wat je vertelt met gebaren

- als je merkt dat iets niet duidelijk is, leg het alsnog uit

- reageer aandachtig op vragen achteraf



§9.1 Inleiding.

Taalgebruikers maken fouten, iedereen gebruikt wel eens een verkeerd woord of uitdrukking. Bij stijlfouten zijn zinnen minder goed leesbaar en dus niet correct.



§9.1 Verkeerd woord/verkeerde uitdrukking.

Wanneer je een woord niet helemaal goed kent bestaat er de kans dat je het verkeer gebruikt. Bij twijfel moet je dus een woordenboek gebruiken.



Proeftoets.

1) B

2) Door de 1e en laatste 2 woorden van de zin op te schrijven + regelnummers.

3) Encyclopedie en krant

4) C

5) A

6)

– circulaire

– sollicitatiebrief

– ingezonden brief

7) Dat vertel je in het slot

8) Kinderen lezen zelden

9a) ‘Kinderen van …… een boek.’(r.1)

9b) nee want scholen moeten zich bezig houden met lezen

10)hoofdgedachte

11) titel

12) Machinefabriek Boskoop

Afdeling Verkoop

T.a.v. de heer P. Kien

Industrieweg 12

2771 BP BOSKOOP



13a) voorstel

b) schitterend

c) grote rampen

d) levenskracht

e) 5 jarig bestaan



14a) blijkbaar

B) lampje

C) mits

D) dan

E) reden



Opdracht 21.



In de wereld is er veel verschil tussen arme en rijke landen. Maar heel veel mensen zeggen bij arme landen al snel: “Daar wil ik niet naartoe.” Daar hebben ze meestal niet goed over nagedacht. Je moet daar niet alleen naar kijken, maar ook naar de voordelen. Zo kun je pas echt beslissen of je in een land zou willen wonen.



Irak

Ik zou niet in Irak willen wonen. Als je nu daar naar toe zou gaan en er zitten soldaten van je eigen land in Irak dan loop je grote kans opgepakt te worden. Dat lijkt me niet zo’n fijn idee.



Israël

Ik zou niet in Israël willen wonen want daar is altijd wel ellende. Je leest altijd wel weer in de krant hoeveel doden er zijn gevallen. Zo ook in het krantenartikel dat wij hebben uitgezocht. En dat is gewoon heel erg.



Pakistan

In Pakistan zou ik niet willen wonen want Pakistan leeft op het randje van oorlog tegen India. De taliban zit daar waarschijnlijk ook ergens zoals je in het krantenartikel kunt lezen. Allemaal redenen om daar niet te gaan wonen.



Turkije

Turkije is een land dat niet heel erg rijk is. Het is een echt handelsvolk en ik vind dat er nog te veel verschil is tussen man en vrouw. Maar desondanks zou ik er best wel willen wonen. Ze hebben er een goed klimaat en zijn heel gastvrij.



Griekenland

Griekenland is ook best wel een arm land. De bevolking is heel rustig en dat trekt mij wel aan. Verder is het klimaat ook heel goed en er gebeurd natuurlijk ook wel eens een ongeluk maar dat heb je in elk land wel. Het eten is er ook heel erg lekker.



Ik ga liever niet naar de landen waar oorlog of gedoe is. Maar Griekenland lijkt me een heel leuk land om in te wonen en Turkije misschien ook wel. Ook al zijn die landen niet echt rijk maar dat maakt mij niet zo heel veel uit.



Blok 2



§3.2 Tekstsoorten.

Een zakelijk tekst kunnen we op grond van tekstdoel onderbrengen bij 3 tekstsoorten: infomatief, persuasief of activerend.

• Informatieve teksten

Die hebben tot doel informatie te geven. Ze bevatten hoofdzakelijk controleerbare beiten en zijn objectief.

• Persuasieve teksten

Die bevatten feiten, maar leggen daarnaast nadruk op de mening van de schrijver. Ze zijn subjectief maar kunnen ook veel informatie geven over problemen die worden behandeld.

• Activerende teksten

Die bevat de mening van de schrijver. Hoofddoel is de lezer aan te zetten tot actie en zijn dus subjectief.



§3.4 Informatieve tekstvormen.

• Bericht

In een bericht wordt op zakelijk wijze mededelingen gedaan over iets wat pas is gebeurd. Het doel van een bericht is informatie geven. Een bericht bevat controleerbare feiten, die nuchter en zakelijk worden opgesomd. De mening van de schrijver doet niet ten zake en het begint vaak met een lead (korte samenvatting).

• Verslag

In een verslag schrijf je over een gebeurtenis of een activiteit, je beschrijft wat je ziet en hoort. Een verslag is gebaseerd op feiten en je laat je mening weg. Als je wel een mening geeft moet je dat aangeven.

Een verslag kun je schrijven m.b.v. het volgende overzicht:



Onderwerp, plaats en tijd.

Waarover gaat het?

Wie zijn erbij betrokken?

Waar en wanneer gebeurde het?

Werkwijze, gang van zaken.

Hoe gebeurde het?

Wat waren de belangrijkste gebeurtenissen?

Resultaat.

Wat is het resultaat?

Hoe wordt erop gereageerd?

Eventueel: eigen mening

• Uiteenzetting

Een uiteenzetting geeft niet alleen informatie, maar legt ook iets uit. Er is geen plaats voor een mening. Als schrijver gaat het in eerste plaats om dat anderen iets begrijpen.

Bij een spreekbeurt of presentatie is er ook vaak sprake van een uiteenzetting.



§4.3.2 De inleiding.

De inleiding heeft 5 functies:

1) de belangstelling van de lezer of luisteraar wekken.

2) Het onderwerp introduceren en/of de hoofdgedachte naar voren brengen.

3) Aankondigen hoe de tekst is opgebouwd.

4) De aanleiding voor het schrijven van de tekst noemen

5) De lezer of luisteraar welwillend stemmen



§4.3.3 Een ‘pakkende’ inleiding schrijven.

De volgende tips kunnen helpen om een pakkende inleiding op te bouwen:

1) Begin met een of meer directe vragen

2) Begin met een uitspraak in de vorm van een stelling, gevolgd door een vraag. Die vraag geeft dan het hoofdonderwerp van de tekst aan.

3) Begin met een retorische vraag: een vraag waarop je geen antwoord verwacht. In feite is het een mededeling in vraagvorm

4) Begin met een verrassende, uitdagende, shockerende of sarcastische openingszin. Gebruik daarvoor stijlmiddelen als overdrijving, ironie en sarcasme.

5) Vertel een korte anekdote.

6) Stel het probleem meteen aan de orde

7) Noem de aanleiding tot het schrijven van je tekst.



§5.2.1 Tegenstellend verband.

Een tegenstellend verband kun je herkennen aan de woorden:

Doch, echter, integendeel, daar staat tegenover, enerzijde… anderzijds enz.



§5.2.2 Opsommend verband.

Een opsommend verband kun je herkennen aan de woorden: alleen…maar ook, verder, nog, daarnaast, zowel…als…, ten eerste…ten tweede… enz.



§6.2 Objectieve en subjectieve argumenten

In een betoog wordt een stelling bewezen door argumenten. Argumenten kun je in 2 hoofdgroepen indelen:

• Objectieve argumenten

Om een mening of stelling te bewijzen, kun je het beste gebruikt maken van feiten. Feiten zijn controleerbaar en objectief. We noemen dit: argumenten op basis van feiten. Een objectief argument noemen we meestal een bewijs.

• Subjectieve argumenten.

Alle andere argumenten zijn subjectief, van de argumenten is de juistheid niet nauwkeurig onderzocht. We noemen dit: argumenten op basis van geloof.



§8.2 De discussie.

Onder discussie verstaan we een doelgericht gesprek, dat aan bepaalde regels is verbonden. Een discussie waarin je je eigen mening geeft, verhelderd of bijstelt op basis van eigen gedachten en meningen van anderen, heet meningvormend. Een discussie die tot een oplossing, een concreet besluit of een actieplan leidt, noemen we probleemoplossend of besluitvormend. Een discussie legt nadruk op samenwerken. Dus je moet ruzietoon vermijden, luisteren naar andere en je nooit mee laten slepen door emoties; alleen argumenten tellen.

• Vier fasen

1) Het onderwerp en het probleem worden geïntroduceerd.

2) Iedereen laat om de beurt zijn standpunt horen. Op die standpunten wordt nog niet gereageerd.

3) De discussie begint, iedere deelnemer onderbouwt zijn eigen mening met argumenten. Meningen worden verdedigd en aangevallen. Op het eind van deze fase weet iedere deelnemer hoe de deelnemers over het onderwerp denken

4) Tot slot wordt bekeken of er een gemeenschappelijk standpunt te formuleren is, of een oplossing bedenken is.

Het hoeft niet zo te lopen want soms is het onmogelijk om tot een gemeenschappelijk standpunt te komen. Dan is er sprake van een dilemma.

• Forumdiscussie

Op school kun je ook een discussie voeren.

- Voorwaarden: een discussieonderwerp moet open zijn en aansluiten bij de interesses van de deelnemers.

- Taakverdeling: je hebt max. 6 personen inclusief voorzitter. De voorzitter zorgt voor goed verloop:

1) Het introduceert het onderwerp.

2) Zorgt dat iedere deelnemer om de beurt zijn standpunt naar voren kan brengen.

3) Zorgt dat iedereen aan de beurt komt en remt/stimuleert juist.

4) Vat de resultaten samen en sluit af.

• Een forumdiscussie houden

Probeer bij de beoordeling van een forumdiscussie objectief te zijn.



§10.3 Zelfstandige naamwoorden in het meervoud.

Overzicht van moeilijke gevallen:

1) - Woorden op een a, i, o, u of y schrijven we in het meervoud met ’s.

- We schrijven de s aan het woord vast wanneer verkeerd lezen is uitgesloten.

- Dat geldt ook voor woorden met een klinker voor de y.

- Afkortingen schrijven we met ‘s.

2) - De klemtoon valt niet op de laatste lettergreep. Dan schrijven we het meervoud met een n en zetten we op de e een trema. De beklemtoonde lettergreep is schuin gedrukt.

De klemtoon val wel op de laatste lettergreep. Dan voegen we ën toe.

- Eenlettergrepige woorden zijn beklemtoond, dus voegen we ën toe.

- Woorden op ee krijgen ook de meervoudsuitgang ën.

3) - In veel gevallen verdubbelen we de medeklinker in het meervoud.

- Bij woorden met een onbeklemtoonde slotlettergreep verdubbelen we niet. Dit zijn woorden met uitgang ik es of et.

4) - In het meervoud verandert de f meestal in een v en de s in een z.

- Op deze regel zijn uitzonderingen.

- Een klein aantal woorden mag met een s of een z worden geschreven.



§10.4 Verkleinwoorden.

Overzicht van verkleinwoorden:

1) – We verdubbelen de klinker bij a, é, o en u; i wordt ie.

2) - Bij woorden op y (met medeklinker ervoor) en bij afkortingen en letters schrijven we een apostrof.



§10.5 Samenstellingen met de tussenletter (e)n.

De 2 hoofdregels van een samenstelling:

1) Schrijf (e)n bij samenstellingen waarvan het eerste deel uitsluitend een meervoud op (e)n heeft.

2) Schrijf en bij woorden die niet op een e eindigen en die ook een meervoud hebben op en.

In de volgende 3 gevallen schrijf je geen (e)n:

- het eerste deel heeft geen meervoud

- het eerste deel heeft alleen meervoud op s

- het eerste deel van de samenstelling heeft wel een dubbel meervoud maar eindigt op e

• Uitzonderingsregels

Het volgende overzicht geeft aan wanneer je e schrijft in samenstellingen.

1) het eerste deel van de samenstelling noemt een persoon of zaak waar er maar één van is

2) het eerste deel is een bijvoeglijk naamwoord

3) het eerste deel is een dierennaam; het tweede deel is een plantkundige aanduiding

4) het eerste deel is een werkwoordsvorm

5) het woord is niet meer herkenbaar als samenstelling of het is van oorsprong geen samenstelling

Bij samengestelde bijvoeglijke naamwoorden schrijf je ook alleen maar e als het eerste deel een versterkende betekenis heeft.



§10.6 Samenstellingen met tussenletter s.

Een overzicht van samenstellingen met s:

1) We schrijven een s in samenstellingen waar je deze s hoort.

2) Bij samenstellingen waarvan het tweede deel met een sisklank begint, kun je de s niet horen. Vorm in dat geval een soortgelijke samenstelling met een ander tweede deel dat niet met een sisklank begint.



§10.7 Bijvoeglijke naamwoorden.

Een bijvoeglijk naamwoord staat meestal direct voor een zelfstandig naamwoord. Er zijn verschillende soorten bijvoeglijke naamwoorden:

1) Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden schrijven we meestal met (e)n.

2) - Bijvoeglijke naamwoorden die zijn afgeleid van een voltooid deelwoord. Schrijven we meestal met één medeklinker.

- Soms moet de medeklinker verdubbeld worden.

- Sommige woorden zijn afgeleid van een voltooid deelwoord dat op en eindigt.

3) Na het woord te schrijven we het hele werkwoord.



§11 Interpunctie.

• De functie van leestekens

Leestekens hebben 2 functies: het verduidelijken van het verband tussen de delen van een zin en ze voorkomen verkeerd lezen. En het maakt een verzorgder indruk.

• De punt, het vraagteken en uitroepteken

- We zetten een punt aan het einde van een zin.

- Er komt geen punt, als de zin eindigt met een vraagteken, uitroepteken of afkorting

- Na een vraag zetten we een vraagteken

- Na een uitroep, wens, waarschuwing, aansporing of bevel zetten we een uitroepteken.

- Het is niet nodig om meer vraag- of uitroeptekens te plaatsen.

• De komma

- We zetten komma’s tussen de delen van een opsomming

- We schrijven een komma achter en/of voor een aangesproken persoon en tussenwerpsels.

- Voor en achter een bijstelling (zinsdeel dat nog eens wordt genoemd maar dan anders) staat een komma.

- Voor een aantal voegwoorden die twee ‘aparte’ mededelingen met elkaar verbinden, staat een komma.

- Tussen twee werkwoorden uit verschillende gezegdes schrijven we een komma.

- We schrijven een komma na een beperkende of uitbreidende bijvoeglijke bijzin en vóór een uitbreidende bijzin, omdat deze extra informatie verstrekt.

- Voor en na tussengeschoven woorden staat een komma

- We gebruiken een komma om verkeerd lezen te voorkomen

• De puntkomma

- We zetten een puntkomma tussen 2 zinnen of mededelingen die nauw met elkaar samenhangen. In de 2e zin staat een woord dat het bijzondere verband tussen zinnen aangeeft.

- In lange(re) opsommingen is een puntkomma soms duidelijker dan een komma.

• De dubbele punt

- We zetten een dubbele punt bij directe rede.

- Vóór een uitwerking, opsomming of verklaring staat een dubbele punt.

• Aanhalingstekens

- Aanhalingstekens gebruiken we bij directe rede. Je kunt ‘..’ gebruiken. De komma verbalt na een vraagteken of uitroepteken. En bij gedachten en wensen zetten we geen aanhalingstekens.

- We zetten aanhalingstekens wanneer we willen aangeven dat de gebruikte woorden van een ander zijn.

- Titels van boeken, films, programma’s enz. staan tussen aanhalingstekens.

- Bij ironie, bijzonder gebruik of een zelfnoemfunctie zetten we aanhalingstekens.



Proeftoets:

1) Een bericht is een mededeling over iets wat is gebeurd en een verslag is een beschrijving van wat je ziet en hoort.

2) Opsommend verband: tevens, en, ten tweede, ook.

Tegenstellend verband: toch, daarentegen, maar, echter.

3) Ik vind….. of Ik ben van mening….

4) Bij reclame

5) Meningvormende en probleemoplossende discussie

6) De deelnemers bedenken een oplossing

7) Met ‘s

8) Als de zin met een vraagteken, uitroepteken of afkorting eindigt

9) Tekst 6: verslag

Tekst 7: bericht

10) Tekst 6: Wimbledon-kamioen verliest US-Open

Tekst 7: Goudse turnsters worden vierde bij plaatsingswedstrijden voor het NK

11) Ook en zowel = opsommend verband

12) Zowel Van Vugt…. Nationale ronde (r. 4 t/m 7)

13) Poriën, vakanties, fotografen, hobby’s, lemmeten, accu’s, ski’s, fresia’s, kroketten

14) Groentesoep, armelui, begegoed, ruggspraak, kattebelletje, huilebalk, Onze-Lieve-Vrouwekerk, geboortecijfer, krantenartikel, stationschef

15) De gebarsten beker, het gelande vliegtuig, de gezouten vis, de vergrote afbeeldingen, de uitgeputte wielrenners

16) – Jan de nieuwe vriend van mijn zus, rijdt in een Porsche.

- hij komt haar ophalen, als zij gaan tennissen.

- Laatst vroeg hij ook aan mij: ‘Heb je zin om mee te rijden naar de sportvelden?’



• Opdracht 25



Overwinning MA1 Heeze!

Zaterdag 20 oktober om 14:30 uur speelden de meisjes A1 van hockeyclub Heeze thuis tegen de MA1 van Mep. Heeze had al een keer uit gespeeld tegen Mep en met 2-1 verloren. Vandaag waren ze thuis van plan Mep terug te pakken.

In het begin van de wedstrijd scoorde Mep al heel snel de 0-1. Heeze schrok wel van dat doelpunt en ging feller hockeyen. Door beter spel van Heeze werd het aan het einde van de 1e helft 1-1. In de pauze kreeg Heeze nog wat goede tips van hun coach, die vond dat ze dit makkelijk konden winnen. Vol goede moed ging Heeze de 2e helft in. Het ging het super goed, Mep kwam er niet meer aan te pas. Het werd dan ook snel 2-1. De rest van de wedstrijd bleef Heeze beter en scoorde nog 2 doelpunten.

Het eindresultaat was 4-1 voor Heeze. Dit resultaat zorgt ervoor dat Heeze op de 2e plaats blijft staan in het klassement en Mep naar de 4e plaats zakt. De tegenstanders (Mep) waren hier niet al te blij mee en ze gaven de scheidrechters de schuld. Heeze was daarentegen heel blij met de overwinning.



Blok 3



Pg. 3.2 Tekstsoorten



• Informatieve teksten

o Informatie verschaffen

o Controleerbare feiten

o Objectief

o Mening van schrijver komt niet naar voren

• Persuasieve teksten

o Feiten en mening van schrijver

o Subjectief

• Activerende teksten

o Mening van schrijver komt naar voren

o Lezer tot actie aanzetten

o Subjectief



Pg. 3.4 Informatieve tekstvormen



Pg. 3.4.4 Uiteenzetting

In een uiteenzetting geef je niet alleen informatie, maar leg je ook iets uit. Een uiteenzetting is objectief. Er is geen plaats voor je eigen mening. Het gaat het er als schrijver van een uiteenzetting om dat je het begrijpt. In een uiteenzetting zoals je die vindt in verklarende woordenboeken, schoolboeken, enz. komt de mening van de schrijver niet naar voren, omdat hij je iets wil leren.



Pg. 4.3 Hoofdstructuur



Pg. 4.3.1 Drie delen

Een zakelijke tekst bestaat uit drie delen:

• De inleiding: belangstelling wekken

• Het middenstuk: informeren

• Het slot: activeren



Pg. 4.3.4 Het middenstuk

In het middenstuk wordt het onderwerp echt behandeld. De hoofdgedachte of hoofdmededeling wordt uitgewerkt in een aantal deelonderwerpen. Meestal in een aparte alinea maar soms ook in meerdere alinea’s per deelonderwerp.



Pg. 4.3.5 Het slot

Het slot heeft tot doel de testen af te ronden. Dat kan op twee manieren:

• Korte samenvatting

• Conclusie



Pg. 4.4 Samenvatting



De opbouw van een zakelijke tekst kan als volgt in een schema worden ondergebracht:

Inleiding: Belangstelling wekken alinea 1

Onderwerp introduceren

Hoofdgedachte formuleren

Hoofdvraag stellen

Opbouw aankondigen

Aanleiding noemen

Welwillend stemmen

Middenstuk: Eerste deelonderwerp alinea 2

Tweede deelonderwerp: bewering alinea 3

Tweede deelonderwerp: toelichting alinea 4

Derde deelonderwerp: bewering alinea 5

Derde deelonderwerp: toelichting alinea 6

Derde deelonderwerp: voorbeeld 1 alinea 7

Derde deelonderwerp: voorbeeld 2 alinea 8

Vierde deelonderwerp alinea 9

Slot: Samenvatting of conclusie alinea 10



Pg. 5.2 Soorten verbanden



Pg. 5.2.3 Oorzakelijk verband en redengevend verband

De volgende signaalwoorden geven een redengevend verband aan:

Daarom, omdat, want, immers

De volgende signaalwoorden geven een oorzakelijk verband aan:

Doordat, daardoor, zodat, waardoor, ten gevolge van



Pg. 5.2.4 Uitleggende verband

De volgende signaalwoorden geven een uitleggend verband aan:

Dat wil zeggen, zo, met andere woorden, bijvoorbeeld, ter illustratie



Pg. 5.4 Samenhang en structuur



Pg. 5.4.1 Voordelen-en-nadelenstructuur

Maakt de schrijver zelf geen keuze, dan heb je te maken met een uiteenzetting of een beschouwing. Als de schrijver duidelijk een keuze maakt, de voor- en nadelen tegen elkaar afweegt en een conclusie trekt, dan is er sprake van een betoog.

• Inleiding: beschrijving van een verschijnsel of een ontwikkeling met

positieve en negatieve kanten.

• Middenstuk: overzicht van voor- en nadelen.

• Slot: conclusie / samenvatting.



Pg. 5.4.2 Vroeger-en-nu-structuur of vroeger-nu-toekomststructuur

In teksten met deze structuur gaat het altijd om ontwikkeling. In de inleiding wordt verteld om welk verschijnsel het gaat. In het middengedeelte wordt beschreven wat er in de loop van de tijd veranderd is, of er wordt beschreven wat al is veranderd en wat er nog zal veranderen. Het slot bevat vaak een samenvatting of een aanbeveling. De hoofdvraag is: wat is veranderd? Als het alleen om een beschrijving gaat, heb je te maken van een uiteenzetting. Kun je er op verschillende manieren tegenaan kijken dan heb je te maken met een beschouwing. Als de schrijver duidelijk een eigen standpunt kiest heb je te maken met een betoog.



Pg. 5.4.3 Probleem-en-oplossingstructuur

Deze tekst is meestal een betoog. In de inleiding wordt het probleem beschreven, in het middenstuk de oplossing en in het slotgedeelte hoe je het oplost. De hoofdvraag is: op welke manieren kan het probleem worden opgelost? Als de schrijver alleen mogelijke oplossingen geef, heb je te maken met een uiteenzetting of een beschouwing. Geef de schrijver ook de beste oplossing dan is het een betoog.



Pg. 5.4.4 Verschijnsel-en-verklaringstructuur

In de inleiding staat een bepaald verschijnsel, in het middenstuk staat een mogelijke verklaring en het slot bevat een samenvatting of een aanbeveling. De hoofdvraag is: welke verklaringen zijn er voor dit verschijnsel te geven. Als de schrijver alleen opsomt, heb je te maken met een uiteenzetting of een beschouwing. Kies de schrijver duidelijk voor een verklaring of geeft hij een oplossing, dan is het een betoog.



Pg. 5.4.5 Bewering-en-argumentstructuur

In de inleiding staat een bewering, in het middenstuk geeft hij hiervoor allerlei argumenten en in het slot trekt hij een conclusie. De hoofdvraag is: waarom is … waar? Deze tekst is altijd een betoog.



Pg. 5.4.6 Verschijnsel-en-besprekingstructuur

In de inleiding staat een verschijnsel, in het middenstuk onderscheidt en beschrijft hij aspecten van dit verschijnsel en in het slot staat een samenvatting. Het is vrij wel altijd een uiteenzetting of beschouwing.



Pg. 6.9 Bijzonder taalgebruik en stijlmiddelen



Stijlmiddelen zijn taalmiddelen waarmee je iets op een meer persoonlijke manier kunt zeggen. Je kunt ze ook gebruiken om iemand te beïnvloeden.



Pg. 6.9.1 Woorden met een bepaalde gevoelswaarde

Woorden die eenzelfde voorwerp aanduiden, hebben toch een net iets andere betekenis. Je gebruikt woorden die en negatieve of positieve gevoelswaarde hebben. Ook bijzonder deftige of ouderwetse woorden (archaïsmen) hebben vaak een bijzondere gevoelswaarde.



Pg. 6.9.2 Beeldspraak

Je maakt gebruik van beelden die een treffende overeenkomst hebben met iets of iemand. Op die manier kun je je eigen gevoelens of opvattingen een persoonlijk tintje geven. We onderscheiden vier gevallen:

• Vergelijking

• Metafoor

• Personificatie

• Metonymia



Pg. 6.9.3 Tautologie

Om iets te benadrukken zeg je twee keer hetzelfde met verschillende woorden. Deze woorden behoren tot dezelfde woordsoort.



Pg. 6.9.4 Pleonasme

Door middel van een bijvoeglijk naamwoord herhaal je een eigenschap die al in het zelfstandig naamwoord zit.



Pg. 6.9.5 Antithese

Een antithese is een tegenstelling. Door woorden met een tegenstellende betekenis tegenover elkaar te plaatsen vallen ze meer op.



Pg. 6.9.6 Paradox

Een paradox is een schijnbare tegenstelling. Als je er goed over nadenkt, zijn de schijnbaar tegenstellende begrippen heel goed te combineren.



Pg. 6.9.7 Hyperbool

Een hyperbool is een overdrijving. De hyperbool kan een effectief stijlmiddel zijn, maar kan een bewering ook ongeloofwaardig maken.



Pg. 6.9.8 Understatement

Een understatement is een afzwakking, dus het tegenovergestelde van een hyperbool. Door iets af te zwakken, valt het juist meer op. Soms is de zin spottend bedoeld.



Pg. 6.9.9 Eufemisme

Door middel van een eufemisme wordt iets wat minder aangenaam of netjes is op een verzachtende manier onder woorden gebracht. In tegenstelling tot een understatement is een eufemisme nooit spottend bedoeld.



Pg. 6.9.10 Woordspeling

Een woord of uitdrukking heeft meer dan een betekenis. Woordspelingen verhogen vaak het lees- of luisterplezier.



Pg. 6.9.11 Spelen met klanken

Om een tekst mooier te laten klinken en zo beter te laten onthouden wordt, vooral in reclame, veelvuldig met klanken gespeeld.



Pg. 6.9.12 Retorische vraag

De schrijver maakt een bewering sterker door deze als vraag te stellen.



Pg. 6.9.13 Jargon

Sommige schrijvers of sprekers gebruiken jargon of vaktaal om de indruk te wekken dat ze veel van het onderwerp afweten.

Pg. 6.9.14 Ironie

Ironie is een vorm van spot. Een bekende vorm van ironisch taalgebruik is het omgekeerde zeggen van wat wordt bedoeld. Soms wil de schrijver de lezer duidelijk maken dat hij iets ironisch bedoelt. Hij plaatst dan een woord tussen aanhalingstekens.



Pg. 9.3 Foutieve tautologie; foutieve pleonasme; woord te veel; dubbele ontkenning



Foutieve tautologie

We spreken van een tautologie wanneer binnen een zin een bepaald begrip twee

keer wordt uitgedrukt, zonder dat het een functie heeft.



Foutieve pleonasme

Wanneer een gedeelte van en begrip dat al zit opgesloten in een ander woord, nog

eens wordt genoemd zonder dat het een functie heeft, spreken we van een

pleonasme.



Woord te veel

Vaak komt het voor dat er te veel woorden in een zin staan, doordat hetzelfde woord wordt herhaald.



Dubbele ontkenning

Een dubbele ontkenning is eigenlijk een bevestiging. Wie een dubbele ontkenning gebruikt, zegt eigenlijk het tegenovergestelde van wat hij bedoelt.



Pg. 9.4 Woord te weinig; woord op verkeerde plaats



Soms wordt er ten onrechte een woord weggelaten of kan een woord beter op een andere plaats in de zin staan.



Pg. 9.5 Contaminatie



Twee woorden of uitdrukkingen met eenzelfde betekenis kunnen door elkaar worden opgehaald. Zo’n foutieve woordvervlechting heet een contaminatie.



Blok 4



Pg. 2.1 Vier soorten beslissingen



Je spreek- of schrijftekst moet altijd op je publiek zijn afgestemd, publiekgericht zijn. Je neemt vier beslissingen:

• Schrijfdoel

• Publiek

• Onderwerp

• Tekstvorm



Pg. 2.2 Soorten publiek



We kunnen drie soorten publiek onderscheiden:

• Een bepaalde lezer of luisteraar:

o Iemand die je kent, bijvoorbeeld je correspondentievriendin

o Iemand die je niet kent, bijvoorbeeld een wethouder

• Een groep lezers of luisteraars met duidelijke kenmerken

• Een groep lezers of luisteraars met vage kenmerken



Pg. 2.3 Teksteigenschappen



De volgende teksteigenschappen moeten de lezers of luisteraars aanspreken:

• De inhoud

• Het taalgebruik

• De opbouw en de presentatie

• De dosering van de informatie

• De toon en de gebruiksomgeving / situatie



Pg. 2.4 Publiek en inhoud



• Niveau

o Het niveau moet geschikt zijn voor de bepaalde doelgroep

• Aantrekkelijkheid

o De schrijver moet iets nieuws vertellen of op een nieuwe manier over een onderwerp schrijven.

• Betrouwbaarheid

o De lezer of luisteraar moet de indruk hebben dat de tekst betrouwbaar is.



Pg. 2.5 Publiek en taalgebruik



• Woordkeus

• Zinsopbouw

• Figuurlijk taalgebruik

• Ingewikkelde, abstracte formuleringen



Pg. 2.6 Publiek en opbouw / presentatie



• Overzichtelijke opbouw

• Aantrekkelijke presentatie

• Bijzondere presentatie

• Opvallen

• Spreken



Pg. 2.7 Publiek en de dosering van informatie



Nieuwe nieuwsfeiten moeten gedoseerd zijn en aansluiten bij de voorkennis van de lezer over het onderwerp. Als je te veel informatie kort na elkaar aanbiedt, maakt dit je tekst moeilijker.



Pg. 2.8 Publiek, toon en gebruiksomgeving / situatie



• Relatie met de lezer of toehoorder

• Tekstvorm

• Publicatieplaats

• Tekstdoel en situatie



Pg. 2.9 Checklist publiekgerichtheid



• Taalgebruik

o Veel moeilijke woorden? – voor een geselecteerd, ontwikkeld publiek

o Veel (te) eenvoudige woorden? – voor een algemeen publiek van wie de schrijver geen hoge dunk heeft.

o Veel vaktaal (zonder nadere uitleg)? – voor een publiek van ingewijden, kenners

o Lange zinnen? – niet voor een algemeen publiek

o Ingewikkelde zinsopbouw? – niet voor een algemeen publiek

o Veel figuurlijk taalgebruik? – niet voor een algemeen publiek

• Inhoud

o Goede, duidelijke inleiding?

o Duidelijke probleem- of vraagstelling?

o Informatie goed over de delen verdeeld?

o Voldoende nieuwswaarde?

o Meningen goed beargumenteerd?

o Feiten controleerbaar gemaakt?

• Presentatie

o Duidelijke alinea’s?

o Voldoende pauzes?

o Duidelijke opbouw in inleiding, middenstuk en slot?

o Tussenkopjes aanwezig?

o Goede illustraties?

o Duidelijke typografie?

o Goed verstaanbaar?

o Oogcontact met publiek?

• Toon

o Persoonlijk of zakelijk?

o Formeel of informeel?

o Populair of ‘gewoon’?



Pg. 3.1 Tekstdoelen



We onderscheiden de volgende tekstendoelen:

• Informeren

• Overtuigen

• Beschouwen

• Activeren

• Amuseren

Dit heeft betrekking tot zakelijke teksten.



Pg. 5.1 Verbanden



De alinea’s van het middenstuk van een tekst staan uiteraard niet zo maar los onder elkaar. Tussen die alinea’s bestaat een bepaald verband. De verbanden tussen alinea’s kunnen op vier manieren worden aangegeven.

• Herhaling

• Overgangszinnen

• Signaalwoorden

• Aankondigende zinnen



Pg. 5.2 Soorten verbanden



Pg. 5.2.5 Concluderend en samenvattend verband

De volgende signaalwoorden geven een concluderend of samenvattend verband aan: Dus, kortom, concluderend, samenvattend, alles bij elkaar.



Pg. 5.2.6 Voorwaardelijk verband

De volgende signaalwoorden geven een voorwaardelijk verband aan:

Op voorwaarde dat, mits, wanneer, indien, tenzij, in het geval dat.



Pg. 5.2.7 Vergelijkend verband

De volgende signaalwoorden geven een vergelijkend verband:

Net als, vergeleken met, zoals, hetzelfde, eenzelfde geval.



Soms worden ook de volgende verbanden onderscheiden:

• Toelichtend verband

• Argumenterend verband

• Verklarend verband



Deze verbanden worden echter niet altijd duidelijk met signaalwoorden aangegeven, maar veel meer met woordengroep als:

• Ter toelichting kan dienen…;

• Daarvoor kunnen de volgende argumenten worden genoemd:…;

• Een verklaring daarvoor is…



Pg. 5.5 Samenvattend schema



Structuur Hoofdvraag Middenstuk Tekstvorm

Voordelen- en- nadelenstructuur Wat zijn de voor- en nadelen? • voor- en nadelen

• voor- en nadelen en eigen standpunt Uiteenzetting of beschouwing

Betoog

Vroeger-en-nu-structuur Wat is er veranderd? • alleen verandering

• ook eigen standpunt over de veranderingen Uiteenzetting of beschouwing

Betoog

Probleem-en-verklaringstructuur Op welke manier(en) kan het probleem worden opgelost? • alleen oplossingen

• ook eigen keuze van oplossing Uiteenzetting of beschouwing

Betoog

Verschijnsel-en-verklaringstructuur Welke verklaringen zijn er voor dit verschijnsel te geven? • alleen verklaringen

• ook oplossing of andere keuze Betoog



Bewering-en-argumentenstructuur Waarom is … waar? • argumenten Betoog

Verschijnsel-en-besprekinstructuur Welke aspecten kent dit verschijnsel • bespreking van de verschillende aspecten

Uiteenzetting of beschouwing



Pg. 5.6 Structuren voor schrijven en spreken



Tekststructuren

Structuur

1 voordelen-en-nadelenstructuur Kenmerken

Onderwerp: Verschijnsel met positieve en negatieve kanten.

Vraag: Welke positieve en negatieve kanten zitten eraan?

Uitwerking: Behandeling positieve en negatieve kanten. Voorbeeld

Video in de les.

Welke voor- en nadelen heeft videogebruik?

• Voordeel 1

• Voordeel 2 enz.

• Nadeel 1

• Nadeel 2 enz.

• Afweging (slot)

2 vroeger-en-nu-structuur Onderwerp: Gegeven dat verandert in de tijd.

Vraag: Wat is er in de tijd veranderd?

Uitwerking: Beschrijving ontwikkeling in de tijd. Mode

Hoe is de mode sinds 1900 veranderd?

• Mode periode 1

• Mode periode 2

• Mode periode 3 enz.

• Samenvatting / conclusie (slot)

3 probleem- en- oplossingstructuur Onderwerp: Probleem dat om een oplossing vraagt.

Vraag: Op welke manier(en) kunnen we het probleem oplossen?

Uitwerking: Beschrijving van mogelijke oplossingen. Geweld op school.

Wat kunnen we tegen geweld op school doen?

• Oplossing 1

• Oplossing 2 enz.

• Afweging / conclusie (slot)

4 verschijnsel-en-argumentenstructuur Onderwerp: Verschijnsel dat verklaard moet worden.

Vraag: Welke verklaringen zijn er voor dit verschijnsel?

Uitwerking: Opsomming van mogelijke verklaringen. Afnemende belangstelling van jongeren voor politiek.

Hoe is deze afnemende belangstelling te verklaren?

• Verklaring 1

• Verklaring 2 enz.

• Oplossing 1 enz.

• Conclusie (slot)

5 bewering-en-argumentenstructuur Onderwerp: Iets waarover je van mening kunt verschillen.

Vraag: Welke argumenten zijn er voor / tegen in te brengen?

Uitwerking: Opsomming van argumenten. Strenger optreden tegen jeugdcriminaliteit.

Waarom moet er (niet) strenger worden opgetreden?

• Argument 1

• Argument 2 enz.

• Afweging / conclusie (slot)

6 verschijnsel-en-besprekingstructuur Onderwerp: Iets wat verschillende kanten heeft.

Vraag: Welke aspecten kent dit verschijnsel?

Uitwerking: Bespreking van verschillende onderdelen / aspecten. Reclame

Welke soorten / kenmerken heeft reclame?

• Aspect 1

• Aspect 2 enz.

• Samenvatting (slot)



Pg. 5.7 Functies van tekstgedeelten



Een tekstgedeelte staat niet zomaar in een tekst. Het heeft altijd een bepaalde functie binnen de hele tekst. De volgende lijst geeft in alfabetische volgorde verschillende functies van een tekstgedeelte aan:



Aanbeveling

De schrijver geeft een goede raad.



Aanleiding

De schrijver geeft aan welke gebeurtenis hem ertoe gebracht heeft een bepaalde tekst te schrijven.



Afweging

De schrijver geeft voor- en nadelen en vergelijkt ze met elkaar.



Antwoord

Een antwoord volgt natuurlijk altijd op een vraag.



Argumentatie

De schrijver geeft de reden(en) voor bepaalde opvattingen.



Bewijsvoering

De schrijver probeert met allerlei feiten een bepaalde stelling of mening te bewijzen.



Conclusie

Een conclusie vind je aan het eind van een uiteenzetting of een betoog.



Definitie

De schrijver probeert een zo nauwkeurig mogelijke beschrijving van iets te geven.

Doestelling

De schrijver geeft aan wat hij met een bepaalde tekst wil bereiken.



Gevolgen

De schrijver beschrijft eerst een bepaalde maatregel of een bepaald verschijnsel en geeft daarna aan wat de gevolgen ervan zijn.



Hypothese

Een hypothese is een stelling die de schrijver in de rest van zijn tekst probeert te bewijzen.



Inleiding

De inleiding is het begin van de tekst waarin de schrijver meestal in het kort probeert aan te geven wat hij in de tekst gaat behandelen. Hij probeert ook de aandacht van de lezers te trekken.



Ontkenning

Een ontkenning volgt altijd op een bewering, meestal een uitspraak van een ander.



Oorzaak

Een oorzaak geeft altijd een waardoor iets is ontstaan, waardoor iets is zoals het is.



Oplossing

Een oplossing volgt altijd na het schetsen van een probleem.



Opsomming

In een opsomming geeft de schrijver een aantal, tamelijk gelijkwaardige, meningen of verschijnselen weer.



Probleemstelling

Door middel van een probleemstelling probeert de schrijver duidelijk aan te geven over welk probleem zijn tekst gaat.



Reden

De reden lijkt erg veel op de oorzaak, maar er is een belangrijk verschil. Bij een reden gaat het om het waarom.



Redenering

Een redenering bestaat uit een reeks van beweringen en argumenten waarmee de schrijver tot een bepaalde conclusie komt.



Samenvatting

Aan het eind van een tekst of tekstgedeelte vind je een samenvatting. De schrijver probeert in enkele zinnen de kern weer te geven.



Stelling

Een stelling is een bewering die de schrijver door een serie voorbeelden of redeneringen moet bewijzen.



Tegenstelling

Een tegenstelling staat altijd tegenover een eerder beschreven verschijnsel of een eerder gegeven mening.



Tegenwerping

Een tegenwerping geeft altijd een mening of feiten weer die staan tegenover wat een ander juist beweerd.



Theorie

Een theorie is een algemene beschrijving van wat over een bepaald onderwerp is bedacht. Daar staat natuurlijk de praktijk tegenover.



Toelichting

Met een toelichting probeert de schrijver een bepaalde mening of een stelling duidelijk te maken. Het gaat erom dat de lezer de stelling begrijpt. De mening van de lezer is niet van belang,



Toepassing

Na een bepaalde theorie volt de toepassing of de praktische uitwerking ervan.



Uitwerking

In een uitwerking wordt een stelling of een bewering nader toegelicht of uitgebreid. De schrijver vertelt er iets meer om heen.



Verklaring

Een verklaring is een uitleg van een bepaald verschijnsel.



Voorbeeld

Een voorbeeld is een concrete verduidelijking van een bewering, stelling of mening.



Voorwaarde

De schrijver stelt dat voor er iets kan gebeuren, er eerst iets anders moet gebeuren; dat laatste is dan de voorwaarde.



Vraagstelling

Aan het eind van de inleiding vind je meestal een vraagstelling. De schrijver geeft aan op welke vraag hij al betogend en redenerend een antwoord zal geven.



Weerlegging

In een weerlegging gaat de schrijver tegen de mening van de ander in. Hij probeert te bewijzen dat de mening van die ander niet juist kan zijn.



Pg. 7.2 Samenvatten



Pg. 7.2.1 Verschil tussen uittreksel en samenvatting

Bij een samenvatting maak je een nieuwe (korte) tekst die de oorspronkelijke tekst kan vervangen. Daarbij zijn nauwkeurigheid en een goede bronvermelding heel belangrijk. Een uittreksel maak je meestal alleen voor jezelf, terwijl een samenvatting ook voor anderen is bedoeld.



Pg. 7.2.2 Eisen aan een samenvatting

Een samenvatting moet voldoen aan de volgende eisen:

• De samenvatting bevat alleen de hoofdzaken uit de tekst: de belangrijkste gegevens en argumenten.

• De strekking van de tekst is juist weergegeven.

• De samenvatting is prettig leesbaar.

• De omvang van de samenvatting is hoogstens 20 procent van de omvang van de basistekst.

• De samenvatting moet representatief zijn, dat wil zeggen de oorspronkelijke tekst kunnen vervangen zonder dat de lezer iets belangrijks mist.



Pg. 7.2.3 Voorwaarden

• Je begrijpt de inhoud van de tekst helemaal.

• Je weet hoe de tekst is opgebouwd.

• Je kunt de tekst heel beknopt in je eigen woorden weergeven.



Pg. 7.2.4 Aanwijzingen

Een samenvatting moet kort en overzichtelijk zijn. Daarom moet je je aan de volgende punten houden:

• Zet boven de samenvatting: samenvatting van … door … . Op de open plaatsen vul je de titel en de schrijver van de oorspronkelijke tekst in.

• Schrijf je samenvatting in een directe, zakelijke stijl.

o Vermijd formuleringen.

o Als een schrijver de ikvorm gebruikt, kun jij de hijvorm of de onpersoonlijke stijl gebruiken.

o Als de schrijver de tekst heeft geschreven zonder dat hij zijn eigen persoon daarin heeft betrokken, doe jij dat zeker ook niet.

• In een samenvatting laat je altijd weg:

o Details

o (de meeste) voorbeelden

o anekdotes om de aandacht vast te houden

o uitweidingen die niet zo veel met het onderwerp te maken hebben

o herhalingen



Pg. 7.2.5 Structuurschema

Hoe maak je een structuurschema:

• Je stelt eerst per alinea vast wat het onderwerp en wat de kernzin is.

• Je probeert van twee of meer alinea’s gezamenlijk het onderwerp vast te stellen.

• Je probeert vast te stellen wat de functie van elk deel in de hele tekst is. Die functie zet je dan in je schema voorop.



Pg. 7.2.6 Een tekst met uitgewerkt structuurschema

Bij een informatieve tekst moet je zorgen dat alle belangrijke informatie worden opgenomen, bij een persuasieve tekst moet je ervoor zorgen dat alle argumenten worden opgenomen.



Pg. 7.2.7 De informatieve tekst

Een goede werkwijze om een samenvatting van een informatieve tekst te maken is de volgende:

• Stel het onderwerp vast.

• Stel vast om wat voor soort tekst het gaat.

• Stel vast wat de hoofdgedachte is.

• Verdeel de tekst in een aantal delen door vast te stellen welke alinea’s bij elkaar horen, dus hetzelfde onderwerp hebben.

• Maak een structuurschema.

• Zoek per alinea de kernzin.

• Probeer verbindingswoorden tussen de kernzinnen te zetten.

• Herschrijf de losse zinnen tot een vlot leesbaar geheel.



Pg. 7.2.8 De persuasieve tekst

In een samenvatting van een persuasieve tekst moeten vooral duidelijk de stelling of bewering en de argumenten worden opgenomen. Daarnaast zijn natuurlijk ook de informatie-elementen onmisbaar. Ook hier is het belangrijk eerst goed naar de opbouw van de tekst te kijken. Een structuurschema kan weer van pas komen.



Pg. 7.2.9 Samenvatting van de werkwijze

Een samenvatting maken.

• Lees de tekst oriënterend: de titel, de inleiding, het slot.

• Noteer het onderwerp en de hoofdgedachte.

• Lees de tekst intensief: onderstreep de kernzinnen en omcirkel de signaalwoorden.

• Verdeel de tekst in delen. Stel vast waar de inleiding eindigt en waar de afsluiting begint. Verdeel ook het middenstuk in een aantal delen.

• Maar een structuurschema.

• Schrijf de kladversie. Vul daarna je structuurschema aan met signaalwoorden. Maak er vervolgens een lopende tekst van.

• Controleer of alle informatie-elementen, alle argumenten en alle verbanden aanwezig zijn.

• Controleer of de hoofdgedachte voldoende naar voren komt.

• Schrijf de netversie.



Pg. 7.2.10 Checklist voor de samenvatting

Checklist voor de samenvatting.

• Staat de oorspronkelijke titel en de naam van de auteur boven de samenvatting (altijd)? Is de plaats van de oorspronkelijke publicatie vermeld (alleen bij de documentatiemap)?

• Is de samenvatting direct en zakelijk geschreven?

• Is de samenvatting verdeeld in duidelijke alinea’s

• Is de samenhang tussen de verschillende alinea’s duidelijk?

• Zijn er geen te beknopte formuleringen of foute formuleringen gebruikt?

• Zijn spelling en interpunctie correct?

• Telt de samenvatting niet teveel woorden?



Pg. 8.3 Vergaderen en notuleren

De voorzitter leidt de vergadering, de secretaris maakt aantekeningen die hij later verwerkt tot notulen. De notulen geven een samenvatting van de vergadering en geven duidelijk aan welk besluiten er genomen zijn. Voordat de vergadering begint stuurt de secretaris aan alle leden een agenda, die hij in overleg met de voorzitter heeft samengesteld.

Een uitgewerkte notulen moet de volgende punten bevatten:

• De datum (en plaats) van de vergadering

• De naam van de notulist

• De aan- en afwezigen (met eventuele reden van afwezigheid)

• De besproken punten

• De standpunten van de aanwezigen met de voornaamste argumenten

• De conclusie of genomen beslissingen

• De afspraken over de te ondernemen actiepunten en wie ze uitvoert

• De datum (en plaats) van de volgende vergadering



Pg. 10.8 Aaneenschrijving



Wanneer we van twee of meer woorden een nieuw woord vormen, schrijven we ze meestal aan elkaar vast. We onderscheiden vijf gevallen:

• Zelfstandige naamwoorden schrijven we zo veel mogelijk aaneen. Dit geldt ook voor driedelige samenstellingen.

• Veel bijvoeglijke naamwoorden schrijven we aaneen.

• Veel werkwoorden schrijven we aaneen. Maar diverse andere werkwoorden worden los geschreven. (tot stand komen, in werking treden, zich zorgen maken, ervandoor gaan, trompet spelen, los schrijven)

• Voornaamwoordelijke bijwoorden (woorden met er, daar, hier en waar) schrijven we aaneen.

• Getallen tot honderd (in letters) en de samenstellingen met –honderd en –duizend schrijven we aaneen.



Pg 10.9 Het liggende streepje



Samenstellingen schrijven we meestal aaneen. In een aantal gevallen voorkomt een liggend streepje dat het woord verkeerd wordt gelezen, bijvoorbeeld: auto-ongeluk, mee-eten.

• Bij twee gelijke klinkers plaatsen we een liggend streepje.

• Ook bij andere letters die tot verkeerd lezen kunnen leiden, zetten we een streepje. Bij diverse andere combinaties is een streepje overbodig.

• Tussen gelijkwaardige delen plaatsen we een streepje. Bij de volledige naam van gehuwde vrouwen staat een streepje.

• Als het eerste deel uit twee woorden met een hoofdletter bestaat, plaatsen we een streepje.

• Samenstellingen met cijfers, letters en andere tekens en die met Sint of St. schrijven we met een streepje.

• In samengestelde aardrijkskundige namen staat een streepje.

• Samenstellingen met een eigennaam hebben een streepje.

• Samenstellingen met privé, pro, ex, niet, non, quasi, loco, semi, vice en oud hebben een streepje. Samenstellingen met anti krijgen alleen een streepje wanneer het tweede deel met een hoofdletter begint.

• Sommige woorden hebben twee liggende streepjes.



Pg. 10.10 Het weglatingsstreepje



Een woorddeel dat twee keer voorkomt, kunnen we soms weglaten. We plaatsen dan een weglatingsstreepje.

• Een deel van het woord is weggelaten. Het streepje zit vast aan het andere deel. Let op: in de volgende gevallen plaatsen we geen weglatingsstreepje, omdat er geen deel van een woord is weggelaten. (echt en namaakleer = echt leer en namaakleer, grote en kleine problemen = grote problemen en kleine problemen)



Pg. 10.11 Het trema



Om leesproblemen te voorkomen gebruiken we het liggende streepje in samengestelde woorden (dia-avond) en het trema in niet-samengetelde woorden (reünie).

• Het trema geeft aan waar de nieuwe lettergreep begint. Zonder trema zou je het woord verkeerd kunnen lezen.

• Bij sommige meervoudsvormen schrijven we een trema.

• Bij –iee- en –ii- is een trema overbodig

• Samengestelde telwoorden en afgeleide woorden krijgen geen liggend streepje maar een trema.



Pg. 11.1 De functie van leestekens



Leestekens hebben twee functies:

• Ze verduidelijken het verband tussen de delen van een zin.

• Ze voorkomen verkeerd lezen.



Pg 11.2 De punt, het vraagteken en het uitroepteken



• We zetten een punt aan het einde van een zin. Er komt geen punt, als de zin eindigt met een vraagteken, uitroepteken of afkorting.

• Na een vraag zetten we een vraagteken. Na een uitroep, wens, waarschuwing, aansporing of bevel zetten we een uitroepteken. Het is niet nodig om meer vraag- of uitroeptekens te plaatsen.



Pg. 11.3 De komma



• We zetten komma’s tussen de delen van een opsomming

• We schrijven een komma achter en / of voor een aangesproken persoon en tussenwerpsel. De aangesproken persoon is degene voor wie de zin / mededeling bedoeld is. Een tussenwerpsel is een uitroep van meestal een woord die buiten het zinsverband staat.

• Voor en achter een bijstelling staat een komma. Een bijstelling is een zinsdeel dat dezelfde zaak of persoon nog eens noemt, maar dan met andere woorden.

• Voor een aantal voegwoorden die twee aparte mededelingen met elkaar verbinden, staat een komma. Voor de volgende voegwoorden staat altijd een komma: maar, want, doordat, opdat, zodat, hoewel, terwijl, mits, tenzij. Voor de volgende voegwoorden staat soms een komma: als, wanneer, omdat, doordat, nadat, totdat, voordat, toen. Let op: De komma staat hier tussen de delen van een samengestelde zin.

• Tussen twee werkwoorden uit verschillende gezegdes schrijven we een komma. Let op: De komma staat hier tussen de delen van een samengestelde zin.

• We schrijven een komma na een beperkende of uitbreidende bijvoeglijke bijzin en voor een uitbreidende bijvoeglijke bijzin, omdat deze extra informatie versterkt. Een bijvoeglijke bijzin bevat een onderwerp en een gezegde, sluit aan bij een antecedent (een zinsdeel dat een persoon of zaak noemt) en begint dikwijls met een betrekkelijk voornaamwoord of voornaamwoordelijk bijwoord (die, dat, waarmee, waarover enz.)

• Voor en na tussengeschoven woorden staat een komma.

• We gebruiken een komma om verkeerd lezen te voorkomen.



Pg. 11.4 De puntkomma



• We zetten een puntkomma tussen twee zinnen of mededelingen die nauw met elkaar samenhangen. In de tweede zin staat een woord dat het bijzondere verband tussen de zinnen aangeeft.

• In langere opsommingen is een puntkomma soms duidelijker dan een komma.



Pg. 11.5 De dubbele punt



• We zetten een dubbele punt bij directe rede.

• Voor een uitwerking, opsomming of verklaring staat een dubbele punt.



Pg 11.6 Aanhalingstekens



• Aanhalingstekens gebruiken we bij directe rede. Er zijn drie gevallen van directe rede te onderscheiden. Let op de leestekens en de plaats waar ze staan. Er zijn diverse soorten aanhalingstekens. De gebruikelijkste zijn twee tekentjes boven aan de regel. In veel gedrukte teksten zie je andere vormen. Bij gedachten en wensen zetten we geen aanhalingstekens.

• We zetten aanhalingstekens wanneer we willen aangeven dat de gebruikte woorden van een ander zijn.

• Titels van boeken, films, programma’s enz. staan tussen aanhalingstekens.

• Bij ironie, bijzonder gebruik of een zelfnoemfunctie zetten we aanhalingstekens. (We gebruiken de term zelfnoemfunctie wanneer we een uitspraak doen over een woord. Het gaat dus niet zozeer om de betekenis van het woord, maar om het woord zelf.)



Blok 5



Pg. 3.5 Persuasieve tekstvormen



Pg. 3.5.2 Betoog

Betogen brengen de mening van de schrijver nadrukkelijk naar voren met argumenten en een conclusie. In een betoog wil je een ander overtuigen van je gelijk. Een betoog is dus erg subjectief. Een betoog is vaak opgebouwd volgens het volgende schema:

Inleiding Vraagstelling of stelling. Hoe verminder je de criminaliteit?

Om crimineel gedrag te verminderen moet er strenger worden opgetreden.

Middenstuk Argumenten:

• objectief

• subjectief

Tegenargumenten



Tegenwerping Uit statistieken van 1997 blijkt dat …

Uit ervaring weet ik dat ik mij anders gedraag als ..



Wel is een nadeel van langere straffen dat …

Een ander nadeel is dat …

Maar deze nadelen kun je verkleinen door …

Slot Conclusie of samenvatting Uit het voorgaande blijkt dat …

Voor mij geeft … de doorslag.

Kortom, ik vind dat …

Samenvattend kan ik stellen dat …



Pg 6.1 Argumenten



Pg. 6.1.1 Wat is een argument?

Argumenten gebruik je om je mening of standpunt te verduidelijken. Als je een keus maakt, weeg je argumenten tegen elkaar af. Ook als je iets wilt bewijzen zoek je argumenten.



Pg. 6.1.2 Reden en oorzaak

Een argument is een beweegreden, dat wil zeggen het is de reden waarom je iets doet of vindt. Let goed op het verschil tussen reden en oorzaak. Er is sprake van een reden als de mens zelf de keuze heeft gemaakt, misschien wel zonder dat hij dat goed in de gaten heeft. Er is sprake van een oorzaak als de mens er zelf niets aan kan doen. Het eerste argument noem je altijd een hoofdargumenten. De andere argumenten zijn subargumenten.



Pg. 6.3 Redeneringen; hoofd- en subargumenten



Pg. 6.3.1 Twee hoofdtypen

Bij argumenten gaat het altijd om redeneringen. Een redenering kan op twee manieren worden opgebouwd; er zijn twee hoofdtypen.



Pg. 6.3.2 Eerste hoofdtypen

De schrijver begint met een stelling of bewering en laat daar de argumenten op volgen. Aan het slot volgt vaak een conclusie.

Eerste hoofdtypen:

• stelling / bewering

• argumenten

• conclusie

De volgende signaalwoorden kunnen gebruikt worden voor een argument:

Immers, want, namelijk.



Pg. 6.3.3 Tweede hoofdtypen

Vaak begint een schrijver zin betoog niet met een stelling of bewering, maar met de argumenten. Aan het slot trekt hij dan een conclusie. Die conclusie neemt meteen de functie van de stelling.

Tweede hoofdtypen:

• argumenten

• conclusie (= stelling / bewering)

Argumenten die gelijkwaardig aan elkaar zijn, die dus onderling van plaats kunnen wisselen, noemen we hoofdargumenten. Een argument dat gebruikt wordt om een eerder genoemd argument te versterken, noemen we een subargument.



Pg. 6.5 Argumenten en tegenargumenten



In een discussie lokt een argument snel een tegenargument uit. In veel betogen probeert de schrijver al vast op eventuele tegenargumenten in te gaan. Hierdoor wordt het betoog afwisselender en je overtuigt de lezer ook sneller.



Pg. 6.6 Logisch redeneren



Pg. 6.6.1 Opbouw van een logische redenering

Een logische redenatie heeft vaak de volgende opbouw: er wordt een algemene bewering gedaan, dan wordt een concreet voorbeeld gegeven, gevolgd door een conclusie.



Pg. 6.6.2 Redeneerfouten

Om logisch te redeneren moet de stelling, waarneming en conclusie natuurlijk wel correct zijn.



Pg. 8.4 Het debat



In een debat tussen twee personen staan de standpunten al van te voren vast. Dat is bij een discussie niet het geval. Je probeert in een debat je eigen standpunten zo goed mogelijk te verdedigen en de argumenten van je tegenstander te weerleggen. Er is dus altijd sprake van

concurrentie. Deelnemers aan het debat vallen zo’n stelling aan of verdedigen deze juist. Dat doen ze aan de hand van een viertal vragen. Die vragen noemt men geschilpunten. De vier vragen luiden:

• Bestaan er in de huidige situatie wel problemen?

• Waardoor worden die problemen veroorzaakt? Ligt het aan onduidelijke of foute afspraken, aan onduidelijke regelingen enz.?

• Worden de problemen door het nieuwe beleid opgelost?

• Zijn de voordelen van het in te voeren beleid groter dan de nadelen ervan?

De rol van de debatleider is beperkt. Hij vermeldt de stelling, hij vertelt wie de voor- en tegenstanders zijn en hij verdeelt de beurten. Dan begint het eigenlijke debat. Je kunt een debat opbouwen in vijf ronden:

• Opzetbeurt van de voorstanders

• Opzetbeurt van de tegenstanders

• Verweerbeurt van de voorstanders

• Verweerbeurt van de tegenstanders

• Slotbeurt van de voorstanders



Pg. 9.6 Storende woordherhaling



Een tekst is saai als steeds hetzelfde woord wordt gebruikt. Door het woord een keer weg te laten of te vervangen door een ander woord met dezelfde betekenis, leest de zin prettiger.



Pg. 9.7 Voornaamwoordelijke aanduiding



Onzijdige woorden: het-woorden

• We verwijzen naar het-woorden met het persoonlijk voornaamwoord het en het bezittelijk voornaamwoord zijn.

• Namen van steden en landen zijn meestal het-woorden er zijn echter ook enkele vrouwelijke en meervoudige landennamen.

• Alle verkleinwoorden zijn het-woorden.



Mannelijke en vrouwelijke woorden: de-woorden (enkelvoud)

• Bij mannelijke de-woorden gebruiken we de persoonlijke voornaamwoorden hij en hem en het bezittelijk voornaamwoord zijn.

• Bij vrouwelijke de-woorden die en vrouwelijke persoon noemen, gebruiken we de persoonlijke voornaamwoorden zij / ze en het bezittelijk voornaamwoord haar.

• Bij veel abstracte de-woorden gebruiken we het persoonlijke voornaamwoord ze en het bezittelijk voornaamwoord haar. In het woordenboek staat achter deze woorden uitsluitend de aanduiding v.

• Woorden als minister en verpleegkundige noemen we gemeenslachtige de-woorden. We gebruiken ze zowel voor mannelijke als vrouwelijke personen. De keuze van het verwijzende woord hangt hier samen met het feit of naar een mannelijke dan wel vrouwelijke persoon wordt verwezen.



Meervoudige woorden

• Bij zaken gebruiken we altijd ze.

• Bij personen gebruiken we zij of ze als het om een onderwerp gaat en hen of ze als een lijdend voorwerp betreft.

• Het persoonlijke voornaamwoord hun mag je alleen gebruiken bij een meewerkend voorwerp. De woorden ze of aan hen zijn ook goed. Schrijf na een voorzetsel altijd hen.

• Hun kan nooit onderwerp zijn.



Misschien twijfel je soms of het gekozen verwijzende woord wel juist is, omdat het onnatuurlijk aandoet. In zo’n geval kun je twee dingen doen:

• Je vervangt het verwijzende woord door het aanwijzende voornaamwoord deze of die.

• Je gebruikt geen vervangende woorden, maar noemende.



De betrekkelijke voornaamwoorden dat en wat

• Als het antecedent waarnaar wordt verwezen een het-woord is, gebruik je dat; als het een hele zin is het woordje wat.

• Ook na een overtreffende trap gebruik je het woordje wat.



Enkelvoudige woorden en verzamelnamen

• Bij deze woorden hoort een enkelvoudig verwijzend woord (en een enkelvoudige persoonvorm)

• Wanneer je vindt dat het enkelvoud nogal onnatuurlijk aandoet, kun je dikwijls kiezen voor een meervoudig woord.



Naar personen en zaken verwijzen

• Om naar personen te verwijzen gebruik je aan, wie, met wie enz.

• Om naar zaken te verwijzen gebruik je de voornaamwoordelijke bijwoorden waaraan, waarmee enz.



Pg. 9.8 Congruentiefout



Tussen het onderwerp en de persoonsvorm van een zin bestaat overeenkomst in getal. Soms kan er twijfel over bestaan of je een enkelvoudige of meervoudige persoonsvorm moet gebruiken.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.